Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb 's-Hertogenbosch 280911 overlijden advocaat; erfenis niet van belang voor levensonderhoud kinderen; levensonderhoud mede bepaald door bijbanen tijdens studie;

Rb 's-Hertogenbosch 280911 overlijden advocaat; erfenis niet van belang voor levensonderhoud kinderen; levensonderhoud mede bepaald door bijbanen tijdens studie; 

2.1.  Op 3 januari 2002 is de heer [XX] bij een verkeersongeval om het leven gekomen. Hij was vijftig jaar oud. [Eiseres sub 1], zijn echtgenote, was destijds 42 jaar oud. Hun kinderen [eiser sub 2], [eiser sub 3] en [eiseres sub 4] waren destijds respectievelijk 17, 15 en 12 jaar oud. De heer [XX] was advocaat en onderhield met zijn inkomen het gezin. 

2.2.  [eisers] vordert samengevat - het volgende: 
1.  een verklaring voor recht dat Allianz c.s. aansprakelijk zijn voor het ongeval en dat zij de schade van [eisers] ex artikel 6:108 BW dienen te vergoeden; 
2.  een veroordeling van Allianz c.s. tot vergoeding van de schade van [eisers], conform een berekening opgesteld door een door de rechtbank benoemde deskundige, aan de hand van de door de rechtbank vast te stellen uitgangspunten; 
3.  een verklaring voor recht dat de kosten van de begrafenis vergoed en verrekend dienen te worden met het ontvangen voorschot van € 25.000,-; 
4.  een veroordeling van Allianz c.s. tot betaling aan [eisers] van: 
a.  de opslagkosten van de auto (€ 5.129,-) vermeerderd met rente; 
b.  de verhuiskosten en opslagkosten meubilair t/m 2010 (€ 16.735,50) vermeerderd met rente;
5.  een veroordeling van Allianz c.s. tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten (€ 49.920,-), vermeerderd met rente; 
6.  een verklaring voor recht dat de kosten van de accountant en van de heer [YY] (schadepost genoemd in nr. 45 van de dagvaarding) onderdeel zijn van de schade en vergoed dienen te worden aan [eisers]; 
dan wel 
7.  een veroordeling van Allianz c.s. tot vergoeding van de schade van [eisers] waarbij de rechtbank de schade begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is (artikel 6:97 BW); 
8.  dit alles met veroordeling van Allianz c.s. in de kosten van de procedure. 

3.  De beoordeling 

Toedracht 

3.1.  Over de toedracht van het ongeval staat onder meer het navolgende vast. 
Het ongeval vond plaats op de snelweg A2 ter hoogte van Best. Op de plaats van het ongeval bestaat de rijbaan - bezien vanuit de richting ’s Hertogenbosch - uit twee rechtdoorgaande rijstroken en een rijstrook als weefvak naar rechts. Rechts naast dit weefvak ligt een vluchtstrook en rechts van de vluchtstrook ligt een berm in de vorm van een sterk oplopend taluud zonder vangrail. Links van de twee rechtdoorgaande rijstroken is een smalle middenberm (redresseerstrook) met een vangrail. 
[XX] reed met zijn Citroën over deze snelweg in zuidelijke richting en is daarbij tegen een Suzuki gereden die op dat moment werd bestuurd door de heer [E], politieagent. Deze Suzuki was even daarvoor door een aanrijding met een vrachtwagen links op de middenberm van de snelweg terecht gekomen en daarna nog aangereden door een passerende Honda. De vrachtwagen en de Honda stonden op de vluchtstrook aan de rechterzijde van de snelweg. Op die vluchtstrook stonden inmiddels ook een bergingsauto en een politieauto. Een politieauto met zwaailicht stond op de linkerrijstrook vóór de Suzuki (bezien vanuit de richting ’s Hertogenbosch). De heer [E] was doende de Suzuki te verplaatsen naar de vluchtstrook aan de rechterzijde van de snelweg toen de heer [XX] eraan kwam, tegen de rechterflank van de Suzuki botste en vervolgens in de uitloop in botsing kwam met de achterzijde van de bergingsauto die rechts op de vluchtstrook stond. Tijdens die uitloop heeft de Citroën van de heer [XX] mevrouw [F] geraakt, een politieagente die op de vluchtstrook stond. De heer [XX] is ter plaatse aan zijn verwondingen overleden. Mevrouw [F] is later in het ziekenhuis overleden. 

Aansprakelijkheid 

3.2.  [eisers] zijn kort gezegd van mening dat het ongeval waarbij de heer [XX] is omgekomen is veroorzaakt doordat politieagent [E] heeft gehandeld in strijd met de verkeersveiligheid door met de Suzuki de snelweg over te steken zonder eerst te wachten tot het overige verkeer op de snelweg A2 was stilgelegd. Zij houden daarom de Regiopolitie (werkgever van [E]) en Allianz (aansprakelijkheidsverzekeraar van de Suzuki) volledig aansprakelijk voor de schade die zij lijden door het overlijden van hun echtgenoot en vader. Van eigen schuld aan de zijde van [XX] is volgens hen geen sprake. Voor zover de rechtbank toch eigen schuld zou aannemen, doen [eisers] een beroep op de billijkheidscorrectie. 

3.3.  Allianz c.s. stellen zich op het standpunt dat het ongeval niet, dan wel hooguit voor een klein deel te verwijten valt aan politieagent [E]. Zij menen dat [E] zorgvuldig heeft gehandeld. Voordat hij de Suzuki wegreed is opdracht gegeven de linkerrijstrook af te sluiten (door plaatsing van een rood kruis op de matrixborden) en is een surveillancewagen gevraagd om zich met de zwaailichten aan op de linkerrijstrook op te stellen vóór de Suzuki. [E] heeft vervolgens de Suzuki weggereden op een moment dat de snelweg in zijn ogen vrij was. Allianz c.s. benadrukken dat [E] de taak had de gevaarzettende situatie - de Suzuki die in de middenberm stond en nieuwe aanrijdingen kon veroorzaken - zo spoedig mogelijk op te heffen. Allianz c.s. stellen dat sprake is van een hoge mate van eigen schuld aan de zijde van [XX] omdat hij met hoge snelheid is blijven rijden terwijl het hem door de waarschuwingssignalen duidelijk had moeten zijn dat hij een gevaarlijke situatie naderde en hij zijn rijgedrag aan die omstandigheden had moeten aanpassen. Allianz c.s. beroepen zich in dit verband op een brief van de hoofdofficier van justitie van 21 juni 2002. Allianz c.s. achten zich daarom voor hooguit 50% aansprakelijk voor de schade. Toepassing van de billijkheidscorrectie kan volgens Allianz c.s. niet aan de orde zijn omdat het ongeval [XX] is overkomen met een door hem zelf bestuurd motorvoertuig en gezien de ernst van de door hem gemaakte fout. 

De rechtbank oordeelt als volgt. 

3.4.  Naar de toedracht van het ongeval is uitvoerig onderzoek gedaan. Niet alleen door de Regiopolitie en door het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD), maar op verzoek van [eisers] ook door ongevallendeskundige [YY], en op verzoek van Allianz c.s. ook door [ZZ] van schaderegelingsbureau [PP] De resultaten van al deze onderzoeken zijn door [eisers] in het geding gebracht. 

3.5.  Ook heeft [eisers] overgelegd een brief van de hoofdofficier van justitie van 21 juni 2002 (productie 7) waarin deze gemotiveerd aangeeft dat en waarom de zaak tegen politieagent [E] is geseponeerd. De hoofdofficier van justitie stelt vast dat [E] aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld en dat het gedrag van [E] een overtreding oplevert van artikel 6 Wegenverkeerswet, maar besluit toch tot een sepot onder meer vanwege het verkeersgedrag van [XX]. Deze reed volgens hem met te hoge snelheid en was te weinig oplettend. 

3.6.  Op basis van de onderzoeksgegevens staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat het ongeval met [XX] het gevolg is geweest van onvoorzichtigheid van politieagent [E]. De rechtbank begrijpt heel goed dat [E] snel een einde heeft willen maken aan de gevaarlijke situatie die was ontstaan, maar hij had dat op een andere manier moeten doen. Hij heeft niet gevraagd om een volledige stillegging van het verkeer maar slechts om een afsluiting van de linkerrijstrook via de matrixborden. Hij is vervolgens met de Suzuki vrijwel haaks de rechterrijstrook en de weefstrook overgestoken zonder af te wachten of de aangevraagde afsluiting ook had plaatsgevonden en zonder na te gaan of het overige verkeer was stilgelegd. Zoals ook de hoofdofficier van justitie aangeeft in zijn brief van 21 juni 2002 was in dit geval een andere benadering aangewezen en had [E] bijvoorbeeld met de Suzuki eerst iets verder kunnen doorrijden, waardoor hij zich er beter van had kunnen vergewissen dat hij veilig kon oversteken, dan wel had hij zijn collega’s kunnen vragen het verkeer op de A2 te laten stilhouden. Door dit niet te doen, maar met spoed haaks twee rijbanen over te steken voordat het aankomend verkeer onder controle was, heeft [E] naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld. Allianz c.s. zijn daarom aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval. 

Eigen schuld en billijkheidscorrectie 

3.7.  Allianz c.s. doen een beroep op eigen schuld aan de zijde van [XX]. Zij stellen daartoe dat sprake was van een overzichtelijke en rustige weg waarop het voor [XX] duidelijk had moeten zijn dat hij een verkeersgevaarlijke situatie naderde omdat er zich al twee ongevallen hadden voorgedaan en zich ter hoogte van hectometerpaal 141.9 een vrachtwagen, een bergingsauto met zwaailichten, twee personenauto’s, een politieauto zonder zwaailicht en een politieauto met zwaailicht bevonden. Volgens Allianz c.s. gaven de matrixborden voor de ongevalslocatie een adviessnelheid aan van 70 km/uur, terwijl bovendien de waarschuwingslichten op de vier hoeken van die borden knipperden. Het rode kruis op de linkerrijstrook werd ingeschakeld rond het moment dat [XX] de matrixborden passeerde, net wel of net niet zichtbaar voor hem. Ook de matrixborden bij hectometerpaal 142.1 (voorbij de ongevalslocatie) waren ingeschakeld en voor [XX] zichtbaar. [XX] is volgens Allianz c.s. desalniettemin met hoge snelheid blijven rijden. 

3.8.  Anders dan Allianz c.s. kan de rechtbank op basis van de voorhanden gegevens niet komen tot de vaststelling dat sprake is geweest van een belangrijke mate van eigen schuld aan de zijde van [XX]. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking. 

3.9.  Het ongeval vond plaats om 10.33 uur in de nabijheid van hectometerpaal 141.9. 
Uit het beeldstandenonderzoek van Rijkswaterstaat blijkt welke signaleringen zijn gedaan via de matrixborden (bijlage 1 bij productie 3). Om 10.25 uur is op de matrixborden bij hectometerpaal 141.8 (circa 100 meter vóór de ongevalslocatie) voor alle drie rijbanen een adviessnelheid aangeduid van 70 km/uur. Om 10.32 uur is op ditzelfde matrixbord voor de linkerrijstrook een verdrijvingspijl (naar rechts) aangegeven en is voor de overige rijbanen de adviessnelheid van 70 km/uur gehandhaafd. Ook om 10.32 uur is op de matrixborden bij hectometerpaal 142.1 (voorbij de ongevalslocatie) een rood kruis geplaatst voor de linkerrijbaan en is voor de overige rijbanen de adviessnelheid van 70 km/uur blijven staan. Hieruit blijkt dat het rode kruis en de verdrijvingspijl pas zeer kort (in tijd) voor het ongeval werden geplaatst en door een misverstand gebeurde dat niet op de matrixborden vóór de ongevalslocatie maar werd het rode kruis geplaatst op de borden voorbij de ongevalslocatie. De plaatsing van het rode kruis en de verdrijvingspijl op de matrixborden gebeurde zo kort voor het ongeval, dat niet met zekerheid is te zeggen of de verdrijvingspijl al op het matrixbord bij hectometerpaal 141.8 heeft gestaan toen [XX] dit bord passeerde. 

