Zoeken

Inloggen

Artikelen

HR 030217 Beantwoording vijf prejudiciële vragen in Dexia zaak. Voordeelstoerekening in effectenleasezaken

HR 030217 Beantwoording vijf prejudiciële vragen in Dexia zaak. Voordeelstoerekening in effectenleasezaken

Conclusie mr. M.H. Wissink: ECLI:NL:PHR:2016:1073 
Prejudiciële beslissing op vraag van: ECLI:NL:RBAMS:2016:4298 

3 Beantwoording van de prejudiciële vragen
3.1
Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten.
(i) [A] heeft tussen 20 december 1995 en 20 december 2001 zeven effectenleaseovereenkomsten ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (rechtsvoorgangsters van) Dexia (hierna: de effectenleaseovereenkomsten). Zes daarvan hadden een looptijd van 60 maanden, en één een looptijd van 36 maanden.
(ii) Dexia heeft met betrekking tot de effectenleaseovereenkomsten eindafrekeningen opgesteld met de volgende resultaten:

 

Datum eindafrekening

Resultaat

I

22-05-2001

+ € 6.901,20

II

19-12-2001

- € 5.624,11

III

19-12-2000

+ € 15.012,74

IV

19-12-2006

- € 22,97

V

24-05-2004

+ € 20,76

VI

16-05-2002

+ € 2.346,58

VII

17-09-2002

+ € 0,00


(iii) Volgens opgave van Dexia heeft [A] op grond van de effectenleaseovereenkomsten in totaal een bedrag van € 29.971,19 aan maandtermijnen en een bedrag van € 22,97 aan restschuld aan Dexia betaald. Vervolgens heeft [A] een bedrag van € 8.762,76 aan dividenden en een bedrag van € 26.849,10 aan ander voordeel ontvangen.
3.2.1
In dit geding vordert Dexia in conventie een verklaring voor recht dat zij ten aanzien van de effectenleaseovereenkomsten aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [A] is verschuldigd. [A] vordert in reconventie een verklaring voor recht dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld bij het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten, met veroordeling van Dexia tot betaling van € 4.748,20. [A] legt aan zijn vordering onder meer de stelling ten grondslag dat het batig saldo dat een aantal effectenleaseovereenkomsten heeft opgeleverd en dat moet worden verrekend met de schade als gevolg van de verliesgevende overeenkomsten, eerst in mindering moet worden gebracht op de termijnen en vervolgens op de restschuld.

3.2.2
De kantonrechter heeft, voor zover thans van belang, als volgt geoordeeld. Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in ieder geval de waarschuwingsplicht, en daarom onrechtmatig gehandeld. [A] heeft schade geleden, bestaande uit verschuldigde termijnen en restschuld. Er is causaal verband aanwezig tussen die schade en die onrechtmatige daad. Onduidelijk is op welke wijze het batig saldo en andere voordelen uit eerdere overeenkomsten moeten worden verrekend. Dit is ook in een groot aantal andere zaken onderwerp van geschil. De kantonrechter ziet aanleiding prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen, welke vragen uitdrukkelijk alleen betrekking hebben op de beoordeling van vorderingen tot schadevergoeding ter zake van een (of meer) overeenkomst(en) waarbij geen sprake was van een 'onaanvaardbaar zware financiële last'.

3.3
Inleiding

3.3.1
Uitgangspunt bij de beantwoording van de prejudiciële vragen is de eerdere rechtspraak van de Hoge Raad inzake effectenleaseproducten (zie voor een samenvatting HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012, rov. 5.1.2-5.1.5).

3.3.2
Een particuliere belegger (hierna: afnemer) die schadevergoeding vordert wegens een schending van de zorgplicht door de aanbieder, kan voordelen hebben behaald op de effectenleaseovereenkomst waarop die vordering betrekking heeft, of op andere effectenleaseproducten van de aanbieder. De prejudiciële vragen gaan over het in aanmerking nemen van dergelijke voordelen in de schadebegroting.
Hierna wordt onder de aanbieder, waar relevant, ook diens rechtsvoorganger of rechtsopvolger begrepen.

3.4
Twee kwesties in de eerste drie prejudiciële vragen

3.4.1
De eerste drie prejudiciële vragen stellen, bezien in onderlinge samenhang, twee kwesties aan de orde.

3.4.2
De eerste kwestie (waarover hierna 3.5-3.6.8) is kort gezegd of bepaalde voordelen uit een effectenleaseovereenkomst bij toepassing van art. 6:100 BW in mindering komen op de restschuld, dan wel op het bedrag dat hierna kortweg als ‘termijnen’ wordt aangeduid. Onder laatstgenoemd bedrag – en hierna dus onder ‘termijnen’ – wordt verstaan het totale bedrag van de verplichtingen van de afnemer uit hoofde van een in de schadevergoedingsvordering betrokken effectenleaseovereenkomst, bestaande uit rente, eventuele aflossing en eventueel in rekening gebrachte kosten. Daarmee wordt het begrip ‘termijnen’ hierna gebruikt voor het geheel van (a) de termijnen die de afnemer heeft voldaan en (b) de termijnen die de afnemer verschuldigd is maar niet heeft voldaan. Afzonderlijk worden die onder (a) en (b) bedoelde termijnen hierna aangeduid als ‘voldane termijnen’, respectievelijk ‘verschuldigde termijnen’.

