Zoeken

Inloggen

Artikelen

RvD Amsterdam 150311 geen klachtwaardig gebruik van persoonsgegevens

RvD Amsterdam 150311 geen klachtwaardig gebruik van persoonsgegevens 
2. Klachten
De klachten houden zakelijk weergegeven in dat verweerder, in strijd met artikel 46 Advocatenwet,
(a) onrechtmatig gebruik heeft gemaakt van klaagsters persoonsgegevens, waaronder het op grote schaal verspreiden van hoogst persoonlijke medische gegevens;
(b) het rapport K. heeft gebruikt hoewel dat niet mocht;
(c) mr. M. bij de zaak heeft betrokken op de wijze waarop hij dat heeft gedaan;
(d) gepoogd heeft klaagster tot een ongunstige schikking te bewegen;
(e) gelogen heeft tegen de rechter;
(f) het medisch advies van prof. B. in de onderhavige klachtprocedure heeft overgelegd zonder dat daarvoor door klaagster toestemming was gegeven.
(...)

4. Beoordeling onderdelen (a), (b) en (f) van de klachten
4.1 De raad ziet aanleiding de onderdelen (a), (b) en (f) van de klachten gezamenlijk te behandelen nu deze drie onderdelen alle zien op het verwijt van klaagster dat verweerder in strijd met de Wet Bescherming Persoonsgegevens (Wbp) en onder schending van de persoonlijke levenssfeer bedoeld in het EVRM medische informatie over haar aan derden verspreid heeft.
4.2 Vooropgesteld wordt dat de taak van de tuchtrechter zich beperkt tot de beantwoording van de vraag of verweerder tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld. Aldus toegespitst gaat het om de vraag of verweerder tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld (i) door medische informatie van klaagster aan respectievelijk Ziekenhuis A en de raadsman van Ziekenhuis A ter beschikking te stellen, (ii) door het rapport K. in het kader van een interne adviesrapportage aan Prof. B. toe te zenden; en (iii) door in de onderhavige klachtzaak het rapport van Prof. B. over te leggen.
4.3 De raad zal deze vraag behandelen vanuit de maatstaf dat een advocaat een ruime mate van vrijheid geniet om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Het tuchtrecht dient er niet toe om deze vrijheid van de advocaat te beknotten. Deze vrijheid brengt evenwel niet mee dat de advocaat de belangen van de wederpartij van zijn cliënt nodeloos en op ontoelaatbare wijze mag schaden.
4.4 Aangaande het toezenden van medische informatie aan (de raadsman van) Ziekenhuis A. heeft verweerder toegelicht dat zijn cliënt de heer D. zozeer onder de aansprakelijkheidsstelling leed dat hij de communicatie naar zijn raadsman had overgedragen aan Ziekenhuis A. Dit gegeven in aanmerking nemend is de raad van oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld heeft door aan Ziekenhuis A. afschrift van processtukken - met de daarin vervatte medische gegevens over klaagster – toe te zenden. Ziekenhuis A. had er bovendien een eigen belang bij van de procedure op de hoogte gehouden te worden nu zij in geval van gegrondbevinding van de vordering van klaagster, door de heer D. kon worden aangesproken, nu het gevorderde bedrag de dekking door de verzekeraar oversteeg. Vanuit dat perspectief bezien kan het verweerder evenmin tuchtrechtelijk worden verweten dat hij de advocaat van Ziekenhuis A. inzage in het procesdossier – met de daarin vervatte medische gegevens over klaagster – heeft gegeven. Onderdeel (a) van de klacht is derhalve ongegrond.
4.5 Wat betreft het doorzenden van het rapport K. aan Prof. B. overweegt de raad dat in de toentertijd geldende Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Financiële Instellingen het begrip functionele eenheid ruim werd geïnterpreteerd en dat tot de functionele eenheid mede mag worden gerekend de arts bij wie - met uitdrukkelijke instemming van klaagster - medisch advies wordt ingewonnen. Verweerder heeft Prof. B. ervan op de hoogte gesteld dat K. zijn rapport heeft uitgebracht zonder klaagster te hebben onderzocht en dat hij daarvoor tuchtrechtelijk is veroordeeld. Het is niet aan verweerder maar aan de desbetreffende medisch adviseur (Prof. B.) om te bepalen welke conclusies uit een dergelijk rapport vallen te trekken. Onderdeel (b) van de klacht is derhalve ongegrond.
4.6 Met betrekking tot de overlegging van het rapport van Prof. B. in de onderhavige klachtprocedure neemt de raad in aanmerking dat klaagster verweerder verwijt dat hij het rapport van Prof. B. heeft gefalsifieerd. Dat verweerder ter verdediging tegen een dergelijk verwijt het rapport van Prof. B. heeft overgelegd, acht de raad niet klachtwaardig. Onderdeel (f) van de klacht is derhalve ongegrond.
5. Beoordeling onderdeel (c) van de klachten
5.1 Onderdeel (c) van de klacht houdt in dat verweerder geen gebruik had mogen maken van de getuigenverklaring van mr. M. Ter zitting heeft verweerder zich dienaangaande op het standpunt gesteld dat hij inderdaad op het scherp van de snede geopereerd heeft door de verklaring van mr. M. over te leggen maar dat zulks in het belang van zijn cliënten gerechtvaardigd was. De raad is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verweerder zelfstandig mr. M. heeft benaderd noch dat hij een actieve inbreng in de inhoud van de verklaring van mr. M. heeft gehad. Aan klaagster was opgedragen het bewijs van de causaliteit tussen de medische fout en de nadien opgetreden klachten te leveren. Het kan niet als vallend buiten een goede beroepsuitoefening van een advocaat worden gerekend dat hij tracht de door klaagster opgeworpen causaliteit te ontzenuwen zolang dit met inachtneming van de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit gebeurt. Hoewel scherp ingestoken, meent de raad dat verweerder de belangen van klaagster niet nodeloos en op ontoelaatbare wijze, zonder dat daarmee een redelijk doel werd gediend, heeft geschaad. De raad overweegt daarbij dat het uiteindelijk de civiele rechter is die bij de weging van een verklaring het laatste woord heeft. Onderdeel (c) van de klacht is derhalve ongegrond.
6. Beoordeling onderdeel (d) van de klachten
6.1 Met onderdeel (d) van de klacht verwijt klaagster aan verweerder dat hij getracht heeft  klaagster op onoorbare wijze tot een ongunstige schikking te bewegen. Hetgeen dienaangaande is komen vast te staan, is hierboven sub 3.7 omschreven. Naar het oordeel van de raad is dit feitencomplex evenwel niet van dien aard dat geconcludeerd kan worden dat verweerder hiermee op onoorbare wijze getracht heeft klaagster tot een schikking te forceren. Onderdeel (d) van de klacht is derhalve ongegrond.
7. Beoordeling onderdeel (e) van de klachten
7.1 In klachtonderdeel (e) verwijt klaagster verweerder dat hij tegen de rechter gelogen heeft door ter zitting van 3 november 2009 de verklaringen af te leggen als hierboven sub 3.8 t/m 3.10 omschreven. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder het hof niet tuchtrechtelijk verwijtbaar verkeerd voorgelicht. Het gaat hier immers om de beleving en interpretatie van verweerder ten aanzien van hetgeen tussen partijen van relevante betekenis was. Niet gezegd kan worden dat er van een bewust verkeerde voorlichting aan de rechtbank sprake is geweest.
BESLISSING:
De raad van discipline verklaart alle onderdelen van de klacht ongegrond LJN YA1435

Deze website maakt gebruik van cookies