3.10.  De afsluiting gold alleen voor de linkerrijbaan en niet voor de rechterrijbaan en de weefstrook, waarop het verkeer dus in beginsel gewoon door mocht rijden, zij het met een aangepaste adviessnelheid van 70 km/uur. Diverse getuigen hebben gemeld dat het aankomend verkeer ‘weifelend’ gedrag vertoonde. Nadat de surveillancewagen al op de linkerrijstrook voor de Suzuki was gaan staan, zijn nog verschillende auto’s over de rechterrijbaan en de weefstrook gepasseerd. Uit de getuigenverklaringen blijkt dat niemand van hen bij het naderen van de ongevalslocatie een duidelijk overzicht had van de afwijkende en gevaarlijke situatie ter plekke. 

3.11.  Over de snelheid waarmee [XX] moet hebben gereden toen hij de ongevalslocatie naderde, bestaat geen zekerheid. Getuigen hebben hierover zeer uiteenlopende verklaringen afgelegd, waarbij snelheden zijn genoemd variërend van (iets harder dan) 60 à 65 km/uur tot 120 km/uur. Het KLPD heeft berekend dat de snelheid van [XX] vlak voor het inzetten van zijn blokkeerremming moet hebben gelegen tussen 75 en 119 km/uur. Lichteveld heeft de snelheid van [XX] daarentegen vastgesteld op 120 km/uur (althans tussen 115 en 130 km/uur). De door [eisers] ingeschakelde ongevallendeskundige [XY] heeft kritiek geuit op de berekening van het KLPD en met name ook op de berekening van Lichteveld. Volgens [XY] moet de snelheid van [XX] hebben gelegen tussen 87 en 100 km/uur. 

3.12.  Allianz c.s. stellen dat [XX] (veel) te hard heeft gereden gezien de verkeerssituatie, maar zij geven daarbij niet aan met welke snelheid hij zou hebben gereden. Allianz c.s. beroepen zich op de brief van de hoofdofficier van justitie van 21 juni 2002 gericht aan politieagent [E], waarin de sepotbeslissing is toegelicht. In deze brief staat dat uit het dossier zonder meer blijkt dat [XX] kwam aanrijden ‘met een zeer hoge snelheid, en in ieder geval met een snelheid die onder de toen aldaar geldende omstandigheden als te hoog moet worden aangemerkt’. Op welke wijze dit uit het dossier blijkt en van welke snelheid wordt uitgegaan, staat niet in die brief. 

3.13.  De rechtbank acht aannemelijk dat [XX] harder heeft gereden dan de op dat moment op die locatie geldende adviessnelheid van 70 km/uur, maar ziet onvoldoende grond om aan te nemen dat hij met een onverminderde snelheid van omstreeks 120 km/uur zou hebben gereden (de toegestane maximumsnelheid op die locatie), zoals Allianz c.s. suggereren. De adviessnelheid van 70 km/uur gold pas vanaf hectometerpaal 141.8, dat is zéér kort voor de ongevalslocatie. Op eerdere matrixborden stond tot het moment van het ongeval geen signalering ingeschakeld. De rechtbank is van oordeel dat wanneer men op matrixborden op de snelweg voor het eerst een adviessnelheid van 70 km/uur ziet aangegeven, men nog niet bedacht hoeft te zijn op een stilstaande of overstekende auto op de rijbaan op maar 100 meter afstand na die eerste signalering. Op basis van de beschikbare gegevens kan de rechtbank niet tot de vaststelling komen dat [XX] zich niets van die adviessnelheid heeft aangetrokken, geen gas heeft teruggenomen en met onverminderde snelheid is doorgereden. 

3.14.  Overigens staat niet vast dat [XX] de signalering op de matrixborden heeft gezien of heeft kunnen zien. De aanduiding van “70 km/uur” op de matrixborden bij hectometerpaal 141.8 is maar door één getuige waargenomen. Veel andere getuigen, waaronder twee hoofdagenten, zijn deze matrixborden gepasseerd op een moment dat de signalering aan heeft gestaan, maar hebben verklaard de signalering niet te hebben gezien. Meerdere getuigen hebben de laagstaande zon als mogelijke oorzaak daarvan genoemd. Het is daarom niet uitgesloten dat ook [XX] de signalering niet heeft gezien. Uit getuigenverklaringen komt bovendien naar voren dat [XX] kort voor het ongeval op de linkerrijstrook reed achter een inhalende vrachtwagen. Ook hierdoor kan zijn zicht op de matrixborden verstoord zijn geweest. Dat [XX] achter een inhalende vrachtwagen reed kan er ook toe hebben geleid dat hij pas laat zicht heeft gekregen op de afwijkende verkeerssituatie met de verschillende stilstaande voertuigen. 

3.15.  Gezien het voorgaande kan de rechtbank niet komen tot de vaststelling dat het ongeval (mede) is veroorzaakt door (veel) te hard rijden of door ernstige onoplettendheid van [XX]. 

3.16.  Indien en voor zover het verkeersgedrag van [XX] niet optimaal is geweest en dit er toe heeft bijgedragen dat het ongeval is ontstaan, is de rechtbank van oordeel dat dit niet afdoet aan de vergoedingsplicht van Allianz c.s.. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat door [XX] dan hooguit een geringe fout is gemaakt in vergelijking met de ernst van de door [E] gemaakte fout waarvoor Allianz c.s. aansprakelijk zijn. Bovendien weegt de rechtbank als omstandigheid mee dat het ongeval zeer ernstige gevolgen heeft gehad voor [XX] en zijn nabestaanden. De rechtbank ziet niet in waarom het feit dat [XX] het ongeval is overkomen met een door hem zelf bestuurd motorvoertuig in de weg zou staan aan deze toepassing van de billijkheidscorrectie, zoals Allianz c.s. stellen maar niet nader onderbouwen. 

3.17.  Het voorgaande leidt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat Allianz c.s. aansprakelijk zijn voor het ongeval en dat zij de schade van [eisers] ex artikel 6:108 BW dienen te vergoeden. De gevorderde verklaring voor recht (onder 2.2. sub 1) zal daarom worden toegewezen. LJN BT2741

Begrafeniskosten 

3.18.  [eisers] vorderen een verklaring voor recht ‘dat de kosten van de begrafenis vergoed en verrekend dienen te worden met het ontvangen voorschot van € 25.000,-’ (onder 2.2 sub 3). [eisers] stellen dat de kosten van lijkbezorging als bedoeld in artikel 6:108 lid 2 BW in totaal € 23.358,- hebben bedragen. Zij willen deze kosten, die zijn gemaakt in 2002, uit praktische overwegingen verrekenen met de voorschotten die Allianz c.s. hen hebben verstrekt in 2002 (€ 10.000,-) en in april 2009 (€ 15.000,-), zodat deze bedragen tegen elkaar kunnen worden weggestreept. 

3.19.  Aanvankelijk hebben Allianz c.s. tegen deze vordering meerdere verweren gevoerd. Ter zitting hebben zij deze verweren laten varen, met uitzondering van het verweer dat rekening moet worden gehouden met de fiscale aftrekbaarheid van begrafeniskosten. 

3.20.  De kosten voor de begrafenis zijn gemaakt in januari 2002. De rechtbank neemt aan dat deze kosten ten laste zijn gekomen van [eiseres sub 1]. De precieze data van de voorschotbetalingen zijn de rechtbank niet bekend, maar wanneer de rechtbank rekening houdt met een per 1 februari 2002 rentedragend geworden vordering van [eiseres sub 1] van € 23.358,- en met betalingen op deze schuld door Allianz c.s. op 1 juli 2002 (€ 10.000,-) en 15 april 2009 (€ 15.000,-), dan komt de rechtbank - gebruikmakend van de rekentool “wettelijke rente” die te vinden is op de website van het Nederlands Rekencentrum Letselschade - tot de vaststelling dat na de laatste voorschotbetaling in april 2009 nog een schuld van Allianz c.s. inzake de begrafeniskosten resteerde van ruim € 4.800, . 

3.21.  De rechtbank oordeelt dat bij de vaststelling van de vergoedingsplicht voor de kosten van lijkbezorging inderdaad rekening moet worden gehouden met eventuele fiscale voordelen voor de nabestaande in verband met fiscale aftrekbaarheid van de kosten van lijkbezorging. Uit de door [eisers] overgelegde belastingaangifte van 21 juli 2003 over het jaar 2002 (prod.36) blijkt dat de begrafeniskosten door [eiseres sub 1] als een aftrekpost voor buitengewone uitgaven (box 1) zijn opgevoerd waardoor zij fiscaal voordeel heeft genoten. Dit voordeel zal evenwel beperkt zijn geweest, gezien haar beperkte inkomsten uit dienstbetrekking in 2002. Door Allianz c.s. is niet gesteld of onderbouwd dat het fiscaal voordeel dat [eiseres sub 1] zal hebben genoten zodanig is geweest dat de betaalde voorschotten meer hebben bedragen dan de totale schade van [eiseres sub 1], rekening houdend met het fiscaal voordeel en met de verschuldigde wettelijke rente. Aangenomen kan daarom worden dat de betaalde voorschotten volledig hebben gediend ter vergoeding van de begrafeniskosten. 

3.22.  De rechtbank zal voor recht verklaren dat de vordering van [eiseres sub 1] ter zake van de kosten van lijkbezorging als bedoeld in artikel 6:108 lid 2 BW, vermeerderd met wettelijke rente, door Allianz c.s. is voldaan met de voorschotbetalingen van in totaal € 25.000,-. LJN BT2741

Gederfd levensonderhoud 

3.23.  [eisers] vorderen een vergoeding voor gederfd levensonderhoud als bedoeld in artikel 6:108 BW (zie onder 2.2. sub 2). Zij stellen dat zij door het overlijden van hun echtgenoot en vader schade lijden in verband met het wegvallen van zijn aandeel in hun levensonderhoud. 

3.24.  [eisers] hebben in beginsel recht op een vergoeding waarmee zij kunnen blijven leven in de stand waarin zij gewend waren te leven en waarin zij vermoedelijk zouden hebben geleefd in de hypothetische situatie zonder ongeval. Om de hoogte van die vergoeding te kunnen begroten moet eerst worden vastgesteld hoe hoog het gezinsinkomen vermoedelijk zou zijn geweest in de hypothetische situatie zonder ongeval en welk deel van dat gezinsinkomen dan zou zijn gebruikt voor het levensonderhoud van [eiseres sub 1] en van de kinderen. Op die manier wordt hun individuele behoefte vastgesteld. Vervolgens moet worden vastgesteld welke middelen [eisers] in de werkelijke situatie feitelijk ter beschikking staan om te voorzien in hun levensonderhoud. Voor zover die middelen niet toereikend zijn om te voorzien in de vastgestelde behoefte, is sprake van behoeftigheid (schade) en bestaat recht op een vergoeding. 

3.25.  Hetgeen hierna zal worden besproken heeft betrekking op de situatie van [eiseres sub 1], en op de situatie van de kinderen gedurende de periode dat zij nog thuis woonden. Op de situatie van de kinderen vanaf het moment dat zij zelfstandig zijn gaan wonen zal hierna onder 3.83 en verder afzonderlijk worden ingegaan. 

Gezinsinkomen in de hypothetische situatie zonder ongeval 

Inkomsten [XX] 

3.26.  [XX] was als zelfstandig advocaat gevestigd in [woonplaats]. Hij was verbonden aa[K] kantoor “[HHH]”. In een verklaring van mr. [K] (hierna: [K]) staat dat [XX] en hij het voornemen hadden zich eind 2002 af te splitsen en samen een kantoor te beginnen. 

