Overslaan en naar de inhoud gaan

RBGEL 260122 Vordering inzage medisch dossier van door suïcide overleden zoon toegewezen, veronderstelde toestemming is in 7:458a BW geen criterium meer

RBGEL 260122 Vordering inzage medisch dossier van door suïcide overleden zoon toegewezen, veronderstelde toestemming is in 7:458a BW geen criterium meer

zie ook: https://www.kbsadvocaten.nl/inzage-in-medisch-dossier-na-overlijden-patient/

2
De feiten

2.1.
[eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn de ouders van [zoon] , geboren op 8 januari 1993 (hierna: [zoon van eiser] ).

2.2.
[zoon van eiser] leed aan autisme (Asperger) en ernstige depressie. Vanaf mei 2017 is [zoon van eiser] onder behandeling geweest bij GGNet, vestiging Apeldoorn.

2.3.
Op 7 juli 2018 is [zoon van eiser] overleden als gevolg van een balanssuïcide. Na de suïcide van [zoon van eiser] heeft GGNet een interne onderzoeksprocedure gevolgd. GGNet heeft naar aanleiding van het onderzoek geen reden gezien te veronderstellen dat sprake is geweest van een calamiteit. Er is dan ook geen melding gedaan bij de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd en het intern onderzoeksverslag is gearchiveerd.

2.4.
Bij e-mail van 5 april 2019 heeft [eisende partij] GGNet verzocht om toezending van een kopie van het medisch dossier van [zoon van eiser] . Bij brief van 7 mei 2019 heeft GGNet geantwoord dat aan het verzoek om informatie niet kon worden voldaan, kort gezegd omdat daarmee het beroepsgeheim zou worden doorbroken.

2.5.
Nadien hebben (de toenmalige rechtsbijstandsverleners van) partijen veelvuldig gecorrespondeerd over het verzoek van [eisende partij] om inzage in het medisch dossier van [zoon van eiser] en de weigering van GGNet om aan dat verzoek gehoor te geven. GGNet is ook niet akkoord gegaan met het voorstel van [eisende partij] om het medisch dossier te laten toetsen door een onafhankelijke, deskundige derde. Onder meer de hierna genoemde brieven zijn gewisseld.

2.6.
Bij brief van 11 november 2019 (productie 6 bij dagvaarding) heeft [eisende partij] GGNet aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade als gevolg van nalatig handelen.

2.7.
Bij brief van 4 februari 2021 (productie 12 bij dagvaarding) heeft GGNet aan de advocaat van [eisende partij] onder meer geschreven:

( ... )
Ouders stellen dat de behandeling niet goed is verlopen, onder meer omdat psychiater [psychiater] de suïcidaliteit niet goed heeft ingeschat. De hiervoor geciteerde uitspraak van [psychiater] wordt hiermee uit zijn verband gehaald. De (mate van) suïcidaliteit bij patiënt was een doorlopend en integraal onderdeel van de behandeling. Echter, zoals ouders weten heeft patiënt ondanks het feit dat zijn suïcidale gedachten steeds met hem werd besproken, uiteindelijk voor iedereen verzwegen dat hij daadwerkelijk tot uitvoering van die gedachten over wilde gaan. Het idee dat de uitspraak van [psychiater] een aanwijzing is dat de behandeling (mogelijk) niet goed is verlopen, moeten wij dan ook verre van ons werpen. Het interne onderzoek dat standaard plaatsvindt na een suïcide heeft hier ook geen enkele aanwijzing voor gevonden. Het is ons ook volstrekt onduidelijk op grond waarvan ouders menen dat niet gehandeld is conform de multidisciplinaire richtlijn suïcide. Naar onze overtuiging is wel conform die richtlijn gehandeld en is de behandeling, ondanks de trieste afloop, lege artis verlopen.

( ... )

3
Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. GGNet veroordeelt om aan [eisende partij] inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier van [zoon van eiser] te verstrekken, dan wel
II. GGNet veroordeelt om inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier van [zoon van eiser] te verstrekken op grondslag van het bepaalde in artikel 7:458b van het Burgerlijk Wetboek (BW);
III. GGNet veroordeelt in de proceskosten.

3.2.
[eisende partij] legt aan zijn vordering primair artikel 7:458a lid 1, aanhef en onder a of c BW ten grondslag. Volgens [eisende partij] is sprake van bij leven door [zoon van eiser] gegeven toestemming voor inzage in het dossier in de zin van artikel 7:458a lid 1, aanhef en onder a, BW. Daarnaast stelt [eisende partij] zich op het standpunt dat hij bij inzage een zwaarwegend belang heeft in de zin van artikel 7:458a lid 1, aanhef en onder c BW, omdat het vermoeden bestaat van een medische fout aan de zijde van GGNet.

