Zoeken

Inloggen

Artikelen

CRvB 270207 ME

CRvB 27-02-07 ME: vraag of in de behandelende sector een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat (dat betrokkene als gevolg van ziekte of gebrek dusdanige beperkingen had dat zij op de datum in geding niet in staat was meer dan 16 uur per week arbeid te verrichten of ongeschikt was te achten voor haar eigen werk)
De Raad is in tegenstelling tot de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag berust en voldoende draagkrachtig gemotiveerd is. De Raad is niet gebleken dat de (bezwaar)verzekeringsartsen bij hun beoordeling een onjuiste toepassing gegeven hebben aan het MAOC.

De (bezwaar)verzekeringsartsen hebben na eigen onderzoek en kennisneming van informatie van de curatieve sector geconcludeerd dat er geen lichamelijke of psychische oorzaken gevonden kunnen worden voor de klachten van betrokkene. Bij gebreke van een andere oorzaak schrijven de behandelende artsen de vermoeidheidsklachten toe aan M.E., mogelijk postviraal. Niettemin hebben de (bezwaar)verzekeringsartsen oog gehad voor de door betrokkene geuite klachten. De (bezwaar)verzekeringsartsen stelden vast dat er sprake was van een interne consistentie in die zin dat betrokkene een reële indruk maakte en ook handelde in overeenstemming met de door haar geuite klachten, maar dat de gestelde arbeidshandicap, anders dan betrokkene stelt, niet of slechts in lichte mate extern consistent was. De Raad merkt op dat ook hem uit de overgelegde medische stukken niet gebleken is dat tussen de behandelende artsen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat betrokkene als gevolg van ziekte of gebrek dusdanige beperkingen had dat zij op de datum in geding niet in staat was meer dan 16 uur per week arbeid te verrichten of ongeschikt was te achten voor haar eigen werk. De Raad merkt in dit verband op dat internist J.W. den Ouden-Muller in haar op 21 mei 2002 gedateerde medische verklaring enkel geadviseerd heeft dat betrokkene regelmatig moet leven met regelmatige lichamelijke en psychische belasting. Ook de door betrokkene geraadpleegde internist
T. Wijlhuizen heeft zich in zijn brief van 11 juli 2002, met uitzondering van het geven van medicatieadviezen, onthouden van het geven van specifieke leefregels. Alleen de geraadpleegde internist dr. A.C. de Boer overwoog in zijn op 25 maart 2004 gedateerde verklaring dat betrokkene zeker niet volledig arbeidsongeschikt is en dat de 16 uur die betrokkene nu per week werkt hem redelijk voorkomt. Deze internist merkt echter verder op dat de precieze inschatting van de arbeidsongeschiktheid van M.E.-patiënten een subjectief gebeuren is en hij de voor die inschatting verlangde expertise niet bezit.

De Raad onderschrijft tot slot het oordeel van appellant dat de rechtbank bij de beoordeling van het geschil ten onrechte zwaarwegende betekenis heeft toegekend aan de verklaring van de werkgever van betrokkene dat 16 uur werken voor betrokkene het maximaal haalbare is. De Raad is evenals appellant van oordeel dat het de specifieke deskundigheid van de (bezwaar)verzekeringsarts is om op grond van de beschikbare medische gegevens de beperkingen van een betrokkene tot het verrichten van arbeid vast te stellen en dat de verklaring van de werkgever niet is aan te merken als een objectieve, door medische kennis en deskundigheid onderbouwde verklaring. Dit geldt voorts voor de namens betrokkene in hoger beroep overgelegde en op 22 december 2006 gedateerde verklaring van haar werkgever.
Het bestreden besluit kan derhalve naar het oordeel van de Raad wel degelijk de aan te leggen rechterlijke toets doorstaan.
LJN BA0558

Deze website maakt gebruik van cookies