3.27.  [eisers] menen dat voor de berekening van de inkomsten van [XX] in de hypothetische situatie zonder ongeval de omzet die [K] heeft gemaakt vanaf 2002 als maatstaf kan worden genomen. Zij stellen dat beide advocaten een vergelijkbare praktijk hadden en die samen zouden hebben voortgezet, zodat het redelijk is om aan te nemen dat [XX] een zelfde omzet zou hebben gemaakt als [K] feitelijk heeft gemaakt. Overgelegd zijn de omzetcijfers van [K] over de jaren tot en met 2007. Uitgegaan zou moeten worden van een kostenpercentage van 50%. [eisers] komen dan tot een winst voor belasting van € 100.000,- in 2002 oplopend tot een nettowinst van € 130.000,- in 2010. 

3.28.  [eisers] gaan er aldus vanuit dat het inkomen van [XX] van 2002 tot 2010 nog aanzienlijk zou zijn gestegen. Zij achten dit een redelijk uitgangspunt omdat de opzet van een tweemanskantoor met [K] de mogelijkheid bood de omzet te verhogen. Ook wijzen zij er op dat de invoering van de euro destijds tot flinke omzetstijgingen heeft geleid en dat oudere advocaten binnen een klein kantoor (met meer vrijheid en een lagere werkdruk) in het algemeen niet minder productief worden en hun omzet verder kunnen verhogen door routine en ervaring. 

3.29.  Allianz c.s. menen dat [eisers] uitgaan van een te rooskleurige toekomstvisie. In de conclusie van antwoord en ook ter zitting hebben Allianz aangegeven er op basis van de jaarrekeningen vanuit te gaan dat [XX] in de drie jaren voor het ongeval gemiddeld ongeveer € 70.000,- bruto per jaar verdiende (€ 64.972,- in 1999, € 62.985,- in 2000 en € 79.750,- in 2001). Uitgaande van een zekere omzetstijging na het samengaan met [K], hebben Allianz c.s. aangegeven een volgende inkomensontwikkeling in de hypothetische situatie zonder ongeval reëel te achten: 

2002  € 90.000,- bruto 
2003  € 100.000,- bruto 
2004  € 105.000,- bruto 
2005  € 110.000,- bruto 
2006  € 115.000,- bruto 
(stabilisatie vanaf 2006) 

3.30.  Kort voor de zitting hebben Allianz c.s. in het geding gebracht een aan hen gerichte brief van schade-expert drs.[L] (hierna: [L]) van 21 september 2010. Daarin plaatst [L] vraagtekens bij de juistheid van het berekende bruto jaarinkomen van [XX] voor diens overlijden. Allianz c.s. hebben deze brief van [L] voor de zitting in het geding gebracht maar hebben zich er vervolgens niet op beroepen. Zij hebben daarentegen ter zitting met zoveel woorden nog eens aangegeven dat [XX] in de drie jaren voor het ongeval zo’n € 70.000,- bruto per jaar verdiende. Ter zitting is van de zijde van [eisers] op dit punt dan ook niet op de brief van [L] gereageerd. In hun akte van 12 januari 2011 hebben Allianz c.s. alsnog gewezen op de door [L] geplaatste vraagtekens, zonder daarbij echter aan te geven welke gevolgen dit heeft voor hun standpunt inzake de inkomsten van [XX] in de situatie zonder ongeval. De rechtbank zal dit dan ook verder buiten beschouwing laten. 

De rechtbank oordeelt als volgt. 

3.31.  Bij het bepalen van de vermoedelijke draagkracht van de overledene in de hypothetische situatie zonder ongeval, moet als uitgangspunt worden genomen zijn inkomen ten tijde van zijn overlijden, maar daarnaast moet ook rekening worden gehouden met relevante ontwikkelingen met betrekking tot dat inkomen waarvan waarschijnlijk is dat ze zich in de situatie zonder overlijden in de toekomst zouden hebben voorgedaan. Absolute zekerheid over hoe het inkomen van [XX] zich zou hebben ontwikkeld in de hypothetische situatie zonder ongeval is niet te verkrijgen omdat die situatie zich nu eenmaal niet heeft voorgedaan. De hieruit volgende onzekerheid kan tot op zekere hoogte worden toegerekend aan Allianz c.s., nu het immers aan de onrechtmatige daad van haar verzekerde/werknemer te wijten is dat de hypothetische situatie zich niet heeft voorgedaan. Dit laat echter onverlet dat het aan de nabestaanden is om voldoende aannemelijk te maken dat de door hen gestelde ontwikkelingen in het inkomen van [XX] zich in de hypothetische situatie zonder ongeval zouden hebben voorgedaan. Dit geldt temeer in een geval als dit, waarin de nabestaanden stellen dat dit inkomen nog fors zou zijn gegroeid. 

3.32.  Voor wat betreft het inkomen van [XX] ten tijde van zijn overlijden gaat de rechtbank uit van het door Allianz c.s. in de conclusie van antwoord en ter comparitie genoemde bedrag van gemiddeld € 70.000,- bruto per jaar (zie onder 3.29). Partijen gaan er vanuit dat het starten van een nieuwe praktijk met [K] waarschijnlijk tot een omzetstijging had geleid en dat de uurtarieven in 2002 zijn gestegen door de invoering van de euro. Tussen partijen is dan ook in confesso dat het redelijk is om aan te nemen dat het inkomen van [XX] nog zou zijn gestegen indien hem het ongeval niet zou zijn overkomen. Partijen twisten evenwel over de mate waarin en de periode waarover dat inkomen in de jaren na 2002 zou zijn gestegen. De rechtbank is van oordeel dat door [eisers] niet voldoende onderbouwd is gesteld dat en waarom het aannemelijk is dat de stijging van het inkomen van [XX] meer zou hebben bedragen en langer zou hebben voortgeduurd dan de toch aanzienlijke stijgingen waarvan Allianz is uitgegaan. [eisers] hebben met name niet voldoende onderbouwd waarom het redelijk is om aan te nemen dat [XX] een zelfde omzet had kunnen maken als [K] heeft gedaan vanaf 2002. Zij stellen wel dat beiden voorheen een vergelijkbare praktijk voerden - zonder dit overigens nader toe te lichten - maar niet is gesteld dat beiden ook vergelijkbare omzetten realiseerden. Voor wat betreft de invloed van de leeftijd van [XX] overweegt de rechtbank dat uit statistieken weliswaar blijkt dat de arbeidsproductiviteit afneemt met het stijgen van de leeftijd, maar Allianz c.s. hebben onvoldoende onderbouwd dat deze wetmatigheid ook geldt voor de beroepsgroep van advocaten, die in hun werk profijt kunnen hebben van toegenomen routine en ervaring. 
Anderzijds is door [eisers] onvoldoende onderbouwd gesteld dat [XX], destijds vijftig jaar oud, nog lange tijd zijn omzet fors had kunnen verhogen door toegenomen routine en ervaring. De rechtbank ziet dan ook geen reden om aan te nemen dat de stijging van de leeftijd van [XX] in de periode na 2002 de door hem te behalen omzet in significante mate negatief dan wel positief zou hebben beïnvloed. 

3.33.  Al met al is de rechtbank van oordeel dat [eisers] in hun berekening uitgaan van een te rooskleurig scenario van flinke winstgroei. Een voldoende onderbouwing ontbreekt en er is niet kenbaar rekening gehouden met mogelijke tegenvallers waarvan waarschijnlijk is dat deze zich ook hadden voorgedaan. De rechtbank acht het daarom redelijk om voor de hypothetische situatie zonder ongeval als uitgangspunt te nemen dat het bruto jaarinkomen van [XX] in 2002 € 90.000,- zou hebben bedragen en op de onder 3.29 genoemde wijze zou zijn gestegen tot een bedrag van € 115.000, in 2006, waarna het (behoudens indexatie) gelijk zou zijn gebleven. In deze aanname zitten naar het oordeel van de rechtbank de goede en kwade kansen ten aanzien van te realiseren winsten voldoende verdisconteerd. 

3.34.  Evenals partijen acht de rechtbank aannemelijk dat [XX] in de situatie zonder ongeval tot op 65-jarige leeftijd (maart 2016) was blijven werken. Hij zou vervolgens een AOW-uitkering hebben ontvangen. LJN BT2741

Levensonderhoud in natura 

3.35.  Voor de bepaling van gederfd levensonderhoud moeten niet alleen de door [XX] verstrekte financiële bijdragen in aanmerking worden genomen, maar moet ook rekening worden gehouden met bijdragen van andere aard, zoals het verrichten van huishoudelijke taken en het leveren van een bijdrage aan de opvoeding van de kinderen. 

3.36.  [eisers] stellen dat [XX] gemiddeld drie uur per week besteedde aan de verzorging van de kinderen en het helpen in het huishouden. Allianz c.s. nemen het standpunt in dat dit een post is waarmee rekening moet worden gehouden gedurende één uur per week tot het moment dat het jongste kind de ouderlijke woning zou hebben verlaten. De rechtbank is van oordeel dat door [eisers] onvoldoende is gesteld om te kunnen oordelen dat hier sprake is van een schade van grotere omvang. Onbetwist staat vast dat de zorg voor de kinderen en het huishouden grotendeels op de schouders van [eiseres sub 1] neerkwam. De bijdrage die [XX] leverde aan deze zorgtaken was beperkt. Niet gesteld is dat als gevolg van het wegvallen van een dergelijke bijdrage vervangende hulp noodzakelijk is. Uitgegaan zal daarom moeten worden van één uur per week (à EUR 20,- = EUR 1.040,- per jaar) tot september 2007, dat is het moment waarop het jongste kind [eiseres sub 4] is gaan studeren. 

Inkomsten [eiseres sub 1] 

3.37.  Vaststaat dat [eiseres sub 1] voor het ongeval parttime werkzaam was als onderwijzeres (factor 0,4731). Na het overlijden van haar man is zij gedurende enige tijd niet in staat geweest om te werken in verband waarmee aan haar uitkeringen zijn verstrekt op grond van de Ziektewet en de WAO. Bij terugkomst op haar werkplek bleek de werksituatie gewijzigd. Dit heeft geleid tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 december 2004. Zij heeft daarna getracht een andere vaste werkkring te vinden, wat vooralsnog niet is gelukt. Zij ontvangt geen werkloosheidsuitkering meer en doet nu invalwerk via een regionale invalpool. 

3.38.  De rechtbank stelt vast dat de stellingen van partijen over de vermoedelijke inkomsten van [eiseres sub 1] niet heel duidelijk en consistent zijn. Ter zitting is van de zijde van [eisers] evenwel uitdrukkelijk naar voren gebracht dat het ontslag van [eiseres sub 1] en het feit dat zij nadien geen (vast) werk meer heeft kunnen vinden geen verband houden met het overlijden van [XX]. Dit is door Allianz c.s. niet gemotiveerd weersproken. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat ook als [XX] niet zou zijn overleden, [eiseres sub 1] eind 2004 zou zijn ontslagen en dat zij daarna geen (vast) werk meer had kunnen vinden. De vermoedelijke inkomsten van [eiseres sub 1] in de hypothetische situatie zonder ongeval moeten daarom gelijk worden gesteld met de inkomsten die zij feitelijk heeft ontvangen sinds 2002 en die zij feitelijk nog zal ontvangen. Voor toekomstige jaren acht de rechtbank het redelijk om uit te gaan van een jaarinkomen gelijk aan het gemiddelde inkomen over de drie jaren voorafgaand aan het moment van berekening. Vanaf 2024 zou [eiseres sub 1] een AOW-uitkering en een ABP-pensioen hebben ontvangen. 

