Overslaan en naar de inhoud gaan

GHAMS 110325 mogelijkheid van schade a.g.v. beroepsfout advocaat aannemelijk; drempel voor verwijzing naar schadestaatproc. gehaald

GHAMS 110325 letsel na afbreken voorvork motorfiets; vordering verjaard a.g.v. fout advocaat; geen stilzwijgende beëindiging opdracht; geen ES cliënt
- mogelijkheid van schade a.g.v. beroepsfout advocaat aannemelijk; drempel voor verwijzing naar schadestaatproc. gehaald

in vervolg op, o.m.:

RBAMS 160621 BMW aansprakelijk tzv breuk voorvork motor, voorshands wordt letsel aangenomen, bewijsopdracht tzv schade

3Feiten

De rechtbank heeft in 2.1 t/m 2.12 van het bestreden vonnis (geen publicatie bekend, red. LSA LM) de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Samengevat en waar nodig aangevuld komen de feiten, voor zover in hoger beroep nog relevant, neer op het volgende.

3.1.

Op 18 juli 2006 heeft [geïntimeerde] bij een BMW -dealer een nieuwe motorfiets gekocht van het merk BMW , type [#] (hierna: de motor).

3.2.

Op 12 oktober 2008 heeft [geïntimeerde] met de motor een eenzijdig ongeval (hierna: het ongeval) gehad, doordat de voorvork van de motor plotseling afbrak. Hierdoor heeft [geïntimeerde] schade geleden. [geïntimeerde] is per ambulance naar het [ziekenhuis] overgebracht. Daar werd geconstateerd dat [geïntimeerde] zijn rechter sleutelbeen had gebroken, zwaar gekneusde ribben had en knieletsel en kneuzingen over het gehele lichaam had opgelopen.

3.3.

[geïntimeerde] is vanaf 9 januari 2009 onder behandeling geweest bij een sportfysiotherapeut. Hij is op 9 april 2009 ontslagen van behandeling waarbij de knie functioneel stabiel is verklaard.

3.4.

[geïntimeerde] heeft zich naar aanleiding van het ongeval omstreeks 8 september 2009 voor juridische bijstand gewend tot mr. [appellante] .

3.5.

Bij brief van 16 december 2009 heeft mr. [appellante] namens [geïntimeerde] BMW AG (hierna: BMW ) op grond van productaansprakelijkheid (artikel 6:185 van het Burgerlijk Wetboek (BW)) aansprakelijk gesteld voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van het ongeval dat door het gebrek in de motor is veroorzaakt.

3.6.

Bij brief van 7 juli 2011 heeft mr. [appellante] aan BMW Group Nederland het volgende geschreven:

"In vervolg op mijn eerdere brieven aan BMW AG te [plaats] en het feit dat u met [bedrijf] contact heeft gehad in bovengenoemde zaak bericht ik u als volgt.

Cliënt heeft zijn rechten in bovengenoemde zaak niet prijsgegeven. Hij is bezig met de inventarisatie van (letsel)schade. Cliënt stuit hierbij eventuele verjaring. (...)"

3.7.

Op 7 december 2012 heeft mr. [appellante] [geïntimeerde] een e-mail gestuurd met als bijlage een concept schikkingsvoorstel voor BMW . In de e-mail heeft mr. [appellante] geschreven:

"Wij spraken elkaar ruim een ½ jaar geleden over de afwikkeling van de schade.

Met name was voor jou van belang de lease en jij zou daarover contact opnemen met de BMW winkel (?), voor zover ik me herinner.

Ik heb een concept brief opgesteld voor BMW met een voorstel voor finale kwijting, waarin alles is opgenomen, lease (heb je daar papieren van?), smartengeld, (klein) deel inkomensschade.

Voornamelijk is het bepalen van de inkomensschade moeilijk. We hebben het daar ook uitgebreid over gehad.

Graag hoor ik van je. (...)"

3.8.

In 2017 heeft [geïntimeerde] een operatie ondergaan aan zijn rechterarm vanwege trombose.

3.9.

Bij brief van 18 december 2017 heeft de nieuwe advocaat van [geïntimeerde] BMW als fabrikant van de motor aansprakelijk gesteld voor zowel de in 2008 als in 2017 ten gevolge van het ongeval geleden letselschade. Daarin stelde hij dat de sleutelbeenbreuk uit 2008 niet goed was geheeld waardoor in 2017 trombose was ontstaan, resulterend in een blijvende beperking van de rechterarm.

3.10.

