Overslaan en naar de inhoud gaan

Hof Arnhem 070709 chauffeur valt bij uitstappen 1,5 meter naar beneden

Hof Arnhem 070709 chauffeur valt bij uitstappen 1,5 meter naar beneden
Algemeen
5.2  Het hof stelt voorop dat met artikel 7:658 lid 1 BW niet is beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het lijden van schade door of tijdens de uitoefening van het werk. Deze bepaling heeft tot strekking een zorgplicht in het leven te roepen en verplicht de werkgever voor het verrichten van arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te geven als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Heeft de werknemer schade opgelopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden, dan is de werkgever daarvoor aansprakelijk, tenzij hij aantoont dat hij zijn voornoemde zorgplicht is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer (artikel 7:658 lid 2 BW), dan wel dat de schade ook zou zijn ontstaan indien hij zijn zorgplicht wel was nagekomen.

Stelplicht
5.3  In het kader van een vordering ingevolge artikel 7:658 lid 1 BW zal de werknemer moeten stellen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden en zo nodig het causaal verband tussen de schade en de uitoefening van die werkzaamheden dienen te bewijzen. Partijen verschillen van mening over de exacte toedracht van het ongeval. Vast staat echter dat [geïntimeerde] op 24 juni 2005 zijn vrachtwagen op het terrein heeft geparkeerd naast een rand/muurtje met een hoogte van 25 centimeter en een breedte van eveneens 25 centimeter. Toen hij uit zijn vrachtwagen stapte, is [geïntimeerde] op een ongeveer 1,5 meter lager gelegen gedeelte van het bedrijfsterrein dat zich aan de andere zijde van het muurtje bevindt, gevallen. [appellant] heeft weliswaar betwist dat [geïntimeerde], zoals hij heeft gesteld, daarbij rugletsel heeft opgelopen, maar uit het vervolg van het betoog van [appellant] blijkt dat haar betwisting betrekking heeft op de door [geïntimeerde] gestelde wervelfactuur. Dat [geïntimeerde] rugklachten heeft ondervonden ten gevolge van het ongeval - en dus schade heeft geleden -, acht het hof echter zonder meer aannemelijk, gelet op de hoogte van de val van [geïntimeerde], de omstandigheid dat hij op zijn rug is gevallen en de door [appellant] bij conclusie van antwoord in het geding gebrachte verklaring van [A]. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] in het kader van artikel 7:658 lid 1 BW in voldoende mate aan de voormelde stelplicht heeft voldaan en staat bovendien vast dat [geïntimeerde] schade in de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft geleden.

Zorgplicht
5.4  Nu vaststaat dat [geïntimeerde] schade in de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft geleden, is [appellant] voor de door [geïntimeerde] geleden schade aansprakelijk, tenzij zij stelt en zonodig bewijst dat zij aan de op haar rustende zorgplicht, zoals neergelegd in artikel 7:658 lid 1 BW heeft voldaan, dan wel dat sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van [geïntimeerde]. Voor wat betreft de zorgplicht van [appellant], zal zij moeten stellen dat zij de maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs nodig waren om schade te voorkomen. Daarbij speelt de gedurende het ontstaan van de schade geldende (arbeidsomstandigheden) regelgeving, bekendheid met gevaren binnen de branche en de vraag in hoeverre door de werkgever redelijkerwijs maatregelen ter voorkoming van schade konden worden genomen een rol. Bij het voorgaande moet in aanmerking worden genomen dat werknemers niet steeds de wenselijke voorzichtigheid betrachten.

5.5  Door [appellant] is geen beroep gedaan op opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van [geïntimeerde].

5.6  Het enkele feit dat het ongeval zich heeft voorgedaan (niet in de gebouwen of op de terreinen van [appellant] maar) op het terrein van de asfaltcentrale van Aannemersbedrijf Gebroeders [appellant] v.o.f. staat niet aan aansprakelijkheid van [appellant] in de weg. Niet in geschil is dat [appellant] zeggenschap had over de gedragingen van [geïntimeerde] op het terrein waar het ongeval heeft plaatsgevonden, alsmede over de inrichting van het betreffende terrein, waar [geïntimeerde] al meerdere jaren bijna dagelijks en meerdere malen per dag voor zijn werk kwam.

5.7  Het ongeval heeft kunnen plaatsvinden doordat [geïntimeerde] op het terrein van de asfaltcentrale uit zijn vrachtwagen stapte kort bij of op een 25 centimeter hoog en breed muurtje waarachter zich een ongeveer 1,5 meter lager gelegen gedeelte van het terrein bevindt. [geïntimeerde] stelt dat [appellant] tekort is geschoten in de op haar rustende zorgplicht, nu zij onvoldoende veiligheidsmaatregelen heeft genomen, terwijl zij daartoe wel de mogelijkheid heeft gehad. [geïntimeerde] stelt dat [appellant] de veiligheid van haar chauffeurs onvoldoende heeft gewaarborgd, in het bijzonder ten aanzien van het parkeren op de desbetreffende plek. Een en ander was volgens [geïntimeerde] voorzienbaar voor [appellant].