Levensverzekeringen, lijfrentes 

3.39.  Vaststaat dat door [XX] drie polissen werden afgesloten: 
I.  beleggingscertificaat nr. 5277856 bij Fortis ASR (prod.17-19) 
II.  levensverzekering bij AMEV, polisnummer 010606715 (prod.20-21) 
III.  levensverzekering bij Nationale Nederlanden (prod.22) 

3.40.  Partijen zijn het er over eens dat de uitkeringen die [XX] uit deze polissen bij leven op de expiratiedatum zou hebben ontvangen moeten worden opgeteld bij zijn inkomen in de situatie zonder ongeval. Partijen zijn het niet eens over de vermoedelijke hoogte van die uitkeringen noch over de vraag of die uitkeringen ineens of middels aankoop van een lijfrente zouden zijn betaald. 

3.41.  De rechtbank acht het redelijk om voor de situatie zonder ongeval voor alle drie polissen aan te nemen dat met de uitgekeerde bedragen een levenslange lijfrente zou zijn aangekocht waarbij het overlijdensrisico van [XX] zou zijn meeverzekerd zodat [eiseres sub 1] ook na zijn overlijden lijfrente-uitkeringen zou blijven ontvangen. Voor wat betreft de hoogte van die uitkeringen overweegt de rechtbank het volgende. 

Ad I 

3.42.  [eisers] menen dat de waarde van de polis van Fortis ASR op de expiratiedatum 1 januari 2015 minimaal € 29.496,- zou hebben bedragen (20 jaar x jaarinleg van € 1.474,80), te verhogen met een rendement van 6% of althans 3%. Dit zou een lijfrente-uitkering hebben opgeleverd van minimaal € 3.000,- tot € 3.500,- per jaar. 

3.43.  Allianz c.s. beroepen zich in deze op het oordeel van schade-expert [L], die in zijn brieven van 21 september 2010 en 14 oktober 2010 aangeeft dat en waarom het niet juist is om aan te nemen dat op de expiratiedatum minimaal het totaal van de ingelegde bedragen zou worden uitgekeerd. [L] wijst op het feit dat op de inleg kosten in mindering worden gebracht en dat het een beleggingsproduct betreft en dat beleggingen minder waard kunnen worden en als gevolg van de huidige economische crisis ook fors minder waard zijn geworden of zelfs nagenoeg zijn ‘verdampt’. [L] gaat in zijn berekening uit van een uitkering per expiratiedatum van € 22.011,- en acht dit zeker niet aan de lage kant. Dit zou volgens zijn berekening een lijfrente hebben opgeleverd van € 1.126,- per jaar. 

3.44.  De rechtbank is van oordeel dat als uitgangspunt moet worden genomen dat de uitkering zou hebben bestaan uit de netto inleg (de inleg verminderd met de ingehouden administratie- en beheerskosten) vermeerderd met het jaarlijks rendement over die netto inleg, waarbij zij opgemerkt dat dit rendement zou hebben gefluctueerd en in sommige jaren ook (fors) negatief zou zijn geweest. De wijze waarop [eisers] het uit te keren bedrag berekent - de volledige inleg vermeerderd met een rendement van 6% of althans 3% - geeft dan ook een te rooskleurig resultaat. Het betreft hier een beleggingsproduct zonder gegarandeerd uitkeringsbedrag per expiratiedatum en uit de overgelegde algemene voorwaarden blijkt dat de inleg wordt belegd in vaste-rentedragende waarden, aandelen en onroerende zaken. Nadere gegevens over de samenstelling van de beleggingsportefeuille en over behaalde rendementen op dit beleggingsproduct ontbreken. Een feit van algemene bekendheid is wel dat beleggingen de afgelopen jaren over het algemeen fors minder waard zijn geworden. De rechtbank zal daarom vooralsnog uitgaan van het door [L] genoemde bedrag van € 22.011,-. De te benoemen rekenaar zal worden gevraagd te berekenen welke jaarlijkse lijfrente dit zou hebben opgeleverd. 
[eisers] zal evenwel gelegenheid krijgen onderbouwd aan te geven dat en waarom van een hoger uitkeringsbedrag moet worden uitgegaan, bij voorkeur door overlegging van gegevens van Fortis ASR over de reeds behaalde en de nog te verwachten rendementen op dit beleggingsproduct. 

Ad II 

3.45.  [eisers] stellen dat bij de polis bij AMEV, met als expiratiedatum 11 december 2016, sprake was van een verzekerd kapitaal van € 61.260,- en dat daarnaast aanspraak bestond op winstdeling. In de dagvaarding rekenen zij voor dat uitgegaan moet worden van een winstdeling van € 516,13 per jaar. Uit wat namens [eisers] ter zitting naar voren is gebracht begrijpt de rechtbank dat zij van mening zijn dat bij dit bedrag nog moet worden opgeteld de premie die bij leven nog per kwartaal zou zijn doorbetaald, waardoor de uitkering ruim € 74.500,- zou hebben bedragen, vermeerderd met het rendement over de inbreng. 

3.46.  Allianz c.s. beroepen zich ook hier op het oordeel van schade-expert [L] als weergegeven in zijn brieven van 21 september 2010 en 14 oktober 2010. Allianz c.s. zijn bereid uit te gaan van een waarde in 2016 van € 76.744,-, zijnde het verzekerd kapitaal vermeerderd met de (vaststaande) winstdeling t/m 2001 van € 7.742,- en mogelijke winst na 2001. Volgens een berekening van [L] zou dit vanaf 2016 voor [XX] een lijfrente hebben opgeleverd van € 4.461,- per jaar. 

3.47.  De rechtbank acht de verklaring ter zitting van [eisers], dat bij het verzekerde bedrag niet alleen de winstdeling moet worden opgeteld maar ook de ingelegde premies en het rendement over de inleg, niet juist. Zoals [eisers] zelf aangeven gaat het hier om een product waarbij de uitkering op de expiratiedatum bestaat uit een verzekerd bedrag van € 61.260,- verhoogd met een winstdeling. Vaststaat dat de winstdeling over de jaren 1986 t/m 2001 in totaal € 7.742,- heeft bedragen, derhalve gemiddeld € 516,13 per jaar. De rechtbank kan Allianz c.s. daarom volgen in haar standpunt dat het redelijk is om uit te gaan van een totale poliswaarde in 2016 van € 76.744,-, bestaande uit het verzekerd bedrag van € 61.260,- vermeerderd met de winstdeling over de jaren 1986 tot en met 2016 van (30 jaar x € 516,13 =) € 15.483,90. De rechtbank zal de te benoemen rekenaar vragen te berekenen welke lijfrente-uitkering dit vanaf 2016 vermoedelijk zou hebben opgeleverd. 

Ad III 

3.48.  Uit de polis van Nationale Nederlanden blijkt dat de lijfrente-ingangsdatum is gesteld op 1 mei 2026 - op 75-jarige leeftijd van [XX] - maar dat de verzekerde bij in leven zijn ook kon kiezen voor een eerdere ingangsdatum met een lagere verzekerde uitkering, op zijn vroegst op 1 mei 2016. De rechtbank zal evenwel, in navolging van partijen, uitgaan van het vermoeden dat de lijfrente zou zijn ingegaan op 1 mei 2026. Allianz c.s. stellen dat deze lijfrente-uitkering dan € 8.081,77 per jaar zou hebben bedragen. Tussen partijen staat vast dat in 2026 sprake zou zijn geweest van een verschuldigde uitkering van € 106.755,- (fl. 234.862,-). De rechtbank zal de te benoemen rekenaar vragen te berekenen welke lijfrente-uitkering dit vanaf 2026 vermoedelijk zou hebben opgeleverd. 

Betaalde premies 

3.49.   Daar waar de uitkeringen die [XX] uit de door hem afgesloten polissen zou hebben ontvangen worden opgeteld bij zijn (netto) inkomsten in de hypothetische situatie zonder ongeval, moeten ook de premies die [XX] gedurende zijn leven nog had moeten betalen voor diezelfde polissen op die (netto) inkomsten in mindering worden gebracht. Welke bedragen [XX] nog verschuldigd zou zijn geweest en gedurende welke periodes, kan worden afgeleid uit de overgelegde stukken (prod. 17-22). 

Individuele behoefte nabestaanden 

3.50.  Om de individuele behoefte van [eiseres sub 1] en van de kinderen te kunnen vaststellen, en om te kunnen begroten welk deel van de uitgaven voor levensonderhoud is vervallen door het overlijden van [XX], moet eerst worden nagegaan welk deel van het gezinsinkomen werd uitgegeven aan vaste lasten. Dit zijn de terugkerende kosten van de huishouding die zonder overlijden werden gemaakt en die na het overlijden in beginsel in (nagenoeg) gelijke mate worden gemaakt, waarbij met name moet worden gedacht aan de woonkosten in ruime zin. De variabele lasten daarentegen moeten per gezinslid worden vastgesteld. Zodoende kan worden vastgesteld welk deel van het besteedbare inkomen [XX] ten behoeve van zichzelf uitgaf en welk deel ten goede kwam van de overige gezinsleden. 

Vaste lasten 

3.51.  [eisers] stellen dat voor het ongeval sprake was van € 50.000,- aan vaste lasten per jaar. Zij verwijzen hiervoor naar een overzicht van de feitelijke lasten (prod.23) en geven aan dat in aanvulling hierop ook het onderhoud aan huis en tuin (€ 5.600,- per jaar), de afschrijving roerende zaken (jaarnorm volgens het NIBUD), de niet fiscaal aftrekbare hypotheekrente (ruim € 12.000,- per jaar), en de autokosten (jaarnorm volgens het NIBUD) moeten worden meegeteld. [eisers] menen dat voor het vaststellen van hun behoefte uitgegaan moet worden van dit bedrag van € 50.000,- aan vaste lasten, ook na het ongeval, omdat de schadevergoeding hen in staat moet stellen hun leven voort te zetten in de stand waarin zij leefden. 

3.52.  Allianz c.s. nemen het eerder door [eisers] overgelegde overzicht (prod.23) tot uitgangspunt en zijn bereid uit te gaan van € 37.700,- aan vaste lasten vóór het ongeval. Dit is het bedrag dat in het overzicht is genoemd voor het jaar 2001. Allianz c.s. menen echter dat de behoefte van [eisers] moet worden bepaald aan de hand van de concrete situatie en dat rekening moet worden gehouden met het feit dat [eisers] na het ongeval de woning hebben verkocht en op een goede stand zijn gaan huren, waarna hun vaste lasten aanzienlijk zijn gedaald. Voor de situatie na het ongeval gaan Allianz c.s. dan ook uit van € 22.500,- aan vaste lasten per jaar. 

3.53.  De rechtbank overweegt dat voor het bepalen van de behoefte van de nabestaanden van groot belang is om de hoogte van de vaste lasten in de situatie zonder overlijden zo nauwkeurig en concreet mogelijk te bepalen. Waar het problematisch is om die lasten concreet te bepalen, kan worden aangesloten bij referentiebudgetten van het NIBUD. Daarbij moet wel de kanttekening worden gemaakt dat het dan gaat om landelijke gemiddelden en dat er altijd aanleiding kan zijn in een individueel geval uit te gaan van een hoger of lager budget. 

3.54.  [eisers] hebben overgelegd een overzicht van vaste lasten dat in opdracht van [eisers] is opgesteld door [NN] Expertisebureau BV (hierna: [NN]) (prod.23). De rechtbank acht het redelijk om de in dit overzicht genoemde kosten over het jaar 2002 van in totaal € 26.173,85 als uitgangspunt te nemen. De rechtbank zal uitgaan van de juistheid van de genoemde bedragen, nu deze door Allianz c.s. niet zijn betwist. Omdat met name de kosten van water en elektriciteit afhankelijk zijn van het aantal personen dat deel uitmaakt van het huishouden, acht de rechtbank het redelijk hier een korting toe te passen voor de situatie na het ongeval van 15% (in totaal € 517,-) in verband met het wegvallen van [XX]. Voor het vaststellen van dit percentage heeft de rechtbank gebruik gemaakt van referentiebedragen genoemd op de website van het NIBUD. 