Subsidiair legt [eisende partij] aan zijn vordering artikel 7:458b lid 1 BW ten grondslag. Op grond van die bepaling kan, indien inzage in het medisch dossier vanwege een vermoeden van een medische fout wordt geweigerd aan degene die daarom verzoekt, inzage in het medisch dossier worden verstrekt aan een onafhankelijk arts.

3.3.
GGNet voert verweer, dat er in de kern op neerkomt dat onvoldoende is gebleken dat het verzoek van [eisende partij] voldoet aan de vereisten van de artikelen 7:458a lid 1, aanhef en onder a of c BW en 7:458b lid 1 BW. GGNet concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eisende partij] in zijn vordering, althans tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eisende partij] in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.

3.4.
De rechtbank zal hierna nader ingaan op de stellingen van partijen, voor zover voor de beoordeling van belang.

4
De beoordeling

De kern van de zaak

4.1.
Het geschil draait om de vraag of GGNet [eisende partij] inzage moet geven in het medisch dossier van [zoon van eiser] , die is overleden als gevolg van suïcide in de periode dat hij wegens psychische klachten onder behandeling was bij GGNet.

De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Zij komt kort gezegd tot de conclusie dat [eisende partij] recht heeft op inzage omdat hij daarbij een zwaarwegend belang heeft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eisende partij] aannemelijk gemaakt dat dit belang door de weigering van GGNet om inzage te geven mogelijk wordt geschaad en dat inzage in of afschrift van het dossier noodzakelijk is voor de behartiging van dit belang (artikel 7:458a lid 1, aanhef en onder c BW). Hieronder licht de rechtbank haar beslissing toe.

Medisch beroepsgeheim (artikel 7:457 lid 1 BW)

4.2.
Op grond van artikel 7:457 lid 1 BW mag een medisch hulpverlener geen inzage in of afschrift van het medisch dossier aan anderen dan de patiënt verstrekken dan met toestemming van de patiënt. Dit beroepsgeheim geldt ook na de dood van de patiënt. Op de plicht tot geheimhouding zijn echter uitzonderingen mogelijk.

4.3.
[eisende partij] doet een beroep op een aantal uitzonderingsbepalingen. Primair beroept hij zich op artikel 7:458a lid 1, aanhef en onder a of c BW en subsidiair op artikel 7:458b lid 1 BW. Deze bepalingen zijn in werking getreden op 1 januari 2020. De periode waarin GGNet (voor het eerst) heeft geweigerd inzage te geven in het dossier van [zoon van eiser] , ligt vóór 1 januari 2020. Omdat [eisende partij] zijn vorderingen uitdrukkelijk op de genoemde bepalingen baseert en GGNet heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen analoge toepassing ervan, zal de rechtbank deze bepalingen tot uitgangspunt nemen bij de beoordeling. Daarbij weegt mee dat doel van deze bepalingen onder meer is verduidelijking te geven aan nabestaanden over ‘veronderstelde toestemming’, omdat eenduidige jurisprudentie op dit punt ontbrak (Kamerstukken II 2017/18, 34994, nr. 3).

Toestemming door de patiënt (artikel 7:458a lid 1, aanhef en onder a BW)

4.4.
Artikel 7:458a lid 1, aanhef en onder a BW bepaalt dat – in afwijking van artikel 7:457 BW – de hulpverlener inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier van een overleden patiënt verstrekt aan een persoon ten behoeve van wie de patiënt bij leven toestemming heeft gegeven. Die toestemming moet schriftelijk of elektronisch zijn vastgelegd. Niet in geschil is dat in deze zaak geen sprake is van schriftelijk of elektronisch vastgelegde toestemming van [zoon van eiser] .

4.5.
Volgens [eisende partij] is sprake van veronderstelde toestemming, in die zin dat kan worden verondersteld dat [zoon van eiser] bij leven toestemming zou hebben gegeven voor inzage door [eisende partij] in zijn medisch dossier. Deze doorbrekingsgrond van het medisch beroepsgeheim, die in de jurisprudentie is ontwikkeld, is echter in artikel 7:458a BW geen criterium meer waaraan wordt getoetst in geval een nabestaande vraagt om inzage in een dossier van een overleden patiënt.

4.6.
Gezien het voorgaande biedt artikel 7:458a lid 1, aanhef en onder a BW geen grond voor inzage door [eisende partij] in het medisch dossier van [zoon van eiser] . De vordering is niet op die grond toewijsbaar.

