test
- Meer over dit onderwerp:
concept LSA Letselschade Magazine Week 9 2026
AANSPRAKELIJKHEID VERKEER, kop-staart botsingen
RBDHA 220126 voorligger remt voor overstekend haas/konijn; achterligger aansprakelijk voor kop-staart botsing
- verzocht 17 uur x 265 + 21%; matiging vanwege eerder verzoekschrift getuigenverhoor; toegewezen 11 uur x € 265 + 21% = € 3.527,15
2De feiten
2.1.
Op 8 februari 2018 heeft (rond 19.30 uur) op de [straatnaam] in [plaats] een zogenaamde ‘kopstaartbotsing’ plaatsgevonden waarbij [verweerder] met zijn auto achterop de (huur)auto van [verzoeker] is gereden. De aanrijding heeft plaatsgevonden buiten de bebouwde kom, in een bocht en op een deel van de weg waar ten tijde van de aanrijding een maximum snelheid van 80 kilometer per uur gold.
2.2.
Partijen hebben dezelfde avond samen de voorkant van een aanrijdingsformulier ingevuld en ondertekend.
2.3.
[verweerder] is uit hoofde van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorvoertuigen (‘WAM’) verzekerd bij Bovemij.
2.4.
Op 18 februari 2018 heeft [verweerder] de achterkant van het aanrijdingsformulier ingevuld voor zijn verzekeraar Bovemij. [verweerder] heeft opgeschreven dat hij een snelheid had van 50 kilometer per uur en dat [verzoeker] degene is die aansprakelijk is, omdat [verzoeker] “ineens volledig tot stilstand kwam door een onduidelijke oorzaak of een niet-logische oorzaak namelijk een konijn. Na een 1e kort remmoment van [ [verzoeker] ] volgde een volledige stop”.
2.5.
In december 2018 heeft [verzoeker] Bovemij c.s. aansprakelijk gesteld voor de door de aanrijding veroorzaakte schade.
2.6.
Bovemij c.s. heeft zich op het standpunt gesteld dat [verzoeker] zonder verkeersnoodzaak heeft geremd en heeft aansprakelijkheid afgewezen.
2.7.
Op 10 januari 2023 heeft [verzoeker] Bovemij c.s. nogmaals aansprakelijk gesteld, wat opnieuw is afgewezen.
2.8.
Op 5 maart 2024 hebben op verzoek van [verzoeker] voorlopig getuigenverhoren plaatsgevonden voor de rechter-commissaris van deze rechtbank, waarbij [verzoeker] en [verweerder] zijn gehoord. Hun verklaringen luiden als volgt, voor zover hier relevant:
( a) Het voorlopig getuigenverhoor van [verzoeker]
Op vragen van de rechter-commissaris antwoord ik als volgt:
- (…). Zoals ook op de foto is aangegeven vond de aanrijding plaats op maximaal 20 meter voor het bord “bebouwde kom”, vanaf welk moment een maximum snelheid van 50 km/uur geldt. Ik zat alleen in de auto. Het betrof een gehuurde Audi A3.
- U vraagt mij naar de gang van zaken voor de aanrijding. (…). Ik kwam van de snelweg bij de kruising waar het licht op rood stond. Ik was de eerste auto voor het stoplicht. Achter mij kwam toen in ieder geval één auto achterop. Toen het licht op groen sprong, ben ik rechtdoor, als ik me goed herinner, de [straatnaam] opgereden. Bij de eerste bocht zag ik in de groenstrook iets bewegen. Het gaat om de groenstrook die op de tweede foto rechts zichtbaar is. Voor de bocht en voordat ik die beweging zag, reed ik zo’n 50 km/u. In verband met de bocht en de beweging die ik waarnam ben ik gaan afremmen. Het was donker. Ik heb weliswaar meer afgeremd dan voor de bocht nodig was, dit in verband met de beweging die ik zag, maar het was niet een heel sterk remmen. En zeker geen noodstop. Ik heb nog een stukje met een snelheid van 15/20 km/u doorgereden. Ik zag nog steeds bewegingen op de groenstrook. Wat later bleek een dier te zijn, heeft een stukje bijna parallel aan de weg schuin voor mijn auto mee gerend. Daarna stak het voor mijn auto langs de weg over. Toen kwam het in het licht van de straatlampen en van mijn koplampen en zag ik dat het een haas was. Ik weet niet precies hoe groot de afstand was van de auto en de overstekende haas. Ik heb de haas wel in zijn geheel gezien, dus het kan niet heel vlak voor mijn auto zijn dat het overstak. Al met al schat ik de afstand op zo’n 10 meter. Ik reed al langzaam en remde nog steeds toen de haas overstak.
- Op dat moment hoorde ik een harde knal en werd ik van achteren aangereden. De hoofdsteun is toen hard tegen mijn achterhoofd geslagen en dat deed heel erg veel pijn.
- Toen ik in de bocht reed zag ik in mijn achteruitkijkspiegel achterop komende auto’s. In elk geval één. Ik weet niet precies de afstand tussen mijn auto en de achterop komende auto, maar het was geen ongewone kleine afstand.
- Op een vraag van mr. Muntjewerff antwoord ik dat ik achteraf geen remsporen op het wegdek heb gezien. Op voorstel van dhr. [verweerder] hebben wij na de aanrijding de auto’s aan de kant gezet, vervolgens heb ik gekeken of er remsporen op het wegdek aanwezig waren. Die waren er dus niet, niet van mijn auto maar ook niet van de auto van dhr. [verweerder] . Ik wil nogmaals benadrukken dat ik geen noodstop heb gemaakt en ook de ABS van mijn auto niet inwerking is getreden.
( b) Het voorlopig getuigenverhoor van [verweerder]
Op vragen van de rechter-commissaris antwoord ik als volgt:
- Ik kwam die avond van de aanrijding van de A4 uit Amsterdam. Ik nam de afslag richting [plaats] oost. Ik weet niet meer of de stoplichten bij de kruising op rood, groen of oranje stonden toen ik daar aan kwam. Ik ben rechtdoor over het kruispunt gereden richting huis. Op het verzekeringsformulier heb ik aangegeven dat mijn snelheid na het kruispunt zo’n 50 km/u zal zijn geweest. Tussen de 50 en 60 km/uur is ook een normale snelheid op dat traject dat ik vaak afleg.
- Mr. Muntjewerff vraagt mij naar mijn invulling van het schadeformulier, laatste pagina productie 5. Daar is bij “omstandigheden tijdens voorval” door mij een snelheid ingevuld van 50 km/uur waar ik eerst 20 km/uur had ingevuld en heb doorgehaald. Ik dacht eerst dat er gevraagd werd naar de snelheid waarbij het ongeval plaatsvond. En dat is zo’n 20 km/uur. Maar later begreep ik dat er gevraagd werd naar mijn snelheid voor de aanrijding. Die schat ik zoals gezegd op 50/60 km/uur. Dat heb ik toen aangepast op het formulier.
- (…).
- (…).
- U vraagt mij de gang van zaken vlak voor de aanrijding te beschrijven. Het is voor mij een normaal traject en ik reed daar voor mij op een normaal tijdstip. Het was niet heel druk op de weg. Ik reed de lange flauwe bocht van de [straatnaam] in. Ik zag dat voor mij een auto reed. Ik zag dat deze auto stevig remde. Ik zag de remlichten oplichten. Ik moest ook stevig remmen en kon in eerste instantie tijdig vaart verminderen. Toen gingen de remlichten van de auto voor mij korte tijd uit en daarna remde de auto nog een keer krachtig en kwam volledig tot stilstand. Ik remde ook krachtig, maar dat de auto voor mij nog een keer zo krachtig zou remmen kwam onverwachts. Ik heb die auto toen van achteren aangereden. In mijn perspectief was de botsing niet bijzonder krachtig, maar ik hoorde mijn bumper kraken.
- Wij zijn beide uitgestapt en hebben met elkaar besproken wat we met deze situatie aan moesten. Achter ons begon zich een file te vormen. Ik heb toen voorgesteld om naar mijn huis te rijden om de schadeformulieren in te vullen. En dat hebben we toen gedaan. Ik weet niet meer helemaal zeker of we niet eerst de auto’s in de berm hebben gezet. Ik denk van niet, maar ik weet dat niet zeker.
- U vraagt mij of we nog naar remsporen hebben gekeken. Dat is niet het geval. Ik weet niet meer of de politie gebeld is. Ik weet wel dat ze niet zijn gekomen.
- Ik weet niet meer hoe groot de afstand was tussen mijn auto en de auto van meneer [verzoeker] vlak voor de aanrijding. Die afstand was in ieder geval in eerste instantie genoeg om tijdig af te remmen. Nadat ik de eerste keer stevig had geremd en de remlichten van de auto voor mij weer doofden, was de afstand tussen de beide auto’s naar mijn schatting een meter of tien.
- Vlak voor de aanrijding reden er achter mij geen auto’s Dat weet ik zo zeker omdat het even duurde voordat de file ontstond waarover ik eerder verklaarde.
3Het verzoek in deelgeschil en het verweer
3.1.
Het verzoek van [verzoeker] strekt ertoe dat de rechtbank bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, verklaart voor recht dat Bovemij c.s. hoofdelijk aansprakelijk is voor de door [verzoeker] geleden en nog te lijden (im)materiële schade als gevolg van de aanrijding van 8 februari 2018, met begroting van de kosten van dit deelgeschil op € 5.451,05 en te bepalen dat Bovemij c.s. dit bedrag (plus het griffierecht) aan [verzoeker] dient te voldoen binnen veertien dagen na het wijzen van de beschikking.
3.2.
Aan het verzoek heeft [verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd. Op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (‘BW’) in samenhang met artikel 19 Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 heeft [verweerder] onrechtmatig jegens [verzoeker] gehandeld door zijn auto niet tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was. [verzoeker] ondervindt als gevolg van de aanrijding gezondheidsklachten en beperkingen en is (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt geraakt. Bovemij c.s. is hoofdelijk aansprakelijk voor de door de aanrijding veroorzaakte schade van [verzoeker] en is gehouden die te vergoeden.
3.3.
Bovemij c.s. verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert verweer. Bovemij c.s. betwist de gestelde (hoofdelijke) aansprakelijkheid. Er is geen sprake van onrechtmatig handelen van [verweerder] jegens [verzoeker] . Onzorgvuldig en onvoorzichtig en daarmee gevaarzettend rijgedrag van [verzoeker] zelf heeft in overwegende mate tot de aanrijding geleid en hij is dan ook degene die aansprakelijk is voor de gevolgen van de aanrijding (artikel 6:162 BW en artikel 5 van de Wegenverkeerswet), subsidiair is sprake van eigen schuld van [verzoeker] (artikel 6:101 BW). De vermeende schade moet volledig of overwegend voor rekening en risico van [verzoeker] worden gelaten (causale verdeling) en de eventuele toepassing van een billijkheidscorrectie kan niet worden beoordeeld, omdat [verzoeker] slechts summiere (medische) informatie heeft overgelegd waarover partijen buiten rechte nog niet eens hebben gediscussieerd en waaruit bovendien blijkt van uitvoerige pre-existente en niet-ongevalsgerelateerde klachten. Op basis van die summiere informatie kan de gestelde schade, laat staan of die als ongevalsgevolg kan worden aangemerkt, dan ook niet worden beoordeeld. Daar is nadere bewijslevering voor nodig en daar leent een deelgeschil zich niet voor. Bovemij c.s. betwist ook de kostenbegroting.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
4De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1.
Deze zaak heeft internationale aspecten, gelet op de woonplaats van [verzoeker] . De rechtbank moet daarom ambtshalve onderzoeken of zij bevoegd is over de zaak te oordelen en als dit zo is, moet zij ook ambtshalve onderzoeken naar welk materieel recht het gevorderde moet worden beoordeeld.
4.2.
Het verzoek heeft betrekking op een burgerlijke of handelszaak die is ingesteld na 10 januari 2015, zodat de zogenoemde Herschikte EEX-Verordening (Brussel I bis-Verordening) van toepassing is. Op grond van artikel 4 lid 1 van deze Verordening is de Nederlandse rechter bevoegd kennis te nemen van het geschil. [verweerder] heeft woonplaats in [woonplaats 2] en Bovemij heeft haar statutaire zetel in Nijmegen en houdt daar kantoor. Het gaat om een verbintenis uit onrechtmatige daad en het schadetoebrengende feit heeft zich voorgedaan in [plaats] . Deze rechtbank is op grond van artikel 1019x Rv zowel relatief als absoluut bevoegd om van het verzoek kennis te nemen. Deze bevoegdheid van de Nederlandse rechter is in overeenstemming met artikel 7 van de WAM. Op grond van artikel 4 van de Verordening betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II) is het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad, het recht van het land waar de schade zich voordoet. Dat is Nederland en dus is Nederlands recht van toepassing op deze zaak. Dat partijen een andere rechtskeuze hebben gemaakt is niet gesteld of gebleken.
Behandeling in deelgeschil
4.3.
De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- of overlijdensschade in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen.
Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of Bovemij c.s. aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] stelt te hebben geleden als gevolg van de aanrijding van 8 februari 2018. Partijen zijn het erover eens dat deze vraag zich leent voor behandeling in deelgeschil. De rechtbank ziet geen aanleiding daar anders over te oordelen en zal het verzoek inhoudelijk beoordelen.
Inhoudelijke beoordeling
4.4.
Volgens [verzoeker] heeft [verweerder] een verkeersfout gemaakt door in de gegeven omstandigheden te hard te rijden en te weinig afstand te houden tot zijn voorligger. Indien [verweerder] langzamer had gereden en/of meer afstand had gehouden tot de auto van [verzoeker] , had hij de aanrijding en de daaruit voorvloeiende schade kunnen voorkomen.
4.5.
Bovemij c.s. betwist dit. Het enkele feit dat [verweerder] achter op de auto van [verzoeker] is gereden, maakt nog niet dat vaststaat dat hij een verkeersfout heeft gemaakt. [verweerder] reed niet te hard en heeft voldoende afstand gehouden tot zijn voorligger. [verweerder] had zijn auto ook op tijd tot stilstand kunnen brengen en de aanrijding kunnen voorkomen, indien [verzoeker] geen verkeersfout had gemaakt door plotseling en zonder (verkeers)noodzaak onnodig hard voor een tweede keer te remmen, zonder rekening te houden met andere weggebruikers. Dit behoefde [verweerder] niet te verwachten. [verzoeker] wist bovendien dat [verweerder] achter hem reed, aldus Bovemij c.s.
4.6.
Beide partijen hebben ter onderbouwing van hun stellingen verwezen naar het aanrijdingsformulier en de getuigenverklaringen. De lezingen van partijen over wat hieruit volgt lopen uiteen.
4.7.
De rechtbank hecht allereerst waarde aan de voorkant van het aanrijdingsformulier dat [verzoeker] en [verweerder] direct na de aanrijding hebben ingevuld en ondertekend (2.2). De rechtbank houdt het ervoor dat partijen het eens zijn met wat zij hebben ingevuld en de tekening (situatieschets) die op het formulier is gemaakt en dat zij het formulier daarom hebben ondertekend. Dat sprake is van het tegendeel, is ook niet gesteld of gebleken.
4.8.
Op de voorkant van het aanrijdingsformulier staat:
(i) bij de tekening; “[ [verzoeker] ] was breaking because of the rabbit” en;
(ii) bij het deel dat [verweerder] voor zijn verzekeraar heeft ingevuld; “[ [verzoeker] ] was standing still after breaking for the crossing rabbit“.
4.9.
De achterkant van het aanrijdingsformulier kan niet tot uitgangspunt worden genomen, omdat dit eenzijdig door [verweerder] is ingevuld en niet door [verzoeker] is (gezien of) ondertekend.
4.10.
Over de getuigenverklaringen overweegt de rechtbank het volgende.
4.11.
[verzoeker] heeft tijdens het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat hij voor de bocht en voordat hij voor de eerste keer iets zag bewegen in de groenstrook, met een snelheid van ongeveer 50 kilometer per uur reed en dat hij vanwege de bocht en omdat hij iets zag bewegen in de groenstrook (voor de eerste keer) is gaan afremmen, weliswaar krachtiger dan voor de bocht nodig was, maar in verband met de beweging in de groenstrook. Vervolgens is hij nog een stuk doorgereden met een snelheid van 15 tot 20 kilometer per uur. Zijn auto werd aangereden op het moment dat hij al langzaam reed en nog steeds remde toen het dier op een afstand van ongeveer 10 meter voor zijn auto de weg overstak.
4.12.
[verweerder] heeft tijdens het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat hij stevig moest remmen, omdat hij zag dat [verzoeker] voor de eerste keer remde en dat [verzoeker] vervolgens nog een keer krachtig remde en volledig tot stilstand kwam. Hoewel [verweerder] ook krachtig remde, verwachtte hij niet dat [verzoeker] nog een keer krachtig zou remmen en heeft hij daarom de auto van [verzoeker] aangereden.
4.13.
Partijen zijn het erover eens dat zij vlak voor de aanrijding (en na de eerste remming door [verzoeker] ) een vrijwel gelijke – zeer gematigde – snelheid hadden van circa 20 kilometer per uur. [verweerder] heeft tijdens het getuigenverhoor verklaard dat er toen 10 meter afstand tussen de auto’s zat en heeft zich in het kader van deze procedure op het standpunt gesteld dat hij met genoemde snelheid slechts 8 meter nodig zou hebben gehad om zijn auto tot stilstand te brengen. Nu de aanrijding heeft plaatsgevonden, staat vast dat dit betoog van [verweerder] niet kan kloppen.
4.14.
Ook het betoog van Bovemij c.s. dat het tijdig tot stilstand komen niet is gelukt, omdat [verzoeker] geheel onverwachts en zonder reden of (verkeers)noodzaak remde, wat [verweerder] niet behoefde te verwachten, gaat niet op. [verzoeker] had al een eerste keer geremd en blijkens de verklaring van [verweerder] reden de auto’s daarna ongeveer even snel. [verzoeker] benadrukt dat hij geen noodstop heeft gemaakt. Hoewel er geen politie ter plaatse is geweest die de aan- of afwezigheid van remsporen heeft onderzocht, vindt de lezing van [verzoeker] bevestiging in de door hem beschreven gang van zaken voorafgaand aan de aanrijding, waar [verweerder] onvoldoende tegenover heeft gesteld. [verzoeker] heeft verklaard dat hij langzamer is gaan rijden vanwege de bocht en omdat hij iets zag bewegen in de groenstrook, dat hij op den duur in de gaten kreeg wat er gaande was en dat het dier dat zich in de groenstrook bevond, nog een stukje met zijn auto heeft meegerend voordat het de weg overstak. [verzoeker] heeft zijn rijgedrag dus aangepast op een onzekere situatie en toen hem duidelijk werd waar hij rekening mee moest houden, is hij het dier in de gaten blijven houden en langzaam blijven rijden. Dat er in die situatie, met een zeer gematigde snelheid van circa 20 kilometer per uur aanleiding voor [verzoeker] bestond om een noodstop te maken, ligt niet voor de hand en rijmt ook niet met zijn verklaring dat het dier uiteindelijk op een afstand van circa 10 meter voor zijn auto is overgestoken. Op (de voorkant van) het aanrijdingsformulier staat ook niets over een plotselinge of onverwachte noodstop. Op dit formulier zijn slechts twee opmerkingen gemaakt, waaruit valt af te leiden dat partijen het er tijdens het invullen van het formulier over eens waren dat [verzoeker] eerst heeft afgeremd en dat het dier overstak voordat hij stilstond. [verweerder] schrijft immers: “[verzoeker] was standing still after breaking for the crossing rabbit”. In het licht van dit een en ander zijn er meer aanknopingspunten voor het volgen van de uitleg van [verzoeker] dan de uitleg van [verweerder] .