3.55.  [eisers] stellen dat het overzicht van [NN] onvolledig is, onder meer omdat naast de ruim € 15.000,- aan fiscaal aftrekbare hypotheekrente ook nog jaarlijks een rentelast bestond van € 12.762,- wegens een hypothecaire schuld aan Westland Utrecht. Zij wijzen op de aangifte inkomstenbelasting 2003 (prod.36) en het overzicht van [NN] waarin voor hypothecaire lasten in 2001 een bedrag staat van ongeveer € 27.000,-. 

3.56.  De rechtbank concludeert dat nog altijd onduidelijk is wat de hypotheeklasten van het gezin waren op het moment dat [XXX} in 2002 overleed. [NN] noemt in zijn overzicht voor 2001 een bedrag aan hypotheeklasten van bijna € 27.000,- maar voor het jaar 2002 en voor de jaren erna (tot het moment van verkoop van de woning) meldt hij een lagere hypotheeklast van ruim € 15.000,-. Voor die jaren is dus niet langer rekening gehouden met een extra rentelast van zo’n € 12.000,-. Die extra rente is volgens [eisers] verschuldigd over een schuld bij Westland Utrecht. Uit de overgelegde belastingaangiften blijkt dat in het jaar 2001 een schuld is aangegaan bij Westland Utrecht van € 203.781,-, welke schuld na verkoop van de woning in 2004 is afgelost. Het hoe en waarom van deze extra schuld is door [eisers] echter niet toegelicht. De omstandigheid dat deze schuld niet fiscaal aftrekbaar was, lijkt er op te duiden dat geen sprake is geweest van een hypothecaire schuld voor de eigen woning. De rechtbank is daarom vooralsnog van oordeel dat over deze extra schuld te veel onduidelijkheid bestaat om te kunnen oordelen dat de rente over deze schuld als behorend tot de vaste (woon)lasten moet worden meegenomen bij het bepalen van de behoefte. [eisers] zal gelegenheid krijgen te onderbouwen waarom de rente over deze schuld moet worden meegenomen bij het bepalen van de vaste lasten. 

3.57.  Door [eisers] is terecht aangevoerd dat in aanvulling op het overzicht van [NN] ook de kosten van onderhoud aan huis en tuin als vaste lasten hebben te gelden. Anders dan Allianz c.s. bepleiten is er geen reden om hierbij aan te sluiten bij de Letselschaderichtlijn Zelfwerkzaamheid omdat daarin alleen de eigen zelfwerkzaamheid is genormeerd en het totale onderhoud in dit geval meer omvat, te weten ook het groot onderhoud door derden. Het is juist, zoals [eisers] stellen, dat volgens het NIBUD voor het onderhoud aan huis en tuin rekening moet worden gehouden met een bedrag ter grootte van 1% van de koopprijs van de woning. Gelet op de waarde van de woning (in januari 2002 getaxeerd op € 880.000,-) gaat [eisers] met een bedrag van € 5.600,- niet uit van te hoge onderhoudskosten. Het bedrag van € 5.600,- kan hier als uitgangspunt gelden. 

3.58.  Door [eisers] is ook terecht aangevoerd dat bij het bepalen van de vaste lasten tevens rekening moet worden gehouden met een jaarlijks bedrag aan afschrijving van de inboedel. De rechtbank kan Allianz c.s. niet volgen in hun verweer dat het in dit geval niet reëel is om te rekenen met afschrijving omdat [eisers] hun meubilair hebben opgeslagen en dit meubilair uit waardevol antiek bestaat zodat het alleen maar meer waard wordt. Er wordt door [eisers] een inboedel gebruikt en de rechtbank acht een bedrag van € 3.300,- een redelijk uitgangspunt voor de afschrijving daarvan. 

3.59.  [eisers] stellen dat het overzicht van [NN] niet volledig is voor wat betreft de vervoerskosten, omdat daarin niet zijn opgenomen afschrijving, wegenbelasting en onderhoudskosten. [eisers] bepleiten daarom dat de in het overzicht genoemde posten die betrekking hebben op het autogebruik worden vervangen door het bedrag dat volgens het NIBUD gemiddeld door een gezin van vijf personen in totaal wordt uitgegeven aan vervoerskosten. Volgens [eisers] gaat het dan om een bedrag van € 420,- per maand in 2002 en van € 622,- per maand in 2009. Allianz c.s. vinden het reëel een post op te nemen terzake afschrijving en wegenbelasting, maar de overige vervoerskosten moeten volgens hen worden gezien als variabele kosten. 
De rechtbank is van oordeel dat de kosten verbonden aan het bezit van een auto (afschrijving, wegenbelasting, verzekering) als vaste lasten moeten worden aangemerkt. De gebruikskosten daarentegen (onderhoud, reparatie en brandstof) zijn variabele lasten, waarvan aannemelijk is dat een aanzienlijk deel daarvan voor rekening kwam van [XX]. De rechtbank acht het redelijk om vanaf 2002 uit te gaan van € 4.000,00 aan vaste vervoerskosten per jaar. 

3.60.  Uitgaande van het voorgaande acht de rechtbank het vooralsnog (met een voorbehoud gelet op het bepaalde onder 3.56) reëel om uit te gaan van een totaal aan vaste lasten per 2002 van afgerond € 38.000,- per jaar: 

Overzicht van [NN] voor 2002    € 26.173,00 
15% korting op water/elekriciteit    € 517,00 
Autokosten uit overzicht [NN]    € 406,93 
          € 158,70 -/- 
          € 25.090,37 
Onderhoud huis en tuin      € 5.600,00 
Afschrijving inboedel      € 3.300,00 
Vervoerskosten        € 4.000,00 +/+ 
Totaal vaste lasten  € 37.990,37 

3.61.  De rechtbank is met [eisers] van oordeel dat bij het vaststellen van hun behoefte in beginsel geen rekening moet worden gehouden met het feit dat hun vaste lasten zijn gedaald doordat zij (noodgedwongen) in 2004 de woning hebben verkocht en een huurwoning hebben betrokken. In beginsel moet worden uitgegaan van gelijkblijvende vaste lasten. Dit betekent echter niet dat voor de gehele looptijd rekening moet worden gehouden met dezelfde hoge vaste lasten. Het is immers redelijk om te veronderstellen dat ook in de situatie zonder ongeval de vaste lasten op enig moment zouden zijn gedaald door bijvoorbeeld een verhuizing. Zo is het reëel om aan te nemen dat [XX] en [eiseres sub 1] ook in de situatie zonder ongeval op enig moment de echtelijke woning zouden hebben verkocht en kleiner zouden zijn gaan wonen. Gelet op het vermoedelijke verloop van het gezinsinkomen in de hypothetische situatie zonder ongeval en de hoge vaste lasten acht de rechtbank het redelijk om voor het vaststellen van de behoefte aan te nemen dat een verhuizing zou hebben plaatsgevonden uiterlijk op het moment dat [XX] 70 jaar oud zou zijn geweest. Bij de berekening moet daarom tot 2021 rekening worden gehouden met gelijkblijvende vaste lasten. Vanaf dat jaar moet worden uitgegaan van de werkelijke vaste lasten van [eiseres sub 1]. 

Toerekening van vaste lasten 

3.62.  De rechtbank is van oordeel dat toerekening van de vaste lasten aan de verschillende (thuiswonende) gezinsleden in beginsel dient te gebeuren conform hetgeen de Hoge Raad heeft geoordeeld in haar arrest van 21 februari 1992 (Delta Lloyd/Reinders, NJ 1992,339). Dat wil zeggen dat, behoudens hier niet gestelde bijzondere omstandigheden, het aandeel van [eiseres sub 1] in de vaste lasten op tweemaal het aandeel van ieder van de kinderen moet worden gesteld. Aangenomen moet worden dat telkens wanneer een van de kinderen het huis heeft verlaten om te gaan studeren ([eiser sub 2] in 2003, [eiser sub 3] in 2005 en [eiseres sub 4] in 2007) de vaste lasten licht zijn gedaald (kosten voor water en elektriciteit -/- 15%) en het aandeel van [eiseres sub 1] in die resterende vaste lasten is toegenomen. Vanaf 2007 zijn de resterende vaste lasten volledig voor rekening van [eiseres sub 1] gekomen. 

Variabele lasten 

3.63.  Partijen twisten over de vraag volgens welke methodiek de variabele lasten aan de verschillende gezinsleden moeten worden toegerekend. Allianz c.s. beroepen zich er op dat volgens vaste jurisprudentie deze toerekening dient te geschieden volgens de zogenaamde Amsterdamse schaal. [eisers] bepleiten toepassing van de zogenaamde Haagse schaal. [eisers] wijzen in dit verband op een artikel van M. Neeser dat is gepubliceerd in Verkeersrecht (december 2009) en voeren aan dat uit cijfers van NIBUD en CBS blijkt dat kinderen vanaf ongeveer 14 jaar net zoveel kosten als volwassenen aan voeding en kleding. 

3.64.  De rechtbank ziet in dat vraagtekens geplaatst zouden kunnen worden bij de houdbaarheid van de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de al vele jaren gehanteerde Amsterdamse schaal. Door [eisers] is echter onvoldoende onderbouwd waarom de rechtbank zou moeten overgaan tot het hanteren van de Haagse schaal. Ook indien juist is, zoals [eisers] stellen, dat kinderen vanaf 14 jaar aan voeding en kleding evenveel kosten als volwassenen, dan betekent dit nog niet dat de totale variabele kosten gelijk zijn. Die kosten bestaan immers uit meer dan alleen voeding en kleding. De rechtbank ziet in de weinig onderbouwde stellingen van [eisers] dan ook onvoldoende aanleiding om niet, zoals tot dusverre in de jurisprudentie gebeurt, de Amsterdamse schaal toe te passen bij het toerekenen van de variabele lasten aan de (thuiswonende) gezinsleden. 
Overigens geldt dat vanaf het moment dat de kinderen zijn gaan studeren (en uitwonend zijn geworden) rekening moet worden gehouden met de bijdrage van € 450,- per maand die in de situatie zonder ongeval uit het netto besteedbare gezinsinkomen aan elk van hen zou zijn betaald gedurende hun studieperiode (voor de berekening van de hoogte van dit bedrag en de vaststelling van de periode waarover dit bedrag moet worden toegekend zie hierna onder 3.86 en 3.87). 

Beschikbare middelen in de situatie met ongeval 

3.65.  Om de behoeftigheid (schade) van [eiseres sub 1] en de kinderen te bepalen moet worden vastgesteld welke financiële middelen hen na het overlijden van [XX] feitelijk ter beschikking staan om in hun levensonderhoud te voorzien. Daarbij moet hun gehele financiële positie in aanmerking worden genomen. 

Inkomsten [eiseres sub 1] 

3.66.  De rechtbank is van oordeel dat uitgegaan moet worden van de feitelijke inkomsten van [eiseres sub 1]. Allianz c.s. achten [eiseres sub 1] in staat tot het verwerven van een hoger inkomen dan haar feitelijke inkomsten en zij menen dat daarom uitgegaan moet worden van dat hogere inkomen. Allianz c.s. geven evenwel niet aan dat en waarom van [eiseres sub 1] gevergd zou kunnen worden dat zij meer inkomsten verwerft dan zij daadwerkelijk doet. De rechtbank ziet dan ook geen grond om rekening te houden met inkomsten die [eiseres sub 1] in theorie zou kunnen verwerven maar die zij in feite niet verwerft. Voor toekomstige jaren oordeelt de rechtbank het redelijk om uit te gaan van een jaarinkomen gelijk aan het gemiddelde over de drie jaren voorafgaand aan de berekeningsdatum. En ook hier moet er rekening mee worden gehouden dat [eiseres sub 1] vanaf 2024 een AOW-uitkering en een ABP-pensioen zal ontvangen. 

