Overslaan en naar de inhoud gaan

RBGEL 081121 verzocht 49 uur x € 230,00 + 21 %, toegewezen 45 x € 230,00 + 21% € 12.523,50

RBGEL 081121 AOV A.foortse heeft gemengd karakter met aspecten van schade- en sommenverzekering; geen voordeel verrekening
- verzocht 49 uur x € 230,00 + 21 %, toegewezen 45 x € 230,00 + 21% € 12.523,50

Kosten deelgeschil

4.15.
[verzoekers] heeft verzocht op de voet van artikel 1019aa lid 1 Rv aan advocaatkosten te begroten: 49 uur tegen een uurtarief van € 230,00 exclusief 21 % btw, te vermeerderen met de kosten voor de reistijd, mondelinge behandeling en nabespreking.

4.16.
Baloise werpt daartegen in de eerste plaats op dat begroting achterwege moet blijven omdat het verzoek onnodig is ingesteld, omdat [verzoekers] het volledige geschil heeft voorgelegd en een deelgeschilprocedure daarvoor niet is bedoeld. Daarnaast maakt Baloise bezwaar tegen de opgevoerde tijdsbesteding, waarbij zij wijst op het ontbreken van een urenspecificatie, en acht zij een tijdsbesteding van in totaal 15 uur redelijk.

4.17.
Artikel 1019aa Rv bepaalt dat de rechter in de beschikking de kosten begroot die gemoeid zijn met de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt en dat de rechter daarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking neemt. Daarbij geldt een dubbele redelijkheidstoets: het dient redelijk te zijn dat deze kosten zijn gemaakt en de hoogte van deze kosten dient eveneens redelijk te de zijn (MvT, Kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 18). Dit betekent dat de kosten niet voor begroting en vergoeding in aanmerking komen indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld.

4.18.
Anders dan Baloise is de rechtbank van oordeel dat het onderhavige deelgeschil niet volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Gelet op de uiteenlopende standpunten van partijen was niet voorzienbaar dat partijen tot overeenstemming hadden kunnen komen wat betreft het verrekenen van de AOV-uitkering. Reeds daarom kan niet worden aangenomen dat deze procedure onnodig geweest. Hoewel [verzoeker sub 1] in zijn verzoekschrift onder 238 aankondigt dat hij nog een opgave van de verrichte werkzaamheden zal overleggen, heeft hij dat niet meer gedaan. Bij gebreke van een urenspecificatie van de periode tot aan het indienen van het verzoekschrift zal de rechtbank de voor die periode gevorderde tijdsbesteding in zijn geheel beoordelen. De rechtbank acht een tijdsbesteding van 40 uur voor een verzoekschrift met producties alsmede de daarvoor benodigde correspondentie en overleg, rekening houdend met de verschillende geschilpunten, de aard van het letsel en de mate van complexiteit van de zaak, aan de hoge kant. De rechtbank acht een tijdsbesteding van drie á vier dagen meer in overeenstemming met de redelijkheid en zal daarom uitgaan van 30 uur. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de gestelde extra tijdsbesteding wegens het aanpassen van het verzoekschrift vanwege het op een laat moment ontvangen van het medisch advies van de zijde van Baloise. Daarboven houdt de rechtbank rekening met 1,5 uur voor het opstellen van het aanvullend verzoekschrift, zoals [verzoekers] heeft verzocht. Baloise heeft immers onvoldoende weersproken dat [verzoekers] pas op 9 maart 2021 bekend was met de erkenning van Baloise van directe aansprakelijkheid. Gelet op de omvang van het verweerschrift acht de rechtbank de voor het voorbereiden van de zitting en opstellen van de pleitnotitie gevorderde tijdsbesteding van 7,5 uur redelijk. Voor het bijwonen van de zitting inclusief reistijd en nabespreking acht de rechtbank 6 uur redelijk. In totaal acht de rechtbank een tijdsbesteding van 45 uur redelijk. De begroting komt dan in totaal uit op een bedrag van € 13.475,50 (€ 230,00 + 21% x 45 = € 12.523,50 + € 952,00 aan griffierecht). ECLI:NL:RBGEL:2021:5913