4.15.
[verweerder] had moeten afwachten wat zijn voorligger ging doen. Gelet op de toelichting van [verweerder] ter zitting “er werd geremd, ik rem mee, vervolgens werd de rem losgelaten, dus ik denk we rijden verder (…)” houdt de rechtbank het ervoor dat [verweerder] er (ten onrechte) van is uitgegaan dat er niet meer zou worden geremd, zijn rem heeft losgelaten (en mogelijk gas bij heeft gegeven) en niet meer goed genoeg heeft opgelet. Het eerste remmoment van [verzoeker] , waarover [verzoeker] heeft verklaard dat hij wellicht meer heeft afgeremd dan nodig en [verweerder] heeft verklaard dat dit “stevig” was, en de daaropvolgende veel lagere snelheid van beide auto’s dan ter plekke is toegestaan, hadden voor [verweerder] aanleiding moeten zijn tot meer oplettendheid van de kant van [verweerder] en een afwachtende houding, waarbij hij voldoende afstand tot [verzoeker] in acht nam (door zijn snelheid verder te verlagen), zodat hij beter had kunnen anticiperen op de situatie.
4.16.
[verzoeker] mocht zijn rijgedrag aanpassen omdat hij in de groenstrook iets zag bewegen dat mogelijk zou oversteken. Hij heeft op de situatie geanticipeerd door af te remmen en verder af te remmen toen hij zag dat het een dier was dat schuin voor zijn auto meerende en vervolgens voor zijn auto de weg overstak. Dat [verzoeker] wist dat [verweerder] achter hem reed, doet niets af aan het feit dat [verweerder] een zodanige afstand tot zijn voorganger had moeten behouden dat hij zijn auto tot stilstand had kunnen brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was. Uit het feit dat er tijdens de eerste remming geen aanrijding heeft plaatsgevonden, blijkt dat [verzoeker] voldoende rekening heeft gehouden met de aanwezigheid van [verweerder] . Het was vervolgens aan [verweerder] om te zorgen dat hij voldoende afstand hield om de aanrijding naar aanleiding van de tweede remming te voorkomen.
4.17.
[verweerder] heeft een verkeersfout gemaakt en onrechtmatig jegens [verzoeker] gehandeld door zijn rijgedrag onvoldoende aan te passen op de verkeerssituatie. [verweerder] had een aanrijding kunnen voorkomen, maar heeft in de gegeven omstandigheden te hard gereden (wellicht toch harder dan 20 kilometer per uur) en/of onvoldoende afstand gehouden tot zijn voorligger (en/of wellicht helemaal niet geremd) en/of niet goed genoeg opgelet. [verzoeker] valt onder de gegeven omstandigheden geen verwijt te maken. Het beroep van Bovemij c.s. op eigen schuld van de zijde van [verzoeker] slaagt niet. Aan (de beoordeling van) een eventuele verdeling van de causaliteit en/of de toepassing van een billijkheidscorrectie wordt niet toegekomen.
4.18.
Nu [verweerder] jegens [verzoeker] aansprakelijk is, heeft [verzoeker] op grond van artikel 6 WAM een rechtstreeks vorderingsrecht op Bovemij en Bovemij gehouden is de door [verzoeker] geleden schade te vergoeden.
4.19.
Het verzoek van [verzoeker] zal worden toegewezen. Het is aan partijen om het schadetraject (inclusief de beantwoording van de vraag welke schade als ongevalsgevolg kan worden aangemerkt) op te pakken en af te wikkelen.
Kosten deelgeschil
4.20.
De advocaat van [verzoeker] maakt aanspraak op de vergoeding van een bedrag van € 5.451,05 (17 uur x een uurtarief van € 265, te vermeerderen met 21% btw) plus een bedrag van € 331,00 aan griffierecht. Bovemij c.s. betwist de begroting van de kosten voor het deelgeschil. Samengevat stelt Bovemij c.s. zich op het standpunt dat de gestelde kosten en de hoogte daarvan bovenmatig en niet reëel zijn.
4.21.
Ingevolge 1019aa lid 1 Rv dient de rechtbank de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt te begroten op de voet van artikel 6:96 BW, ook als het verzoek wordt afgewezen. Dit betekent dat de benadeelde deze kosten in beginsel vergoed kan krijgen van een andere partij, als diens aansprakelijkheid tenminste komt vast te staan. Voorts dient hierbij de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden: het dient redelijk te zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dient eveneens redelijk te zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.
4.22.
Deze laatste situatie is niet aan de orde. Het is redelijk dat met onderhavige procedure kosten zijn gemaakt. Gelet op de gemiddelde complexiteit van het geschil en in aanmerking genomen het verweer van Bovemij c.s. dat het verzoekschrift overwegend gelijk is aan het verzoekschrift dat [verzoeker] eerder heeft ingediend voor het houden van de voorlopige getuigenverhoren en dat het verzoek- en verweerschrift een herhaling van zetten bevatten, omdat de standpunten van partijen steeds duidelijk en consistent zijn geweest, waar de advocaat van [verzoeker] vervolgens onvoldoende tegenover heeft gezet, is matiging van de gestelde tijdsbesteding van 17 uren op zijn plaats.
4.23.De rechtbank begroot de tijdsinvestering van de advocaat van [verzoeker] in verband met het deelgeschil op 11 uren in totaal, zoals aangevoerd door Bovemij c.s. en vermenigvuldigt dit met het gehanteerde uurtarief van € 265 (waartegen geen verweer is gevoerd) en komt dan uit op een bedrag van € 2.915 nog te vermeerderen met 21% btw, derhalve € 3.527,15 plus € 331,00 voor het betaalde griffierecht. Rechtbank Den Haag 22 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:2094
AANSPRAKELIJKHEID VERKEER, linksafslaand verkeer, motorrijders
RBROT 020226 auto op 80 km/u weg slaat af naar inrit; motorrijder haalt in met 96 km/u; WAM-ass motor erkent aansprakelijkheid; motorrijder is daaraan gebonden
- verzocht 32,5 uur x € 230 + 21%, begroot, niet toegewezen 25 uur x € 230 + 21% = € 6.957.50
3Wat is er gebeurd?
3.1.
Op 29 oktober 2021 heeft [verzoeker] ernstig letsel opgelopen door een verkeersongeval waarbij [naam] betrokken was. [verzoeker] reed op een motor op een tweebaansweg met doorgetrokken streep waar de maximale snelheid 80 km/uur is. [verzoeker] was bezig met een inhaalmanoeuvre toen hij tegen de auto van [naam] botste. [naam] was op dat moment aan het afslaan om het pad richting haar woning op te rijden. Op de plaats waar [naam] wilde afslaan, was de doorgetrokken streep onderbroken. De schade die [verzoeker] door het ongeval heeft opgelopen, bestaat onder andere uit de gedeeltelijke amputatie van zijn rechterbeen. [naam] had een WAM-verzekering bij Allianz.
3.2.
[verzoeker] kan zich niets meer van het ongeval herinneren. De politie, die ter plaatse kwam, heeft [naam] Allianz als getuige gehoord en haar verklaring in het proces-verbaal opgenomen. Deze verklaring luidt als volgt:
“Bij aanvang van het verhoor deelde ik aan de getuige het volgende mee:
U bent betrokken geweest bij een verkeerongeval met letsel. Om deze reden willen wij van u een getuigenverklaring opnemen. Wat kunt u mij vertellen over het verkeersongeval?
De getuige verklaarde: "Vandaag vrijdag 29 oktober 2021 omstreeks 16:00 uur reed ik in mijn auto, voorzien van kenteken [kenteken], naar mijn huis. Mijn huis is gevestigd aan de [adres]. Vanaf de Schelmseweg moet ik een pad van ongeveer 80 meter in rijden om bij mijn huis te komen. Dit pad leidt alleen naar mijn huis, er zijn dus niet veel personen die dit pad inslaan. De Schelmseweg betreft een tweebaansweg waar de toegestane maximum snelheid 80 kilometer per uur is. Ik kwam uit de richting van Velp en wilde linksaf slaan naar het pad die naar mijn woning leidt. Het was droog en zonnig weer, de zon kwam van voren toen ik over de Schelmseweg reed in de richting van mijn huis. Om deze reden had ik het zonnescherm naar beneden. Op ongeveer 500 meter afstand van de afslag deed ik mijn linker knipperlicht aan en verminderde ik mijn vaart. Toen ik mijn vaart aan het verminderen was heb ik in mijn achteruitkijkspiegel gekeken, ik zag dat er een motorrijder achter mij reed. Ik denk dat de afstand tussen de motorrijder en mij ongeveer 500 meter betrof. Ik zag dat er geen tegemoetkomend verkeer aan kwam rijden op de andere weghelft.
Toen ik afsloeg en voor de helft op de andere weghelft was, voelde en hoorde ik een klap. De airbag van de bestuurderskant ging uit en klapte in mijn gezicht. Hierdoor zat ik even geschrokken, stil in mijn stoel. Hierna heb ik mijn gordel af gedaan en ben ik uit mijn auto gestapt. Ik zag toen op het linker fietspad, vanaf Velp gezien, een motorrijder liggen. Ik zag dat er een motor op het fietspad lag, deze lag dichterbij mij dan dat de motorrijder lag.
Vervolgens zag ik dat de linkerkant van mijn auto flink beschadigd was. Er zat een flinke deuk in de linkerkant van mijn auto. Ook zag ik dat de linker koplamp van mijn auto kapot was. Hierna stopte er een paar mensen die langs kwamen rijden, zij hebben de motorrijder en mij geholpen en toen is 112 gebeld." Nadat de getuige haar verklaring had doorgelezen, verklaarde zij in te stemmen met de verklaring en ondertekende deze.”
3.3.
[verzoeker] was verzekerde onder een WAM-verzekering (met de eigenaar van de motor als verzekeringnemer) bij Bovemij. Op 23 februari 2022 stuurt een medewerker van Quakel Assuradeuren B.V., de gevolmachtigde van Bovemij, aan de belangenbehartiger van [naam], een e-mail met voor zover van belang de volgende inhoud:
“Inzake bovenstaande schade hebben wij onlangs telefonisch contact gehad en het verzoek was om na te gaan of de bestuurder van de motorfiets nog bereid is om zijn kant van het verhaal op papier te zetten. Via de motorzaak heb ik het telefoonnummer van de zus van de bestuurder gekregen. Zij hebben regelmatig contact met haar gehad vlak na het ongeval. Zij vertelde echter dat haar broer zich niets van het ongeval meer kan herinneren en daarom is hij niet in staat om zijn verhaal aan te leveren.”
3.4.
Op 28 februari 2022 heeft Bovemij, aan de belangenbehartiger van [naam] een e-mail gestuurd met onder andere de volgende inhoud:
“Excuses voor de late reactie. Onze verzekerde kan zich niets meer van het ongeval herinneren. Op basis van het schadeformulier van uw cliënte en het politierapport kunnen wij de aansprakelijkheid erkennen.”
3.5.
[verzoeker] heeft Allianz op 2 februari 2023 aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeval. Allianz heeft op 28 juni 2023 de aansprakelijkheid afgewezen.
3.6.
Allianz heeft daarna Ongevallen Analyse Nederland (hierna: OAN) ingeschakeld om onderzoek te doen naar de toedracht van het ongeval. Het rapport van OAN van 22 november 2023 bevat de conclusie dat de botssnelheid van [verzoeker] minimaal 96 km/uur is geweest. Allianz heeft [verzoeker] daarna op 8 december 2023 laten weten dat zij haar standpunt wat betreft de aansprakelijkheid handhaaft.
3.7.
[verzoeker] heeft daarna zijn huidige advocaat ingeschakeld en Allianz op 30 april 2024 verzocht om, met toepassing van de billijkheidscorrectie, 90% van zijn schade te vergoeden. Allianz heeft dit op 10 juli 2024 geweigerd.
4Het geschil
4.1.
[verzoeker] verzoekt (samengevat), bij wijze van een deelgeschil volgens artikel 1019w Rv, de rechtbank om, in een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking,
I. voor recht te verklaren dat [naam]/Allianz aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] als gevolg van het verkeersongeval van 29 oktober 2021 heeft opgelopen,
II. voor recht te verklaren dat Allianz gehouden is om de volledige geleden en nog te lijden schade van [verzoeker] te vergoeden,
III. de kosten van deze procedure te begroten conform de opgave van de advocaat van [verzoeker] en Allianz te veroordelen om deze kosten inclusief het griffierecht aan [verzoeker] te betalen.
Bij akte na mondelinge behandeling is de vordering jegens [naam] ingetrokken.
4.2.
Allianz voert verweer en verzoekt primair afwijzing van de verzoeken van [verzoeker], subsidiair dat de vergoedingsplicht van Allianz volledig vervalt, en dat de kosten van de deelgeschilprocedure niet worden begroot en voor rekening van [verzoeker] blijven.
5De beoordeling
Het rapport van Baan Hofman wordt niet toegelaten
5.1.
[verzoeker] heeft bezwaar gemaakt tegen de toelating van het rapport van Baan Hofman dat Allianz bij haar akte van 28 november 2025 heeft overgelegd. Dat bezwaar slaagt. Het rapport wordt niet toegelaten tot het procesdossier. In deze situatie verzet de goede procesorde zich hiertegen. Partijen hebben na de mondelinge behandeling de gelegenheid gekregen om zich bij akte uit te laten over de vraag of [verzoeker] gebonden is aan de erkenning van aansprakelijkheid door Bovemij. Voor nadere bewijslevering omtrent de toedracht is geen gelegenheid gegeven. Bovendien is de rechtbank met [verzoeker] eens dat niet valt in te zien waarom het rapport in zo’n laat stadium pas wordt ingebracht, terwijl het gebaseerd is op feiten die al lang bekend waren.
[verzoeker] is gebonden aan de erkenning van aansprakelijkheid door Bovemij
5.2.
De vraag die partijen verdeeld houdt is of Allianz aansprakelijk is voor de schade van [verzoeker]. Voor beoordeling van de aansprakelijkheid is pas ruimte als [verzoeker] niet gebonden is aan de erkenning van aansprakelijkheid voor het ongeval door Bovemij.
5.3.
Volgens vaste jurisprudentie staat het een aansprakelijkheidsverzekeraar in beginsel niet vrij om terug te komen op een jegens een derde gedane erkenning dat zijn verzekerde jegens die derde aansprakelijk is. De erkenning door de WAM-verzekeraar bindt echter niet zonder meer de verzekerde van de aangesproken verzekeraar ten aanzien van de claim die de verzekerde bij de wederpartij neerlegt. In dat geval is de vraag of de benadeelde er in de gegeven omstandigheden op mocht vertrouwen dat hij ook de verzekerde aan die erkenning door de verzekeraar kon houden. De vraag is dus of de mail van Bovemij waarin zij aansprakelijkheid erkent (r.o. 3.3.), in de gegeven omstandigheden door Allianz zo is opgevat – en ook als zodanig opgevat mocht worden – dat Bovemij namens [verzoeker] aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkende, niet alleen waar het ging om de gevolgen voor [naam] als verzekerde van Allianz maar ook om de gevolgen voor [verzoeker].
5.4.
[verzoeker] voert ter onderbouwing van zijn stelling dat hij niet gebonden is aan de erkenning van Bovemij allereerst aan dat de erkenning niet namens hem is gedaan, omdat Bovemij geen contact met hem heeft opgenomen voorafgaand aan de erkenning en dus geen hoor en wederhoor heeft toegepast. Ten tweede stelt hij dat het niet duidelijk is op basis van welke informatie Bovemij aansprakelijkheid heeft erkend. Tot slot stelt hij dat het aannemelijk is dat Bovemij om proceseconomische redenen heeft besloten om de schade van de verzekerde van Allianz van € 1.000,- te betalen, zonder de discussie aan te gaan over de aansprakelijkheid.
5.5.
Naar het oordeel van de rechtbank mocht Allianz er gerechtvaardigd vanuit gaan dat de mail van Bovemij van 28 februari 2022 een erkenning van aansprakelijkheid voor alle gevolgen van het ongeval inhield en is [verzoeker] aan deze erkenning gebonden. De argumenten van [verzoeker] zijn niet voldoende om te concluderen dat Allianz de erkenning van Bovemij anders had moeten begrijpen of rekening moest houden en de rechtbank ziet daar verder ook geen aanleiding voor. Dat wordt als volgt toegelicht.
5.6.
Het gaat het erom wat Allianz mocht begrijpen uit de mail van Bovemij. Dat Bovemij geen contact zou hebben gehad met [verzoeker] voorafgaand aan het erkennen van aansprakelijkheid, wordt nu door Allianz betwist. Zij wijst in dit kader op de door [verzoeker] ingebrachte e-mail van Quakel Assuradeuren B.V. waarin wordt aangegeven dat er contact zou zijn geweest met de zus van [verzoeker], maar dat toen is aangegeven dat [verzoeker] zich niets meer van het ongeval kon herinneren en dus niet zijn versie van het verhaal kon vertellen. Of Bovemij nu wel of geen contact heeft gehad met [verzoeker], al dan niet via een tussenpersoon, is niet relevant voor deze kwestie, want dit was toentertijd niet kenbaar voor Allianz. Uit de onder 3.4 geciteerde mail kon en mocht Allianz opmaken dat Bovemij wel contact met [verzoeker] had gehad.
5.7.
Ten tweede is het, anders dan [verzoeker] stelt, duidelijk op basis waarvan Bovemij aansprakelijkheid heeft erkend, namelijk het door [naam] ingevulde schadeformulier en het politierapport. Dat staat duidelijk in de betreffende mail (r.o. 3.3.). Tegen de achtergrond van de omstandigheid dat [verzoeker] zich de toedracht niet kon herinneren waren die twee stukken in beginsel voldoende voor Bovemij om haar standpunt over de aansprakelijkheid te bepalen. In de mails is ook geen voorbehoud gemaakt aangaande nader te verrichten onderzoek.
5.8.
Ten slotte is het mogelijk dat Bovemij er vanuit praktisch oogpunt voor heeft gekozen om de schade van [naam] te betalen en niet de discussie aan te gaan over de toedracht van en aansprakelijkheid voor het ongeval, maar dat blijkt evenmin uit de mails en was dus voor Allianz niet kenbaar. Daarom is dat onvoldoende om te concluderen dat [verzoeker] niet gebonden is aan de erkenning.
5.9.
De erkenning van Bovemij is bovendien ongeclausuleerd. Bovemij maakt geen onderscheid tussen de gevolgen voor de ene ([naam]) of de andere betrokkene ([verzoeker]) , gaat niet in op eventuele eigen schuld van één van partijen en maakt als gezegd geen voorbehoud voor, bijvoorbeeld, het inwinnen van nadere informatie.
5.10.
[verzoeker] heeft per saldo onvoldoende gemotiveerd waarom de erkenning van aansprakelijkheid door Bovemij hem niet bindt. Het voorgaande betekent dat [verzoeker] gebonden is aan de erkenning van aansprakelijkheid door Bovemij en dat [verzoeker] Allianz niet, op grond van de WAM, kan aanspreken voor de gevolgen van het ongeval voor [verzoeker]. De verzoeken van [verzoeker] worden dus afgewezen.