Verzekeringsuitkeringen aan [eiseres sub 1] 

3.67.   Vaststaat dat [eiseres sub 1] na het overlijden van haar man in 2002 aanspraak kon maken op uitkeringen uit de drie polissen. Door Allianz c.s. is onweersproken gesteld dat het gaat om de volgende bedragen: 
I.  Fortis ASR     € 46.150, ineens 
II.  AMEV      € 96.528,- ineens 
III.  Nationale Nederlanden  € 7.540,- (jaarlijkse lijfrente-uitkering) 

3.68.  [eisers] stellen hierover dat ‘de werkelijke voordelen uit de uitkeringen van Fortis ASR, AMEV en Nationale Nederlanden (en dus niet de door de overledene zelf ingelegde premies)’ moeten worden meegeteld als middelen die [eiseres sub 1] na het ongeval ter beschikking staan om in haar behoefte te voorzien. [eisers] stellen ook dat zij veel extra kosten hebben moeten maken in verband met het overlijden van [XX] en dat het redelijk zou zijn om deze kosten, voor zover deze niet worden vergoed, in mindering te brengen op deze uitkeringen. 

3.69.  Allianz c.s. beroepen zich op geldende jurisprudentie die inhoudt dat uitgekeerde bedragen in mindering strekken op de behoefte van nabestaanden. Allianz c.s. menen dat voor zover de opgevoerde kosten geen kosten zijn die op grond van artikel 6:108 BW voor vergoeding in aanmerking komen, zij niet van de uitkeringen uit de levensverzekeringen mogen worden afgetrokken omdat deze kosten anders via die weg toch bij de schade van artikel 6:108 BW worden binnengehaald. 

De rechtbank oordeelt als volgt. 

3.70.  Uit een arrest van de Hoge Raad van 4 februari 2000 (NJ 2000,600) volgt dat bij het vaststellen van de behoeftigheid van [eiseres sub 1] ook rekening moet worden gehouden met uitkeringen die zij ontvangt uit levensverzekeringen. In het algemeen geldt immers dat nabestaanden dergelijke uitkeringen kunnen en ook zullen aanwenden om in hun levensonderhoud te voorzien. Soms echter komen nabestaanden als gevolg van het overlijden voor bijzondere uitgaven te staan en is het redelijk om aan te nemen dat zij daarvoor de verzekeringsuitkering (geheel of gedeeltelijk) aanwenden. In zoverre is die uitkering dan feitelijk niet beschikbaar om te voorzien in het levensonderhoud en kan daarmee in redelijkheid geen rekening worden gehouden bij het bepalen van de behoeftigheid. De rechtbank is met Allianz c.s. eens dat niet alle kosten die [eiseres sub 1] heeft moeten maken in verband met het overlijden van haar man zijn aan te merken als dergelijke bijzondere uitgaven. Hiermee zou worden miskend dat nabestaanden geen aanspraak kunnen maken op vergoeding van alle vermogensschade die zij lijden als gevolg van het overlijden, maar alleen op vergoeding van de schade als bedoeld in artikel 6:108 BW. In het onderhavige geval is de rechtbank van oordeel dat de kosten die [eiseres sub 1] heeft moeten maken in verband met haar verhuizingen kunnen worden aangemerkt als bijzondere uitgaven als eerder bedoeld. De rechtbank acht aannemelijk dat het gezin [XX] nog vele jaren in de echtelijke woning (tevens het ouderlijk huis van de heer [XX]) was blijven wonen als het ongeval niet was gebeurd. De rechtbank acht ook aannemelijk dat [eiseres sub 1] zich door het overlijden van haar man - het wegvallen van zijn inkomen en het uitblijven van schadevergoeding - in 2004 genoodzaakt heeft gezien de woning te verkopen, waarna zij met haar kinderen verschillende huurwoningen heeft bewoond en (een deel van) haar meubels heeft moeten opslaan. De rechtbank acht het redelijk om de uitgaven in verband met deze verhuizingen (tweemaal verhuiskosten en kosten opslag meubilair van in totaal € 16.735,50) in mindering te brengen op de uitkeringen uit de levensverzekeringen. Dit geldt ook voor (een deel van) de kosten die [eiseres sub 1] heeft moeten maken voor het verkrijgen van advies en ondersteuning, door de accountant en door haar broer, in de moeilijke periode na het ongeval. Hierbij moet worden uitgegaan van een door de rechtbank in redelijkheid vast te stellen bedrag van € 20.000, . Voor het overige ziet de rechtbank geen grond om kosten in mindering te brengen. (De kosten voor opslag van de auto en ook de overige kosten van de accountant en voor de hulp van de broer van [eiseres sub 1], waarvan [eisers] vergoeding wensen, zullen hierna nog afzonderlijk aan de orde komen). 

3.71.  Het voorgaande brengt mee dat bij het berekenen van de behoeftigheid van [eiseres sub 1] naast de jaarlijkse lijfrente-uitkeringen van Nationale Nederlanden van € 7.540,- ook rekening moet worden gehouden met de uitkeringen die zij heeft ontvangen van Fortis ASR (€ 46.150,-) en AMEV (€ 96.528,-) verminderd met een bedrag van € 16.735,50 wegens kosten van verhuizingen en meubelopslag en verminderd met een bedrag van € 20.000,- wegens kosten van advies en ondersteuning. Derhalve moet - naast de uitkering van Nationale Nederlanden - rekening worden gehouden met een in 2002 ontvangen bedrag ineens van € 105.942,50. Om dit bedrag te kunnen meenemen in de berekening van de behoeftigheid zal uitgegaan worden van de veronderstelling dat [eiseres sub 1] dit bedrag ook heeft aangewend voor het aankopen van een levenslange lijfrente. De door de rechtbank te benoemen rekenaar zal worden gevraagd de hoogte van deze lijfrente-uitkering vast te stellen. 

3.72.  De rechtbank ziet niet in waarom bij het berekenen van de behoeftigheid van [eiseres sub 1] rekening zou moeten worden gehouden met de door [XX] bij leven betaalde premies voor deze verzekeringen, zoals [eisers] stellen maar niet nader toelichten. 

Inkomsten uit vermogen 

3.73.  De behoeftigheid van nabestaanden wordt ook verminderd door eventuele inkomsten uit vermogen. 

3.74.  Vaststaat dat [eiseres sub 1] de beschikking heeft gekregen over liquide middelen uit de nalatenschap en uit de verkoop van de echtelijke woning. Partijen zijn het er over eens dat deze middelen niet zonder meer in mindering dienen te worden gebracht op de schadevergoeding die haar toekomt. Van haar kan niet gevergd worden dat zij dit kapitaal verbruikt voor de kosten van levensonderhoud. Maar partijen zijn het er ook over eens, en ook de rechtbank is van oordeel, dat het rendement dat uit het beschikbare kapitaal wordt verkregen in beginsel wel moet worden meegenomen bij de vaststelling van haar behoeftigheid. 

3.75.  Allianz c.s. stellen dat [eiseres sub 1] na de verkoop van de echtelijke woning de beschikking heeft gekregen over een bedrag van € 659.945,- (overwaarde), welk bedrag door haar wordt beheerd. Zij achten het redelijk om een rendement van 6% op dit vermogen (= € 39.596,- netto per jaar) aan te merken als inkomsten waarover zij kan beschikken. 

3.76.  [eisers] betwisten dat [eiseres sub 1] kon beschikken over de volledige overwaarde van de woning ad € 659.945,-. Onder verwijzing naar de verdelingsakte (prod.41) stellen zij dat [eiseres sub 1] slechts kon beschikken over € 367.221,50. De rest komt toe aan de kinderen. [eisers] achten een rendement van 6% niet reëel. Zij voeren aan dat het vermogen flink is geslonken door de ingestorte beurzen en doordat zij hierop noodgedwongen (wegens de weigering van Allianz c.s. om voorschotten te verstrekken) hebben moeten interen. 

De rechtbank overweegt als volgt. 

3.77.  Vaststaat dat door de verkoop van de woning in december 2004 een bedrag van € 659.945,- is vrijgekomen. Het is juist, zoals Allianz c.s. aanvoeren, dat [eiseres sub 1] sindsdien vrij over dit bedrag kan beschikken. Weliswaar komt een deel van het bedrag (verhoogd met een jaarlijkse rente van 6%) toe aan de kinderen, maar zoals door [eisers] is bevestigd zijn de vorderingen van de kinderen op [eiseres sub 1] pas opeisbaar bij overlijden van [eiseres sub 1]. Tot die tijd beheert zij het geld, kan zij daar vrij over beschikken en komen alle baten ten hare behoeve. 

3.78.  De rechtbank acht aannemelijk dat het vermogen van [eiseres sub 1] na 2004 is afgenomen door slechte beleggingsresultaten en doordat zij op dit vermogen heeft moeten interen. Niet gesteld en onderbouwd is echter wanneer en tot welke bedragen het vermogen is verminderd. [eisers] volstaan met het noemen van enkele bijzondere uitgavenposten. Van een paar van deze uitgavenposten (verhuizingen, meubelopslag, advies) heeft de rechtbank reeds aangenomen dat deze geheel of gedeeltelijk zijn voldaan uit de uitkeringen uit levensverzekering (zie hiervoor onder 3.70). Daarmee is derhalve van intering op het kapitaal geen sprake geweest. Dat er is ingeteerd is echter zonder meer aannemelijk gelet op de geringe inkomsten van [eiseres sub 1] en de hoge lasten die zij heeft moeten voldoen. De rechtbank acht het dan ook niet juist om aan te nemen dat [eiseres sub 1] vanaf 2004 voortdurend en onverminderd kon beschikken over het rendement op een vermogen van € 659.945,-. De inkomsten uit vermogen van [eiseres sub 1] moeten daarom worden bepaald op het rendement dat zij jaarlijks heeft kunnen verkrijgen op het in dat jaar feitelijk nog aanwezige kapitaal. De hoogte van dat kapitaal kan worden bepaald aan de hand van de belastingaangiften, waarin immers opgave moet worden gedaan van alle bezittingen. Een deel van de bezittingen, te weten € 105.942,50, moet hierbij evenwel buiten beschouwing worden gelaten. Dit is namelijk het bedrag dat is uitgekeerd door Fortis ASR en AMEV en dat op andere wijze reeds in de schadeberekening wordt betrokken (zie hiervoor onder 3.71). 

3.79.  De rechtbank acht het niet redelijk om aan te nemen dat [eiseres sub 1] op het voor haar beschikbare kapitaal jaarlijks een rendement maakt van 6%, zoals Allianz c.s. bepleiten. Allianz c.s. beroepen zich op ‘de jurisprudentie’. De rechtbank neemt aan dat zij dan doelen op de jurisprudentie inzake het rendement waarvan uitgegaan dient te worden bij kapitalisatie van toekomstige schade. Hier gaat het echter niet om het kapitaliseren van een schade, maar om het bepalen van de behoeftigheid van een nabestaande. De rechtbank ziet daarom aanleiding om aan te sluiten bij alimentatiezaken, waarin bij het vaststellen van de hoogte van inkomen uit vermogen (van belang voor het vaststellen van draagkracht en behoefte) als uitgangspunt wordt genomen een fictief rendement van 4%. Dat [eiseres sub 1] feitelijk een hoger rendement maakt is niet gesteld en acht de rechtbank ook niet aannemelijk, gezien de huidige economische situatie. De afgelopen jaren heeft [eiseres sub 1] bovendien in onzekerheid verkeerd over onder meer de vraag of haar een schadevergoeding op grond van artikel 6:108 BW zou toekomen, zodat zij het kapitaal niet voor langere tijd vast heeft kunnen zetten. [eisers] suggereren met hun stellingen dat het rendement op het vermogen tot nu toe laag, nihil of zelfs negatief is geweest, maar zij hebben dit niet onderbouwd. Zij hebben geen gegevens overgelegd waaruit kan blijken dat sprake is geweest van een rendement van minder dan 4%. De rechtbank gaat daarom uit van een fictief rendement van 4% op het voor [eiseres sub 1] jaarlijks beschikbare kapitaal. 