3.4.3
De tweede kwestie (waarover hierna 3.7.1-3.7.3) betreft het volgende. Sommige voordelen zijn verrekend met betalingsverplichtingen van de afnemer jegens de aanbieder, andere zijn aan de afnemer betaald. Gevraagd wordt of dit verschil betekenis heeft voor het in aanmerking nemen van voordelen in de schadebegroting.

3.4.4
Ten aanzien van de vermelding dat de prejudiciële vragen geen betrekking hebben op gevallen waarin geen sprake was van een ‘onaanvaardbaar zware financiële last’ (zie hiervoor in 3.2.2), verdient het volgende opmerking.
Onder de schade – als de nadelige financiële gevolgen voor de afnemer van het aangaan van de overeenkomst – die de aanbieder in beginsel dient te vergoeden, worden zowel de termijnen als de eventuele restschuld begrepen (HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815, NJ 2012/182, rov. 5.4.3). Het onderscheid tussen gevallen waarin wel en die waarin geensprake was van een ‘onaanvaardbaar zware financiële last’ heeft betekenis bij de toepassing van art. 6:101 BW (zie het zojuist genoemde arrest van 5 juni 2009, rov. 5.6.1-5.6.3, en de samenvatting in het hiervoor in 3.3.1 genoemde arrest). Zoals hierna zal blijken, heeft dit onderscheid geen betekenis voor het in aanmerking nemen van voordelen in de schadebegroting in effectenleasezaken. In de behandeling van de hiervoor in 3.4.2 en 3.4.3 bedoelde kwesties blijft dit onderscheid daarom buiten beschouwing. Het komt pas in 3.6.10 en 3.8 ter sprake.

3.5
Voordeelstoerekening algemeen

3.5
Bij de beoordeling van de hiervoor in 3.4.2 omschreven kwestie wordt het volgende vooropgesteld.
Bij de voordeelstoerekening van art. 6:100 BW gaat het erom dat genoten voordelen, voor zover dat redelijk is, mede in aanmerking behoren te worden genomen bij de vaststelling van de te vergoeden schade. Daarvoor is allereerst vereist dat tussen de normschending en de voordelen een condicio sine qua non-verband bestaat, in die zin dat in de omstandigheden van het geval sprake is van een voordeel dat zonder de normschending niet zou zijn opgekomen. Voorts dient het met inachtneming van de in art. 6:98 BW besloten maatstaf redelijk te zijn dat die voordelen in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de te vergoeden schade. (Vgl. HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1483, rov. 4.4.3.) Indien toerekening van een voordeel op verschillende schadeposten denkbaar is, staat ter beoordeling van de rechter in hoeverre het redelijk is het voordeel op een bepaalde schadepost in mindering te doen strekken (vgl. HR 17 december 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC5837, NJ 1977/351).

3.6
Voordeelstoerekening in effectenleasezaken

Inleiding
3.6.1
De effectenleaseovereenkomst waarop een schadevergoedingsvordering van een afnemer betrekking heeft, kan voor die afnemer zowel nadeel als voordeel hebben opgeleverd. Denkbaar is ook dat een afnemer voordeel heeft behaald op andere effectenleaseproducten die hij bij de aanbieder in het kader van dezelfde of andere effectenleaseovereenkomsten heeft afgenomen. In beide gevallen komen deze voordelen op de toe te kennen schadevergoeding in mindering voor zover dat redelijk is (vgl. HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4012, NJ 2013/40). Bij de schadebegroting kunnen dus voordelen uit verschillende bronnen een rol spelen, die op verschillende momenten kunnen zijn genoten.
De voordeelstoerekening in effectenleasezaken wordt daarnaast gecompliceerd doordat over de verplichting van de aanbieder tot vergoeding van schade bestaande in voldane termijnen, de wettelijke rente voor iedere termijn loopt vanaf de voldoening van die termijn (vgl. HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1198, NJ 2015/425). Daardoor kan het voor de uitkomst verschil maken per welk moment voordeelstoerekening plaatsvindt.
3.6.2
Ingevolge art. 6:97 BW begroot de rechter de schade op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. In effectenleasezaken gaat het om veel voorkomende vermogensschade die een voortvarende afwikkeling naar uniforme maatstaven wenselijk maakt. Het is mede daarom gerechtvaardigd dat bij het toerekenen van voordelen in effectenleasezaken wordt geabstraheerd van de hierna te noemen omstandigheden die de bijzondere situatie van de afnemer betreffen.