5.11.
De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de aansprakelijkheidsvraag. Als het zo is dat Bovemij ten onrechte aansprakelijkheid heeft erkend en [verzoeker] daarvan nadeel ondervindt, is dat een kwestie tussen Bovemij en [verzoeker] waar Allianz en haar verzekerde buiten staan. Geheel ten overvloede merkt de rechtbank op dat de thans beschikbare stukken voorshands de conclusie rechtvaardigen dat [verzoeker] een verkeersfout heeft gemaakt en minst genomen in aanzienlijke mate aan het ontstaan van het ongeval heeft bijgedragen, maar dat [naam] onvoldoende oplettend is geweest.
De kosten
5.12.
De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in het deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als het deelgeschil volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Daar is in dit geval geen sprake van.
5.13.
[verzoeker] heeft de kosten van deze deelgeschilprocedure begroot op € 9.727,19 inclusief btw. Allianz vindt dat deze kosten moeten worden gematigd, omdat het aantal bestede uren (35,2 uren) bovenmatig is, gelet op de beperkte omvang en complexiteit van het geschil. Daarnaast stelt zij dat de meeste specialistenwerkzaamheden al zijn verricht buiten het BGK-kader en vindt zij dat 15 uur aan werkzaamheden na indiening van het verzoekschrift te fors is.
5.14.
De rechtbank vindt het aantal besteden en toekomstig begrote uren inderdaad bovenmatig, gelet op de relatief beperkte complexiteit van de zaak en het overzichtelijke feitencomplex. De rechtbank acht in redelijkheid 25 uren voldoende. Aangezien Allianz tegen het gehanteerde uurtarief geen bezwaar heeft gemaakt, gaat de rechtbank bij de begroting van de kosten uit van het door de advocaat van [verzoeker] gehanteerde uurtarief van € 230,00. Dit betekent dat de kosten worden begroot op 25 x € 230,00 vermeerderd met 21% btw = € 6.957,50 in totaal.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
5.15.
Aangezien het verzoek van [verzoeker] wordt afgewezen en de kosten van deze deelgeschilprocedure enkel begroot worden en Allianz niet wordt veroordeeld om deze te betalen, heeft [verzoeker] er geen belang bij dat de beschikking uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.
Rechtbank Rotterdam 2 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1166
Internetconsultatie Wet uitbreiding vergoeding affectieschade; bijdragen van onder meer: Schadefonds, ASP, Beer Advocaten, AVB Law,
Reacties op de consultatie
In totaal zijn 6 reacties op deze consultatie openbaar. www.internetconsultatie.nl/vergoedingaffectieschadewet/reacties
SCHADEBEHANDELING GEDRAGSREGELS EN NORMERING, medisch adviseur
TGZRSHE 110226 ongegronde klachten; MA heeft betrokkene niet hoeven zien; heeft geen relevante informatie weggelaten en conclusies zijn voldoende en deugdelijk onderbouwd
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster is, toen zij op 3 november 2015 in haar auto reed, aangereden door een andere automobilist, waarvoor de verzekeraar van de wederpartij (hierna: de verzekeraar) de aansprakelijkheid heeft erkend. De verzekeraar heeft op 3 januari 2023 aan een expertisebureau verzocht om een medisch advies uit te brengen. De arts heeft het medisch advies opgesteld en hij heeft het op 28 februari 2023 aan zijn opdrachtgever verstrekt. Klaagster heeft het medisch advies op 9 maart 2023 van de verzekeraar ontvangen. Klaagster is het niet eens met de wijze van totstandkoming en de inhoud van het advies en beklaagt zich daarover. De arts heeft verweer gevoerd tegen de klacht.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 12 maart 2025;
- het verweerschrift, ontvangen op 2 juni 2025;
- het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 9 juli 2025, waarbij klaagster en haar gemachtigde zijn verschenen. De arts heeft niet deelgenomen aan het mondeling vooronderzoek.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
3. De klacht en de reactie van de arts
3.1 Klaagster verwijt de arts het volgende:
a) De arts heeft een beperkt en onvolledig onderzoek uitgevoerd doordat hij klaagster niet heeft gezien, gehoord, onderzocht of op andere wijze contact heeft gehad over het op te maken medisch advies. Daarnaast heeft hij geen bronnen geraadpleegd.
b) Er zijn in het door de arts opgestelde advies veel feitelijke onjuistheden, aannames en diagnoses vermeld die niet overeenkomen met de diagnoses en bevindingen van de behandelend artsen/specialisten van klaagster.
c) Er is zonder toestemming van klaagster gebruik gemaakt van (gegevens of stukken uit) het medisch dossier en niet kloppende gegevens van het UWV.
d) Belangrijke medische informatie, die wel in haar medische stukken staat omschreven, is weggelaten uit het advies. Hierdoor is er een compleet vertekend beeld ontstaan van de fysieke en mentale gezondheid van klaagster.
e) De standpunten en conclusies zijn onvoldoende dan wel onvolledig onderbouwd. Zo heeft de arts in het advies (en ook op latere verzoeken hierom) geen enkele uitleg gegeven hoe hij tot conclusies en diagnoses is gekomen en waarom is afgeweken van de conclusies en diagnoses van de behandelend artsen en specialisten.
f) Er is geen mogelijkheid geboden tot het gebruik van het blokkeringsrecht of rectificatie van het opgestelde advies.
3.2 De arts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Het college gaat
hieronder voor zover nodig nader in op de standpunten van partijen.
4. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
4.1 Bij de beoordeling stelt het college het volgende voorop. Volgens vaste rechtspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg moet een rapport van een medisch adviseur aan de volgende eisen voldoen:
1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;
3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;
4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;
5. De rapportage beperkt zich tot het deskundigheidsgebied van de rapporteur.
4.2 Het college toetst daarbij inhoudelijk of het onderzoek door de medisch adviseur voldoende vakkundig en zorgvuldig is uitgevoerd. Met betrekking tot de conclusie van de rapportage beoordeelt het college of de medisch adviseur in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen.
4.3 Bij de beoordeling van de klacht is verder van belang dat een medisch advies in juridische zin moet worden onderscheiden van een medische expertise (of keuring), waarbij in de regel een fysieke en/of psychische beoordeling van een persoon op een specifiek moment plaatsvindt en waarbij ook de medewerking van die persoon nodig is.
4.4. Het medisch advies is een (in principe intern) advies aan één van de partijen, die betrokken zijn bij de afwikkeling van de schade na het ongeval. Degene over wie het advies gaat, heeft in principe geen recht op inzage in dat advies. Dit komt doordat geen sprake is van een geneeskundige behandelingsovereenkomst tussen, in dit geval, klaagster en de arts. Ook is in dit geval geen sprake van een medische keuring, zoals bedoeld in artikel 7:446 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De gezondheidstoestand van klaagster is weliswaar onderwerp van het advies ten aanzien van de vraag of er letsel is dat in een causaal verband staat met het ongeval, maar de gang van zaken betreft een ‘papieren exercitie’ buiten betrokkenheid van klaagster en is niet op één lijn te stellen met een medische keuring. De wettelijke bepalingen die recht geven op inzage en blokkade zijn in dit geval daarom niet van toepassing (zie onder meer HR 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1670 en de conclusie bij die beschikking). In de praktijk worden adviezen van medisch adviseurs van de betrokken partijen overigens vaak wel uitgewisseld en kunnen de betrokken partijen (via hun medisch adviseurs) ook commentaar geven op elkaars medische adviezen.
4.5 Een medisch advies wordt uitgebracht op verzoek van een partij die een beoordeling wenst van de schade als gevolg van bijvoorbeeld een ongeval. Dat kan zowel de advocaat (of andere belangenbehartiger) van het slachtoffer zijn als de verzekeraar van de wederpartij. In dit geval is opdracht gegeven door de verzekeraar. Aan de arts is de vraag voorgelegd om aan de hand van de door de verzekeraar aan de arts overhandigde documentatie een beoordeling te geven of, en zo ja welke, fysieke en/of psychische klachten van klaagster een (rechtstreeks) gevolg zijn van het ongeval en dus in medisch causaal verband staan tot dat ongeval. Daarvoor moet de arts onder meer een vergelijking maken tussen de situatie vóór het ongeval en de situatie ná het ongeval. Om dit te kunnen beoordelen is de voorgeschiedenis, anders dan klaagster betoogt, wel degelijk van belang,
maar ook hoe het beloop van de klachten in de periode na het ongeval is geweest. Van toepassing zijn de Beroepscode voor Medisch Adviseurs van de GAV (Geneeskundig Adviseurs Verzekeringszaken) en de Medische Paragraaf van de GBL (Gedragscode Behandeling Letselschade).
4.6 Het college beoordeelt de klacht met inachtneming van het voorgaande.
Klachtonderdeel a) geen contact met klaagster en geen bronnen geraadpleegd
4.7 Voor het uitbrengen van een medisch advies is het meestal niet nodig dat de betrokkene door de medisch adviseur wordt gezien. Normaal gesproken wordt een advies opgesteld aan de hand van een beoordeling van de (medische en eventueel aanvullende) stukken. Het is ter beoordeling aan de medisch adviseur hoe hij zijn onderzoek inricht om de vraag van zijn opdrachtgever te beantwoorden.
In dit geval kan, gelet op de aan de arts voorgelegde opdracht, niet worden gezegd dat hij
klaagster had moeten zien of horen, dan wel op andere wijze contact met haar had moeten leggen.
Voor het opstellen van een medisch advies zoals hier aan de orde, was dat niet nodig. Dat de medisch adviseur klaagster niet heeft gezien of gesproken, is daarom niet tuchtrechtelijk
verwijtbaar.
4.8 De arts heeft in het medisch advies vermeld welke documentatie hij van zijn opdrachtgever heeft ontvangen en in zijn rapport heeft gebruikt. Dat zijn de bronnen, waarop hij de rapportage heeft gebaseerd. Daarom kan niet worden volgehouden dat de arts geen bronnen heeft gebruikt. Ook op dit punt is geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Klachtonderdeel a) is op grond van het voorgaande kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b) feitelijke onjuistheden, aannames en onjuiste diagnoses
4.9 Het college gaat hierna in op de door klaagster gestelde onjuistheden in de rapportage van de arts.
4.10 Bij de ontvangen medische informatie noemt de arts een patiëntendossier met verslaglegging van ‘de fysiotherapeuten’ vanaf november 2015 tot en met februari 2017. Het is klaagster onduidelijk om welke fysiotherapeuten het gaat. Daarop heeft de arts bij verweerschrift geantwoord dat de informatie is ontleend aan het patiëntendossier van een fysiotherapiepraktijk in klaagsters woonplaats, waarin meerdere fysiotherapeuten werkzaam waren, die op verschillende data hebben gerapporteerd. In dat dossier staan geen namen van de behandelaars genoteerd. Het college ziet in het overzicht van de dossierinformatie bij het rapport dat van meerdere fysiotherapeuten op verschillende tijdstippen informatie is ontvangen, onder meer een ongedateerd document met een patiëntendossier, wat het door de arts bedoelde dossier moet zijn. De bronvermelding door de arts voldoet daarmee aan de daaraan te stellen eisen. Hij kan en hoeft geen concretere informatie ter zake de bronnen geven dan hij zelf uit het aan hem verstrekte dossier kan destilleren.
4.11 De arts heeft ook benoemd dat hij de tekst in het advies heeft ontleend aan de aantekeningen in het patiëntendossier. Het college heeft geconstateerd dat de arts in zijn beschrijving van de ontvangen medische informatie steeds een samenvatting heeft gegeven van de teksten in het betreffende document en dat hij deze teksten niet letterlijk heeft overgenomen. Op basis van de documenten die zich in het klachtdossier bevinden, is het college van oordeel dat de arts de betreffende informatie telkens correct en proportioneel heeft weergegeven. Dat klaagster de letterlijke tekst die de arts heeft gebruikt niet in de verslagen van de fysiotherapeuten (en andere zorgverleners) heeft kunnen terugvinden, betekent daarom niet dat de samenvattingen van de artsonjuist zijn.
4.12 Volgens klaagster heeft de arts ten onrechte genoteerd dat de verdenking op een carpaal tunnel syndroom (CTS) met een echo is bevestigd. In de brief van de neuroloog aan de huisarts van 21 november 2017 staat echter: “aanvullend echo toont wel een medianuscompressie” en in de conclusie: “CTS bdz wv polsspalk”. De notitie van de arts is dus niet onjuist.
4.13 Voor hetgeen de arts ter zake de ergotherapie heeft genoteerd, geldt dat dit blijkens het dossier is gebaseerd op de van de behandelaar afkomstige informatie. Als het zo is dat die informatie onjuist is, dan kan dat de arts niet worden verweten. Hij heeft het betreffende verslag immers niet zelf opgemaakt.
4.14 Correct is de stelling van klaagster dat de zin “Het lijkt mij een aanrijding met een laag
mechanische impact” een aanname van de arts is. Die aanname is navolgbaar gezien de informatie die de arts tot zijn beschikking had. De arts heeft daarbij bovendien ook vermeld dat hij geen concrete informatie heeft over de toedracht van het ongeval en vraagt daarover nadere informatie op. In die zin is zijn beoordeling voorlopig. Het college merkt daarnaast op dat de concrete mechanische impact van een aanrijding geen voorspellende waarde heeft voor het optreden, de duur en de ernst van daarna optredende klachten (paragraaf 2.1 van de Richtlijn Diagnostiek en Behandeling van mensen met Whiplash Associated Disorder I/II van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie) en dus bij de beoordeling van de klachten niet van doorslaggevend belang is. Van veel groter belang is hoe de (pijn)klachten direct na het ongeval waren en hoe zich het beeld van die klachten heeft ontwikkeld in de periode daarna. Daar heeft de arts zich dan ook – bij afwezigheid van een rapport over de impact – in het bijzonder op gebaseerd. Dat had hij overigens ook moeten doen als er wel een rapport over de impact was geweest. Daarbij behoren alle factoren, ook niet ongeval-gerelateerde factoren, te worden meegewogen. Aldus komt een medisch adviseur tot een beschouwing, namelijk een beschrijving van wat hij in het dossier heeft gezien en wat hij daarvan vindt. De arts heeft zorgvuldig en juist gehandeld door te benoemen welke informatie hij niet had, deze informatie op te vragen en zijn bevindingen (voorlopig) te baseren op de informatie die hij wel had.
4.15 Klaagster stelt dat zij de door de oogarts voorstelde oogdruppels wel heeft gebruikt, maar dat het geen verbetering gaf. De arts heeft niet zonder voorbehoud genoteerd dat de oogdruppels niet zijn gebruikt, maar heeft vermeld dat deze ‘voor zover hij kon nagaan’ niet zijn gebruikt. De arts heeft dus ook op dit punt geen onjuiste conclusie getrokken. Uit de door klaagster overgelegde stukken blijkt overigens niet dat zij oogdruppels gebruikt heeft.
4.16 De conclusie van de arts over het resultaat van de behandeling van de pijnklachten, te weten dat deze behandelingen geen goed resultaat hadden, is ook niet onjuist. Die conclusie vindt namelijk steun in alle stukken die zich in het dossier bevinden. De arts beschrijft dat “ook mentale beleving van de klachten een belangrijke factor was”. Klaagster meent dat dit onjuist is, omdat de psycholoog ook geschreven heeft dat zij geen emotionele klachten ervaart en een andere zorgverlener geen ingang zag voor multidisciplinaire behandeling, omdat de psychologische hulpvraag ontbrak. De arts heeft in reactie hierop bij verweerschrift betoogd dat het niet ervaren van emotionele klachten enerzijds en het op alle levensgebieden worden gehinderd door de pijn anderzijds niet met elkaar in tegenspraak is. Het college onderschrijft dat. Daarnaast constateert het college dat de zin waar klaagster bezwaar tegen maakt, in de samenvattende conclusie is opgenomen en vooraf is gegaan door een alinea waarin de arts heeft weergegeven dat een behandeling op de pijnpoli weinig nut leek te hebben vanwege de bestaande psychologische problematiek en dat bij klaagster een somatisch symptoomstoornis is vastgesteld, waarvoor therapie is ingezet. Die samenvatting is gebaseerd op de stukken die zich in het dossier bevinden. Ook hier geldt dat hetgeen de arts schrijft, steun vindt in het dossier.
4.17 Klaagster stelt dat bij haar nooit hyperventilatie en paroxysmale positie duizeligheid (BPPD) is vastgesteld en verwijst daarvoor naar het huisartsenjournaal. In dat journaal is echter op 30 november 2017 een bericht van de KNO-arts opgenomen inclusief de conclusie: “BPPD van het posterieure semicirculaire kanaal, (…) Nijmeegse vragenlijst suggestief voor hyperventilatie”. De notitie van de arts is dus ook op dit punt correct.
4.18 Verder geldt dat hetgeen de arts meldt over de verbetering die is opgetreden, is gebaseerd op de brief van de verzekeringsarts die klaagster in juli 2017 heeft gezien en waarin dit is vermeld.
Daarnaast heeft de arts dit gebaseerd op de informatie van de verschillende behandelaars (“de behandelende sector”) die zich in het dossier bevindt, waaruit inderdaad volgt dat op sommige vlakken in de loop der tijd verbetering is opgetreden.
4.19 Ten slotte overweegt het college dat de conclusie van de arts dat in medische zin sprake is van een eindsituatie, zeer wel verdedigbaar is. Zoals de arts ook in zijn verweerschrift opmerkt, zegt hij daarmee niet dat de klachten van klaagster verdwenen zijn.
4.20 De conclusie van al het voorgaande is dat de weergave in het rapport van de onderliggende stukken uit het medisch dossier niet onjuist is. Het betreft verder een weergave van relevante informatie die de arts op een navolgbare manier gerangschikt en beoordeeld heeft. Klachtonderdeel b) is daarom kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c) gebruik medisch dossier en gegevens UWV
4.21 Tijdens het mondeling vooronderzoek heeft klaagster desgevraagd gezegd dat het bij dit klachtonderdeel alleen gaat om de door de arts gebruikte documentatie van het UWV. Daarom gaat het college bij de beoordeling van dit klachtonderdeel alleen hierop in. Uit het dossier blijkt dat de arts zelf geen informatie over klaagster heeft opgevraagd bij derden, zoals het UWV, maar dat hij zich heeft gebaseerd op de documentatie die aan hem door de verzekeraar is overhandigd. Daarbij bevond zich de in het rapport opgesomde informatie uit 2016 en 2017 van het UWV. Uit het door de arts overgelegde (concept) expertiserapport van 25 november 2016 blijkt dat bij de gelegenheid van die expertise is besproken dat de advocaat van klaagster de medische informatie van het UWV zou opvragen en aan de verzekeraar verstrekken. Dat klaagster haar advocaat in 2021 gevraagd heeft om geen gegevens van het UWV met de verzekeraar te delen, kan uiteraard geen betrekking hebben op gegevens die voordien al aan de verzekeraar waren verstrekt. De arts mocht er bovendien van uitgaan dat de stukken die hem door de verzekeraar zijn verstrekt, met toestemming van klaagster aan de verzekeraar waren overhandigd. Hij mocht zijn advies (mede) op deze stukken baseren. Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d) belangrijke informatie weggelaten
4.22 De arts heeft een overzicht gemaakt van de gegevens die hem voor zijn beoordeling zijn overhandigd. Hij heeft in de rapportage een korte samenvatting gegeven van de gegevens die hij voor zijn advies heeft gebruikt. De arts was niet verplicht om alle aan hem verstrekte informatie (volledig en letterlijk) te vermelden. Het is voldoende om te vermelden welke informatie relevant is en nodig is om de daarop gebaseerde conclusies over de gezondheidsschade en het al dan niet bestaan van causaal verband met het ongeval te kunnen volgen en begrijpen. Naar het oordeel van het college heeft de arts alle relevante symptomen, diagnoses, behandelingen en het beloop op zakelijke wijze beschreven. Daarbij geldt dat een samenvatting voldoende is. De arts is niet verplicht om álle bevindingen van behandelaars als de oogarts en de neuropsycholoog letterlijk over te nemen.