Stamrechtvrijstelling 

3.80.  [eisers] menen dat bij de berekening van de schade rekening moet worden gehouden met het feit dat door het overlijden van [XX] diens advocatenpraktijk moest worden beëindigd waarbij in één keer moest worden afgerekend met de Belastingdienst, terwijl in de situatie zonder ongeval een stamrechtvrijstelling zou hebben bestaan en tot € 450.000,- niet in één keer afgerekend had hoeven worden. Het nadeel van deze afwikkeling in één keer moet volgens hen in de berekening worden betrokken. De rechtbank begrijpt hieruit dat zij dit belastingnadeel in mindering gebracht willen zien op de beschikbare middelen in de situatie met ongeval. De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat door [eisers] niets nader is gesteld omtrent de afrekening en de omvang van het belastingnadeel. Overigens ziet de rechtbank ook geen aanleiding om rekening te houden met dit belastingnadeel, aannemend dat de belastingverplichting rustte op het vermogen van [XX] en dus viel binnen de nalatenschap. De hoogte van de nalatenschap staat los van de vraag naar de behoeftigheid van [eisers] wegens gederfd levensonderhoud. 

Huurtoeslag en zorgtoeslag 

3.81.  Allianz c.s. voeren aan dat [eiseres sub 1] sinds zij in 2004 een huurwoning bewoont mogelijk recht heeft op huurtoeslag, en dat ook de kinderen mogelijk recht hebben op huurtoeslag sinds zij op zichzelf wonen. De rechtbank acht de stellingen van Allianz c.s. op dit punt te weinig onderbouwd en laat deze verder buiten beschouwing. 

3.82.  Vaststaat dat [eiseres sub 1] en de kinderen recht hebben op zorgtoeslag. 
De rechtbank is van oordeel dat met de ontvangen zorgtoeslag rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van de middelen waarover zij feitelijk kunnen beschikken. 

De kinderen 

3.83.  De kinderen woonden ten tijde van het overlijden van [XX] nog thuis bij hun ouders. Zij waren 17, 15 en 12 jaar oud en werden volledig door hun ouders onderhouden. Na het behalen van hun diploma zijn zij gaan studeren. 

3.84.  De aanspraak van de kinderen op schadevergoeding is afhankelijk van de mate waarin [XX] in hun levensonderhoud zou hebben voorzien, en eindigt op het moment waarop de verstrekking van levensonderhoud ook zonder het overlijden zou zijn geëindigd. 

3.85.  De rechtbank gaat er vanuit dat de kinderen volledig door hun ouders zouden zijn onderhouden zolang zij thuis woonden en dat zij ook na het verlaten van het ouderlijk huis gedurende hun studie financieel zouden zijn ondersteund door hun ouders. De vraag is evenwel in welke mate en tot welk moment die ondersteuning tijdens de studieperiode zou zijn geboden. Daarover zijn partijen het niet eens. Vaststaat dat de kinderen in de situatie zonder overlijden recht zouden hebben gehad op een basisbeurs. Volgens [eisers] zou [XX] alle overige kosten van levensonderhoud voor zijn rekening hebben genomen tot aan het moment van afstuderen. Allianz c.s. achten dit niet aannemelijk. Volgens hen was zijn inkomen daarvoor niet toereikend en is het ook niet gebruikelijk dat studenten tot het eind van hun studie volledig door hun ouders worden onderhouden, maar hebben zij bijbanen of betaalde stages en sluiten zij leningen af bij de Informatie Beheer Groep (IB-groep, thans: de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)). Allianz c.s. wijzen er bovendien op dat kinderen gemiddeld met 23 jaar zijn afgestudeerd en hun eigen inkomen gaan verdienen. Volgens [eisers] zouden de kinderen door [XX] daarentegen volledig zijn onderhouden tot de leeftijd van 27 jaar ([eiser sub 2] en [eiser sub 3]) en 26 jaar ([eiseres sub 4]). 

3.86.  De rechtbank acht aannemelijk dat de kinderen gedurende hun gehele studietijd in zekere mate financieel zouden zijn ondersteund door hun ouders. De rechtbank ziet dan ook geen grond om de aanspraak op schadevergoeding eerder te laten eindigen dan op het moment dat zij zouden zijn afgestudeerd in de situatie zonder ongeval. 

[eiser sub 2] is in 2003 in Utrecht gaan studeren, hij was toen 19 jaar oud. Gelet op wat [eisers] daarover naar voren hebben gebracht acht de rechtbank het redelijk om aan te nemen dat de studievertraging van [eiser sub 2] voor een deel - één studiejaar - is veroorzaakt door de late rouwverwerking. In de situatie zonder ongeval zou [eiser sub 2] vermoedelijk in 2010 zijn masteropleiding Commerciële Economie hebben afgerond, zodat voor hem een eindleeftijd moet gelden van 26 jaar (zeven studiejaren). De kosten die [eiser sub 2] heeft moeten maken in verband met het extra studiejaar zijn aan te merken als schade die [eiser sub 2] lijdt tengevolge van het overlijden van zijn vader, maar die kosten komen niet voor vergoeding door Allianz c.s. in aanmerking omdat het hier niet gaat om schade als bedoeld in artikel 6:108 BW. 

[eiser sub 3] is in 2005 in Groningen gaan studeren, hij was toen 19 jaar oud. Voor [eiser sub 3] gaat de rechtbank uit van een eindleeftijd van 25 jaar omdat hij naar verwachting in 2011 afstudeert als bioloog (zes studiejaren). In de dagvaarding is wel gesteld dat hij daarna mogelijk nog twee jaar gaat studeren aan Nijenrode, maar ter zitting is hierover niets meer gesteld en de rechtbank acht dit te onzeker om hiermee rekening te houden. 

[eiseres sub 4] is in 2007 in Utrecht gaan studeren, zij was toen 18 jaar oud. Voor [eiseres sub 4] moet worden uitgegaan van een eindleeftijd van 23 jaar omdat zij verwacht in 2012 haar masteropleiding Economie te hebben voltooid (5 studiejaren). Het is de rechtbank niet duidelijk waarom voor haar een eindleeftijd van 26 jaar zou moeten gelden, zoals [eisers] bepleiten. 

3.87.  De rechtbank acht niet aannemelijk dat [XX] voor alle drie de kinderen gedurende hun gehele studieperiode het volledig levensonderhoud voor zijn rekening zou hebben genomen (in aanvulling op de basisbeurs). Onder meer omdat aangenomen moet worden dat de kinderen gedeeltelijk zelf in hun onderhoud zouden hebben kunnen voorzien door bijbanen of betaalde stages. Zo blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek over het jaar 2008 dat 83% van de wo-studenten en bijna 92% van de hbo-studenten werkt naast hun studie en dat zij daarmee gemiddeld € 5.250,- per jaar verdienen. [eisers] erkennen ook dat de kinderen bijbanen hebben. Daargelaten het antwoord op de vraag hoe groot de totale bijdrage van [XX] in het levensonderhoud van de kinderen nu precies zou zijn geweest, is de rechtbank van oordeel dat die bijdrage in elk geval maar tot op zekere hoogte betaald had kunnen worden uit het gezinsinkomen. Gezien het geschatte inkomen van [XX] in de situatie zonder ongeval (zie 3.29 en 3.33) en de vaste lasten die vooralsnog zijn vastgesteld op € 38.000,- (en die mogelijk nog hoger zullen blijken te zijn, zie onder 3.56 en 3.60) was de financiële ruimte om uit dit inkomen ook betalingen aan de kinderen te doen beperkt. De rechtbank acht het daarom niet reëel om aan te nemen dat [XX] het levensonderhoud van zijn studerende kinderen gedurende al die jaren kon bekostigen uit zijn maandelijkse inkomsten, met name niet gedurende de jaren dat twee of zelfs drie van zijn kinderen tegelijk studeerden. De rechtbank acht het redelijk om aan te nemen dat [XX] in de negen jaren dat hij studerende kinderen zou hebben gehad, gemiddeld circa € 900,- per maand van zijn inkomen had kunnen aanwenden voor zijn kinderen. Dit komt neer op een gemiddelde bijdrage per kind gedurende hun studietijd (zie hiervoor onder 3.86) van € 450,- per maand. Aangenomen moet worden dat voor zover [XX] méér zou hebben bijgedragen in het levensonderhoud van zijn kinderen dan genoemd bedrag per maand, hij dit meerdere zou hebben moeten bekostigen uit vermogen, zoals ook thans [eiseres sub 1] een deel van de studiekosten van de kinderen financiert uit het vermogen. In zoverre is naar het oordeel van de rechtbank van gederfd levensonderhoud door het overlijden van [XX] geen sprake. Wat de kinderen door het vroegtijdig overlijden van hun vader moeten missen is de bijdrage gedurende hun studie van € 450,- per maand die [XX] uit zijn inkomen had kunnen bekostigen. 

3.88.  Na het overlijden van hun vader hebben de kinderen ieder een bedrag geërfd van € 124.444,37. Zij hebben ieder een vordering op hun moeder ter hoogte van dit bedrag, te vermeerderen met 6% rente. Deze vorderingen zijn echter pas opeisbaar bij overlijden (of hertrouwen) van hun moeder. De kinderen kunnen thans dus niet over hun erfdeel noch over de daarover verschuldigde rente beschikken. Allianz c.s. acht het desondanks redelijk om de jaarlijkse rente van 6% over de erfdelen van de kinderen aan te merken als inkomsten waarover de kinderen kunnen beschikken en die hun behoeftigheid verminderen. Het gaat dan voor elk kind om € 622,22 per maand. Allianz c.s. beroepen zich hierbij op een uitspraak van de rechtbank Roermond van 5 december 2007 (LJN: BC0433). Anders dan de rechtbank Roermond oordeelde in genoemde zaak, acht de rechtbank het in deze zaak niet redelijk om de 6% rente die [eiseres sub 1] verschuldigd is over de erfdelen te betrekken bij het bepalen van de behoeftigheid van de kinderen, omdat de kinderen hierover feitelijk niet kunnen beschikken. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat ten aanzien van [eiseres sub 1] nu juist is aangenomen dat alle baten uit het vermogen – inclusief de baten uit de erfdelen van de kinderen – ten hare behoeve komen en dus moeten worden meegerekend bij het vaststellen van haar behoeftigheid. Zou de 6% rente over de erfdelen worden meegerekend bij de financiële middelen waarover de kinderen kunnen beschikken, dan zou diezelfde 6% rente in mindering moeten worden gebracht op de financiële middelen waarover [eiseres sub 1] kan beschikken, omdat anders sprake is van een ‘dubbeltelling’ van het rendement over de erfdelen voor de kinderen. 

3.89.  Vaststaat dat de kinderen na het overlijden van [XX] niet alleen recht hebben op een basisbeurs maar ook op een (volledige) aanvullende beurs vanwege het lage inkomen van [eiseres sub 1]. Deze aanvullende beurs zullen zij niet hoeven terugbetalen en moet worden meegenomen bij het bepalen van de behoeftigheid van de kinderen. 

3.90.  De schade die de kinderen gedurende hun studietijd lijden wegens gederfd levensonderhoud bestaat naar het oordeel van de rechtbank uit de gemiste bijdrage uit het inkomen van hun vader van € 450,- per maand minus de aanvullende beurs die zij feitelijk hebben ontvangen (en die zij in de situatie zonder ongeval niet zouden hebben ontvangen). 

Looptijd – sterftekansen – hertrouwkansen 

3.91.  De periode waarover schadevergoeding aan [eisers] moet worden vergoed wordt door een aantal factoren begrensd. 

3.92.  Zo is geen schadevergoeding meer verschuldigd vanaf het moment waarop de verstrekking van levensonderhoud door [XX] ook in de situatie zonder ongeval zou zijn geëindigd. 