Vervolgens is [geïntimeerde] een procedure begonnen tegen BMW in verband met de gevolgen van het ongeval. Bij tussenvonnis van 9 december 2020 (geen publicatie bekend, red. LSA LM) heeft de rechtbank Amsterdam het beroep van BMW op verjaring ten aanzien van de schade van 2008 gehonoreerd.

3.11.

Bij eindvonnis van 27 oktober 2021 (hierna: het eindvonnis) (geen publicatie bekend, red. LSA LM) heeft de rechtbank Amsterdam BMW veroordeeld tot vergoeding van de schade die [geïntimeerde] vanaf 2017 als gevolg van het ongeval heeft geleden en nog zal lijden, nader op te maken bij staat.

3.12.

Bij arrest van 12 maart 2024 (geen publicatie bekend, red. LSA LM) heeft dit hof het eindvonnis vernietigd voor zover BMW was veroordeeld tot vergoeding van de schade die [geïntimeerde] vanaf 2017 als gevolg van het ongeval heeft geleden en nog zal lijden. Het hof heeft de vordering van [geïntimeerde] alsnog volledig afgewezen wegens verjaring. [geïntimeerde] heeft tegen dit arrest geen cassatie ingesteld.

3.13.

Per brief van 3 oktober 2020 heeft [geïntimeerde] mr. [appellante] aansprakelijk gesteld. Hij verwijt haar een beroepsfout te hebben gemaakt door de vorderingen van [geïntimeerde] op BMW te laten verjaren, ten gevolge waarvan hij schade heeft geleden. (De advocaat van) mr. [appellante] heeft bij brief van 6 augustus 2021 aansprakelijkheid van de hand gewezen.

4Eerste aanleg

4.1.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd om - uitvoerbaar bij voorraad - voor recht te verklaren dat mr. [appellante] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht tussen haar en [geïntimeerde] en aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] daardoor geleden schade, nader op te maken bij staat, met veroordeling van mr. [appellante] in de proceskosten.

4.2.

De rechtbank heeft de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen.

5Beoordeling

5.1.

Mr. [appellante] heeft in hoger beroep zes grieven aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank. Met haar eerste grief keert mr. [appellante] zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de vordering van [geïntimeerde] op BMW een reële kans van slagen had. Zij acht de kans niet reëel dat zou kunnen worden vastgesteld dat sprake was van een gebrek aan de motor. Verder stelt zij dat [geïntimeerde] geen schade heeft geleden die nog niet is vergoed. Grief 2 komt op tegen het oordeel dat mr. [appellante] een beroepsfout heeft gemaakt door het dossier te sluiten zonder [geïntimeerde] daarover te informeren of te waarschuwen voor een aflopende verjaringstermijn. Grief 3 bestrijdt het oordeel dat geen sprake is van eigen schuld van [geïntimeerde] in de zin van artikel 6:101 BW omdat hij niet meer van zich liet horen. Met haar vierde en vijfde grief keert mr. [appellante] zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is gehaald en subsidiair verzoekt zij het hof de (eventuele) schade zelf te begroten op de voet van artikel 612 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5.2.

Het gaat in deze procedure om de vraag of mr. [appellante] een beroepsfout heeft gemaakt doordat zij heeft verzuimd de verjaring van de vordering van [geïntimeerde] tegen BMW tijdig te stuiten, en zo ja, of de mogelijkheid aannemelijk is dat [geïntimeerde] daardoor schade heeft geleden.

Beroepsfout

5.3.

Mr. [appellante] stelt dat haar ten aanzien van het niet stuiten van de verjaring geen verwijt kan worden gemaakt, omdat zij de opdracht tot belangenbehartiging redelijkerwijs als beëindigd mocht beschouwen. Zij stelt daartoe dat [geïntimeerde] nimmer gehoor heeft gegeven aan haar vragen om zijn schade met stukken te onderbouwen en dat hij na haar e-mail van 7 december 2012 (zie onder 3.7) niets meer van zich heeft laten horen. Mr. [appellante] is van mening dat zij gelet op deze omstandigheden gerechtvaardigd de opdracht als beëindigd mocht beschouwen, zeker nu er geen schade meer was die nog niet was vergoed. [geïntimeerde] heeft mr. [appellante] ook niet gemeld dat hij was verhuisd en toen [geïntimeerde] op 14 oktober 2016 voor een andere kwestie bij haar kwam, vroeg hij niet naar de stand van zaken in het dossier tegen BMW . Kennelijk beschouwde [geïntimeerde] de opdracht dus ook als beëindigd en leed hij geen schade meer, steeds aldus mr. [appellante] .