Het college heeft in het dossier geen aanknopingspunt gevonden om te veronderstellen dat de arts relevante informatie heeft weggelaten. Klaagster heeft ook niet gespecificeerd welke relevante informatie zou zijn weggelaten. Ook kan niet worden geconcludeerd dat door toedoen van de arts een compleet vertekend beeld is ontstaan van de fysieke en mentale gezondheid van klaagster. In de aard van het medisch advies ligt besloten dat de arts op basis van alle informatie, in onderlinge samenhang bezien, rapporteert over de vraag of er wel of geen oorzakelijk verband bestaat tussen de klachten en het ongeval. Daarbij geldt dat de arts geen mening heeft gegeven over de toedracht van het ongeval. Hij schrijft weliswaar dat de impact van de aanrijding laag lijkt, maar hij vraagt ook nadere informatie daarover op. Klachtonderdeel d) is eveneens kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel e) conclusies onvoldoende en onvolledig onderbouwd
4.23 Het advies bevat een uitgebreide beschouwing waarin de relevante aspecten van de zaak worden benoemd, zowel ongeval gerelateerd als niet ongeval gerelateerd, met verwijzing naar de medische documentatie. Daarbij heeft de arts ook vermeld welke onduidelijkheden resteerden en op die punten nadere informatie gevraagd. Het college is van oordeel dat de arts zijn bevindingen en conclusies consistent heeft weergegeven en dat deze te volgen zijn. Het college verwijst daarvoor ook naar hetgeen bij de voorgaande klachtonderdelen is overwogen, in het bijzonder bij klachtonderdeel b).
De conclusies zijn voldoende en deugdelijk onderbouwd en gebaseerd op de feiten die uit de medische documentatie blijken. Dit geldt óók voor de conclusie van de arts over de psychische problematiek van klaagster. Ook daarvoor geldt dat deze steun vindt in de stukken waarop de arts zijn conclusie heeft gebaseerd. Klaagster is het met deze conclusies niet eens, maar dat betekent niet dat de conclusies niet juist zijn. Ook klachtonderdeel e) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel f) geen mogelijkheid tot rectificatie of blokkeren rapportage
4.24 Het college verwijst naar hetgeen hiervoor (in 4.4) is overwogen. Het medisch advies is geen medische keuring (of expertise), waarbij de mogelijkheid om een rapport te rectificeren of zelfs te blokkeren, wél bestaat. De bepalingen in de wet over het recht op inzage en het blokkaderecht zijn zoals onder 4.4. al is overwogen, niet van toepassing op het medisch advies zoals in deze zaak aan de orde. De betrokkene, die het met het advies niet eens is, heeft de mogelijkheid om een eigen medisch adviseur in te schakelen. Die eigen medisch adviseur kan hetzij een eigen advies uitbrengen, hetzij met de medisch adviseur van de verzekeraar in overleg of discussie treden, hetzij beide. Een recht op inzage, rectificatie of blokkering heeft de betrokkene echter niet. Dit klachtonderdeel is eveneens kennelijk ongegrond.
Slotsom
4.25 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn. Het rapport van de arts voldoet in alle opzichten aan de eisen die daarvoor gelden.
5. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond. ECLI_NL_TGZRSHE_2026_34
SCHADEBEHANDELING GEDRAGSREGELS EN NORMERING, medisch adviseur
AANSPRAKELIJKHEID MEDISCH, operatiefouten
TGZCTG 110226 tetraplegie na nek/halsoperatie; klacht gegrond; internist n.p. oordeelt grotendeels o.b.v. gespreksopnamen en verifieert conclusies niet
1. Kern van de zaak
1.1 De medisch adviseur is gepensioneerd internist. Hij heeft in opdracht van de rechtsbijstandsverzekeraar van klaagster een medisch advies uitgebracht over de haalbaarheid van een aansprakelijkstelling van een neurochirurg, die bij klaagster een operatie aan de nek/hals had uitgevoerd vanwege een vernauwing van een nekwervel. Klaagster had na deze operatie een algehele verlamming van de ledematen opgelopen.
Klaagster heeft vier klachten geuit over de arts. Een van de klachten luidt dat de arts in strijd met de Gedragscode Behandeling Letselschade (hierna: GBL) heeft gehandeld door als niet praktiserend internist een oordeel te geven over het handelen van de neurochirurg die de operatie bij klaagster heeft verricht. De overige klachten zien op de handelwijze van de werkgever van de arts en de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van deze werkgever en hebben onder meer betrekking op het niet tijdig verstrekken van het medisch dossier.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege te ‘s-Hertogenbosch heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar beroep tegen de ongegrondverklaring van de klachtonderdelen b., c. en d. Daarnaast verklaart het Centraal Tuchtcollege de klachtonderdeel a. alsnog gegrond, maar legt aan de arts geen maatregel op.
2. Verloop van de procedure
2.1 Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te ’s-Hertogenbosch van 22 januari 2025 met nummer H2024/6952 (ECLI:NL:TGZRSHE:2025:12). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze beslissing.
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het beroepschrift, het aanvullend beroepschrift, het verweerschrift en het e-mailbericht en de brief van klaagster van 22 augustus 2025.
2.3 De zaak is op de zitting van 1 december 2025 behandeld. Klaagster en de arts waren aanwezig, allebei bijgestaan door hun gemachtigde. Partijen hebben vragen van het college beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De spreekaantekeningen van klaagster zijn aan het dossier toegevoegd.
3. Feiten
3.1 Net als het Regionaal Tuchtcollege gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de volgende feiten.
3.2 Klaagster heeft op 6 mei 2016 een operatie aan haar nek/hals ondergaan vanwege een cervicale stenose (vernauwing van de nekwervel). Deze operatie is uitgevoerd door een neurochirurg (hierna: neurochirurg 1). Klaagster heeft daarna een tetraplegie (verlamming van de ledematen) opgelopen, waarvan zij na intensieve revalidatie gedeeltelijk is hersteld.
3.3 Klaagster heeft zich naar aanleiding van deze operatie voor een second opinion gewend tot een andere neurochirurg (hierna: neurochirurg 2). Klaagster heeft gevraagd om onder meer te beoordelen of er nog verder herstel te verwachten was met aanvullende diagnostiek en of operatief ingrijpen nog zinvol zou zijn. Neurochirurg 2 is voormalig opleider van neurochirurg 1 en beide neurochirurgen zijn lid van dezelfde vakgroep. Beide partijen hebben aangegeven dat er opnames zijn van de gesprekken die neurochirurg 2 in dit kader heeft gevoerd. Het college heeft geen rapport of audio of video-opnames ontvangen van de second opinion van neurochirurg 2.
3.4 Omdat klaagster meent dat neurochirurg 1 ten opzichte van haar mogelijk medisch onzorgvuldig heeft gehandeld, heeft zij haar rechtsbijstandsverzekering ingeschakeld. De rechtsbijstandsverzekering heeft vervolgens op 22 maart 2018 een bureau voor medische aansprakelijkheid (hierna: het Bureau) ingeschakeld. De rechtsbijstandsverzekeraar verzocht het Bureau een medisch advies uit te brengen over de haalbaarheid van een aansprakelijkstelling in verband met mogelijk nalatig medisch handelen van neurochirurg 1.
3.5 De medisch adviseur is gepensioneerd internist en als arts geregistreerd in het BIG-register. Hij is als medisch adviseur in dienst van het Bureau en heeft namens zijn werkgever op
9 oktober 2018 een medisch advies uitgebracht. In het advies wordt vermeld dat het is opgesteld in de rapportagevorm zoals geadviseerd in de Medische Paragraaf van de GBL.
3.6 Het medisch advies bevat een vraagstelling, een overzicht van de opgevraagde/geraadpleegde (medische) informatie, een samenvatting van het gesprek met klaagster, haar zoon en diens partner, een beschouwing en een conclusie. Onder de beschouwing wordt onder meer het volgende vermeld (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“Technisch is de operatie correct uitgevoerd. Dat baseer ik op de uitspraken die collega (…) [naam neurochirurg 2] daarover in de door mij beluisterde opnames bij herhaling heeft gedaan. Hij is weliswaar natuurlijk, uit hoofde van het voorzitterschap van de Regionale vakgroep neurochirurgie en als (voormalig) opleider van collega (…) [naam neurochirurg 1], niet als zuiver neutraal te beschouwen maar staat in Nederland en ook daarbuiten wel te boek als een zeer gerespecteerde neurochirurg. Dat, ondanks het feit dat de operatie in chirurgisch-technische zin volkomen correct is uitgevoerd, toch een dwarslaesiesyndroom (dat zich geleidelijk aan herstelt) is opgetreden is te beschouwen als een gevreesde mogelijke complicatie van de ingreep die samenhangt met de aard van de onderliggende aandoening (OPLL).”
De medisch adviseur concludeert daarop onder meer:
“In conclusie meen ik dat collega (…) [naam neurochirurg 1], verwijtbaar nalatig gehandeld heeft door betrokkene preoperatief niet adequaat voor te lichten over de grote risico’s die zij bij het ondergaan van de ingreep zou lopen. Door die (nalatige) handelwijze is haar de mogelijkheid ontnomen om, na een zorgvuldige afweging, de uitgevoerde ingreep uit te stellen of daar zelfs geheel van af te zien c.q. het natuurlijke beloop van haar ziekte af te wachten. Deze nalatigheid vormt een grond voor aansprakelijkstelling van (…) [naam ziekenhuis waar neurochirurg 1 klaagster heeft geopereerd]. Nadrukkelijk merk ik daarbij op dat die aansprakelijkstelling niet de opgetreden complicatie zelf betreft.”
3.7 Bij brief van 22 juni 2023 heeft de gemachtigde van klaagster een aansprakelijkstelling verzonden naar het Bureau ter attentie van de raad van bestuur en de medisch adviseur. In die brief werden het Bureau en de medisch adviseur aansprakelijk gesteld voor het in strijd met de zorgvuldigheid afgegeven medisch advies, omdat de medisch adviseur bekwaam noch bevoegd was om in deze casus als medisch adviseur op te treden. De gemachtigde van klaagster vroeg bij die brief ook het gehele medische dossier op. Bij de brief was een door klaagster ondertekende medische machtiging gevoegd.
3.8 Een medewerkster van het Bureau heeft de gemachtigde van klaagster per e-mail van
23 juni 2023 laten weten dat het Bureau haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar had ingeschakeld.
3.9 Bij e-mail van 9 november 2023 heeft de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar de aansprakelijkheid van het Bureau en de medisch adviseur afgewezen, omdat de medisch adviseur naar haar mening geen beroepsfout had gemaakt.
3.10 Bij e-mail van 2 februari 2024 heeft een medewerkster van het Bureau het medisch dossier van klaagster aan de gemachtigde van klaagster gestuurd.
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1 Klaagster verweet de arts bij het Regionaal Tuchtcollege dat hij:
a. in strijd met de GBL heeft gehandeld door als internist n.p. een oordeel te geven over het handelen van neurochirurg [1] die bij klaagster een operatie aan de nek/hals heeft verricht;
b. het medisch dossier niet onmiddellijk heeft toegezonden;
c. een beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar heeft ingeschakeld die een standpunt heeft ingenomen zonder medisch advies dan wel op advies van verweerder;
d. indien de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van verweerder een standpunt heeft ingenomen op basis van het advies van verweerder: het onbekwaam verstrekken van een advies.
4.2 Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep heeft tot doel dat het Centraal Tuchtcollege de klacht in volle omvang beoordeeld en alsnog gegrond verklaart.
4.3 De arts vraagt het Centraal Tuchtcollege om de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te bekrachtigen en klaagster niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep dan wel haar beroep af te wijzen.
Ontvankelijkheid klachtonderdelen b., c. en d.
4.4 In artikel 73 lid 2 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) is te lezen dat het beroep schriftelijk wordt ingesteld. De inhoud van het beroepschrift moet voldoen aan de daaromtrent bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen.
4.5 In artikel 6 lid 1 van het Reglement van orde van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg vanaf 1 april 2024 (verder het reglement) staat dat een beroepschrift (onder meer) de gronden van het beroep bevat, dat wil zeggen met welke overwegingen uit de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege appellant het niet eens is en waarom. Artikel 8 lid 1 van het reglement bepaalt verder dat er één schriftelijke ronde is. Na sluiting van de schriftelijke debatronde kunnen geen brieven of andere stukken meer worden ingediend die opnieuw ingaan op de inhoud van de zaak (artikel 8 lid 2 van het reglement).
4.6 Klaagster heeft in haar beroepschrift noch in haar aanvullende gronden van beroep aangevoerd waarom zij het niet eens is met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege voor zover dit de klachtonderdelen b., c. en d. betreft. Sterker nog klaagster voert aan dat zij alle klachtonderdelen handhaaft, maar dat zij in beroep uitsluitend klachtonderdeel a. zal bespreken. Klaagster heeft dus nagelaten om uit te leggen waarom zij het niet eens is met de ongegrondverklaring van de klachtonderdelen b, c en d. Daarmee voldoen het beroepschrift en de aanvullende gronden niet aan de voorwaarden, zoals vermeld in het reglement, en kan klaagster niet worden ontvangen in haar beroep voor zover dit beroep de klachtonderdelen b., c. en d. betreft. Het Centraal Tuchtcollege weegt in dit oordeel mee dat het beroepschrift is ingediend door een advocaat.
Klachtonderdeel a.
4.7 Dit klachtonderdeel komt er in de kern op neer dat klaagster het Centraal Tuchtcollege vraagt te beoordelen of het medisch advies over de haalbaarheid van een aansprakelijkheidsstelling (verder: het medisch advies) onzorgvuldig tot stand is gekomen dan wel onvolledig is. Het Centraal Tuchtcollege beantwoordt deze vraag bevestigend en legt deze beslissing hierna uit.
4.8 Het Regionaal Tuchtcollege heeft overwogen, en in beroep onderschrijven zowel klaagster als de arts deze overweging, dat het medisch advies, waar het in deze zaak om gaat, moet worden aangemerkt als een medisch deskundigenbericht.
4.9 Volgens vaste jurisprudentie moet een medisch deskundigenbericht voldoen aan de volgende criteria:
1. het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2. het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;
3. in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;
4. het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;
5. de rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.
Het college toetst ten volle of het onderzoek door de arts uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage beoordeelt het college of de deskundige in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen.
4.10 Het beroep van klaagster spitst zich vooral toe op het vijfde criterium, dus de vraag of de arts is gebleven binnen zijn deskundigheid. Vast staat dat de arts geen neurochirurg is, dat hij dat nooit is geweest en dat hij ook nooit als zodanig heeft gewerkt. Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat dit ook niet zonder meer nodig is om als deskundige te adviseren in een neurochirurgische kwestie wanneer de arts eventuele relevante hiaten in kennis en kunde aanvult en dit ook verantwoordt in zijn rapport. Dit komt in de praktijk ook veelvuldig voor. Het Centraal Tuchtcollege gaat uit van de deskundigheid en bekwaamheid van een rapporteur, tenzij er concrete aanwijzingen zijn om daar aan te twijfelen.
4.11 In het medisch advies dat in deze tuchtrechtelijke procedure ter beoordeling voor ligt, concludeert de arts (onder meer) dat de operatie van klaagster technisch correct is uitgevoerd. Dat baseert de arts op opnamen van gesprekken die klaagster (en haar familie) met neurochirurg 2 hebben gevoerd. Neurochirurg 2 is door klaagster om een second opinion inzake een mogelijke heroperatie gevraagd. Hij is ook de voormalig opleider van de neurochirurg die de eerste operatie heeft uitgevoerd. Deze opnamen van de gevoerde gesprekken zijn door klaagster aan de arts verstrekt. Daarbij is geen transcriptie van deze gesprekken gevoegd.
4.12 Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat de arts deze gesprekken heeft beluisterd met als doel het opstellen van een medisch advies in het kader van een medisch haalbaarheidsonderzoek ten behoeve van een eventuele aansprakelijkstelling van neurochirurg 1, terwijl de gesprekken tussen de neurochirurg 2 en klaagster zijn gevoerd met een ander doel, namelijk onderzoek van de mogelijkheden van heroperatie. De gesprekken tussen neurochirurg 2 en klaagster (en haar familie) waren, zo leest het Centraal Tuchtcollege in de stukken, emotioneel, omdat deze onder meer gingen over de gevolgen van de operatie en de beperkingen die klaagster daar aan over heeft gehouden. Dat de opnamen die de arts heeft beluisterd bijna zeven uur in beslag namen, zoals door de arts bij herhaling is aangevoerd, maakt niet anders dat deze gesprekken met een ander doel zijn gevoerd dan waarvoor de arts ze heeft beluisterd. Het Centraal Tuchtcollege stelt vast dat de weergave van deze gesprekken niet aan neurochirurg 2 zijn voorgelegd met de vraag of deze weergave correct is.
De omstandigheid dat dit niet gebeurd is brengt mee dat het zwaartepunt van de beoordeling in het medisch advies berust op een aan neurochirurg 2 op basis van geluidsopnamen toegeschreven beoordeling, terwijl deze beoordeling niet door neurochirurg 2 geaccordeerd is. In zoverre verschilt deze situatie van de situatie dat een arts zelf schriftelijk zijn bevindingen en beleid beschrijft en dit geschrift ook in een ander verband gebruikt wordt.
Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het in dit specifieke geval op de weg van de arts had gelegen om contact met neurochirurg 2 op te nemen om te verifiëren of deze zich kon vinden in de weergave van zijn bevindingen zoals de arts uiteindelijk in zijn rapport heeft opgenomen. Dat had in dit geval temeer op de weg van de arts gelegen, omdat de arts erkent dat neurochirurgie niet zijn expertisegebied betreft. Daarmee is het medisch advies in zoverre niet op zorgvuldige wijze tot stand gekomen.
4.13 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het onderzoek en de totstandkoming van het medisch advies naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege daarom uit een oogpunt van zorgvuldigheid de toets der kritiek niet kan doorstaan.
4.14 Het Centraal Tuchtcollege merkt wel op dat uit een en ander niet kan worden opgemaakt dat de door de arts getrokken conclusies inhoudelijk onjuist of onverdedigbaar zijn.
Conclusie en maatregel
4.15 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is klachtonderdeel a. gegrond.