3.6.3
Hierna (in 3.6.5-3.6.8) wordt uiteengezet hoe deze voordeelstoerekening in effectenleasezaken dient plaats te vinden. De essentie daarvan is (i) dat wordt vastgesteld welke voordelen in aanmerking komen voor voordeelstoerekening en (ii) dat de som van die voordelen in mindering wordt gebracht op het nadeel, en wel (iii) volgens eenvormige regels die bepalen op welke wijze het aldus vastgestelde voordeel wordt toegerekend op twee of meer te vergoeden schadeposten. Die regels zijn geënt op de regeling van art. 6:43 lid 2 BW voor de toerekening van een betaling die op twee of meer verbintenissen jegens een zelfde schuldeiser zou kunnen worden toegerekend. Die regeling beoogt immers een oplossing te bieden voor gevallen waarin toerekening op meer dan twee verbintenissen denkbaar is (Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 179, T.M.), hetgeen ook hier aan de orde is. Aldus houden de hierna in 3.6.8 vermelde regels in de kernin dat voordeelstoerekening plaatsvindt met inachtneming van de tijdsvolgorde waarin het nadeel voor de afnemer is ontstaan, dat wil zeggen eerst op de achtereenvolgende termijnen, ongeacht of zij zijn voldaan, en als laatste op de eventuele restschuld.
In de voordeelstoerekening in effectenleasezaken die zojuist onder (i)-(iii) in essentie is aangeduid, worden (iv) de tijdstippen waarop voordelen zijn genoten niet in aanmerking genomen.
Over het nadeel bestaande uit termijnen en eventuele restschuld kan wettelijke rente zijn verschenen (zie het hiervoor in 3.6.1 vermelde arrest van 1 mei 2015). (v) Geen voordeelstoerekening vindt in effectenleasezaken plaats op de ten tijde van de schadebegroting reeds verschenen wettelijke rente omdat een aanspraak op wettelijke rente over nadeel dat bij de voordeelstoerekening tegen voordelen wegvalt, moet worden geacht niet te zijn ontstaan, aangezien die de schadeberekening te zeer zou compliceren. Slechts over het nadeel dat na voormelde wijze van voordeelstoerekening resteert, kan overeenkomstig het hiervoor in 3.6.1 vermelde arrest van 1 mei 2015 wettelijke rente in aanmerking worden genomen.

Toerekening van voordeel op termijnen en restschuld
3.6.4
De voordeelstoerekening in effectenleasezaken dient tegen deze achtergrond als volgt plaats te vinden.

3.6.5
Onderscheid moet worden gemaakt tussen het voordeel dat de afnemer heeft behaald uit (een) effectenleasetransactie(s) waarop de schadevergoedingsvordering betrekking heeft (zoals dividenden of andere opbrengsten van die transactie(s); zie hierna in 3.6.6), en een batig saldo van (een) effectenleasetransactie(s) uit hoofde van dezelfde of andere effectenleaseovereenkomsten met dezelfde aanbieder (zie hierna in 3.6.7).

3.6.6
De bedragen van voordelen die de afnemer heeft behaald uit (een) effectenleasetransactie(s) waarop de schadevergoedingsvordering betrekking heeft (zoals dividenden of andere opbrengsten van die transactie(s)) dienen bij elkaar te worden opgeteld (zie vervolgens hierna in 3.6.8).

3.6.7
Bij het bepalen van het in aanmerking te nemen batig saldo uit andere effectenleasetransacties uit hoofde van dezelfde of andere effectenleaseovereenkomsten met dezelfde aanbieder, is het volgende van belang.
Op grond van het hiervoor in 3.6.1 genoemde arrest van 29 april 2011 dienen voordelen die de afnemer heeft behaald in een samenhangend geheel van telkens soortgelijke transacties in een bepaalde periode waarbij de aanbieder telkens is tekortgeschoten in de nakoming van de op hem rustende bijzondere zorgplicht, in de toe te kennen schadevergoeding te worden betrokken voor zover dat redelijk is. In de feitenrechtspraak wordt als uitgangspunt gehanteerd dat dergelijke voordelen buiten beschouwing blijven als ten minste één jaar is verstreken tussen de feitelijke einddatum van een effectenleasetransactie die met een batig saldo is geëindigd – in het algemeen: de datum waarop de geleasete effecten zijn verkocht – en het tijdstip waarop dezelfde afnemer nadien een of meer effectenleasetransacties is aangegaan ten aanzien waarvan de aanbieder tot schadevergoeding is gehouden (vgl. de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.6). Vanuit een oogpunt van consistente rechtspraak verdient het aanbeveling dat deze termijn, die op zichzelf valt onder de vrijheid van de rechter bij de schadevaststelling en schadebegroting, in alle gevallen wordt gehanteerd.
Een batig saldo uit andere effectenleasetransacties uit hoofde van dezelfde of andere effectenleaseovereenkomsten met dezelfde aanbieder dat voor voordeelstoerekening in aanmerking komt, dient ten behoeve van die voordeelstoerekening (zie hierna in 3.6.8) te worden opgeteld bij de hiervoor in 3.6.6 bedoelde voordelen.