5.4.

Als uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag of mr. [appellante] een beroepsfout heeft gemaakt, geldt dat een advocaat als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid dient te betrachten die in de gegeven omstandigheden van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Het hof stelt daarbij voorop dat het stuiten van de verjaring van de vordering van [geïntimeerde] in beginsel tot de (kern)taken van mr. [appellante] als zijn advocaat behoorde. De verplichting om de vordering niet te laten verjaren rustte op haar zolang de opdracht voortduurde. Niet gesteld of gebleken is dat mr. [appellante] of [geïntimeerde] de opdracht op enig moment heeft beëindigd. Evenmin volgt uit de gegeven omstandigheden dat mr. [appellante] de opdracht op enig moment als stilzwijgend beëindigd kon beschouwen. Daarvoor is niet voldoende dat [geïntimeerde] na 7 december 2012 niet (meer) reageerde op haar verzoek om stukken of niet meer informeerde naar de stand van zaken. Als zij het dossier om die reden had willen sluiten, had het op haar weg als advocaat gelegen om [geïntimeerde] daarover te informeren en hem te wijzen op de consequenties daarvan, waaronder het risico van verjaring. Dit heeft zij nagelaten. Dat het voorgaande niet van haar verlangd kon worden omdat [geïntimeerde] toch geen schade meer leed die niet al vergoed was, kan evenmin worden gevolgd. Uit de eigen stellingen van mr. [appellante] volgt immers dat zij, bij gebreke van de gevraagde stukken, juist niet in staat was om vast te stellen of er nog meer schade was, noch om te beoordelen of toekomstige schade te verwachten was.

5.5.

De verplichting om de verjaring te stuiten is dan ook op mr. [appellante] blijven rusten. Niet in geschil is dat zij na de stuitingsbrief van 7 juli 2011 (zie onder 3.6) geen stuitingshandelingen meer heeft verricht, hetgeen heeft geleid tot de beslissing van dit hof (zie onder 3.12) dat de vordering van [geïntimeerde] op BMW is verjaard. Dit betekent dat mr. [appellante] - door de vordering tegen BMW te laten verjaren - een beroepsfout heeft begaan en daarmee is tekortgeschoten in de nakoming van de opdracht. Zij is daarom in beginsel aansprakelijk voor de vermogensschade van [geïntimeerde] die als gevolg van deze tekortkoming is ontstaan.

5.6.

Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld is het voorgaande met een beroep op eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW wegens - kort gezegd - stilzitten door [geïntimeerde] , niet verenigbaar. Het stilzitten van [geïntimeerde] was (zoals hiervoor geoordeeld: ten onrechte) een factor die het handelen van mr. [appellante] mede heeft bepaald. Dit leidt echter niet tot het oordeel dat de schade mede het gevolg is van een omstandigheid die aan [geïntimeerde] kan worden toegerekend, omdat het nu juist aan mr. [appellante] was het vorderingsrecht van [geïntimeerde] veilig te stellen zolang de opdracht duurde. Het beroep op artikel 6:101 BW kan mr. [appellante] dan ook niet baten.

Schadestaatprocedure

5.7.

Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is niet alleen vereist dat de grondslag voor aansprakelijkheid vaststaat maar tevens dat de mogelijkheid dat schade is of zal worden geleden aannemelijk is. Het hof is van oordeel dat deze - lage - drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure in dit geval is gehaald. Als gevolg van de beroepsfout van mr. [appellante] is een kans op succes voor [geïntimeerde] verloren gegaan en de mogelijkheid is voldoende aannemelijk dat [geïntimeerde] daardoor op de voet van het leerstuk van kansschade voor vergoeding in aanmerking komende schade heeft geleden (HR 16 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:249). Het hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat het vooralsnog van oordeel is dat de kans op succes voor [geïntimeerde] in de procedure tegen BMW reëel was.

5.8.