4.16 Het Centraal Tuchtcollege zal met toepassing van artikel 69 lid 4 Wet BIG volstaan met een gedeeltelijke gegrondverklaring van de klacht zonder oplegging van een maatregel. Het Centraal Tuchtcollege vindt het opleggen van een maatregel in dit geval niet gerechtvaardigd, omdat de arts in zijn medisch advies wel steeds heeft uitgelegd en inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij tot zijn conclusies is gekomen. Het Centraal Tuchtcollege benadrukt in dat verband dat een tuchtrechtelijke maatregel niet is bedoeld om te straffen, maar een middel om de kwaliteit van de gezondheidszorg te verbeteren.
Griffierecht
4.17 Omdat de klacht deels gegrond wordt verklaard wordt opgelegd, zal het door klaagster bij het Regionaal Tuchtcollege en Centraal Tuchtcollege betaalde griffierecht worden terugbetaald. ECLI_NL_TGZCTG_2026_31
SCHADEBEHANDELING FRAUDE EN TERUGVORDERING, Fraude en Terugvordering Algemeen, Fraudeonderzoek, Terugvordering,
CAPITA SELECTA VERZEKERINGSRECHT, Verzwijging en Schending Meldings- en Mededelingsplicht
ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSMAGAZINE,
PHR 130226 Hartlief; AOV tegelzetter; Schending mededelingsplicht? Opzettelijke misleiding? Persoonlijk onderzoek gerechtvaardigd? Verwerping
in vervolg op:
GHSHE 110225 AOV; ook in hoger beroep: volledig verval recht op uitkering tegelzetter; persoonlijk onderzoek niet onrechtmatig;
[eiser] was tegelzetter van beroep en had in dat kader een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij Klaverblad. In 2015 en 2017 heeft hij zich arbeidsongeschikt gemeld. Klaverblad heeft, naar aanleiding van de uitkomst van het daaropvolgend onderzoek door een arbeidsdeskundige, uitkeringen gedaan en kosten vergoed alsof [eiser] 100% arbeidsongeschikt was vanaf 10 mei 2017. Klaverblad heeft ook voor de periode vóór 10 mei 2017 uitkeringen gedaan. In 2020 is Klaverblad een feitenonderzoek, gestart naar [eiser] . De uitkomsten van dit feitenonderzoek waren voor Klaverblad reden om een persoonlijk onderzoek naar [eiser] in te stellen. In dat kader heeft Klaverblad [eiser] negen dagen laten observeren. Naar aanleiding van de uitkomsten van deze observatie heeft Klaverblad, met een beroep op art. 7:941 lid 5 BW, [eiser] laten weten dat zij [eiser] recht op uitkering als vervallen beschouwde en aanspraak gemaakt op (terugbetaling) van de door haar verrichte uitkeringen. Ook heeft Klaverblad de verzekeringsovereenkomst met [eiser] beëindigd en zijn persoonsgegevens intern en extern geregistreerd.
In deze zaak gaat het over de vraag of [eiser] Klaverblad met de schending van de in art. 7:941 lid 2 BW bedoelde mededelingsplicht opzettelijk wilde misleiden in de zin van art. 7:941 lid 5 BW en over de vraag of Klaverblad een persoonlijk onderzoek naar [eiser] mocht (laten) verrichten. [eiser] heeft in hoger beroep onder meer verklaringen voor recht gevorderd dat Klaverblad onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door een persoonlijk onderzoek (inclusief observatie) in te stellen en dat Klaverblad de arbeidsongeschiktheidsverzekering zonder grond heeft opgezegd. Ook heeft [eiser] gevorderd Klaverblad te veroordelen tot nakoming van haar verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomst, tot het ongedaan (laten) maken van de interne en externe registraties en het betalen van een schadevergoeding aan [eiser] . Het hof heeft de vorderingen van [eiser] afgewezen. [eiser] klaagt in cassatie met name over het oordeel van het hof over de rechtmatigheid van het door Klaverblad uitgevoerde persoonlijk onderzoek en het oordeel met betrekking tot de vraag of er sprake is van opzettelijke misleiding door [eiser] .
(.... red. LSA LM)
3Inleidende beschouwingen
3.1
Deze cassatie gaat in essentie over de vraag of [eiser] Klaverblad met de schending van de in art. 7:941 lid 2 BW bedoelde mededelingsplicht opzettelijk wilde misleiden in de zin van art. 7:941 lid 5 BW en over de vraag of Klaverblad een persoonlijk onderzoek naar [eiser] mocht (laten) verrichten. Ter inleiding op de behandeling van de cassatieklachten maak ik enkele opmerkingen over het instellen van een persoonlijk onderzoek door de verzekeraar en opzettelijke misleiding van de verzekeraar als bedoeld in art. 7:941 lid 5 BW bij schending van de mededelingsplicht ex art. 7:941 lid 2 BW.
Verrichten persoonlijk onderzoek
3.2
De vraag of een verzekeraar een persoonlijk onderzoek mocht instellen naar de verzekerde is al eens aan de orde gekomen in rechtspraak van Uw Raad. In het arrest Achmea/R. heeft Uw Raad daarbij een kader geschetst:13
‘‘5.2.1. Bij de beoordeling van deze klachten wordt het volgende vooropgesteld.
Het instellen door een verzekeraar van een persoonlijk onderzoek als hier aan de orde vormt een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verzekerde. Zodanige inbreuk is in beginsel onrechtmatig. De aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond kan aan een inbreuk het onrechtmatige karakter ontnemen. Of zulk een rechtvaardigingsgrond zich voordoet, kan slechts worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het geval door tegen elkaar af te wegen enerzijds de ernst van de inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend (vgl. HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9609, NJ 2003/589).
In dit verband kunnen de aard en inhoud van de verzekeringsovereenkomst mede van belang zijn.
In het geval dat hier aan de orde is, gaat het om een afweging van het belang van de verzekerde bij eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer tegen het belang van de verzekeraar bij het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van oneigenlijk gebruik van het recht op een verzekeringsuitkering (vgl. de Gedragscode, Inleiding). Met de Gedragscode heeft het Verbond van Verzekeraars beoogd, mede ten behoeve van de verzekerden, invulling te geven aan de hiervoor genoemde belangenafweging, met name door het opnemen van de verplichting voor verzekeraars tot het in acht nemen van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Blijkens de inleiding is beoogd in de Gedragscode aan te sluiten bij bestaande wetgeving op het gebied van privacy, zoals de Wet bescherming persoonsgegevens en wetgeving over het (heimelijk) gebruik van camera’s.
Gelet op inhoud en opzet van de Gedragscode, kan tot uitgangspunt worden genomen dat indien een verzekeraar in strijd met de code handelt, sprake is van een ongerechtvaardigde en derhalve onrechtmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verzekerde. In cassatie is dan ook terecht niet in geschil dat de beslissing van Interpolis om een persoonlijk onderzoek te doen uitvoeren, door het hof aan de in de Gedragscode uitgewerkte beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit diende te worden getoetst.
Opmerking verdient nog dat de Gedragscode berust op zelfregulering en niet kan worden aangemerkt als ‘recht’ in de zin van art. 79 RO, zodat de uitleg daarvan in cassatie niet op juistheid kan worden onderzocht.’’
3.3
Uit dit kader valt een aantal zaken af te leiden:
- vertrekpunt is dat het instellen van een persoonlijk onderzoek door een verzekeraar een inbreuk vormt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verzekerde;
- zo’n inbreuk is in beginsel onrechtmatig;
- de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond kan aan de inbreuk het onrechtmatige karakter ontnemen. Of zo’n rechtvaardigingsgrond zich voordoet, dient te worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het geval, waarbij enerzijds de ernst van de inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend tegen elkaar moeten worden afgewogen.14 In dat verband kunnen de aard en de inhoud van de verzekeringsovereenkomst mede van belang zijn;
- met de invoering van de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek15 (GPO) heeft het Verbond van Verzekeraars beoogd, mede ten behoeve van verzekerden, invulling te geven aan deze belangenafweging, met name door het opnemen van de verplichting voor de verzekeraars tot het in acht nemen van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit;
- gelet op de inhoud en opzet van de GPO kan tot uitgangspunt worden genomen dat indien een verzekeraar in strijd met de GPO handelt, sprake is van een ongerechtvaardigde en derhalve onrechtmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verzekerde;
- de beslissing om een persoonlijk onderzoek te doen uitvoeren dient aan de in de GPO uitgewerkte beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit te worden getoetst;
- de GPO berust op zelfregulering en kan niet als ‘recht’ in de zin van art. 79 RO worden aangemerkt, zodat de uitleg daarvan in cassatie niet op juistheid kan worden onderzocht.16
3.4
Hoewel de GPO per 1 januari 2024 door het Verbond van Verzekeraars is ingetrokken,17 speelt deze nog wel een rol in onderhavige zaak, omdat het feitenonderzoek en persoonlijk onderzoek plaatsvonden in 2020 en daarmee onder vigeur van de GPO. Hierna zal ik, schrijvend in de tegenwoordige tijd, dan ook kort ingaan op de GPO.
3.5
De GPO is – zoals blijkt uit zijn inleiding – geformuleerd door het Verbond van Verzekeraars en bestemd voor zijn leden bij het uitvoeren van persoonlijke onderzoeken.18 De GPO sluit aan bij de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Financiële Instellingen, de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Zorgverzekeraars, de Privacygedragscode sector particuliere onderzoeksbureaus van de Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties en het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen. Naast deze gedragscodes geldt uiteraard de bestaande wetgeving op het gebied van de privacy, zoals (aanvankelijk) de Wet bescherming persoonsgegevens (thans: de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG)) en strafrechtelijke wetgeving over het (heimelijk) gebruik van camera’s (art. 139f en 441b Sr).19
3.6
De GPO onderscheidt twee soorten onderzoek: het feitenonderzoek en het persoonlijk onderzoek. Het feitenonderzoek is het onderzoek dat wordt ingesteld naar de feiten, omstandigheden en gedragingen van de betrokkene die nodig zijn voor de beoordeling van een verzekeringsaanvraag, lopende verzekeringsovereenkomst, schademelding of andere aanspraak op uitkering of prestatie, terwijl het persoonlijk onderzoek wordt omschreven als het onderzoek naar gedragingen van betrokkene waarbij bijzondere onderzoeksmethoden en of bijzondere onderzoeksmiddelen worden gebruikt, dat inbreuk maakt of kan maken op de persoonlijke levenssfeer van betrokkene.20
3.7
Of de verzekeraar volgens de GPO de mogelijkheid heeft een persoonlijk onderzoek in te stellen, is afhankelijk van de uitkomsten van het feitenonderzoek. Op grond van artikel 1.1 GPO kan een persoonlijk onderzoek worden ingesteld nadat:
‘‘Het ingestelde feitenonderzoek geen of onvoldoende uitsluitsel geeft voor het nemen van een beslissing bij een verzekeringsaanvraag, lopende verzekeringsovereenkomst, schademelding of andere aanspraak op uitkering of prestatie;
Of:
Gerede twijfel is ontstaan over de juistheid of volledigheid van de resultaten van het feitenonderzoek, zodanig dat bij de verzekeraar een redelijk vermoeden van verzekeringsfraude of andere vormen van oneigenlijk gebruik van verzekeringsproducten of diensten is ontstaan.’’
3.8
De GPO maakt niet duidelijk wanneer sprake is van gerede twijfel in de zin van artikel 1.1 GPO. In de zaak Achmea/R klaagde Achmea in cassatie dat het hof uitging van een onbegrijpelijke uitleg van de GPO, door te overwegen dat eerst plaats is voor het instellen van een persoonlijk onderzoek indien sprake is van een structureel weigeren van de verzekerde om medewerking te verlenen aan de behandeling van de schademelding en dat van gerede twijfel leidend tot een redelijk vermoeden van fraude sprake is als bij de verzekeraar het vermoeden is gerezen en ook in redelijkheid heeft kunnen rijzen, dat de verzekerde de verzekeraar – op welke wijze dan ook – bij de uitvoering van de schadebehandeling grondig en/of structureel misleidt of heeft misleid.21 Volgens Achmea heeft het hof hiermee onvoldoende recht gedaan aan de beoordelingsmarge van de verzekeraar. Uw Raad merkte over ’s hofs maatstaf in rov. 5.3.2 van het arrest Achmea/R het volgende op:
“De klacht faalt. Met zijn overwegingen dat dient te worden vastgesteld dat de verzekerde ‘structureel weigert’ medewerking te verlenen (rov. 6) en dat (in het kader van de vraag of sprake is van een redelijk vermoeden van fraude) sprake moet zijn van een verzekerde die de verzekeraar bij de schadebehandeling ‘grondig en/of structureel misleidt of heeft misleid’ (rov. 9), heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat eerst indien de conclusie gerechtvaardigd is dat het vragen van (nadere) medewerking van de verzekerde zelf geen zin heeft, tot het inzetten van het veel zwaardere middel van een persoonlijk onderzoek mag worden overgegaan. (…).”22
Eerder heeft A-G Lindenbergh – naar mijn mening terecht – gemeend dat Uw Raad hiermee het oordeel van het hof zodanig heeft geherformuleerd dat het hof met de bewoordingen ‘structureel weigeren’ vooral de subsidiariteitstoets voor ogen heeft gehad, voor welke toets Uw Raad het volgende criterium formuleert: ‘dat het vragen van (nadere) medewerking van de verzekerde zelf geen zin heeft’. ‘Structurele weigering tot medewerking’ lijkt daarvan een voorbeeld, maar daarvoor geen voorwaarde. De grondslag ‘redelijk vermoeden van fraude’ zal evenwel de uitkomst van de subsidiariteitstoets veelal sterk beïnvloeden.23
3.9
Bij de beslissing om al dan niet tot persoonlijk onderzoek over te gaan, dient de verzekeraar zoals gezegd (zie randnummer 3.2) de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit in acht te nemen. Zoals eerder al door Lindenbergh is opgemerkt, bestaat onmiskenbaar een samenhang tussen de bevindingen uit het ‘feitenonderzoek’, de aan de gronden voor het entameren van een persoonlijk onderzoek (kortweg 1. onvoldoende uitsluitsel voor het nemen van een beslissing, 2. gerede twijfel die een vermoeden van fraude rechtvaardigt) te stellen eisen, en de proportionaliteitseis en de subsidiariteitseis. De bevindingen uit het feitenonderzoek moeten de beslissing tot het instellen van een onderzoek rechtvaardigen, maar zullen tevens gewicht in de schaal leggen bij de subsidiariteitstoets en de proportionaliteitstoets. Het gaat volgens hem dus steeds om een toetsing die om een weging van de omstandigheden in onderling verband vraagt. Lindenbergh geeft twee voorbeelden (met weglating van voetnoten):24
“4.11 (…) Komt uit uitvoerig feitenonderzoek naar voren dat verschillende deskundigen geen eenduidige verklaring hebben kunnen geven voor de beperkingen die de verzekerde stelt te hebben, dan heeft de verzekeraar waarschijnlijk onvoldoende uitsluitsel voor het nemen van een beslissing over de uitkering (grondslag 1.). Het ligt dan evenwel in de rede dat, eventueel in overleg met de verzekerde, wordt gezocht naar de juiste expertise om meer zicht te krijgen op de aard van de beperkingen in plaats van een persoonlijk onderzoek in te stellen naar de verzekerde (subsidiariteit). Eerlijk gezegd denk ik dat de eerste grondslag op zichzelf zelden een persoonlijk onderzoek in de zin van de GPO zal rechtvaardigen: de situatie zal veelal zo ernstig (moeten) zijn dat dan ook wel een redelijk vermoeden van fraude zal bestaan.
Heeft de verzekerde daarentegen bij herhaling verklaard iets niet te kunnen, terwijl zijn beperkingen niet op basis van medische inzichten zijn terug te voeren op de verzekerde gebeurtenis en op basis van publieke bronnen wordt vastgesteld dat aannemelijk is dat hij de activiteit ten tijde van die verklaringen wel verrichtte, dan zal op basis van het feitenonderzoek veelal een vermoeden van fraude gerechtvaardigd zijn. De aard van dat vermoeden zal dan evenwel veelal ook meebrengen dat het niet passend is om opnieuw aan de verzekerde te vragen of hij in staat is de desbetreffende activiteit te verrichten (subsidiariteit), maar dat zwaardere middelen (zoals een observatieonderzoek) geïndiceerd zijn. En naarmate het betrokken belang groter is en de aard van de verdenking ernstiger is, zal observatieonderzoek ook eerder proportioneel zijn. De grondslag dat er een redelijk vermoeden van fraude bestaat, werpt aldus als het ware zijn schaduw vooruit op de subsidiariteits- en proportionaliteitstoets. Tegelijkertijd impliceert dit dat serieuze eisen moeten worden gesteld aan het aannemen van een redelijk vermoeden van fraude en aan de wijze waarop dat is gebeurd.
4.12
Het gaat in mijn ogen dus steeds om toetsing die om een weging van de omstandigheden in onderling verband vraagt.”
3.10
De beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit hebben beide, zo blijkt al uit de opschriften bij artikel 2 en 3 GPO,25 een plaats gekregen in de GPO. Daarbij verstaat de GPO onder proportionaliteit de afweging dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van betrokkene niet onevenredig mag zijn in relatie tot het doel van de beoogde verwerking van persoonsgegevens.26 In artikel 2 GPO is het proportionaliteitsbeginsel verder uitgewerkt. Uit artikel 2.1 van de GPO volgt dat de verzekeraar bij het instellen van een persoonlijk onderzoek steeds een zorgvuldige afweging maakt tussen de belangen van de verzekeraar bij het uitvoeren van het onderzoek en het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkene. Bij deze belangenafweging moeten volgens artikel 2.2 GPO alle relevante aspecten betrokken worden, zoals het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene, het financiële belang, het belang bij waarheidsvinding, het belang bij snelle en zorgvuldige besluitvorming of de mate van inbreuk op integriteit of veiligheid. Subsidiariteit is in de GPO omschreven als de afweging of het doel van het persoonlijk onderzoek (en de daarbij te hanteren bijzondere onderzoeksmethoden en onderzoeksmiddelen) in redelijkheid niet op een andere voor betrokkene minder nadelige wijze kan worden bereikt.27 In artikel 3 GPO is dit beginsel uitgewerkt. Uit artikel 3.1 GPO volgt dat de verzekeraar beoordeelt of persoonlijk onderzoek het enige hem ten dienste staande middel is dan wel of er andere mogelijkheden van onderzoek zijn die tot – in de woorden van de GPO – ‘minder inbreuk’ op de persoonlijke levenssfeer van betrokkene leiden, maar wel hetzelfde resultaat kunnen opleveren. Daarbij maakt de verzekeraar op grond van artikel 3.2 GPO de afweging of het doel van het persoonlijk onderzoek in redelijkheid niet op een andere, voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene minder nadelige, wijze kan worden bereikt.28
3.11
Volgens Wervelman spitst het begrip proportionaliteit bij particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zich met name toe op de beperking van het persoonlijk onderzoek in duur én de beperking tot de dagelijkse bezigheden van de verzekerde. Het persoonlijk onderzoek dient in dat kader te worden ingesteld binnen een redelijke termijn nadat de verzekeraar hiertoe heeft besloten én de verzekeraar zal zich inspannen om het onderzoek zo snel mogelijk af te ronden (zie ook artikel 5.1 en 5.2 GPO).29 Daarnaast dient er causaal verband te bestaan tussen de te onderzoeken feiten/omstandigheden en hetgeen waarover bij de verzekeraar naar aanleiding van de schademelding een redelijk vermoeden van fraude is ontstaan.30 Ten aanzien van het door de verzekeraar in acht te nemen beginsel van subsidiariteit, merkt Wervelman op dat de verzekeraar zich steeds de (voor)vraag dient te stellen, althans zichzelf behoort te stellen, of er niet andere, voor verzekerde minder belastende wegen openstaan om de juistheid van de gerezen twijfel te kunnen verifiëren. Als alternatief valt volgens hem te denken aan een getuigenverhoor, een medisch of arbeidsdeskundig onderzoek of – eenvoudiger – het uitnodigen van verzekerde voor een gesprek met verzekeraar. De verzekeraar moet volgens Wervelman – in ieder geval achteraf – concreet kunnen aangeven dat hij alternatieven – en met name ook wélke – heeft overwogen én op welke gronden hij tot het oordeel is gekomen dat geen van die alternatieven hem in dat geval ten dienste stond.31
3.12
In artikel 7.1 GPO zijn voorbeelden van de onderzoeksmethoden opgenomen waarvan de verzekeraar bij het persoonlijk onderzoek gebruik van kan maken: een interview van betrokkene, het inwinnen van informatie bij derden en het observeren van betrokkene.
