Zoeken

Inloggen

Artikelen

Hof 's-Hertogenbosch 010316 ernstig letsel na schadevaring schip; hof komt terug op bindende eindbeslissing tzv regresvordering wg-er; kosten loondoorbetaling toegewezen

Hof 's-Hertogenbosch 010316 ernstig letsel na schadevaring schip; hof komt terug op bindende eindbeslissing tzv regresvordering wg-er; kosten loondoorbetaling toegewezen 

vervolg op: hof-s-hertogenbosch-260515-ernstig-letsel-stuurman-na-schadevaring-geen-eigen-schuld-staat-volledig-aansprakelijk
hof-s-hertogenbosch-251114-ernstig-letsel-na-schadevaring-schip-met-terugdraaiende-brug-bewijsopdrachten-staat-als-wg-er-van-brugwachter

10.5.1.
Ten aanzien van de loondoorbetaling aan [appellant 3] heeft het volgende te gelden. In zijn tussenarrest van 26 mei 2015 heeft het hof in rov. 7.4.7. onder d geoordeeld dat (alleen) de kosten voor het aanstellen van een vervanger voor [appellant 3] voor vergoeding in aanmerking komen. Hiermee heeft het hof een geschilpunt tussen partijen uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist. In beginsel is het hof hieraan in het verdere verloop van het geding gebonden. Deze gebondenheid geldt echter niet onverkort. De eisen van de goede procesorde brengen immers tevens mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte, eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen daaromtrent. Indien het gewijzigde inzicht van de rechter is gestoeld op een reeds tussen de partijen met het oog daarop gevoerd debat behoeven partijen niet nogmaals de gelegenheid te krijgen zich uit te laten over punten waarover zij zich reeds hebben uitgelaten.

10.5.2.
Het hof ziet aanleiding de zojuist weergegeven (bindende) eindbeslissing in heroverweging te nemen, omdat deze berust op een onjuiste grondslag op grond van het volgende.
In hun akte na tussenarrest hebben Bamalité c.s. verduidelijkt dat hun vordering is gestoeld op het bepaalde in art. 6:107a BW en dat zij (thans) geen extra loonkosten van [appellant 3] vorderen maar alleen het loon dat zij aan [appellant 3] hebben betaald, zonder dat daar arbeid tegenover stond. Voorafgaand aan het tussenarrest hadden Bamalité c.s. deze grondslag van hun vordering niet met zoveel woorden aangeduid, alhoewel dit achteraf gezien wel in hun stellingen valt in te lezen (uit de vanzelfsprekendheid waarmee - alleen - de loondoorbetaling aan [appellant 3] aan de orde werd gesteld.) Door deze ontstane onduidelijkheid heeft het hof in zijn tussenarrest van 26 mei 2015 art. 6:107a lid 2 BW ten onrechte niet toegepast. Het hof zal dit thans redresseren. De Staat heeft zich hierover reeds uitgelaten in zijn akte na tussenarrest, waarin is gereageerd op de tevoren toegezonden akte in concept van Bamalité c.s., zodat het hof de Staat niet nogmaals de gelegenheid behoeft te geven zich dienaangaande uit te laten.

10.5.3.
Art. 6:107a lid 2 BW bepaalt dat indien de arbeidsongeschiktheid van een werknemer is veroorzaakt door een derde, een werkgever die verplicht is tot loondoorbetaling tijdens de arbeidsongeschiktheid van zijn werknemer, het recht heeft deze loondoorbetaling bij wege van schadevergoeding te verhalen op de schadeveroorzakende derde.
De Staat heeft bij zijn betwisting van de stellingen van Bamalité in zijn reactie naar aanleiding van de concept-akte van Bamalité c.s., slechts gesteld dat niet is aangetoond dat extra loonkosten zijn gemaakt bovenop de gebruikelijke loonkosten die zonder het incident zouden zijn gemaakt en dat Bamalité c.s. niet tegelijkertijd “extra loon dat betaald zou zijn” en de kosten van vervangend personeel kan vorderen. Hierbij ziet de Staat eraan voorbij dat (thans) geen kosten voor vervangend personeel worden gevorderd door Bamalité c.s. en dat het reguliere aan [appellant 3] betaalde loon wordt gevorderd. De Staat heeft niet betwist dat Bamalité verplicht was (op grond van art. 7:629 lid 1 BW, een individuele of een collectieve arbeidsovereenkomst) tot doorbetaling van het loon van [appellant 3] . De Staat heeft voorts niet gesteld dat Bamalité geen schade heeft geleden (bijvoorbeeld omdat [appellant 3] of Bamalité een arbeidsongeschiktheidsverzekering had afgesloten).

10.5.4.
Bamalité stelt in de inleidende dagvaarding dat zij het loon van [appellant 3] gedurende zijn ziekte heeft doorbetaald tot een bedrag van € 43.340,00 en zij vordert dit bedrag van de Staat. Hiertegen heeft de Staat aangevoerd dat hem geen stukken bekend zijn op grond waarvan de arbeidsongeschiktheid van [appellant 3] alsmede de noodzaak tot inschakeling van vervangers voor [appellant 3] vaststaan. Ook de hoogte van het aan [appellant 3] betaalde bedrag is volgens de Staat onvoldoende onderbouwd met bewijsstukken (cva nr 59). Bij conclusie van dupliek (nr 45) heeft de Staat hieraan toegevoegd dat hij hooguit de extra kosten verschuldigd zou zijn die Bamalité heeft gemaakt vanwege het inschakelen van een vervanger voor [appellant 3] , maar dat daarover geen gegevens zijn verstrekt.

10.5.5.
Naar het oordeel van het hof staat op grond van hetgeen Bamalité c.s. reeds bij de aanvang van de procedure (prod. 11 bij eis) hebben aangevoerd en de onvoldoende specifieke betwisting van de Staat, vast dat Bamalité [appellant 3] is blijven doorbetalen. Verder stellen Bamalité c.s. terecht dat uit de geneeskundige verklaring (gevoegd bij prod.1 bij eis) en de stukken van de strafzaak (prods. 12 en 13 bij eis) voldoende blijkt dat [appellant 3] ernstig gewond is geraakt bij het ongeval (onder meer vanwege gebroken rugwervels). Bamalité c.s. wijzen verder op de verklaring van [appellant 3] (prod. 2 cva) dat hij nog steeds bij perioden arbeidsongeschikt is vanwege rugklachten. Tenslotte hebben Bamalité c.s. gesteld dat [appellant 3] arbeidsongeschikt is geweest vanaf de aanvaring tot 1 februari 2003 en van 1 maart 2004 tot 1 september 2004. Nu de Staat verder geen concrete betwistingen heeft gedaan ten aanzien van het aan [appellant 3] doorbetaalde loon en de gestelde duur van de arbeidsongeschiktheid, staan de gestelde arbeidsongeschiktheid van [appellant 3] en de hoogte van het doorbetaalde loon naar het oordeel van het hof als onvoldoende betwist vast.

10.5.6.
Daarom zal het hof de vordering van € 43.340,00 ter zake de loondoorbetaling aan [appellant 3] alsnog toewijzen, met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding, zoals gevorderd. Wellicht ten overvloede bepaalt het hof dat in de schadestaatprocedure, waarnaar het hof de vordering van [appellant 3] als vermeld in rov 10.1.2 heeft verwezen, met deze veroordeling rekening zal moeten worden gehouden. ECLI:NL:GHSHE:2016:724

Deze website maakt gebruik van cookies