Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Midden-Nederland 070916 aanrijding na afslaan motor voorste auto bij verkeerslicht; voorste auto heeft geen wettelijk voorschrift geschonden; niet aansprakelijk voor schade achteroprijder

Rb Midden-Nederland 070916 aanrijding na afslaan motor voorste auto bij verkeerslicht; voorste auto heeft geen wettelijk voorschrift geschonden; niet aansprakelijk voor schade achteroprijder

2 De feiten

2.1.
Op 25 februari 2016 is een aanrijding gebeurd tussen [eiser] en [A] (hierna: [A] ), die beiden een auto bestuurden. [A] stond voor een rood verkeerslicht te wachten, [eiser] stond direct achter haar. Nadat het verkeerslicht groen werd trokken beide auto’s op. Vervolgens sloeg de motor van de door [A] bestuurde auto af, waarna deze abrupt tot stilstand kwam. [eiser] is toen met zijn auto op die van [A] gebotst. Beide auto’s hadden schade.

2.2.
ASR is de verzekeraar van de auto waarin [A] reed.

3 Het geschil

3.1.
[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van ASR om aan [eiser] te voldoen € 1.862,75 (bestaande uit € 1.576,71 aan hoofdsom en € 286,04 aan buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 8 april 2016 tot de voldoening en met veroordeling van ASR in de proceskosten.

3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [A] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, door niet door te rijden bij het groene verkeerslicht en door gevaar of hinder op de weg te veroorzaken, waardoor het ongeval is ontstaan. ASR is als verzekeraar van [A] gehouden om de schade die hierdoor aan zijn voertuig is ontstaan te vergoeden, aldus [eiser] . [eiser] maakt aanspraak op de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten omdat ASR in verzuim is geraakt, respectievelijk omdat [eiser] de vordering uit handen heeft moeten geven.

3.3.
ASR heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Het verweer komt er kort gezegd op neer dat [A] de door [eiser] gestelde verkeersregels niet heeft geschonden en dat [eiser] bovendien zelf te weinig afstand heeft gehouden.

3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.
De kantonrechter is van oordeel dat uit wat [eiser] heeft aangevoerd niet volgt dat [A] een wettelijk voorschrift heeft geschonden.

4.2.
Op grond van artikel 68, eerste lid, onder a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 betekent een groen verkeerslicht: doorgaan. Dat is ook precies wat [A] heeft gedaan toen het verkeerslicht van rood naar groen ging. Dat haar motor afsloeg en de auto daardoor stil kwam te staan betekent niet dat zij zich niet aan de regel van doorgaan bij groen heeft gehouden.

4.3.
Op grond van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 is het verboden om zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. Uit de wetsgeschiedenis van dit artikel blijkt dat de wetgever met deze bepaling alleen evidente vormen van gevaar of hinder beoogde aan te pakken. Daarvan is in dit geval geen sprake. Doordat de motor van de auto van [A] afsloeg en de auto kwam stil te staan is wel hinder ontstaan: de auto’s daarachter konden immers niet meer doorrijden. Van evidente hinder is echter geen sprake, omdat een dergelijk oponthoud normaal gesproken maar van korte duur is: [A] had na het opnieuw starten van de motor direct door kunnen rijden. Dit werd haar echter belemmerd doordat [eiser] achterop haar auto botste. Hierdoor werd de hinder voor het achteropkomende verkeer – die aanvankelijk beperkt was – groter, maar dat betekent niet dat daarmee gezegd kan worden dat [A] hinder heeft veroorzaakt zoals bedoeld in genoemd wetsartikel. Van evident gevaar op de weg is ook niet gebleken. Kruisingen worden over het algemeen door verkeerslichten geregeld op plekken waar dat vanwege de verkeerssituatie nodig is. Dat een auto, nadat deze bij een groen verkeerslicht optrekt, plotseling stopt of moet stoppen is dan om allerlei redenen denkbaar. Dat levert geen evident gevaarlijke situatie op, maar eerder een situatie waar achteropkomend verkeer bij het wegrijden van een verkeerslicht op moet anticiperen. De enkele omstandigheid dat in zo’n situatie een ongeval plaatsvindt maakt ook niet dat alleen daaruit volgt dat de voorste auto een evident gevaarlijke situatie heeft veroorzaakt. Een ongeval kan immers ook door een andere reden ontstaan, bijvoorbeeld doordat het achteropkomende verkeer onvoldoende afstand houdt op zijn voorganger.

4.4.
Het is dus niet gebleken dat [A] een wettelijk voorschrift geschonden. Dat betekent dat er geen grondslag is voor de vordering van [eiser] , zodat die zal worden afgewezen. Daarmee kan in het midden blijven of [eiser] wel of niet voldoende afstand heeft gehouden: dat is immers pas relevant bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van eigen schuld bij [eiser] na een normschending van [A] . Ook de rechtspraak waarop [eiser] zich op de comparitie nog heeft beroepen is niet meer van belang. Die ziet namelijk op de vaststelling van het causale verband tussen normschending en schade, op het moment dat al vast staat dat van een normschending sprake is. ECLI:NL:RBMNE:2016:4817

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies