Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rechtbank Arnhem 070606: Invloed uitkering arbeidsongeschiktheidsverzekering

Rechtbank Arnhem 07-06-06: Invloed uitkering arbeidsongeschiktheidsverzekering (aangemerkt als sommenverzekering)op verlies verdienvermogen

2.3.  Tussen [eiseres] en Univé is tijdens het schaderegelingsproces een geschil ontstaan over de vraag of de uitkeringen die [eiseres] op grond van de arbeidsongeschiktheidsverzekering van Movir verkreeg, in mindering dienden te strekken op de door Univé aan [eiseres] uit te keren schadevergoeding.

2.4.  [eiseres] heeft haar inkomensschade laten berekenen door rekenkundig bureau Laumen te Ede. Dit bureau heeft twee berekeningen gemaakt: een zonder meeweging van de uitkeringen uit de arbeidsongeschiktheidsverzekering en een met meeweging daarvan. Het verschil kwam uit op € 127.651,00 netto.

2.5.  Partijen hebben daarop in januari 2001 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Univé heeft op basis daarvan een uitkering aan [eiseres] gedaan onder verrekening van het bedrag van € 127.651,00, zijnde de gekapitaliseerde waarde van de uitkeringen uit de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het geschil over de vraag of dit laatste terecht was, hebben partijen buiten de vaststellingsovereenkomst gehouden, zodat het [eiseres] zou vrijstaan dit geschil aan de rechter voor te leggen door alsnog uitkering van Univé te vorderen van het op de schadevergoeding in mindering gebrachte bedrag van € 127.651,00.

3.  Het geschil en de beoordeling daarvan.

3.1.  Bij dagvaarding van 13 oktober 2005 heeft [eiseres] van Univé betaling gevorderd van, primair, € 127.651,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2005. Subsidiair heeft zij een bedrag van € 76.149,33 met wettelijke rente gevorderd en meer subsidiair een bedrag van € 44.384,72 met rente, althans een door de rechtbank te bepalen, billijke schadevergoeding. Zij heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat Univé ten onrechte is overgegaan tot het inhouden van € 127.651,00 op de aan [eiseres] betaalde schadevergoeding. Subsidiair, voor het geval Univé die uitkeringen wel op de schadevergoeding in mindering mag brengen, heeft zij gesteld dat dit in in ieder geval dient te geschieden onder aftrek van de premies die zij in de loop der jaren voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft betaald. Univé heeft zich op het standpunt gesteld dat [eiseres] geen aanspraak kan maken op vergoeding van inkomensschade tot het bedrag dat zij van Movir heeft ontvangen omdat Movir in [eiseres]s rechten jegens Univé is gesubrogeerd. Verder heeft Univé gesteld dat zij op grond van artikel 6:100 BW gerechtigd was de gekapitaliseerde waarde van de door [eiseres] van Movir ontvangen uitkeringen op de aan [eiseres] te betalen schadevergoeding in mindering te brengen. Univé betwist dat er grond zou zijn voor aftrek van de door [eiseres] betaalde premies.

3.2.  De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Allereerst moet de vraag worden beantwoord of de arbeidsongeschiktheidsverzekering die [eiseres] bij Movir heeft afgesloten moet worden aangemerkt als een schadeverzekering of als een sommenverzekering. Is het eerste het geval, dan is Movir immers ingevolge artikel 284 (oud) Wetboek van Koophandel (voor de uitkeringen die zij tot 1 januari 2006 heeft gedaan) en artikel 7:962 BW (voor de uitkeringen die zij vanaf 1 januari 2006 heeft gedaan en zal doen) gesubrogeerd in de rechten van [eiseres] op Univé. [eiseres] kan haar rechten jegens Univé niet meer geldend maken voorzover deze door subrogatie op Movir zijn overgegaan.

3.3.  [eiseres] heeft gesteld dat de arbeidsongeschiktheidsverzekering moet worden aangemerkt als een sommenverzekering. Zij heeft erop gewezen dat Movir moest uitkeren bij een schadetoebrengende gebeurtenis, dat een, onafhankelijk van de werkelijk te lijden schade, vast uitkeringsbedrag was verzekerd, dat er geen relatie was tussen enige schuldvraag en de uitkering en evenmin een relatie tussen de werkelijke schade en het uit te keren bedrag. Omdat sprake is van een sommenverzekering is Movir niet gesubrogeerd in [eiseres]s rechten jegens Univé, aldus nog steeds [eiseres].
Univé daarentegen heeft aangevoerd dat de arbeidsongeschiktheidsverzekering die [eiseres] bij Movir heeft afgesloten het karakter heeft van een schadeverzekering. Zij stelt dat de tussen Movir en [eiseres] overeengekomen uitkering in geval van arbeidsongeschiktheid is gerelateerd aan de financiële planning, arbeidsomstandigheden, inkomen en geldende regelingen van [eiseres] en derhalve geheel op haar inkomenssituatie is afgestemd en daarmee dus ook op de in geval van een schadegebeuren te verwachten inkomensschade. Univé stelt in aansluiting hierop dat Movir in de rechten van [eiseres] jegens Univé is gesubrogeerd.

3.4.  Ter beantwoording van de vraag of de arbeidsongeschiktheidsverzekering dient te worden aangemerkt als een schadeverzekering dan wel als een sommenverzekering, moet worden bezien of deze verzekering strekt tot vergoeding van vermogensschade die [eiseres] zou kunnen lijden of dat daarbij onverschillig is of en in hoeverre met de uitkering schade wordt vergoed (zie de artikelen 7:944 en 7:964 BW). Uit de parlementaire geschiedenis van wetsvoorstel 19 529 (Vaststelling van titel 7.17 (verzekering) en titel 7.18 (lijfrente) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek) blijkt (TK 1985-1986, 19 529, nr. 3, p. 6) dat het principiële verschil tussen schadeverzekeringen en sommenverzekeringen in de nieuwe regeling daarin ligt dat een schadeverzekering de strekking heeft vermogensschade te vergoeden terwijl voor een sommenverzekering onverschillig is of en in hoeverre met een uitkering schade wordt vergoed. Onder de oude wet werd het verschil daarin gezocht, aldus de wetgever in de bedoelde passage, dat bij een schadeverzekering de verzekerde som de waarde van het verzekerd belang niet mag overtreffen, terwijl bij levensverzekering partijen vrij zijn in het bepalen van de verzekerde som. Dit laatste, zo voegt de wetgever nog toe, zou ook voor andere sommenverzekeringen kunnen gelden. Ten aanzien van persoonsverzekeringen (een subcategorie van de sommenverzekering, zie artikel 7:964 BW) wordt tenslotte nog opgemerkt:

“Ongevallen-, arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsverzekering strekken in beginsel wel tot vergoeding van schade, maar de daarvoor uit te keren vergoeding is reeds bij de overeenkomst vastgelegd, ongeacht of het bedrag door op geld waardeerbare schade wordt gerechtvaardigd. Daarom is ook hier sprake van sommenverzekering.”

Uit deze overwegingen van de wetgever leidt de rechtbank af dat de wetgever geen breuk heeft beoogd tussen het oude en het nieuwe verzekeringsrecht op het punt van het onderscheid tussen schadeverzekeringen en sommenverzekeringen.

3.5.  Partijen zijn het erover eens dat [eiseres] op grond van de arbeidsongeschiktheidsverzekering jegens Movir aanspraak had op een percentage van de in de polis genoemde daguitkering (zie het polisblad en artikel 3.1 van de polisvoorwaarden). Partijen zijn het er ook over eens dat [eiseres], nadat het verzekerde risico zich had verwezenlijkt (het intreden van haar arbeidsongeschiktheid in de zin van de polisvoorwaarden), niet meer aan Movir behoefde aan te tonen dat zij daardoor daadwerkelijk inkomensschade leed. Er is dus sprake van een verzekering waarbij de uit te keren vergoeding reeds bij de overeenkomst is vastgelegd, ongeacht of het bedrag door op geld waardeerbare schade wordt gerechtvaardigd. De rechtbank is dan ook, in aansluiting op de bovengeciteerde opvatting van de wetgever, van oordeel dat de arbeidsongeschiktheidsverzekering van [eiseres] bij Movir dient te worden aangemerkt als een sommenverzekering.

3.6.  Univé heeft hiertegen nog aangevoerd dat de strekking van een door zelfstandigen afgesloten arbeidsongeschiktheidsverzekering in het algemeen en ook deze verzekering in het bijzonder onmiskenbaar is het afdekken van het risico van verlies van verdienvermogen wegens arbeidsongeschiktheid. Dat betoog doet er echter niet aan af dat de uiteindelijk door Movir uit te keren vergoeding vooraf is vastgesteld en niet is gerelateerd aan achteraf, dus na het verzekerde incident, vastgestelde schade, zodat sprake is van een sommenverzekering. Wel kan deze omstandigheid een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of er aanleiding is de uitkering van Movir als voordeel op de voet van artikel 6:100 BW op de schadevergoeding in mindering te brengen. Daarop komt de rechtbank hierna nog terug.

3.7.  Nu de arbeidsongeschiktheidsverzekering dient te worden aangemerkt als een sommenverzekering, is Movir niet gesubrogeerd in de rechten van [eiseres] jegens Univé. Voor de uitkeringen die Movir na 1 januari 2006 (de datum van inwerkingtreding van titel 7.17 BW) heeft gedaan en nog zal doen, volgt dit uit het gegeven dat artikel 7:962 BW uitsluitend geldt voor schadeverzekeringen. Voor de uitkeringen die Movir voor 1 januari 2006 heeft gedaan, volgt dit uit de bestendige rechtspraak, ingezet bij het arrest HR 31 december 1931, NJ 1932, p. 419.

3.8.  Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of de uitkering van Movir op de voet van artikel 6:100 BW (voordeelstoerekening) bij de vaststelling van de door Univé te betalen schadevergoeding in rekening moet worden gebracht. Artikel 6:100 BW bepaalt: “Heeft een zelfde gebeurtenis voor de benadeelde naast schade tevens voordeel opgeleverd, dan moet, voor zover dit redelijk is, dit voordeel bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening worden gebracht.” Artikel 6:100 BW laat de rechter een grote vrijheid te bepalen in hoeverre een voordeel op de schadevergoeding in mindering moet worden gebracht.

3.9.  De rechtbank is van oordeel dat het redelijk is de uitkering die Movir aan [eiseres] verstrekt, in ieder geval voor een deel, waarover hierna meer, bij de vaststelling van de door Univé te vergoeden schade in rekening te brengen. Hoewel de arbeidsongeschiktheidsverzekering hierboven is aangemerkt als een sommenverzekering, blijft onverlet dat [eiseres] deze zal hebben afgesloten ter verzekering van het risico dat zij, als zelfstandig beroepsbeoefenaar, door arbeidsongeschiktheid inkomen zou derven. Het is een feit van algemene bekendheid dat het voor zelfstandige ondernemers, zo niet noodzakelijk, dan toch zeer verstandig is een dergelijke verzekering af te sluiten, nu zij niet onder de gebruikelijke werknemersverzekeringen vallen. Ook uit de polisvoorwaarden van de verzekering die [eiseres] bij Movir had afgesloten blijkt duidelijk dat de verzekering strekt tot het dekken van haar risico van inkomensverlies door arbeidsongeschiktheid. De polisvoorwaarden bepalen immers dat in geval van arbeidsongeschiktheid een percentage van de in de polis genoemde verzekerde daguitkering wordt uitgekeerd (artikel 3.1 polisvoorwaarden). Van arbeidsongeschiktheid is uitsluitend sprake indien er in directe relatie tot ziekte of ongeval, objectief medisch vast te stellen stoornissen bestaan, waardoor de verzekerde voor ten minste 25% beperkt is om de werkzaamheden verbonden aan het in de polis omschreven beroep te verrichten (artikel 2.1 polisvoorwaarden). De mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld aan de hand van het aantal feitelijk gewerkte uren (artikel 2.4 polisvoorwaarden). De uitkering eindigt op de dag waarop de verzekerde niet meer tenminste 25 % arbeidsongeschikt is (artikel 3.4.1 polisvoorwaarden). Artikel 6 van de polisvoorwaarden brengt tot uitdrukking dat de verzekerde jegens Movir verplicht is zo goed mogelijk mee te werken aan zijn herstel. Movir heeft verder het recht de verzekering te beëindigen zodra de verzekerde, naast zijn vrije praktijk, geheel of gedeeltelijk werkzaamheden in dienstbetrekking vervult en daardoor onder de sociale zekerheidswetgeving komt te vallen (artikel 11.4 en 11.5 polisvoorwaarden).

3.10.  Hoewel dus strikt genomen sprake is van een sommenverzekering, heeft zij wel degelijk de strekking de inkomensschade van [eiseres] bij arbeidsongeschiktheid te vergoeden. Naar het oordeel van de rechtbank kan het afsluiten van een dergelijke verzekering niet worden gezien als een ‘zuiver individuele en persoonlijke beslissing’, met de strekking de verzekerde een som uit te keren in geval het verzekerde risico zich verwezenlijkt, bedoeld om hem bijvoorbeeld een extraatje te verschaffen. Voordeelstoerekening op basis van artikel 6:100 BW is dus op zijn plaats.

3.11.  [eiseres] heeft nog aangevoerd dat Univé door de voordeelstoerekening wordt bevoordeeld. Univé heeft daardoor het inkomensverlies tot het bedrag dat Movir heeft uitgekeerd noch aan [eiseres] noch aan Movir te vergoeden, hetgeen onterecht is nu Univé als aansprakelijke verzekeraar voor deze schade heeft op te komen. De rechtbank volgt [eiseres] daarin niet. Het is nu eenmaal zo dat de vergoedingsplicht van een aansprakelijke persoon door persoonlijke omstandigheden aan de zijde van het slachtoffer hoger of lager kan uitvallen. De ene keer werkt dat in het voordeel van de aansprakelijke partij, zoals hier, de andere keer werkt dat in het nadeel van de aansprakelijke partij. Dergelijke effecten zijn niet onterecht, maar vloeien voort uit het beginsel dat een aansprakelijke partij gehouden is de schade te vergoeden die het slachtoffer daadwerkelijk lijdt.

3.12.  [eiseres] heeft verder nog aangevoerd dat indien de rechtbank zou oordelen dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering een zodanig schadekarakter draagt dat deze in mindering moet komen op de schade, het sluiten van de verzekering als een schadebeperkend optreden van [eiseres] dient te worden beschouwd, als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onder a BW, waarvan de kosten door Univé dienen te worden vergoed. De rechtbank volgt [eiseres] hierin niet. De premiekosten voor een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering, aangegaan door een zelfstandig gevestigd fysiotherapeute, kunnen niet worden beschouwd als kosten die zijn gemaakt ter beperking van de schade als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust. Het zijn, integendeel, kosten die een verstandig zelfstandige in het algemeen maakt ter beperking van inkomensschade door arbeidsongeschiktheid, ongeacht waardoor deze arbeidsongeschiktheid zal ontstaan. Met andere woorden, de premiekosten voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering van [eiseres] dienen te worden beschouwd als algemene beroepskosten en staan niet in voldoende causaal verband met de schade die zij door de aanrijding heeft geleden om op de voet van artikel 6:96 lid 2 sub a BW aan Univé in rekening te kunnen worden gebracht.

3.13.  Dat neemt niet weg dat bij de beoordeling van de mate waarin het redelijk is het voordeel van de uitkering van Movir op de door Univé te betalen schadevergoeding in rekening te brengen, in aanmerking kan worden genomen dat [eiseres] premie heeft betaald voor de verzekering waarvan Univé thans, zij het indirect, de vruchten plukt. De rechtbank gaat ervan uit dat [eiseres] haar subsidiaire vorderingen ook hierop heeft willen baseren. Univé heeft haar in ieder geval zo begrepen, zo volgt uit hetgeen zij onder 38 van de conclusie van antwoord heeft aangevoerd.

3.14.  De rechtbank kan [eiseres] op dit punt gedeeltelijk volgen. Weliswaar ziet de rechtbank onvoldoende verband tussen de door [eiseres] betaalde premie en de door de aanrijding veroorzaakte arbeidsongeschiktheid om de premie als vermogensschade op grond van artikel 6:96 lid 2 sub a BW aan te merken, maar dat neemt niet weg dat die premie bij de beoordeling van de redelijkheid van de voordeelstoerekening op de voet van artikel 6:100 BW een rol kan spelen. Achteraf bezien kan immers worden geconstateerd dat het feit dat [eiseres] een arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft afgesloten, Univé in een voordeliger positie heeft gebracht dan die waarin zij zou hebben verkeerd indien [eiseres] geen arbeidsongeschiktheidsverzekering had afgesloten. De door Movir aan [eiseres] gedane uitkering kan immers op de door Univé te betalen schadevergoeding in mindering worden gebracht, terwijl Movir geen regres op Univé kan nemen aangezien zij niet in de rechten van [eiseres] jegens Univé is gesubrogeerd.
Nu Univé aldus profijt trekt van de verzekering die [eiseres] heeft afgesloten, acht de rechtbank het redelijk van het toe te rekenen voordeel de premie af te trekken die [eiseres] heeft betaald over het jaar waarin het risico zich heeft verwezenlijkt. Dat die premie is betaald ter afdekking van het algemene arbeidsongeschiktheidsrisico van [eiseres] doet daar niet aan af: de arbeidsongeschiktheid is immers in feite ontstaan doordat de verzekerde van Univé [eiseres] heeft aangereden. Nu Univé in feite het voordeel van de uitkering uit de arbeidsongeschiktheidsverzekering ontvangt, is het redelijk dat zij ook het aan die verzekering verbonden nadeel draagt in de vorm van de premies voor het jaar waarin het risico zich heeft verwezenlijkt (1999).

3.15.  De rechtbank volgt [eiseres] niet in haar betoog dat alle in de loop der jaren betaalde premies van het voordeel moeten worden afgetrokken. Een arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft immers als kenmerk dat de verzekeraar van jaar tot jaar het risico draagt dat de verzekerde arbeidsongeschikt zal worden, waartegenover de verzekerde hem jaarlijks een premie betaalt. De hoogte van de uitkering is niet gebaseerd op het aantal voorafgaande jaren dat premie is betaald. Over de jaren waarin [eiseres] wel verzekerd is geweest, maar niet arbeidsongeschikt is geraakt, is de premie niet voor niets geweest: de verzekeraar heeft immers wel het verzekerde risico gedragen. In die zin heeft [eiseres] van die premies dan ook voordeel gehad. In het jaar 1999 heeft echter voornamelijk Univé, zij het indirect, van de verzekering geprofiteerd, zodat het daarom redelijk is dat ook Univé de kosten daarvan draagt.

3.16.  [eiseres] heeft onder verwijzing naar een door haar accountant opgesteld overzicht gesteld dat de premie voor het jaar 1999 fl. 14.088,56 (is € 6.393,08) heeft bedragen. Univé heeft dit gemotiveerd betwist. Zij heeft aangevoerd dat niet duidelijk is op basis van welke opdracht de accountant de cijfers heeft opgesteld en dat niet duidelijk is of [eiseres] die premie wel daadwerkelijk aan Movir heeft betaald, nu zonder nadere toelichting niet duidelijk is welke informatie onder de noemer “eigen vermogen” is opgenomen. De rechtbank volgt Univé niet in haar betoog dat uitsluitend een accountantscontrole voldoende zekerheid geeft dat de gegevens in de jaarrekening correct zijn. Onder omstandigheden kan ook een samenstellingsverklaring of een beoordelingsverklaring voldoende bewijs vormen dat bepaalde kosten zijn gemaakt. De rechtbank is het echter wel met Univé eens dat uit de door [eiseres] overgelegde pagina 6 (‘eigen vermogen’) van een verder niet overgelegd rapport van haar accountant onvoldoende duidelijk wordt dat zij over het jaar 1999 een bedrag van f. 14.088,56 terzake van premie aan Movir heeft betaald. [eiseres] zal de gelegenheid krijgen daarvan nog nader bewijs in het geding te brengen. Te denken valt aan een factuur, een rekeningafschrift of een verklaring van Movir. Univé zal daar nog op mogen reageren.

3.17.  Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
LJN AY0497

Deze website maakt gebruik van cookies