Het hof stelt in dit kader het volgende voorop. De Hoge Raad heeft in HR 24 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:AM1905 (Baijings) bepaald op welke wijze schade moet worden vastgesteld die de cliënt van een advocaat heeft geleden als gevolg van het feit dat deze had verzuimd hoger beroep in te stellen. Daaruit volgt dat in beginsel moet worden beoordeeld hoe de rechter had behoren te beslissen, althans dat het toewijsbare bedrag moet worden geschat aan de hand van de goede en kwade kansen die de cliënt in de procedure bij die rechter zou hebben gehad, zonder de beroepsfout. De Hoge Raad heeft daarbij overwogen dat het wenselijk is dat partijen daarvoor alle gegevens verschaffen om de rechter in staat te stellen tot dit oordeel te komen. In het arrest HR 21 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7491 heeft de Hoge Raad de uitgangspunten uit het Baijings-arrest herhaald en daarbij meer in het bijzonder opgemerkt dat, teneinde de leer van de kansschade te kunnen toepassen, eerst beoordeeld moet worden of het condicio-sine-qua-non-verband aanwezig is tussen de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis (in onderhavig geval de tekortkoming) en het verlies van de kans op succes. De Hoge Raad heeft daarbij opgemerkt dat indien de advocaat heeft verzuimd (tijdig) het rechtsmiddel of de rechtsvordering in te stellen het condicio-sine-qua-non-verband gegeven is. In dit geval is een soortgelijke situatie aan de orde. Derhalve resteert de vaststelling van de schade aan de hand van een schatting van de goede en kwade kansen die de cliënt in het (hypothetische) geding zou hebben gehad.

5.9.

De stellingen van [geïntimeerde] in dit verband komen erop neer dat, in de hypothetische situatie dat de verjaring was gestuit, in de procedure tegen BMW zou zijn vastgesteld dat het ongeval was veroorzaakt door een gebrek aan de motor, zodat BMW zou zijn veroordeeld tot vergoeding van zijn schade (die vervolgens zou zijn opgemaakt bij staat).

5.10.

Mr. [appellante] heeft daartegen primair ingebracht dat niet vaststaat dat het gebrek aan de motor in die hypothetische situatie zou zijn vastgesteld, omdat het hof zich daarover in hoger beroep niet heeft uitgelaten. Zij voert verschillende argumenten aan die BMW in eerste aanleg had aangevoerd die tot de slotsom zouden moeten leiden dat een andere oorzaak meer voor de hand lag. Subsidiair heeft mr. [appellante] gesteld dat niet is gebleken dat [geïntimeerde] meer of andere schade heeft geleden dan reeds is vergoed. Mr. [appellante] is van mening dat [geïntimeerde] niets concreet heeft gesteld over de schade die hij zou lijden als gevolg van het ongeval die niet nog is vergoed en die aan de beroepsfout kan worden toegerekend. Zij keert zich daarom tegen het oordeel van de rechtbank dat de drempel voor verwijzing naar de schadestaat-procedure is gehaald en verzoekt het hof de (eventuele) schade zelf te begroten op de voet van artikel 612 Rv. Het ongeval vond immers al 17 jaar geleden plaats en de trombose trad al vijf jaar geleden op. Een verwijzing naar de schadestaatprocedure is volgens mr. [appellante] daarom niet nodig.

5.11.

Het hof overweegt ten aanzien van het subsidiaire verweer van mr. [appellante] als volgt. Uit artikel 612 Rv volgt de mogelijkheid voor [geïntimeerde] om in zijn dagvaarding niet meteen het beloop van zijn schade uiteen te zetten, maar in plaats daarvan zijn eis te beperken tot veroordeling van mr. [appellante] tot vergoeding van schade die pas later behoeft te worden gepreciseerd. [geïntimeerde] dient uiteraard wel die feiten en omstandigheden in het hoofdgeding te stellen op grond waarvan mr. [appellante] aansprakelijk is voor schade voortvloeiend uit het schadebrengende feit. Waar het de inhoud en omvang van de schadevergoedingsverplichting betreft, is zijn stelplicht echter beperkt tot feiten op grond waarvan de mogelijkheid dat schade is geleden aannemelijk is. Die stelplicht gaat niet zo ver dat [geïntimeerde] al in het hoofdgeding gehouden is om de schadeposten en het beloop ervan specifiek op te geven. Evenmin is vereist dat hij in het hoofdgeding zijn schade aannemelijk maakt (zie HR 21 december 1984, ECLI:NL:PHR:1984:AG4926). Slechts in het geval tevoren vaststaat dat de schadestaatprocedure niet tot toewijzing van enig schadebedrag kan leiden, moet de vordering tot verwijzing ernaar worden afgewezen.

5.12.

Ten aanzien van het primaire verweer van mr. [appellante] overweegt het hof als volgt. Dat de procedure tegen BMW , zonder een geslaagd beroep van BMW op verjaring, had geleid tot het oordeel van het hof dat sprake was van een gebrek aan de motor, staat inderdaad niet vast omdat het hof aan de bespreking van dat geschilpunt niet is toegekomen. De rechtbank Amsterdam daarentegen is, na bewijslevering, wel tot het oordeel gekomen dat sprake was van een gebrek. Weliswaar heeft mr. [appellante] bezwaren geuit tegen het in dat verband door [geïntimeerde] overgelegde rapport van ITEB Schadeservices , maar zij heeft de overige door de rechtbank gehanteerde bewijsmiddelen niet voldoende in haar betoog betrokken. Zij heeft daarmee onvoldoende betwist dat er een reële kans bestond dat het hof tot hetzelfde oordeel zou zijn gekomen als de rechtbank als geen sprake was geweest van verjaring. Het hof gaat er daarom vooralsnog vanuit dat de kans op succes voor [geïntimeerde] in die procedure reëel was.

5.13.

Het voorgaande laat onverlet dat voor toewijzing van enig schadebedrag in het hypothetische geval dat tegen BMW een schadestaatprocedure was gevoerd daarin voldoende had moeten komen vast te staan dat en welke schade [geïntimeerde] heeft geleden en zal lijden. Het hof overweegt dat [geïntimeerde] in de onderhavige procedure uiterst summier is geweest ten aanzien van de door hem geleden schade. Hij heeft zich beperkt tot de stelling dat hij een ernstig ongeluk heeft gehad met blijvend letsel en inkomensschade, althans, naar het hof begrijpt, verlies aan verdienvermogen als gevolg. Mede in het licht van het daartegen gevoerde verweer heeft hij in hoger beroep evenals in eerste aanleg (nog) niet aannemelijk gemaakt dat daadwerkelijk sprake is van verlies aan verdienvermogen. Dat neemt echter niet weg dat, gelet op de aard en ernst van het (blijvende) letsel, de mogelijkheid van enige schade aannemelijk is. Weliswaar staat het causaal verband tussen het ongeluk en de trombose in 2017 niet vast, maar op basis van het operatieverslag van 26 mei 2017 en het eindvonnis van de rechtbank Amsterdam - waarin op basis van meer medische stukken is geoordeeld dat de mogelijkheid van een causaal verband tussen het ongeval en de trombose voldoende aannemelijk is - komt het hof tot de conclusie dat de mogelijkheid van schade als gevolg van de beroepsfout aannemelijk is. De drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is dus gehaald.

5.14.

Het voorgaande betekent dat de gevraagde verklaring voor recht - dat mr. [appellante] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht tussen haar en [geïntimeerde] en aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] daardoor nader bij staat op te maken schade - toewijsbaar is.

5.15.

Het verzoek van mr. [appellante] om de schade in deze procedure te begroten, zal worden afgewezen. Gelet op de omvang van het nog te voeren debat in de schadestaatprocedure ziet het hof geen aanleiding de schadebegroting aan zich te houden. Het hof overweegt daartoe dat [geïntimeerde] in de schadestaatprocedure alsnog zal moeten stellen, en zo nodig bewijzen, dat en welke schade hij heeft geleden en dat hij in de hypothetische situatie dat de beroepsfout niet was gemaakt een hoger bedrag aan schadevergoeding zou hebben ontvangen dan in de feitelijke situatie waarin de beroepsfout wel is gemaakt. Daarvoor zal [geïntimeerde] niet alleen een schadeopstelling moeten maken. Ook moet komen vast te staan dat in de procedure tegen BMW het door [geïntimeerde] gestelde gebrek aan de motor zou zijn vastgesteld. Hiervoor zal [geïntimeerde] in ieder geval de processtukken van het hoger beroep in de procedure tegen BMW in het geding moeten brengen zodat de kans op succes van [geïntimeerde] in de hypothetische situatie zonder beroepsfout beoordeeld kan worden. Voorts zal hij het causaal verband tussen het ongeval en de door hem geleden schade moeten aantonen. Daarvoor zal [geïntimeerde] ten minste met medische stukken moeten onderbouwen dat de tromboseklachten het gevolg zijn van het ongeval. Bij voldoende betwisting daarvan zal bewijs moeten worden geleverd. Tot slot zal een vermogensvergelijking moeten worden gemaakt tussen het inkomen van [geïntimeerde] voor en na het ongeval. Daar komt bij dat het gevolg van het in deze procedure begroten van de schade zou zijn dat partijen een rechterlijke instantie zou worden onthouden. Het enkele tijdsverloop biedt daarvoor onvoldoende rechtvaardiging.

5.16.

Het voorgaande betekent dat de grieven 1 tot en met 5 falen.

5.17. De zesde grief is gericht tegen de proceskostenveroordeling en volgt het lot van de voorgaande grieven. Gerechtshof Amsterdam 11 maart 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:616