Zoeken

Inloggen

Artikelen

HR 240616 geen letsel; verzekeringsuitkering aangemerkt als strekkend tot vergoeding van de geleden schade; onvoldoende gesteld voor aannemen andere strekking

HR 240616 geen letsel; verzekeringsuitkering aangemerkt als strekkend tot vergoeding van de geleden schade; onvoldoende gesteld voor aannemen andere strekking

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Op 11 maart 2001 is in het bedrijfspand van Moramplastics brand ontstaan. De brand is overgeslagen naar een naastgelegen opslagloods. In die loods waren voor de verkoop in Europa bestemde landbouwmachines van Deere opgeslagen, die door de brand verloren zijn gegaan.
(ii) Deere had het brandrisico verzekerd. De verzekeraar heeft de schade van Deere met behulp van expertiserapporten begroot op € 10.219.838,16 (€ 10.144.709,17 aan verkoopwaarde van de verloren gegane goederen en € 75.128,99 aan bijkomende kosten). 
De schadeverzekeraar heeft aan Deere een bedrag van € 7.969.838,16 uitgekeerd. Volgens de polis had Deere een eigen risico van USD 2 miljoen.

3.2.1
In dit geding vordert Deere dat Moramplastics wordt veroordeeld tot betaling van € 2.250.000,-- met rente en kosten. Deere heeft aan de vordering ten grondslag gelegd dat Moramplastics onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld doordat zij diverse voorschriften van de aan haar verleende milieuvergunning heeft overtreden en ook anderszins onvoldoende maatregelen heeft getroffen om uitbreiding en overslag van de brand te voorkomen. 
De gevorderde hoofdsom betreft het eigen risico van de schadeverzekering van Deere (zie hiervoor in 3.1 onder (ii)), dat volgens Deere omgerekend in euro’s € 2.225.000,-- bedraagt.
De rechtbank heeft in haar eindvonnis de vordering grotendeels toegewezen.

3.2.2
Het hof heeft onder meer het eindvonnis vernietigd en de vordering afgewezen. Het heeft, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.
Uit de vordering en de onderbouwing daarvan volgt dat Deere stelt jegens Moramplastics aanspraak te hebben op schadevergoeding voor zover de door de brand geleden schade nog niet door de verzekeraar is vergoed. 
Deere stelt deze resterende schade op een bedrag gelijk aan het door de verzekeraar op de uitkering ingehouden eigen risico. Die redenering kan niet zonder meer worden gevolgd. Bij de beoordeling van de voor Deere eventueel nog resterende schade zal immers eerst moeten worden vastgesteld wat de totale omvang van de door Deere door de brand geleden schade is. 
Daarop dient het door de verzekeraar uitgekeerde bedrag in mindering te worden gebracht. Indien dan nog een positief saldo resteert, betreft dat de (resterende) schade die – veronderstellenderwijs uitgaande van de aansprakelijkheid van Moramplastics – door Moramplastics zou moeten worden vergoed. Bij de beoordeling van de schadeomvang in de verhouding tussen Deere en Moramplastics is het hof niet gebonden aan de door de (schade-expert van de) verzekeraar van Deere vastgestelde schadeomvang en daarbij gehanteerde uitgangspunten, alleen al omdat deze vaststelling mede is beïnvloed en bepaald door de inhoud van de verzekeringsovereenkomst (ingevolge deze overeenkomst heeft Deere aanspraak op de verkoopwaarde van de door de brand vernietigde zaken), waarbij Moramplastics geen partij is. (rov. 3.4)
Tussen partijen is niet in geschil dat de door brand verloren gegane goederen handelsvoorraad van Deere betrof. Het is het meest met de aard van deze schade in overeenstemming om de omvang daarvan te begroten op de kosten die Deere heeft (of zou hebben) moeten maken om deze handelsvoorraad te vervangen. Dit betreft de inkoopkosten van vervangende goederen, eventueel te vermeerderen met bijkomende kosten. Daarnaast zou Deere ook aanspraak kunnen maken op vergoeding van gederfde winst indien zij als gevolg van de brand minder goederen heeft kunnen verkopen, maar dit laatste is gesteld noch gebleken. Dit betekent dat niet de verkoopwaarde van de goederen bepalend is bij de begroting van de schade, maar de inkoopwaarde. Door het kunnen inkopen van een vervangende handelsvoorraad was Deere immers weer in dezelfde toestand als wanneer de brand niet zou hebben plaatsgevonden. (rov. 3.5)
De inkoopwaarde van de goederen bedraagt € 7.514.599,39. Indien daarbij worden opgeteld de door Moramplastics niet betwiste, door de verzekeraar in de berekening meegenomen bijkomende kosten van € 75.128,99, dient de door Deere geleden schade te worden begroot op € 7.589.728,38. Deere heeft gevorderd dat aan haar wordt vergoed de schade voor zover die nog niet door de verzekeraar is vergoed. Nu door de verzekeraar een hoger bedrag is uitgekeerd dan de hiervoor begrote schade, betekent dit dat er geen door Moramplastics aan Deere te vergoeden schade resteert. Het door de verzekeraar op haar uitkering aan Deere in mindering gebrachte eigen risico betreft geen schade die Moramplastics zou moeten vergoeden. In de verhouding tussen Moramplastics en Deere is immers niet van belang welk bedrag de verzekeraar op de schade-uitkering in mindering heeft gebracht, maar is slechts relevant welk bedrag aan Deere ter vergoeding van de door haar geleden schade is betaald. Nu dit bedrag hoger is dan de in deze procedure begrote schade, dient de vordering van Deere te worden afgewezen. (rov. 3.7)

3.3.1
Onderdeel 1 klaagt dat het hof in de rov. 3.4 en 3.7 heeft miskend dat bij de vaststelling van de voor vergoeding door de laedens ingevolge art. 6:162 en 6:95-6:97 BW in aanmerking komende schade, de door de gelaedeerde van derden in verband met zijn schade verkregen voordelen niet zonder meer op die geleden schade in mindering mogen worden gebracht, maar uitsluitend indien en voor zover (i) art. 6:100 BW daarvoor een grondslag biedt, dan wel (ii) een schadeverzekeraar, door die geleden schade aan de gelaedeerde te vergoeden, op de voet van art. 7:962 BW in diens schadevergoedingsvordering wordt gesubrogeerd.

3.3.2
In het bestreden oordeel (rov. 3.7) heeft het hof de verzekeringsuitkering aangemerkt als strekkend tot vergoeding van de door Deere geleden schade waarvoor Moramplastics, naar in cassatie veronderstellenderwijs moet worden aangenomen, aansprakelijk is uit onrechtmatige daad. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, nu het gaat om een schadeverzekering en het onderdeel geen vindplaatsen vermeldt van stellingen in feitelijke instanties waarin is betoogd dat de verzekeringsuitkering een andere strekking heeft. Deere heeft in cassatie – terecht – geen klachten gericht tegen het oordeel van het hof dat het bij de beoordeling van de schadeomvang in de verhouding tussen Deere en Moramplastics niet is gebonden aan de schadeomvang volgens de verzekeringsovereenkomst, waarbij Moramplastics geen partij is (rov. 3.4). Deere bestrijdt in cassatie niet de begroting door het hof van haar totale schade in de zin van de art. 6:95-6:97 BW op € 7.514.599,39 (cassatiedagvaarding, p. 4). Anders dan onderdeel 1 veronderstelt, is die schade dan door de verzekeringsuitkering geheel vergoed. Daarom faalt de klacht van onderdeel 1.

3.3.3
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. ECLI:NL:HR:2016:1276

Deze website maakt gebruik van cookies