3.93.  Ten aanzien van de kinderen geldt dat die periode eindigt op het moment dat zij, in de situatie zonder ongeval, zelf in hun onderhoud zouden zijn gaan voorzien (zie onder 3.86). Verder geldt dat [eisers] ook geen recht meer hebben op schadevergoeding vanaf het moment dat [XX] zou zijn overleden als het ongeval niet was gebeurd. Ook vanaf dat moment zouden zij niet langer door [XX] zijn onderhouden. De sterftekansen van [XX] vanaf 2002 moeten daarom bij de vaststelling van het schadebedrag in aanmerking worden genomen. Ook de sterftekansen van [eisers] moeten in de schadeberekening worden betrokken, zij het dat die kansen niet meegenomen behoeven te worden vanaf 2002 maar alleen voor de toekomst omdat vaststaat dat die kans zich tot nu toe niet heeft voorgedaan. 

3.94.  Allianz c.s. menen dat bij de schadebegroting ook rekening moet worden gehouden met de kans dat [eiseres sub 1] zal gaan hertrouwen of samenwonen, waardoor de schadevergoedingsplicht van Allianz c.s. eindigt. De rechtbank is van oordeel dat de kans op hertrouwen of samenwonen alleen in de schadebegroting mag worden betrokken, indien dat zo waarschijnlijk is te achten dat daarvan bij de berekening moet worden uitgegaan (zie HR 29 april 1994, NJ 1995/609). De rechtbank stelt vast dat door partijen geen feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht op basis waarvan vaststaat of zeer aannemelijk is dat [eiseres sub 1] gaat samenleven of hertrouwen. De rechtbank ziet daarom geen grond om dit te betrekken in de berekening. 

Kapitalisatie en rekenrente 

3.95.  Het ongeval is gebeurd in januari 2002, inmiddels al weer bijna tien jaar geleden. De schade aan de zijde van de kinderen betreft grotendeels schade die reeds is geleden. Alleen de schade van [eiseres sub 4] heeft nog voor een klein deel betrekking op de toekomst (want loopt door tot het einde van het studiejaar 2011-2012). De schade van [eiseres sub 1] is deels verschenen schade maar heeft voor een belangrijk deel ook nog betrekking op de toekomst. 

3.96.  Voor zover de schade van [eiseres sub 4] en [eiseres sub 1] betrekking heeft op de toekomst, zal deze daarom moeten worden gekapitaliseerd. Dit kapitaliseren zal moeten gebeuren tegen een datum die zo dicht mogelijk is gelegen bij de datum waarop de hoogte van de schade zal worden berekend. Bij het kapitaliseren moet een rekenrente worden gehanteerd, dat is het saldo van het rendement dat behaald kan worden over de toekomstschade die al wel wordt uitgekeerd maar nog niet is geleden, en de inflatie. Bij het kapitaliseren van de schade van [eiseres sub 4] zal naar het oordeel van de rechtbank een rekenrente van 0% moeten worden toegepast, gelet op de zeer korte looptijd van die schade. De schade van [eiseres sub 1] kent echter een lange looptijd en daarvoor biedt een rekenrente van 3% een goed gemiddelde. 

Opslagkosten auto 

3.97.  [eisers] vorderen een veroordeling van Allianz c.s. tot betaling aan [eisers] van de opslagkosten van de auto van [XX] tot een bedrag van € 5.129,- vermeerderd met rente (zie onder 2.2. sub 4a). Zij stellen dat zij deze kosten hebben moeten maken voor de opslag gedurende langere tijd van het autowrak. 
De rechtbank acht deze vordering niet toewijsbaar. De opslagkosten staan in verband met het overlijden van [XX] en zijn door [eisers] gedragen, maar Allianz c.s. zijn niet gehouden alle vermogensschade te vergoeden die [eisers] lijden als gevolg van het overlijden van [XX], maar alleen de schade als bedoeld in artikel 6:108 BW, te weten gederfd levensonderhoud en de kosten van lijkbezorging. Zoals door Allianz c.s. ook is aangevoerd zijn de opslagkosten van de auto niet te scharen onder artikel 6:108 BW. 

Verhuiskosten en opslagkosten meubilair 

3.98.   [eisers] vorderen een veroordeling van Allianz c.s. tot betaling aan [eisers] van de verhuiskosten en opslagkosten meubilair t/m 2010 (€ 16.735,50), vermeerderd met rente (zie onder 2.2. sub 4b). Allianz c.s. voeren verweer. 
Ook voor deze kosten geldt naar het oordeel van de rechtbank dat ze niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat ze buiten de reikwijdte vallen van artikel 6:108 BW. Zoals hiervoor onder 3.70 is uiteengezet, heeft de rechtbank wel aanleiding gezien om deze kosten in mindering te brengen op de uitkeringen uit levensverzekeringen, zodat ze via die weg wel in de schadeberekening zijn betrokken. De vordering onder 2.2 sub 4b zal worden afgewezen. 

Buitengerechtelijke kosten 

3.99.  [eisers] vorderen een veroordeling van Allianz c.s. tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten ad € 49.920,-, vermeerderd met rente (zie onder 2.2 sub 5). 
Zij voeren daartoe aan dat [eiseres sub 1] kosten heeft gemaakt om de aansprakelijkheid vast te laten stellen en de schade te laten berekenen. De kosten van de advocaat van [eisers] die de onderhandelingen heeft gevoerd, de kosten van [NN] Expertisebureau BV en de kosten van ongevallendeskundige [XY] bedragen naar zij stellen in totaal € 49.920,-. Bij brief van 8 september 2010 hebben [eisers] nota’s in het geding gebracht (prod.46). 

3.100.  Allianz c.s., die in de conclusie van antwoord als verweer aanvoerden dat een onderbouwing van de kosten ontbrak, hebben na ontvangst van productie 46 verder geen verweer gevoerd op dit punt. 

3.101.  De rechtbank neemt als vaststaand aan dat door [eisers] kosten zijn gemaakt die als buitengerechtelijke kosten moeten worden aangemerkt. De nota’s die zijn overgelegd (prod.46) hebben betrekking op een totaalbedrag van € 42.514,60 inclusief BTW. Uit die nota’s blijkt dat voor [XY] in totaal een bedrag van € 7.120,20 is betaald, voor [NN] Expertisebureau BV een bedrag van € 6.787,93 en dat de overige kosten ten bedrage van € 28.606,47 zien op werkzaamheden die zijn verricht door de advocaat van [eisers] over de periode juli 2002 tot en met december 2007. 
De rechtbank is van oordeel dat de gemaakte kosten de dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan. De vordering onder 2.2. sub 5 is daarom toewijsbaar tot een bedrag van € 42.514,60 (voor het meerdere ontbreekt elke onderbouwing) vermeerderd met rente. [eisers] vorderen rente vanaf de data waarop de diverse nota’s zijn betaald, dan wel vanaf de dag van dagvaarding. Op de meeste nota’s staat handgeschreven aangetekend op welke datum is betaald. Omdat het gaat om bijna 50 nota’s van verschillende data in de periode augustus 2002 tot januari 2008 bepaalt de rechtbank de ingangsdatum van de wettelijke rente over het gehele bedrag aan buitengerechtelijke kosten uit praktische overwegingen op 1 januari 2005. 

Kosten accountant en dhr [YY] 

3.102.  [eisers] vorderen een verklaring voor recht dat de kosten van de accountant en van de heer [YY] onderdeel zijn van de schade en vergoed dienen te worden aan [eisers] (zie onder 2.2. sub 6). Zij stellen dat de accountant en de heer [YY] (de broer van [eiseres sub 1]) veel kosten hebben moeten maken omdat zij na de plotselinge dood van [XX] contact onderhielden met de advocaat van [eisers] en zorgden voor de afwikkeling van het advocatenkantoor en de nalatenschap. De accountant zou € 55.981,- aan extra kosten hebben gemaakt maar dit nog niet in rekening hebben gebracht omdat hij zag voor welke kosten [eisers] stonden en hij het aan hen wilde overlaten wanneer zij zouden betalen. De heer [YY], tandarts van beroep, heeft patiënten weg moeten sturen uit tijdgebrek omdat hij een heleboel zaken voor [eisers] heeft geregeld. Hij is daardoor € 44.000,- aan inkomsten misgelopen, aldus [eisers]. 

3.103.  Allianz c.s. voeren verweer. 

3.104.  Naar het oordeel van de rechtbank komen de kosten van de accountant en de heer [YY] niet voor vergoeding in aanmerking, onder meer omdat ze buiten de reikwijdte vallen van artikel 6:108 BW. Zoals hiervoor onder 3.70 is uiteengezet, heeft de rechtbank wel aanleiding gezien om een deel deze kosten - te weten tot een bedrag van in totaal € 20.000,- - in mindering te brengen op de uitkeringen uit levensverzekeringen, zodat ze in zoverre in de schadeberekening zijn betrokken. De vordering onder 2.2 sub 6 zal worden afgewezen. 

Resumerend 

3.105.  De gevorderde verklaring voor recht dat Allianz c.s. aansprakelijk zijn voor het ongeval en dat zij de schade van [eisers] ex artikel 6:108 BW dienen te vergoeden (vordering 2.2 sub 1) zal worden toegewezen. 

3.106.  De gevorderde verklaring voor recht ter zake van de begrafeniskosten en de betaalde voorschotten (vordering 2.2 sub 3) zal worden toegewezen in die zin dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat de vordering van [eiseres sub 1] ter zake van de kosten van lijkbezorging als bedoeld in artikel 6:108 lid 2 BW, vermeerderd met wettelijke rente, door Allianz c.s. is voldaan met de voorschotbetalingen van in totaal € 25.000,-. 

3.107.  De gevorderde veroordeling van Allianz c.s. tot betaling aan [eisers] van de opslagkosten van de auto van [XX] tot een bedrag van € 5.129,- vermeerderd met rente (vordering 2.2 sub 4a) zal worden afgewezen. 

3.108.  De gevorderde veroordeling van Allianz c.s. tot betaling aan [eisers] van de verhuiskosten en opslagkosten meubilair t/m 2010 (€ 16.735,50), vermeerderd met rente (vordering 2.2 sub 4b) zal worden afgewezen. 

3.109.  De gevorderde veroordeling van Allianz c.s. tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten ad € 49.920,-, vermeerderd met rente (vordering 2.2 sub 5) zal deels worden toegewezen en wel in die zin dat Allianz c.s. zullen worden veroordeeld tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten ad € 42.514,60 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 januari 2005 tot de dag van volledige voldoening. 

3.110.  De gevorderde verklaring voor recht dat de kosten van de accountant en van de heer [YY] onderdeel zijn van de schade en vergoed dienen te worden aan [eisers] (vordering 2.2 sub 6) zal worden afgewezen. 

3.111.  Over de gevorderde veroordeling van Allianz c.s. tot vergoeding van de schade van [eisers] (vordering 2.2 sub 2) kan de rechtbank nog geen eindbeslissing nemen. De rechtbank heeft een groot aantal uitgangspunten vastgesteld en is voornemens een deskundige te benoemen ter berekening van de schade van eisers. 
Alvorens hiertoe over te gaan wenst de rechtbank [eisers] nog gelegenheid te bieden om zich - zo zij dit wensen - bij akte nader uit te laten over de onderwerpen genoemd onder 3.44 (het te verwachten uitkeringsbedrag van Fortis ASR in de situatie zonder ongeval) en 3.56 (de gestelde extra rentelast van ruim € 12.000,- per jaar). 
Ook zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen om zich bij akte uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige en over de aan die deskundige voor te leggen vragen. De rechtbank is voorshands van oordeel dat kan worden volstaan met één deskundige. Indien partijen geen overeenstemming over de persoon van de deskundige kunnen bereiken, zal de rechtbank een schadeberekenaar verbonden aan het Nederlands Rekencentrum Letselschade benoemen. Nu de aansprakelijkheid van Allianz c.s. vaststaat zal het voorschot van de deskundige door hen moeten worden gedeponeerd.    LJN BT2741

Deze website maakt gebruik van cookies