3.13
De verzekeraar dient op grond van artikel 9.5 GPO de betrokkene te informeren over de resultaten van het persoonlijk onderzoek.32 Indien de verzekeraar tot observatie van de betrokkene is overgegaan, moet de verzekeraar de betrokkene hierover achteraf informeren.33 Indien de verzekeraar in het kader van het persoonlijke onderzoek informatie gaat inwinnen bij derden, moet de verzekeraar de betrokkene hierover reeds vooraf informeren, waarbij de verzekeraar melding moet maken van het doel en de globale aard van het onderzoek.34
3.14
Wil een persoonlijk onderzoek door de verzekeraar een rechtmatige inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verzekerde vormen, dan dient sprake te zijn van een rechtvaardigingsgrond. Of zo’n rechtvaardigingsgrond zich voordoet, moet worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het geval, waarbij enerzijds de ernst van de inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend tegen elkaar moeten worden afgewogen (randnummers 3.2 en 3.3 hiervoor). Deze belangenafweging werd zoals gezegd tot 1 januari 2024 voor de verzekeringspraktijk in belangrijke mate ingevuld door de GPO, met name door de daarin opgenomen verplichting voor de verzekeraars om de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit in acht te nemen.
3.15
Met de intrekking van de GPO is een einde gekomen aan het op de verzekeringspraktijk toegespitste kader voor de belangenafweging, zodat sindsdien moet worden teruggevallen op de algemene beginselen zoals opgenomen in art. 5 AVG. Gelet op deze bepaling dient de verwerking van persoonsgegevens gebaseerd te zijn op één of meerdere van de limitatief opgesomde wettelijke grondslagen in art. 6 AVG.35 Naar ik meen komt de verzekeraar bij de verwerking van persoonsgegevens in het kader van een persoonlijk onderzoek een beroep toe op de grondslag zoals vermeld in art. 6 lid 1 onder f AVG:36
f. de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is.
Om de verwerking te mogen baseren op deze grondslag, moet de verzekeraar aan drie voorwaarden voldoen. Allereerst moet sprake zijn van een gerechtvaardigd belang. Fraude, oplichting of ander onrechtmatig gedrag tegengaan wordt door de Autoriteit Persoonsgegevens als gerechtvaardigd belang genoemd.37 Het belang moet actueel, concreet en rechtstreeks zijn.38 Daarnaast moet de verwerking noodzakelijk zijn om dit belang te behartigen. Hiervan is sprake als het doel niet op een andere manier bereikt kan worden, die minder ingrijpend is voor de betrokkenen (subsidiariteit) én het doel van de verwerking in verhouding staat tot de inbreuk op de privacy van de betrokkenen (proportionaliteit).39 Ten slotte moet de verzekeraar een afweging maken tussen zijn belangen en de belangen van de betrokkenen.40
3.16
Hierna ga ik nog kort in op de vraag wanneer sprake is van opzettelijke misleiding van de verzekeraar als bedoeld in art. 7:941 lid 5 BW bij schending van de mededelingsplicht van art. 7:941 lid 2 BW.
Opzet tot misleiding in de zin van art. 7:941 lid 5 BW
3.17
Op grond van art. 7:941 lid 2 BW zijn de verzekeringnemer en de tot uitkering gerechtigde verplicht om binnen redelijke termijn aan de verzekeraar alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen die voor de verzekeraar van belang zijn om zijn uitkeringsplicht te beoordelen.
3.18
Ingeval de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde de verplichtingen uit art. 7:941 lid 2 BW toerekenbaar niet is nagekomen, is deze ingevolge art. 6:74 BW gehouden de schade die verzekeraar daardoor lijdt te vergoeden. Ingeval de tot uitkering gerechtigde de verplichting uit art. 7:941 lid 2 BW niet is nagekomen, kan de verzekeraar de door hem geleden schade op grond van art. 7:941 lid 3 BW verrekenen met de aanspraak op schadevergoeding van de tot uitkering gerechtigde.41
3.19
Indien de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde de verplichting als bedoeld in art. 7:941 lid 2 BW niet is nagekomen met het opzet de verzekeraar te misleiden, leidt dit tot een volledig verval van het recht op uitkering, behoudens voor zover deze misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt (art. 7:941 lid 5 BW). Deze laatste woorden stellen de rechter in staat bij de toepassing van de sanctie van verval rekening te houden met de bijzondere omstandigheden van het geval.42 Ik zal in deze conclusie niet verder ingaan op de situatie waarin misleiding het verval van recht op uitkering niet rechtvaardigt, omdat in de onderhavige zaak in cassatie niet wordt opgekomen tegen de overwegingen van het hof die op deze uitzondering zien (rov. 3.8.2. en 3.8.3.) (randnummer 2.12 hiervoor).
3.20
In een arrest van 21 februari 2020 heeft Uw Raad zich al eens uitgelaten over de vraag wanneer de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde met de schending van de in art. 7:941 lid 2 BW bedoelde mededelingsplicht het opzet heeft gehad de verzekeraar te misleiden. Daarvan is sprake indien daarbij de bedoeling heeft voorgezeten de verzekeraar te bewegen tot het verstrekken van een uitkering die hij zonder die schending niet zou hebben verstrekt.43 Uw Raad heeft hiermee net als het hof in die zaak en ook A-G Valk in zijn conclusie44 voor die zaak dezelfde lijn gekozen als in het arrest van 25 maart 2016 in verband met de toepassing van art. 7:928 lid 6 en art. 7:930 lid 5 BW.45 In verband met de schending van de in art. 7:941 lid 2 BW bedoelde verzekeringsplicht heeft Uw Raad als volgt overwogen: 46
“3.1.5 Waar de art. 7:928 BW en 7:930 BW zien op (schending van) de mededelingsplicht bij het aangaan van een verzekering, heeft art. 7:941 BW betrekking op de mededelingsplicht in verband met het recht op uitkering nadat de verzekeringsovereenkomst is aangegaan en het verzekerde risico zich heeft verwezenlijkt. Art. 7:941 lid 2 BW bepaalt dat de verzekeringnemer en de tot uitkering gerechtigde, na de verwezenlijking van het verzekerde risico, binnen redelijke termijn de verzekeraar alle inlichtingen en bescheiden dienen te verschaffen die voor deze van belang zijn om zijn uitkeringsplicht te beoordelen. In de leden 3-5 worden rechtsgevolgen verbonden aan schending van (onder meer) deze mededelingsplicht. Lid 3 bepaalt dat de verzekeraar in dat geval de uitkering kan verminderen met de schade die hij als gevolg van schending van de mededelingsplicht heeft geleden. In de leden 4 en 5 is geregeld in welke gevallen algeheel verval van het recht op uitkering gerechtvaardigd is, waarbij lid 5 ziet op ‘het opzet de verzekeraar te misleiden’.
Aldus regelen art. 7:930 lid 5 BW en art. 7:941 lid 5 BW op vergelijkbare wijze en, wat betreft het opzet tot misleiding, in gelijke bewoordingen, in welk geval de meest vergaande sanctie (algeheel verval van het recht op uitkering) kan worden verbonden aan schending van een mededelingsplicht. Daarbij gaat het om een mededelingsplicht die van belang is voor de beoordeling door de verzekeraar van zijn bereidheid tot dekking van het desbetreffende risico, respectievelijk van zijn gehoudenheid tot uitkering nadat het risico is verwezenlijkt. Er bestaat dan ook goede grond om aan de woorden ‘met het opzet de verzekeraar te misleiden’ in art. 7:941 lid 5 BW een betekenis toe te kennen die aansluit bij de betekenis die daaraan toekomt in het kader van art. 7:930 lid 5 BW. Uit de parlementaire geschiedenis bij art. 7:941 lid 5 BW blijkt ook niet dat de wetgever een andere invulling voor ogen heeft gehad.
Het voorgaande brengt mee dat bij de beantwoording van de vraag of de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde met de schending van de in art. 7:941 lid 2 BW bedoelde mededelingsplicht het opzet heeft gehad de verzekeraar te misleiden, dient te worden onderzocht of daarbij de bedoeling heeft voorgezeten de verzekeraar te bewegen tot het verstrekken van een uitkering die hij zonder die schending niet zou hebben verstrekt.”
3.21
Op grond van art. 150 Rv is het aan de verzekeraar om te stellen en, zo nodig, te bewijzen dat de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde met de schending van de in art. 7:941 lid 2 BW bedoelde mededelingsplicht het opzet heeft gehad de verzekeraar te misleiden. Het is immers de verzekeraar die zich van zijn uitkeringsverplichting onder de verzekering wenst te bevrijden en het is daarom aan hem om aan te voeren dat de verzekeringnemer of tot uitkering gerechtigde hem onjuist heeft voorgelicht omtrent de gevallen schade met het oogmerk van de verzekeraar een hogere schadevergoeding te verkrijgen respectievelijk een uitkering te verkrijgen die de verzekeraar, bij kennis van de ware stand van zaken, niet zou hebben verstrekt.47 Eerder heb ik reeds opgemerkt dat daarbij van de verzekeraar mag worden verwacht dat hij eerst nauwgezet onderzoekt of daadwerkelijk sprake is van opzet tot misleiding of dat er wellicht sprake is geweest van een onhandigheid.48 Een lichtvaardig beroep op art. 7:941 lid 5 BW is onwenselijk: de verzekerde heeft er recht op dat een zodanig beroep berust op een deugdelijk onderzoek door de verzekeraar. Dit werkt wat mij betreft in zoverre door in de stelplicht van de verzekeraar dat hij in geval van een beroep op opzet tot misleiding inzicht geeft in het onderzoek dat hij heeft uitgevoerd, daarvan (indien aanwezig) stukken overlegt en, voor zover aan de orde, ook ingaat op de vraag hoe een en ander zich verhoudt tot eventueel tijdens het onderzoek ingenomen standpunten van de verzekerde. Heeft de verzekeraar voldoende gemotiveerd gesteld dat een verzekerde opzettelijk onjuiste gegevens heeft verstrekt bij de afwikkeling van de schade, dan brengen de gewone regels omtrent stelplicht en bewijslast mee dat het voor een beroep op art. 7:941 lid 5 BW vereiste opzet vaststaat, wanneer de verzekerde dat onvoldoende heeft weersproken.49
3.22
Ingeval de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde zich op het standpunt stelt dat de misleiding het verval van recht op uitkering niet rechtvaardigt, is het aan hem om dit te stellen en, zo nodig, te bewijzen. Deze uitzondering is immers ten behoeve van hem opgenomen en het is daarom aan hem om feiten en omstandigheden aan te voeren die het oordeel rechtvaardigen dat de misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt.50
3.23
Tegen deze achtergrond bespreek ik nu de klachten.
4Bespreking van het cassatiemiddel
4.1
Het middel bestaat uit vijf klachtonderdelen. De meeste onderdelen bestaan uit meerdere subonderdelen.
4.2
Onderdeel 1 valt uiteen in (sub)onderdeel 1a tot en met 1d en richt zich met verschillende rechts- en motiveringsklachten tegen rov. 3.4.1.-3.4.7., waarin het hof heeft overwogen en geoordeeld dat Klaverblad terecht tot het persoonlijk onderzoek is overgegaan en het oordeel van de rechtbank, dat de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht dat Klaverblad jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld wordt afgewezen, zal worden bekrachtigd.
4.3
Volgens onderdeel 1a heeft het hof in rov. 3.4.1.-3.4.7. ten onrechte slechts de door de rechtbank onder rov. 5.9. van het tweede tussenvonnis (van 15 februari 2023) gehanteerde maatstaf overgenomen en toegepast. Het hof heeft aldus miskend in het licht van het grievenstelsel dat artikelen 1-3 en 7.1 van de GPO onderdeel waren van die maatstaf, omdat de rechtbank in rov. 5.10. – in hoger beroep onbestreden – heeft overwogen dat met de GPO is beoogd invulling te geven aan de onder rov. 5.9. weergegeven maatstaf en partijen deze bepalingen uit de GPO in de procedure eveneens tot uitgangspunt hebben genomen. De beslissing van Klaverblad om een persoonlijk onderzoek en meer specifiek een observatie te doen uitvoeren, diende door het hof dan ook kenbaar aan de in de GPO uitgewerkte beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit te worden getoetst, aldus het onderdeel.
4.4
Ik meen dat deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat de klacht uitgaat van een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Ik zal dit toelichten.
4.5
In rov. 3.4.1.-3.4.7. heeft het hof grief 1 van [eiser] behandeld. Deze grief was gericht tegen rov. 5.9.-5.19. van het tussenvonnis van 15 februari 2023 van de rechtbank, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat Klaverblad onrechtmatig heeft gehandeld door in oktober 2020 een persoonlijk onderzoek, inclusief observatie, naar hem te starten. Volgens [eiser] heeft de rechtbank dit ten onrechte geoordeeld, omdat op het moment dat Klaverblad overging tot observatie van [eiser] , geen gerede twijfel was ontstaan over de juistheid of volledigheid van het feitenonderzoek die leidt tot een redelijk vermoeden van fraude bij de verzekeraar.51
4.6
Het hof heeft in rov. 3.4.3. overwogen [eiser] geen grief heeft gericht tegen de door de rechtbank (in rov. 5.9.) gehanteerde maatstaf. Het hof heeft deze maatstaf daarna overgenomen door te overwegen dat het instellen van een persoonlijk onderzoek door een verzekeraar een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van betrokkene kan vormen en zodanige inbreuk in beginsel onrechtmatig is, maar dat de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond aan de inbreuk het onrechtmatige karakter kan ontlenen. Of zo’n rechtvaardigingsgrond zich voordoet, kan alleen worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het geval, door enerzijds de ernst van de inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend tegen elkaar af te wegen (zie ook randnummer 2.8).
4.7
Het hof heeft vervolgens aan de hand van deze maatstaf beoordeeld of Klaverblad een persoonlijk onderzoek naar [eiser] mocht instellen (rov. 3.4.2. en 3.4.4.-3.4.7.). Het hof heeft daarbij allereerst vastgesteld dat [eiser] niet heeft betoogd dat hetgeen uit het feitenonderzoek naar voren was gekomen onjuist zou zijn en dat de rechtbank dan ook terecht heeft vastgesteld dat deze feiten (zoals weergegeven in rov. 3.4.2.) juist zijn (rov. 3.4.4.). Daarop heeft het hof overwogen dat de inlichtingen die [eiser] aan Klaverblad heeft verstrekt, niet passen bij hetgeen uit het feitenonderzoek naar voren is gekomen (rov. 3.4.5.). Volgens de inlichtingen van [eiser] werkte hij vanaf september 2015 niet meer als tegelzetter, was hij in mei 2017 volledig gestopt met werken, had hij vanaf dat moment geen inkomen uit arbeid meer, werkte zijn vrouw fulltime voor het bedrijf en heeft zij in 2019 haar eigen bedrijf opgericht (rov. 3.4.5.), terwijl uit het door Klaverblad verrichte feitenonderzoek gebleken is dat (rov. 3.4.2.):
- [eiser] in november 2017 een claim bij zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar heeft ingediend in verband met in 2017 verrichte tegelwerkzaamheden, terwijl hij toen volgens eigen opgave dergelijke werkzaamheden niet kon verrichten;
- [eiser] enig aandeelhouder was geworden van een vennootschap;
- [eiser] de zelfstandige aftrek voor zijn eenmanszaak heeft toegepast, hetgeen alleen mag als tenminste 1225 uur is gewerkt;
- de eenmanszaak van [eiser] aanzienlijke winst heeft gemaakt in de jaren dat [eiser] volgens zijn opgave arbeidsongeschikt was;
- [eiser] volgens zijn opgave per 1 januari 2019 in dienst was getreden als conciërge bij de onderneming van zijn echtgenote, terwijl zijn echtgenote in een letselschadezaak niets over deze onderneming heeft verklaard en heeft aangegeven dat zij zich alleen bezig hield met het trainen van jonge paarden.
Naar het oordeel van het hof rechtvaardigt dit het vermoeden van Klaverblad dat sprake zou zijn van opzettelijke misleiding (rov. 3.4.5.). In de daarop volgende overweging (rov. 3.4.6.) is het hof ingegaan op de uitlating van [eiser] in 2018 dat zijn bedrijf niet door derden werd voortgezet, waarover hij in hoger beroep heeft gesteld dat hij daarmee heeft gedoeld op externe derden, niet zijnde familieleden. Volgens het hof heeft [eiser] daarmee niet het vermoeden van Klaverblad ontkracht dat sprake is van opzettelijke misleiding. Ook is het hof ingegaan op de verplichting van [eiser] om op grond van art. 7:941 lid 2 BW actief alle inlichtingen aan Klaverblad te verstrekken die voor haar van belang waren om de uitkeringsplicht te beoordelen. Het is volgens het hof dan ook niet aan Klaverblad om steeds nadere vragen te stellen, maar aan [eiser] om steeds alle relevante informatie aan Klaverblad te verstrekken. Daar komt volgens het hof bij dat de arbeidsdeskundige in 2020 nadere vragen aan [eiser] heeft gesteld over de IB-aangiftes, maar dat laatstgenoemde toen heeft verklaard hierover niet veel te weten en dat hij de hoge winst over 2018 niet kon verklaren. Nadere informatie daarover heeft [eiser] ook later niet aangedragen. In rov. 3.4.7. komt het hof tot het oordeel dat Klaverblad terecht tot het persoonlijk onderzoek is overgegaan en heeft dan ook het oordeel van de rechtbank dat de verzochte verklaring voor recht dat Klaverblad jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld wordt afgewezen, bekrachtigd.