Zwaarwegend belang (artikel 7:458a lid 1, aanhef en onder c BW)

4.7.
Artikel 7:458a lid 1, aanhef en onder c BW bepaalt dat – eveneens in afwijking van artikel 7:457 BW – de hulpverlener inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier van een overleden patiënt verstrekt aan een ieder die een zwaarwegend belang heeft en aannemelijk maakt dat dit belang mogelijk wordt geschaad en dat inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier noodzakelijk is voor de behartiging van dit belang. Deze regel bestond volgens vaste rechtspraak al onder het vóór 1 januari 2020 geldende recht.

4.8.
Voor een geslaagd beroep op deze doorbrekingsgrond moet volgens de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II 2017/18, 34994, nr. 3) aan twee cumulatieve criteria zijn voldaan: a) degene die stelt dat hij een zwaarwegend belang heeft, moet met voldoende concrete aanwijzingen aannemelijk maken dat dit belang mogelijk wordt geschaad en b) diegene moet aannemelijk maken dat inzage noodzakelijk is voor de behartiging van dit belang.

Er is sprake van een zwaarwegend belang

4.9.
Volgens [eisende partij] heeft hij een zwaarwegend belang bij inzage in het medisch dossier van [zoon van eiser] , omdat het vermoeden bestaat van een medische fout aan de zijde van GGNet. Het vermoeden van een medische fout is één van de voorbeelden die in de parlementaire geschiedenis worden genoemd van gevallen waarbij sprake is van een zwaarwegend belang. [eisende partij] voert onder meer aan dat op 29 augustus 2018 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen enerzijds [eisende partij] en [de heer X] , een vriend van [zoon van eiser] , en anderzijds [psychiater] , psychiater bij GGNet en [de manager bij GGNet] . Van dit gesprek is een audio-opname in het geding gebracht (productie 19 bij dagvaarding). [eisende partij] wijst erop dat [psychiater] in dat gesprek onder meer heeft gezegd dat suïcidaliteit van [zoon van eiser] niet goed is ingeschat. Mede op grond van die mededeling vermoedt [eisende partij] dat de behandeling van [zoon van eiser] niet goed is verlopen.

4.10.
GGNet brengt hiertegen in dat [eisende partij] nalaat de context van de uitspraak van [psychiater] te vermelden. GGNet wijst erop dat tijdens het gesprek is besproken dat achteraf gezien de mate en de ernst van de suïcidaliteit inderdaad niet goed is ingeschat. Achteraf is volgens GGNet echter alles te reconstrueren. Als achteraf gezien een onjuiste inschatting is gemaakt, zegt dat bovendien niets over de zorgvuldigheid van de behandeling die op dat moment werd ingezet, aldus GGNet.

4.11.
Omdat GGNet erkent dat de inschatting van de suïcidaliteit van [zoon van eiser] achteraf gezien verkeerd is geweest, ligt naar het oordeel van de rechtbank voor de hand dat [eisende partij] worstelt met de vraag waar het is misgegaan en of [zoon van eiser] wel de juiste behandeling heeft gekregen. [eisende partij] voert in dit verband aan dat volgens het zogenoemde depressieprotocol bij depressie individuele therapie is geïndiceerd boven groepstherapie en dat de mening van de patiënt van groot belang is bij de wijze van behandeling. Zoals [eisende partij] ter zitting – door GGNet op zichzelf niet weersproken – heeft verklaard, werd de groepstherapie [zoon van eiser] naar eigen zeggen “door de strot gedrukt”, luisterde GGNet volgens [zoon van eiser] niet naar hem en liep hij tegen een muur op.

4.12.
GGNet benadrukt dat bij [zoon van eiser] weliswaar sprake was van een depressie, maar in comorbiditeit met autisme. Het autisme was het primaire probleem, waarvoor [zoon van eiser] ook werd behandeld, en waarbij groepsbehandeling bewezen effectief is, aldus GGNet. GGNet voert aan dat bekend was dat [zoon van eiser] de groepstherapie niet zag zitten, maar dat die ambivalente houding een uiting was van de problematiek. Het “toegeven” zou dan volgens GGNet geen goede zorg zijn geweest. De rechtbank maakt hieruit op dat volgens GGNet aan [zoon van eiser] door middel van de groepstherapie goede zorg is geleverd. Dat standpunt van GGNet gaat echter niet op indien – zoals in dit geval – ook sprake is van suïcidaliteit. De groepstherapie was en bleef immers gericht op de behandeling van het autisme, terwijl achteraf gezien, ook volgens GGNet, de focus op de suïcidaliteit had moeten liggen. Overigens heeft GGNet naar aanleiding van het geval van [zoon van eiser] het onderwerp “verhoogde suïcide bij autisme” uitdrukkelijk betrokken in het behandelplan.

4.13.
In de stellingen van [eisende partij] ligt besloten dat hij, indien inderdaad sprake is van een medische fout van GGNet, wil dat deze fout aan het licht komt en dat dit leidt tot betere zorg. Dit is in lijn met de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg, waarvan openheid over en leren van klachten en incidenten een belangrijke doelstelling is.

4.14.
Gezien het voorgaande heeft [eisende partij] naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden dat sprake is van een medische fout, en daarmee het bestaan van een zwaarwegend belang, voldoende onderbouwd.

Aannemelijk is dat dit belang mogelijk wordt geschaad

4.15.
[eisende partij] heeft bovendien aannemelijk gemaakt dat zijn belang bij inzage in het medisch dossier van [zoon van eiser] door geheimhouding van dat dossier mogelijk wordt geschaad. Aan de hand van het dossier kan immers inzichtelijk worden hoe de behandeling van [zoon van eiser] eruit heeft gezien en wanneer hij door welke hulpverlener is gezien. Het beroep van GGNet op geheimhouding staat hieraan in de weg.

4.16.
De rechtbank neemt bij het voorgaande nog in aanmerking dat volgens de parlementaire geschiedenis bij het vermoeden van een medische fout als zwaarwegend belang voor een recht op inzage de belangen van de nabestaanden en de overleden patiënt mogelijk parallel lopen. Vermoedelijk zou de patiënt immers hebben gewild dat nabestaanden die hierom verzoeken inzage krijgen als mogelijk sprake is van een medische fout. Het is aan de nabestaanden – in dit geval [eisende partij] – om dit vermoeden aannemelijk te maken. Het enkele uitspreken van een dergelijk vermoeden is niet toereikend. De vraag wanneer het vermoeden voldoende aannemelijk is gemaakt, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval.

4.17.
Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval sprake van parallelle belangen van [eisende partij] en [zoon van eiser] bij inzage. [eisende partij] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat [zoon van eiser] zou hebben gewild dat zijn ouders inzage zouden krijgen in zijn medisch dossier indien mogelijk sprake was van een medische fout. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eisende partij] uiteengezet dat [zoon van eiser] een eerste suïcidepoging deed toen hij studeerde en op kamers woonde. Nadien is hij weer bij [eisende partij] gaan wonen. Vanuit die thuissituatie heeft hij een tweede suïcidepoging gedaan. Verder heeft [eisende partij] [zoon van eiser] herhaaldelijk begeleid op afspraken met hulpverleners van GGNet. [zoon van eiser] heeft [eiser sub 2] bovendien gemachtigd om namens hem te kunnen handelen in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Uit al deze omstandigheden, die GGNet op zichzelf niet heeft weersproken, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat [zoon van eiser] vertrouwen stelde in [eisende partij] en belang hechtte aan de hulp en betrokkenheid van zijn ouders bij zijn behandeling. In het verlengde hiervan is aannemelijk dat [zoon van eiser] ook zou hebben gewild dat [eisende partij] inzage zou krijgen in zijn medisch dossier indien het vermoeden bestond dat sprake was van een medische fout.

Aannemelijk is dat inzage noodzakelijk is voor de behartiging van dit belang

4.18.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eisende partij] aannemelijk gemaakt dat inzage in het medisch dossier noodzakelijk is voor de behartiging van zijn belang en kan aan dit belang niet op minder belastende wijze worden tegemoetgekomen. Alle vragen die [eisende partij] beantwoord wil zien over de behandeling van [zoon van eiser] – zoals bijvoorbeeld de vraag wanneer [zoon van eiser] door een psychiater is gezien – houden immers verband met de volgtijdelijkheid van de stappen die in zijn behandeling zijn gezet. Het medisch dossier van [zoon van eiser] is de enige informatiebron die daarover duidelijkheid kan verschaffen. GGNet heeft onvoldoende onderbouwd dat het belang van [eisende partij] ook door andere middelen kan worden behartigd.

Slotsom

4.19.
De slotsom is dat [eisende partij] aannemelijk heeft gemaakt dat hij een zwaarwegend belang heeft bij inzage in het medisch dossier van [zoon van eiser] , dat dit belang door de weigering van GGNet om inzage te geven mogelijk wordt geschaad en dat inzage in of afschrift van het dossier noodzakelijk is voor de behartiging van dit belang. De vordering is dan ook op deze grond toewijsbaar.

4.20.
Wat partijen in het kader van het zwaarwegend belang over en weer verder nog hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel en blijft daarom buiten bespreking.

Omdat de rechtbank de vordering van [eisende partij] op grond van de primaire grondslag zal toewijzen, blijft een beoordeling van de subsidiaire grondslag (inzage in het medisch dossier door een onafhankelijk arts) achterwege. ECLI:NL:RBGEL:2022:281