5.8  [appellant] voert gemotiveerd verweer tegen de stellingen van [geïntimeerde]. Zij wijst erop dat er op de desbetreffende plek een parkeerverbod gold. Vervolgens stelt [appellant] dat op een bord bij de ingang van het terrein de instructie staat dat er in de vakken geparkeerd moet worden en er elders op het terrein voldoende parkeervakken waren. Bovendien was het 25 centimeter hoge muurtje volgens [appellant] een afdoende veiligheidsmaatregel. Nadere maatregelen konden redelijkerwijs niet van [appellant] worden gevergd. Van [geïntimeerde] had mogen worden verwacht dat hij aan de passagierszijde de vrachtwagen zou hebben verlaten, dan wel de vrachtwagen verder van het muurtje zou hebben geparkeerd. Ten slotte is sprake van een zo alledaagse situatie dat de zorgplicht van de werkgever daar geen betrekking op heeft, aldus [appellant].

5.9  Het hof stelt voorop dat – anders dan [appellant] stelt – het ongeval van [geïntimeerde] geen alledaagse situatie betreft. Het ongeval heeft kunnen plaatsvinden doordat [geïntimeerde] uit zijn vrachtwagen stapte kort bij of op een muurtje waarachter een ongeveer 1,5 meter lager gelegen terrein lag. Waar [appellant] stelt dat [geïntimeerde] letsel heeft opgelopen door enkel uit zijn vrachtwagen te stappen, gaat zij uit van een te beperkte omschrijving van het ongeval. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat de bewuste plek bij feitelijk gebruik als parkeerplaats als een gevaarlijke situatie moet worden aangemerkt. [appellant] stelt dat de feitelijke situatie ter plaatse voor oplettende werknemers goed zichtbaar is, maar dit maakt de feitelijke situatie bij een gebruik als parkeerplaats niet minder gevaarlijk.

Parkeerverbod
5.10  Tussen partijen is niet in geschil dat door verschillende vrachtwagenchauffeurs, onder wie [geïntimeerde], met enige regelmaat werd geparkeerd op de plek waar [geïntimeerde] de vrachtwagen ten tijde van het ongeval had geparkeerd. [appellant] stelt enerzijds dat [geïntimeerde] er verschillende keren door de heren [appellant] en [A] op is gewezen dat het verboden is op de betreffende plaats te parkeren, maar anderzijds dat vrachtwagenchauffeurs op aanwijzing van de heer [B] op deze plaats parkeerden.
Zo [geïntimeerde] al meermalen op een parkeerverbod ter plaatse is gewezen, hetgeen hij ontkent, werd daarop in ieder geval regelmatig met toestemming van de heer Bos een uitzondering gemaakt en werd het parkeren op deze plek feitelijk geaccepteerd en toegestaan. Bij een dergelijke gevaarlijke situatie geldt in het bijzonder dat namens [appellant] verstrekte parkeerinstructies – die [geïntimeerde] ook ontkent – niet steeds voldoende zijn om aan de zorgverplichting te voldoen. Rekening dient te worden gehouden met het ervaringsfeit dat werknemers desondanks door gewenning in een regelmatig voorkomende werksituatie niet meer steeds alle voorzichtigheid in acht zullen nemen die ter voorkoming van schade geboden is. Van [appellant] mocht dan ook worden verwacht dat zij onderzocht of bij feitelijk gebruik van de bewuste plek als parkeerplaats preventieve maatregelen mogelijk waren of een veiliger situatie ter plaatse mogelijk was en, zo dat niet het geval zou zijn, of op een voldoende effectieve wijze voor het gevaar kon worden gewaarschuwd. Niet gesteld of gebleken is dat dit door [appellant] voor het ongeval is bezien, behoudens de hierna te bespreken stellingen van [appellant].

Muurtje
5.11  [appellant] stelt dat zij afdoende veiligheidsmaatregelen had getroffen door het aanbrengen van het 25 centimeter hoge en 25 centimeter brede muurtje. Het desbetreffende muurtje is, mede gelet op het [geïntimeerde] overkomen ongeval, geen afdoende maatregel gebleken voor een ongeval zoals [geïntimeerde] overkomen. [appellant] wist dat vrachtwagenchauffeurs op de desbetreffende plaats parkeerden. Bij het uitstappen van een vrachtwagen is een 25 centimeter hoog muurtje naar het oordeel van het hof onvoldoende om het risico op een val bij het uitstappen van een vrachtwagen, zoals [geïntimeerde] is overkomen, te voorkomen. Dit geldt temeer nu vrachtwagenchauffeurs over het algemeen achterwaarts uit de hoge cabine van de vrachtwagen zullen stappen. Aldus had [appellant] redelijkerwijs moeten voorzien dat het desbetreffende muurtje geen afdoende veiligheidsmaatregel was.