4.8
Met het overnemen van de door de rechtbank (in rov. 5.9.) gehanteerde maatstaf en de bekrachtiging van het voor [eiser] negatieve oordeel van de rechtbank over het beweerdelijk onrechtmatig handelen van Klaverblad jegens [eiser] (in rov. 3.4.7.), mag worden aangenomen dat het hof ook de GPO heeft betrokken in zijn oordeel, ook al heeft het hof – anders dan de rechtbank in rov. 5.10. – de GPO en de bepalingen uit de GPO niet expliciet genoemd. Dat het hof niet expliciet heeft stilgestaan bij de beginselen van proportionaliteit (artikel 2 GPO) en subsidiariteit (artikel 3 GPO), betekent niet dat deze beginselen in de oordeelsvorming van het hof geen rol hebben gespeeld.52 Het hof is in rov. 3.4.5. en 3.4.7. tot het oordeel gekomen dat het samenstel van feiten (dat door [eiser] niet is betwist) het vermoeden bij Klaverblad – dat sprake is van opzettelijke misleiding – rechtvaardigt (rov. 3.4.5.) en Klaverblad dan ook terecht tot het persoonlijk onderzoek is overgegaan (rov. 3.4.7.). Hierin ligt het oordeel besloten dat het belang van de verzekeraar bij het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van oneigenlijk gebruik van het recht op een verzekeringsuitkering, in onderhavige zaak zwaarder weegt dan het belang van de verzekerde bij eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer (zie randnummer 3.2) en het persoonlijk onderzoek in de gegeven omstandigheden dan ook proportioneel was (proportionaliteitsbeginsel). In rov. 3.4.6. ligt het oordeel van het hof besloten dat – gelet op de daarin opgenomen omstandigheden – het doel van het persoonlijk onderzoek in redelijkheid niet op een voor [eiser] minder nadelige wijze (bijvoorbeeld door opnieuw toelichting aan [eiser] te vragen) kon worden bereikt (subsidiariteitsbeginsel). Het hof heeft, gelet op het voorgaande, naar ik meen dan ook niet verzuimd te toetsen aan de in de GPO uitgewerkte beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.
4.9
Volgens onderdeel 1b heeft het hof, voor zover het heeft verzuimd te toetsen aan de genoemde bepalingen van de GPO dan wel meende daar niet toe gehouden te zijn, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de maatschappelijke betamelijkheidsnorm zoals besloten in art. 6:162 lid 2 BW en de daarmee samenhangende jurisprudentie van Uw Raad, aangezien Uw Raad ter invulling van die norm heeft overwogen dat ‘tot uitgangspunt’ kan worden genomen dat sprake is van een ongerechtvaardigde, en derhalve onrechtmatige, inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verzekerde, indien een verzekeraar in strijd met de GPO handelt. Het onderdeel verwijst hierbij naar het arrest Achmea/R.53
4.10
Naar ik meen faalt deze klacht in het spoor van onderdeel 1a, omdat het hof niet heeft verzuimd te toetsen aan de door de rechtbank gehanteerde – aan het arrest Achmea/R. ontleende – maatstaf en de uitwerking van de daarin opgenomen belangenafweging in de GPO (zie randnummer 4.8).
4.11
Met de bestreden overwegingen heeft het hof volgens onderdeel 1c bovendien verzuimd op een voldoende kenbare wijze te responderen op relevante stellingen van [eiser] in het kader van het subsidiariteitsbeginsel. Het hof heeft daarmee het grievenstelsel (ex art. 347 Rv, art. 24 en/of art. 149 Rv) miskend, omdat het partijdebat nadrukkelijk in het licht van dit beginsel is gevoerd. Het onderdeel verwijst daarbij naar de stellingen die [eiser] heeft ingenomen in randnummers 40., 42., 44. en 48. van de memorie van grieven. Bovendien is volgens onderdeel 1d zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet voldoende begrijpelijk en aanvaardbaar dat het hof de stellingen van [eiser] in het kader van zijn beroep op het subsidiariteitsbeginsel niet heeft betrokken in zijn oordeelsvorming.
4.12
De klachten van onderdeel 1c en 1d lenen zich voor gezamenlijke behandeling en dienen naar mijn oordeel te falen. Ik zal dit toelichten.
4.13
De stellingen in de randnummers in de memorie van grieven waarnaar [eiser] heeft verwezen, komen er in de kern op neer dat – ingeval er gerede twijfel bij Klaverblad zou hebben bestaan – Klaverblad haar persoonlijk onderzoek had kunnen beperken tot het inwinnen van informatie bij derden. [eiser] wenst hiermee kennelijk een beroep te doen op het subsidiariteitsbeginsel, omdat volgens hem het inwinnen van informatie bij derden tot een minder vergaande inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer had geleid.
4.14
Klaverblad heeft hier – in randnummer 2.31 van de memorie van antwoord – tegenin gebracht dat het inwinnen van informatie bij derden niet tot uitsluitsel over het vermoeden van fraude zou hebben geleid, omdat Klaverblad al beschikte over informatie inzake de claim onder de aansprakelijkheidsverzekering waaruit onomstotelijk is gebleken dat [eiser] in november 2017 werkzaamheden als tegelzetter heeft verricht en er daarom geen behoefte bestond om contact op te nemen met de familie [betrokkene 1] . Voor wat betreft het bevragen van de echtgenote en de zwager geldt dat dit familieleden zijn, die niet als objectieve en onafhankelijke informatiebronnen kunnen worden aangemerkt. De echtgenote had volgens Klaverblad bovendien een financieel belang bij de verklaring die zij tegenover Klaverblad zou afleggen, zodat Klaverblad niet kon uitgaan van de juistheid daarvan. Daarnaast is Klaverblad gebleken dat ook de echtgenote een frauduleuze claim heeft ingediend, waardoor haar moraliteit in twijfel kan worden getrokken. Het observeren van [eiser] was volgens Klaverblad dan ook de meest geschikte/betrouwbare onderzoeksmethode.
4.15
Hoewel het hof niet uitdrukkelijk is ingegaan op de stellingen van [eiser] dat Klaverblad het persoonlijk onderzoek had kunnen beperken tot het inwinnen van informatie bij derden, meen ik dat het hof wel degelijk het subsidiariteitsbeginsel in zijn oordeelsvorming heeft betrokken. Zoals uiteengezet in randnummer 4.8 ligt in rov. 3.4.6. het oordeel van het hof besloten dat – gelet op de daarin opgenomen omstandigheden – het doel van het persoonlijk onderzoek in redelijkheid niet op een voor [eiser] minder nadelige wijze kon worden bereikt. Dat oordeel kan ik gegeven het zojuist weergegeven partijdebat ook goed volgen. Van miskenning van het grievenstelsel is geen sprake en dus evenmin van het niet betrekken van bepaalde stellingen bij de oordeelsvorming.
4.16
De klachten van onderdeel I falen.
4.17
Onderdeel 2 valt uiteen in (sub)onderdeel 2a en 2b en richt zich met verschillende rechts- en motiveringsklachten tegen rov. 3.5.1.-3.5.5., waarin het hof heeft overwogen en beslist dat Klaverblad voldoende onderbouwd heeft betoogd dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke misleiding.
4.18
Volgens onderdeel 2a heeft het hof bij de beantwoording van de vraag of [eiser] met de schending van de in art. 7:941 lid 2 BW bedoelde mededelingsplicht het opzet heeft gehad de verzekeraar te misleiden ten onrechte niet, althans niet voldoende kenbaar, getoetst of [eiser] daarbij de bedoeling heeft gehad de verzekeraar te bewegen tot het verstrekken van een uitkering die hij zonder die schending niet zou hebben verstrekt. Aldus geeft het hof volgens het onderdeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de leden 2 en 5 van art. 7:941 BW en de jurisprudentie van Uw Raad in dit verband.54
4.19
Ook deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat zij uitgaat van een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Ik zal dit toelichten.
4.20
In de bestreden rechtsoverwegingen is het hof ingegaan op grief 2 van [eiser] . Met deze grief keerde [eiser] zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [eiser] Klaverblad opzettelijk heeft misleid. In dat kader heeft [eiser] erop gewezen dat hij in 2017 niet als tegelzetter heeft gewerkt én dat hij diverse keren uit zichzelf informatie aan Klaverblad heeft verstrekt. Zo heeft hij aan zijn tussenpersoon, [betrokkene 2] , tot tweemaal toe laten weten dat zijn werkzaamheden ‘‘zowel qua locatie, tijdsduur en omvang’’ tijdelijk wijzigden (rov. 3.5.1.).
4.21
In rov. 3.5.1.-3.5.5. heeft het hof geoordeeld dat Klaverblad met haar stellingen – dat [eiser] tijdens de observatie telefonisch aan Klaverblad heeft gemeld dat hij maximaal 2,5 uur voorbereidende werkzaamheden als conciërge verrichtte in een loods, terwijl uit het observatieverslag is gebleken dat [eiser] hele dagen werkzaam is geweest op nieuwbouwlocaties en daarbij allerlei voorkomende bouwwerkzaamheden heeft verricht en dat [eiser] dit telefoongesprek niet heeft betwist en tijdens het confrontatiegesprek heeft verklaard dat de weergave van Klaverblad van de door [eiser] gegeven inlichtingen juist was – voldoende onderbouwd heeft betoogd dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke (cursivering van mij) misleiding én dat de door [eiser] aangevoerde stellingen niets afdoen aan dit oordeel.
4.22
Het hof heeft daarbij ten aanzien van de stelling van [eiser] dat hij aan zijn tussenpersoon zou hebben laten weten dat zijn werkzaamheden tijdelijk wijzigden, redengevend geacht dat het op de weg van [eiser] lag om concreet aan Klaverblad te (laten) vertellen wat deze (gewijzigde) werkzaamheden dan inhielden en voor hoe lang hij ze zou gaan verrichten.
4.23
Ten aanzien van de stelling van [eiser] dat hij in november 2017 niet als tegelzetter zou hebben gewerkt, heeft het hof overwogen dat Klaverblad het werken van [eiser] als tegelzetter in de periode in 2017 voldoende heeft onderbouwd met correspondentie en dat het ook [eiser] is geweest die de claim heeft ingediend en daarbij heeft vermeld dat hij tegelzetter was. In dat licht heeft het hof de enkele betwisting van [eiser] onvoldoende geacht, het had volgens het hof op de weg van [eiser] gelegen om de betwisting nader te onderbouwen (rov. 3.5.3. en 3.5.4.).
4.24
In het oordeel dat er sprake is van opzettelijke misleiding door [eiser] , ligt dan ook besloten dat [eiser] met de schending van de in art. 7:941 lid 2 BW bedoelde mededelingsplicht de bedoeling heeft voorgezeten de verzekeraar te bewegen tot het verstrekken van een uitkering die hij zonder die schending niet zou hebben verstrekt. Het hof heeft bij de vraag of [eiser] met de schending van de in art. 7:941 lid 2 BW bedoelde mededelingsplicht het opzet heeft gehad de verzekeraar te misleiden naar ik meen dan ook wel degelijk getoetst of [eiser] daarbij de bedoeling heeft gehad de verzekeraar te bewegen tot het verstrekken van een uitkering die hij zonder die schending niet zou hebben verstrekt.
4.25
Volgens onderdeel 2b heeft het hof in de bestreden overwegingen, in het kader van de vraag of [eiser] het opzet heeft gehad om Klaverblad te misleiden in de zin van art. 7:941 lid 5 BW, het grievenstelsel miskend door in zijn overwegingen geen (kenbare) aandacht te besteden aan de navolgende stellingen van [eiser] uit de eerste aanleg:
i) dat als al sprake zou zijn van een schending van de inlichtingenplicht, dit in ieder geval niet is geweest met het opzet om Klaverblad te misleiden;55
ii) dat [eiser] niet wist dat hij aan Klaverblad moest melden als hij werk in onderaanneming aan zijn zwager uitbesteedde en zelf slechts op het project aanwezig was, zonder werkzaamheden te verrichten;56
iii) dat [eiser] diverse malen uit zichzelf informatie aan Klaverblad heeft verstrekt, namelijk dat hij op 18 oktober 2018 aan Klaverblad heeft laten weten dat hij als conciërge in loondienst zou treden per 1 januari 2019 en dat hij op 4 februari 2019 aan Klaverblad nadere informatie en stukken heeft verstrekt over dit loondienstverband;57
iv) dat [eiser] op de informatieverzoeken van Klaverblad steeds prompt, en naar beste weten en kunnen heeft gereageerd;58
v) dat [eiser] ook in augustus 2020 aan de arbeidsdeskundige heeft verklaard dat de werkzaamheden in 2017 door zijn zwager werden overgenomen.59
4.26
Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, zijn de overwegingen van het hof volgens het onderdeel niet voldoende begrijpelijk en aanvaardbaar.
4.27
Voorop staat dat de rechter niet steeds gehouden is om op ieder argument afzonderlijk in te gaan.60
4.28
Zoals in randnummer 4.21 is uitgewerkt, heeft het hof in rov. 3.5.1.-3.5.5. geoordeeld dat Klaverblad met haar stellingen – dat [eiser] tijdens de observatie telefonisch aan Klaverblad heeft gemeld dat hij maximaal 2,5 uur voorbereidende werkzaamheden als conciërge verrichtte in een loods, terwijl uit het observatieverslag is gebleken dat [eiser] hele dagen werkzaam is geweest op nieuwbouwlocaties en daarbij allerlei voorkomende bouwwerkzaamheden heeft verricht, dat [eiser] dit telefoongesprek niet heeft betwist en tijdens het confrontatiegesprek heeft verklaard dat de weergave van Klaverblad van de door [eiser] gegeven inlichtingen juist was – voldoende onderbouwd heeft betoogd dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke (cursivering van mij) misleiding én dat de door [eiser] aangevoerde stellingen niets afdoen aan dit oordeel.
4.29
Het hof heeft daarbij wel degelijk aandacht besteed aan de stelling (i) van [eiser] dat als er al sprake was van schending van de mededelingsplicht, dit in ieder geval niet is geweest met het opzet om Klaverblad te misleiden. Deze stelling ligt immers besloten in grief 2, waarin [eiser] is opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat [eiser] Klaverblad opzettelijk heeft misleid. Op deze stelling is het hof dan ook uitvoerig ingegaan bij zijn verwerping van grief 2.
4.30
De stellingen (iii en iv) van [eiser] dat hij diverse keren uit zichzelf informatie aan Klaverblad heeft verstrekt en op informatieverzoeken prompt en naar beste weten heeft gereageerd, liggen naar ik meen besloten in de stellingen (in rov. 3.5.1.) die [eiser] ter onderbouwing van zijn grief 2 heeft aangevoerd en op deze stellingen is het hof dan ook eveneens uitvoerig ingegaan bij zijn verwerping van grief 2. Deze stellingen doen naar het oordeel van het hof (in rov. 3.5.3.) niet af aan het onderbouwde betoog van Klaverblad (zie randnummer 4.21) dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke misleiding.
4.31
De bespreking van de stellingen (ii en v) van [eiser] met betrekking tot de tegelwerkzaamheden in 2017 liggen naar ik meen besloten in rov. 3.5.4., waarin het hof is ingegaan op de stelling van [eiser] dat hij in 2017 niet als tegelzetter zou hebben gewerkt. Deze stelling doet volgens het hof evenmin af aan het oordeel dat Klaverblad voldoende onderbouwd heeft betoogd dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke misleiding, omdat Klaverblad het werken van [eiser] als tegelzetter in 2017 voldoende heeft onderbouwd met correspondentie en het daarnaast [eiser] is geweest die de claim bij zijn aansprakelijkheidsverzekeraar heeft ingediend en daarbij heeft vermeld dat hij tegelzetter was.
4.32
Gelet op het voorgaande zijn de oordelen van het hof, ook in het licht van de door [eiser] aangevoerde stellingen, bovendien niet onaanvaardbaar of onbegrijpelijk.
4.33
De klachten van onderdeel 2 falen.
4.34
Onderdeel 3 bevat een tweetal motiveringsklachten (in (sub)onderdeel 3a en 3b) en een voortbouwklacht en richt zich tegen rov. 3.5.4., waarin het hof heeft overwogen en geoordeeld dat aan het voornoemde (dat Klaverblad voldoende onderbouwd heeft betoogd dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke misleiding) niet afdoet de stelling van [eiser] dat hij in november 2017 niet als tegelzetter heeft gewerkt.
4.35
Volgens onderdeel 3a is in het licht van de gedingstukken zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet voldoende begrijpelijk dat het hof in rov. 3.5.4. heeft overwogen dat de enkele betwisting van [eiser] van de stelling dat hij de claim bij zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekering heeft ingediend, onvoldoende is en dat niet duidelijk wordt ‘wie dan wel’ het tegelwerk heeft uitgevoerd en gedeclareerd en of deze persoon aansprakelijk is gesteld. Deze overwegingen zijn volgens het onderdeel niet verenigbaar met de stelling van [eiser] – onder verwijzing naar een ondertekende verklaring van zijn zwager – dat zijn zwager het tegelwerk in november 2017 in opdracht van [eiser] (in de vorm van onderaanneming) heeft uitgevoerd en de werkzaamheden door het bedrijf van [eiser] zijn gedeclareerd.61
4.36
Deze klacht faalt. In rov. 3.5.4. is het hof ingegaan op de stelling van [eiser] dat hij in november 2017 niet als tegelzetter zou hebben gewerkt. Het hof heeft daarbij geoordeeld dat Klaverblad het werken van [eiser] in de hier relevante periode in 2017 voldoende heeft onderbouwd met correspondentie waarin duidelijk wordt gerefereerd aan de persoon van [eiser] die als tegelzetter slordig werk heeft verricht. Daarnaast heeft het hof in deze relevant geacht dat het [eiser] is geweest die de claim heeft ingediend en daarbij heeft vermeld dat hij tegelzetter was. In dat licht heeft het hof een enkele betwisting onvoldoende geacht. Het lag volgens het hof dan ook op de weg van [eiser] om zijn betwisting nader te onderbouwen. Zo is het hof volgens het hof niet duidelijk wie dan wel het tegelwerk heeft uitgevoerd en gedeclareerd en of deze persoon aansprakelijk is gesteld. Hierin ligt besloten dat het hof de, met de verklaring van zijn zwager onderbouwde,62 betwisting van [eiser] inhoudende dat niet hij, maar zijn zwager het tegelwerk in november 2017 heeft uitgevoerd, kennelijk onvoldoende heeft geacht in het licht van wat Klaverblad in de memorie van antwoord (randnummer 2.19) daartegenin heeft gebracht. Zo heeft Klaverblad aangevoerd dat nergens in het schadeformulier is vermeld dat een derde aansprakelijk zou zijn voor de schade. Bovendien kan de verklaring van de zwager van [eiser] volgens Klaverblad niet als bewijs dienen, omdat de verklaring niet op echtheid kan worden geverifieerd, onvoldoende specifiek is en bovendien de door [eiser] gestelde rolverdeling niet ondersteunt. Daar komt volgens Klaverblad bij dat de zwager van [eiser] in een eerdere e-mail van 16 december 2020 heeft verklaard dat hij de betreffende werkzaamheden in maart 2017 zou hebben verricht, terwijl het tegelwerk in november 2017 is uitgevoerd.63 Het hof heeft de stelling van [eiser] – dat zijn zwager het tegelwerk in 2017 in opdracht van [eiser] (in de vorm van onderaanneming) heeft uitgevoerd en zijn werkzaamheden door het bedrijf van [eiser] zijn gedeclareerd – die hij in het kader van zijn betwisting naar voren heeft gebracht, kennelijk onvoldoende geacht in het licht van hetgeen Klaverblad heeft aangevoerd. Dit is naar ik meen niet onbegrijpelijk.