3.6.8
De som van de hiervoor in 3.6.6 en 3.6.7 bedoelde voordelen komt op na te melden wijze in aanmerking voor voordeelstoerekening.
De toerekening van die voordelen dient in de eerste plaats te geschieden op het nadeel bestaande in termijnen. Dit gebeurt in de volgorde waarin dat nadeel is ontstaan, dus waarin termijnbedragen achtereenvolgens verschuldigd zijn geworden, ongeacht of zij zijn voldaan. De toerekening geschiedt van oud naar jong volgens de tijdstippen van verschuldigd worden, en naar evenredigheid ingeval termijnbedragen gelijktijdig verschuldigd zijn geworden.
Resteert dan nog een bedrag van die voordelen, dan wordt dit toegerekend op de eventuele restschuld.
Een aanspraak op wettelijke rente over het gedeelte van de termijnen en de restschuld dat bij de voordeelstoerekening wegvalt tegen voordelen, wordt geacht niet te zijn ontstaan (zie hiervoor in 3.6.3).

Voordeelstoerekening en eigen schuld
3.6.9
Opmerking verdient nog het volgende. Is een beroep op zowel voordeelstoerekening als eigen schuld (art. 6:101 BW) gedaan, dan behoort eerst het beroep op voordeelstoerekening te worden beoordeeld en daarna (volgens de regels, samengevat in het hiervoor in 3.3.1 genoemde arrest van 2 september 2016) het beroep op eigen schuld. De Hoge Raad komt dus terug van zijn oordeel in rov. 4.4 van het hiervoor in 3.6.1 genoemde arrest van 29 april 2011 dat deze chronologie geen rol speelt in gevallen waarin het nadeel bestaande uit termijnen met toepassing van art. 6:101 BW geheel voor rekening van de afnemer blijft.

Voordeelstoerekening en ‘onaanvaardbaar zware financiële last’
3.6.10
Opmerking verdient voorts dat het hiervoor in 3.5-3.6.9 overwogene ook betekenis heeft voor gevallen waarin ten tijde van het aangaan van een effectenleaseovereenkomst sprake was van een 'onaanvaardbaar zware financiële last'.

3.7
Verrekening en de wijze waarop voordelen zijn genoten

3.7.1
Omtrent de hiervoor in 3.4.3 omschreven kwestie wordt als volgt overwogen.

3.7.2
De nadelige financiële gevolgen voor de afnemer die de aanbieder in beginsel als schade dient te vergoeden, omvatten de termijnen en de restschuld (vgl. HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815, NJ 2012/182, rov. 5.4.3). Als schade (in de zin van nadeel) komen dus in aanmerking de betalingsverplichtingen die zijn ontstaan uit hoofde van een effectenleaseovereenkomst waarop een vordering tot schadevergoeding betrekking heeft en terzake waarvan de aanbieder schadeplichtig is. Voor het antwoord op de vraag of het bedrag van een dergelijke betalingsverplichting als schade in aanmerking moet worden genomen, is niet bepalend of aan die betalingsverplichting is voldaan door middel van betaling, verrekening of anderszins.

3.7.3
Voor voordelen dient in het in de art. 6:95 e.v. BW neergelegde stelsel van schadebegroting een zelfde benadering te gelden. Indien een voordeel in de schadebegroting in effectenleasezaken in aanmerking behoort te worden genomen (zie hiervoor in 3.6), is dus niet van belang of het voordeel is genoten door middel van verrekening, betaling of anderszins.

3.8
De vierde prejudiciële vraag

3.8
Voor het in aanmerking nemen van voordelen in de schadebegroting maakt het geen verschil of ten tijde van het aangaan van een effectenleaseovereenkomst al dan niet sprake was van een ‘onaanvaardbaare zware financiële last’ voor de afnemer (zie hiervoor in 3.6.9 en 3.6.10). Daarom behoeft de vierde prejudiciële vraag geen verdere beantwoording.

3.9
De vijfde prejudiciële vraag

3.9
Nu in het hiervoor overwogene maatstaven voor de eenvormige beoordeling van een beroep op voordeelstoerekening in effectenleasezaken zijn gegeven, behoeft de vijfde prejudiciële vraag evenmin verdere beantwoording. ECLI:NL:HR:2017:164

Deze website maakt gebruik van cookies