Parkeervakken en parkeervoorschriften
5.12  Door [appellant] is gesteld dat elders op het terrein parkeervakken zijn waar [geïntimeerde] zijn vrachtwagen had kunnen parkeren, dat er bij de ingang van het terrein een bord staat met daarop de instructie dat in de vakken moet worden geparkeerd, dat [geïntimeerde] parkeervoorschriften heeft gekregen, alsmede dat [geïntimeerde] de vrachtauto op de bewuste dag zonder toestemming van de heer [B] aldaar had geparkeerd.
Zoals in r.o. 5.10 overwogen werd het parkeren op de bewuste plek feitelijk geaccepteerd en toegestaan. Nu [appellant] – naar niet uitdrukkelijk is weersproken – van het voorgaande op de hoogte was en zich van de gevaarlijke situatie ter plaatse bewust had moeten zijn, is het enkele plaatsen van dit bord geen afdoende maatregel omdat [appellant] wist, althans redelijkerwijs had moeten weten, dat dit regelmatig niet werd nageleefd en niet leidde tot een handelen of nalaten waardoor het gevaar werd vermeden.
Dat – zoals [appellant] stelt – elders op het terrein parkeervakken waren waar [geïntimeerde] de vrachtwagen had kunnen parkeren en dat in het handboek is opgenomen dat parkeren altijd in overleg met de planning of loodsbaas moet gebeuren, doet aan het voorgaande niet af. De desbetreffende plaats werd – al dan niet met toestemming van de heer [B] – regelmatig als parkeerplaats gebruikt, hetgeen bij [appellant] ook bekend was.

Nadere maatregelen niet mogelijk
5.13  [appellant] heeft gesteld dat van haar redelijkerwijs niet verwacht kon worden dat zij het lager gelegen gedeelte waarin [geïntimeerde] is gevallen beter zou afbakenen, hetgeen door [geïntimeerde] uitdrukkelijk wordt betwist. Na het [geïntimeerde] overkomen ongeval heeft [appellant] het muurtje verhoogd. [appellant] stelt dat dit vóór het [geïntimeerde] overkomen ongeval niet mogelijk was, maar nadien wel door een andere inrichting van het werkterrein.
Zoals hiervoor overwogen is door [appellant] voor het ongeval niet bezien of een preventieve maatregel mogelijk was. Bovendien stelt [appellant] dat een verhoging van het muurtje of het aanbrengen van een valbescherming praktisch niet mogelijk waren, maar zij licht dat onvoldoende toe. Ook motiveert [appellant] niet voldoende waarom deze andere inrichting van het terrein vóór het [geïntimeerde] overkomen ongeval in redelijkheid niet van [appellant] konden worden gevergd.
Bovendien waren naast het plaatsen van een hogere muur wellicht ook andere eenvoudig te nemen maatregelen mogelijk, zoals het fysiek aanbrengen en strikt handhaven van een parkeerverbod of door het plaatsen van enige afscherming op het muurtje, maar ook dergelijke maatregelen zijn voor het ongeval niet door [appellant] bezien.

Gedragingen [geïntimeerde]
5.14  Door [appellant] is aangevoerd dat [geïntimeerde] aan de passagierszijde van de vrachtwagen had dienen uit te stappen, dan wel de vrachtwagen verder van het muurtje had moeten parkeren. Nog daargelaten of dit redelijkerwijs van [geïntimeerde] mocht worden gevergd, moest [appellant] er rekening mee houden dat [geïntimeerde] niet steeds de vereiste en geboden voorzichtigheid in acht zou nemen, zoals uit het vorenoverwogene volgt.
Zoals [appellant] zelf al in haar stukken stelt maakt het verder geen verschil of [geïntimeerde] zijn vrachtwagen strak langs het muurtje heeft geparkeerd of op een kleine afstand van het muurtje. In beide situaties bestaat het voorzienbare gevaar dat een vrachtwagenchauffeur bij het verlaten van de vrachtwagen een ongeval als het onderhavige overkomt.
Ten slotte is het hof van oordeel dat [appellant] met deze beide stellingen miskent dat de verantwoordelijkheid voor een veilige werkomgeving op haar rust en dat deze verantwoordelijkheid niet kan worden afgewenteld op [geïntimeerde].

Conclusie
5.15  Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] voor het verrichten van de arbeid onvoldoende maatregelen getroffen en aanwijzingen gegeven om te voorkomen dat [geïntimeerde] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade zou lijden als gevolg van het onderhavige ongeval. Aldus heeft [appellant] niet voldaan aan de, op grond van artikel 7:658 BW, op haar rustende zorgverplichting. [appellant] heeft geen feiten of omstandigheden te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
LJN BK4881