4.37
Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is het volgens onderdeel 3b niet voldoende begrijpelijk dat het hof in rov. 3.5.4. aansluiting heeft gezocht bij de mailcorrespondentie met [betrokkene 1] , waarin vermeld is dat [eiser] wel de kwaliteit heeft om de tegelwerkzaamheden te doen, aangezien [eiser] daarover heeft gesteld dat dit niets zegt over de vraag wie de tegelwerkzaamheden daadwerkelijk heeft uitgevoerd.64
4.38
Deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat zij uitgaat van een onjuiste lezing van de bestreden rechtsoverweging. Het hof heeft in rov. 3.5.4. de betwisting van [eiser] , inhoudende dat hij in november 2017 niet als tegelzetter heeft gewerkt, en hetgeen Klaverblad daartegenin heeft gebracht, behandeld. Het hof heeft in zijn oordeel niet alleen de mailcorrespondentie doorslaggevend geacht, maar ook dat het [eiser] is geweest die de claim bij de aansprakelijkheidsverzekeraar heeft ingediend en daarbij heeft vermeld dat hij tegelzetter was. Het hof heeft uiteindelijk geoordeeld dat [eiser] , gelet op hetgeen Klaverblad heeft aangevoerd, onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat hij in november 2017 als tegelzetter heeft gewerkt.
4.39
De voortbouwklacht van onderdeel 3c, inhoudende dat met het slagen van één of meer klachten van de onderdelen 3a en 3b de overweging van het hof onder 3.5.4., inhoudende dat Klaverblad het werken van [eiser] als tegelzetter in de hier relevante periode in 2017 voldoende heeft onderbouwd met correspondentie waarin ‘duidelijk wordt gerefereerd aan de persoon van [eiser] ’, evenzeer geen stand kan houden, faalt in het spoor van de klachten van onderdeel 3a en 3b.
4.40
De klachten van onderdeel 3 falen.
4.41
Onderdeel 4 richt zich eveneens tegen rov. 3.5.4. Volgens het onderdeel is – in het licht van de stellingen van [eiser] in hoger beroep – onjuist, althans zonder nadere motivering, onvoldoende begrijpelijk dat het hof het bewijsaanbod van [eiser] heeft gepasseerd op de grond dat [eiser] niet aan zijn stelplicht zou hebben voldaan.65 Het gaat hier om een aanbod tot het leveren van tegenbewijs, waaraan volgens het onderdeel niet de eis mag worden gesteld dat het bewijsaanbod voldoende is gespecificeerd. Hierbij is volgens het onderdeel van belang dat van een partij die aanbiedt haar stellingen te bewijzen door middel van getuigen, niet gevergd kan worden dat zij, wil zij tot dit bewijs worden toegelaten, op voorhand haar stellingen aannemelijk maakt en hetgeen de wederpartij daartegen aanvoert, ontzenuwt.66
4.42
Deze klacht faalt. Het onderdeel stelt op zichzelf terecht dat aan een aanbod tot het leveren van tegenbewijs niet de eis mag worden gesteld dat het bewijsaanbod voldoende is gespecificeerd67 én merkt eveneens terecht op dat van een partij die aanbiedt haar stellingen te bewijzen door middel van getuigen, niet gevergd kan worden dat zij, om tot dit bewijs te worden toegelaten, op voorhand haar stellingen aannemelijk maakt en hetgeen de wederpartij daartegen aanvoert ontzenuwt.68 De klacht gaat er echter aan voorbij dat – ingeval de wederpartij (in dit geval Klaverblad) aan haar stelplicht heeft voldaan – pas aan (eventuele) bewijslevering kan worden toegekomen indien de wederpartij (in dit geval [eiser] ) de naar voren gebrachte feiten voldoende gemotiveerd heeft betwist.69
4.43
In rov. 3.5.1.-3.5.5. heeft het hof grief 2 besproken waarin [eiser] (onder meer) de door Klaverblad aangevoerde stelling dat [eiser] in november 2017 als tegelzetter heeft gewerkt, heeft betwist. Het hof heeft in voornoemde rechtsoverwegingen geoordeeld dat [eiser] de gemotiveerde stellingen van Klaverblad onvoldoende gemotiveerd heeft betwist en is daarom niet aan bewijslevering toegekomen. Gelet op hetgeen ik in randnummer 4.42 heb opgemerkt, mocht het hof dan ook aan het bewijsaanbod van [eiser] voorbijgaan. Dit oordeel van het hof is bovendien niet onbegrijpelijk (zie hetgeen ik hierover bij de behandeling van onderdeel 3a heb opgemerkt).
4.44
De klacht van onderdeel 4 faalt.
4.45
De voortbouwklacht van onderdeel 5 deelt het lot van de andere klachten.
4.46De slotsom is dus dat geen van de voorgestelde onderdelen doel treft, zodat het cassatieberoep vergeefs is ingesteld. Parket bij de Hoge Raad 13 februari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:172
CAPITA SELECTA VERZEKERINGSRECHT, polisvoorwaarden, rechtsbijstandverzekering
Kifid 110226 rbv erkent 2 maanden vertraging in de behandeling, maar er is geen verband met de gevorderde ongevalgerelateerde schade
Samenvatting
Rechtsbijstand. De consument stelt dat de uitvoerder tekort is geschoten in de behandeling van zijn letselschadezaak. Als gevolg daarvan stelt de consument schade te lijden. Hij verzoekt de uitvoerder deze schade te compenseren. De uitvoerder erkent op onderdelen tekort te zijn geschoten in de behandeling van de zaak van de consument, maar stelt dat de consument hierdoor geen schade heeft geleden. De commissie oordeelt dat er geen causaal verband bestaat tussen de tekortkoming van de uitvoerder en de door de consument gestelde schade en wijst de vordering af.
1. Procedure
1.1 De behandelend commissie, verder te noemen de commissie, beslist op basis van het reglement en op basis van de door partijen aan Kifid ingestuurde documenten inclusief bijlagen. Het gaat om: 1) het klachtformulier van de consument; 2) de aanvullende stukken van de consument; 3) het verweerschrift van de uitvoerder; 4) de repliek van de consument en 5) de dupliek van de uitvoerder.
1.2 De commissie is van oordeel dat het niet nodig is de zaak mondeling te behandelen. De zaak wordt daarom op grond van de stukken beslist.
1.3 De consument en de uitvoerder hebben gekozen voor een bindend advies. Dit betekent dat partijen elkaar aan de uitspraak kunnen houden.
2. Het geschil
Wat is er gebeurd?
2.1 De consument heeft bij de verzekeraar een autoverzekering (hierna: de verzekering) waarop de Module Rechtsbijstand Motorrijtuig van toepassing is.
De verzekeraar heeft de uitvoering van de rechtsbijstand uitbesteed aan de uitvoerder. Op de verzekering zijn de voorwaarden OHRA Autoverzekering AUT2507 (hierna: de voorwaarden) van toepassing.
2.2 Op 2 november 2024 heeft er een aanrijding plaatsgevonden tussen de consument en een bestuurder van een andere auto. Die aanrijding heeft tot letselschade geleid bij de consument.
2.3 Om zijn letselschade te verhalen heeft de consument de uitvoerder op 9 mei 2025 verzocht om rechtsbijstand. Dit verzoek is niet meteen door de uitvoerder opgepakt. De consument heeft hier op 14 juni 2025 een klacht over ingediend. Deze klacht is pas op 18 juli 2024 door de uitvoerder geregistreerd. Op 24 juli 2025 heeft de consument een vervolg klacht ingediend, omdat hij het niet eens was met de afhandeling van zijn eerste klacht en gevraagd om een financiële compensatie voor de opgelopen vertraging. De uitvoerder heeft vervolgens erkend dat er sprake is van een veel te trage aanpak, maar stelt dat er geen grond is voor een financiële compensatie.
2.4 De consument is het hier niet mee eens en dient een klacht in bij Kifid. In de tussentijd heeft de uitvoerder alsnog rechtsbijstand verleend en is de letselschadezaak van de consument in behandeling genomen.
De klacht en de vordering
2.5 De consument vordert een bedrag van € 5.200,00. Dit bedrag betreft een compensatie voor de vertraging die is ontstaan bij de behandeling van de letselschade zaak en bestaat uit misgelopen inkomsten en een lening die de consument heeft afgesloten om in zijn levens onderhoud te kunnen voorzien.
2.6 De consument voert aan dat hij vanwege lichamelijke klachten niet volledig kan werken, wat heeft geresulteerd in een lager salaris. De re-integratie loopt op dit moment nog steeds, waardoor het salaris nog altijd lager ligt dan het reguliere salaris.
2.7 De uitvoerder erkent wel dat de behandeling van de letselschadezaak niet goed is opgepakt. Dit heeft geleid tot veel stress en financiële problemen. Maar de uitvoerder weigert hiervoor een redelijke compensatie uit te keren. De uitvoerder is tekortgeschoten in zijn verplichtingen door deze compensatie te weigeren.
2.8 Daar komt nog bij dat er lange tijd geen toegang was tot het persoonlijk account bij de uitvoerder, waardoor er geen inzage was in het dossier. Dit is inmiddels na het indienen van de klacht bij Kifid alsnog opgelost.
2.9 Tenslotte stelt de uitvoerder zich nu op het standpunt dat de kans van slagen in de letsel schadezaak klein is, maar dit klopt niet. De zaak is niet voldoende onderzocht, waardoor de verkeerde conclusie is getrokken.
Het verweer
2.10 De uitvoerder voert verweer tegen de vorderingen van de consument. Voor zover relevant zal de commissie bij de beoordeling daarop ingaan.
3. De beoordeling
Inleiding
3.1 De commissie moet beoordelen of de tekortkoming aan de zijde van de uitvoerder reden is om de door de consument gestelde schade te compenseren. De commissie is van oordeel dat de door de consument geleden schade geen gevolg is van het handelen van de uitvoerder. De vordering van de consument wordt niet toegewezen. De commissie legt hierna uit waarom.
Geen schade geleden door het handelen van de uitvoerder
3.2 Partijen zijn het erover eens dat het verzoek om rechtsbijstand van de consument niet voortvarend is opgepakt. Dat geldt ook voor de registratie en beantwoording van zijn klacht. De behandeling van de lestelschadezaak van de consument heeft hierdoor ongeveer twee maanden vertraging opgelopen. De uitvoerder erkent dat ook de communicatie richting de consument beter had gemoeten. De uitvoerder heeft hiervoor ook excuses aangeboden en de letselschadezaak alsnog verder in behandeling genomen.
3.3 De commissie oordeelt dat niet is gebleken dat de consument schade heeft geleden als gevolg van het handelen van de uitvoerder. De schade die de consument vordert is een rechtstreeks gevolg van de aanrijding die heeft plaatsgevonden; zowel de verminderde inkomsten als de noodzaak een bedrag te lenen zijn het gevolg van het letsel dat de consument bij de aanrijding heeft opgelopen. Voor deze schade dient de consument de bestuurder van de andere auto aansprakelijk te stellen. Deze procedure wordt op dit moment door de uitvoerder voor de consument gevoerd. Dat er naast deze schade nog andere schade is ontstaan als gevolg van de vertraging die de behandeling van de zaak heeft opgelopen, is niet gebleken.
3.4 De uitvoerder erkent tekort te zijn geschoten in de behandeling van de letselschadezaak van de consument. Hiervoor heeft de uitvoerder excuses aangeboden. De excuses van de uitvoerder moeten echter volstaan, nu niet is gebleken dat de consument financiële schade heeft geleden door het handelen van de uitvoerder. Een rechtsbijstandverzekering is bedoeld om een verzekerde rechtsbijstand te verlenen en niet om de schade van een verzekerde te vergoeden die door toedoen van een andere partij is geleden. Het is dus ook niet mogelijk om een schadepost die op een derde verhaald zou moeten worden bij de uitvoerder in rekening te brengen. De commissie wijst de vordering van de consument af.
Haalbaarheid van de letselschadezaak
3.5 Uit de stukken maakt de commissie op dat de uitvoerder op dit moment nog bezig is met de behandeling van de letselschadezaak en hiervoor stukken heeft opgevraagd bij de consument. De verzekeraar van de tegenpartij heeft de aansprakelijkheid van zijn verzekerde op basis van de beschikbare stukken niet erkend. Het is vervolgens aan de consument om die stukken aan te leveren, zodat de uitvoerder op basis van de stukken een definitief standpunt in kan nemen over de aanpak en haalbaarheid van de zaak.
3.6 Het staat de uitvoerder vrij om in een zaak een standpunt in te nemen over de aanpak en de haalbaarheid van een geschil. De verzekerde mag het op zijn beurt niet eens zijn met het standpunt van de uitvoerder. Voor de situatie waarin de consument het niet eens is met de aanpak van de uitvoerder, kent de verzekering de geschillenregeling. De geschillenregeling is bedoeld ter beëindiging van het geschil tussen de consument en de uitvoerder over de juridische haalbaarheid en/of aanpak van de zaak. Dat geschil wordt ter beoordeling voor gelegd aan een samen door partijen aan te wijzen scheidsrechter die een bindend advies uit zal brengen. Als de consument het niet eens is met de aanpak of het standpunt van de uitvoerder over de haalbaarheid, moet hij de geschillenregeling volgen.
Conclusie
3.7 Op grond van de voorgaande overwegingen oordeelt de commissie dat de consument geen schade heeft geleden als gevolg van het handelen van de uitvoerder. De commissie zal de vordering van de consument afwijzen. Als vervolgens blijkt dat de consument het niet eens is met het standpunt van de uitvoerder over de haalbaarheid van zijn zaak, dan zal hiervoor de geschillenregeling gevolgd moeten worden.
4. De beslissing
De commissie wijst de vordering af.
Met dank aan Letselschade.nu voor het attenderen op de uitspraak
CAPITA SELECTA VERZEKERINGSRECHT, polisvoorwaarden, rechtsbijstandverzekering
Kifid 090226 rbv mag dekking weigeren vanwege te late melding; ongeval in april 2024; daarna inschakeling letselschadebureau, melding in maart 2025
Samenvatting
Rechtsbijstandverzekering. De consument heeft de uitvoerder in maart 2025 verzocht om dekking onder de rechtsbijstandverzekering te verlenen voor het verhalen van de (letsel)- schade die hij heeft opgelopen tijdens een ongeval met zijn auto op 20 april 2024. De uitvoerder heeft geweigerd dekking te verlenen, omdat hij in zijn belangen is geschaad door de late melding. De consument is het niet eens met de afwijzing. De commissie is van oordeel dat, nu de uitvoerder pas in maart 2025 op de hoogte is gebracht van het ongeval en hierdoor niet meer in staat is om de voertuigen aan een nader onderzoek te
onderwerpen, hij het rechtshulpverzoek van de consument mocht afwijzen. De klacht is ongegrond en de vordering wordt afgewezen.
1. Procedure
1.1 De behandelend commissie, verder te noemen de commissie, beslist op basis van het reglement en op basis van de door partijen aan Kifid ingestuurde documenten inclusief bijlagen. Het gaat om: 1) het klachtformulier van de consument; 2) de aanvullende stukken van de consument; 3) het verweerschrift van de uitvoerder; 4) de aanvullende stukken van de consument; 5) de reactie van de uitvoerder en 6) de door de consument tijdens de zitting overgelegde spreekaantekeningen.
1.2 Partijen zijn opgeroepen voor een digitale hoorzitting op 7 januari 2026. De consument nam deel aan de hoorzitting, samen met zijn vertegenwoordigers mr. T.C. Wansink, advocaat, kantoorhoudende te Hilversum (hierna: de advocaat) en mevrouw [naam 1], medewerkster van Smart Letselschade (hierna: het letselschadebureau). Namens de uitvoerder namen deel mr. [naam 2] en mr. [naam 3], adjunct-directeur.
1.3 Partijen hebben gekozen voor een bindend advies. Dit betekent dat partijen elkaar aan de uitspraak kunnen houden.
2. Achtergrond van de klacht
2.1 Op 20 april 2024 is de consument in zijn auto aangereden door een bestelauto. Zowel de consument als de bestuurder van de bestelauto heeft verklaard dat het verkeerslicht op groen stond. Voor het verhalen van zijn (letsel)schade op de bestuurder van de bestelauto heeft de consument het letselschadebureau (zie nr. 1.2 hiervoor) ingeschakeld. Op 29 april 2024 heeft het letselschadebureau de verzekeraar van de bestuurder van de bestelauto aansprakelijk gesteld, maar die heeft op 1 augustus 2024 aansprakelijkheid van de hand gewezen. In maart 2025 hebben het letselschadebureau en de advocaat de uitvoerder verzocht om op grond van de rechtsbijstandverzekering dekking te verlenen. De uitvoerder heeft dit geweigerd. Het standpunt van de uitvoerder is dat hij in zijn belangen is geschaad door de late melding.
3. De klacht
3.1 De consument vindt dat de uitvoerder ten onrechte dekking heeft geweigerd. Hij vordert dat de uitvoerder alsnog dekking biedt voor het verhalen van zijn (letsel)schade op de (verzekeraar van de) bestuurder van de bestelauto.
4. De beslissing
4.1 De commissie wijst de vordering af.
5. Gronden voor de beslissing
5.1 Partijen verschillen van mening over de vraag of de uitvoerder gehouden is dekking te verlenen onder de rechtsbijstandverzekering. Meer in het bijzonder zijn zij verdeeld over de vraag of de consument als verzekerde te laat melding heeft gemaakt van het conflict met de (verzekeraar van de) bestuurder van de bestelauto.
5.2 Uit de voorwaarden van de rechtsbijstandverzekering volgt dat de verzekerde verplicht is om een conflict zo spoedig mogelijk te melden bij de uitvoerder. Komt de verzekerde deze verplichting niet na en is de verzekeraar/uitvoerder hierdoor in zijn belangen geschaad, dan heeft de verzekerde geen recht op rechtshulp. De relevante bepalingen uit de voorwaarden, opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak, zijn door de commissie getoetst aan het Europese en Nederlandse (consumenten)recht en niet in strijd met deze regelgeving bevonden.
5.3 Deze verplichting voor de verzekerde vloeit tevens voort uit artikel 7:941 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Komt de verzekerde deze verplichting niet na, dan kan de verzekeraar (hier: de uitvoerder) bedingen dat het recht op uitkering vervalt voor het geval hij daardoor in een redelijk belang is geschaad (lid 4).
2/6
5.4 Voor de commissie staat vast dat de consument het conflict met de verzekeraar van de tegenpartij te laat heeft gemeld bij de uitvoerder. Het ongeval vond plaats op 20 april 2024. Kort daarna heeft het letselschadebureau de verzekeraar van de bestuurder van de bestel auto aansprakelijk gesteld. Pas in maart 2025 is de uitvoerder van het een en ander op de hoogte gebracht. Dat is niet “zo spoedig mogelijk”.
5.5 De commissie volgt ook het betoog van de uitvoerder dat hij door te late melding in een redelijk belang is geschaad. De betrokken voertuigen zijn niet meer beschikbaar. Door de late melding is het niet meer mogelijk om de voertuigen uit te lezen en kan geen reconstructie worden gemaakt in combinatie met een fasediagram. Terecht wijst de uitvoerder erop dat dit te meer klemt, omdat de verzekeraar van de bestuurder van de bestelauto de bewijskracht van de door de consument aangevoerde getuigenverklaringen in twijfel trekt.
Slotsom
5.6 De uitvoerder hoeft geen dekking te bieden voor het conflict met de (verzekeraar van de) bestuurder van de bestelauto. De klacht is ongegrond. Kifid 2026-0128
Met dank aan Letselschade.nu voor het attenderen op de uitspraak