Zoeken

Inloggen

Artikelen

HR 250920 81 RO; geen letsel; Hof heeft voldoende aandacht besteed aan rapport partijdesk., zoals dat volgde op rapport benoemde desk.

HR 250920 81 RO; geen letsel; Hof heeft voldoende aandacht besteed aan rapport partijdesk., zoals dat volgde op rapport benoemde desk.

2Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). ECLI:NL:HR:2020:1494

Uit de conclusie van AG Rank-Berenschot

Geen van de (sub)onderdelen kan naar mijn mening tot cassatie leiden. Ik licht dit als volgt toe.

2.24
Alle klachten komen er in de kern op neer dat het hof in zijn arrest niet heeft voldaan aan de motiveringseisen die volgen uit het Flevoziekenhuis-arrest (hiervoor besproken, onder 2.6-2.7) voor het geval de rechter de conclusies waartoe de door de (lagere) rechter benoemde deskundige is gekomen, in zijn beslissing zal volgen.

Het oordeel van het hof geeft mijns inziens echter geen blijk van miskenning van die motiveringseisen, terwijl dit oordeel evenmin onbegrijpelijk is.

2.25
In het bestreden arrest heeft het hof in rov. 3.5 vastgesteld dat alle vier door Opdrachtgever naar voren gebrachte grieven leunen op het door Opdrachtgever in hoger beroep eenzijdig gevraagde (partij)rapport van [betrokkene 1] en dat Opdrachtgever met zijn eerste twee grieven aan de hand van dat rapport de bevindingen van de door de kantonrechter benoemde deskundige Feron met betrekking tot de kozijnen (grief 1) en de puien (grief 2) aanvalt. Het hof heeft grief 1 en 2 in rov. 3.6 e.v. gezamenlijk behandeld.

2.26
In rov. 3.6 heeft het hof vervolgens vastgesteld dat het rapport van [betrokkene 1] een partijrapport betreft van de zijde van Opdrachtgever dat voor het eerst in hoger beroep in het geding is gebracht en heeft het – terecht (zie hiervoor, onder 2.4) – overwogen dat indien een op verzoek van een partij uitgebracht deskundigenrapport in het geding is gebracht, het aan de rechter is om te beoordelen welke waarde daaraan moet worden toegekend (art. 152 lid 2 Rv).

2.27
In rov. 3.8 heeft het hof geoordeeld dat de grieven 1 en 2 falen, nu het rapport van [betrokkene 1] en de toelichting op de eerste twee grieven voor het hof geen aanleiding vormen om aan de zienswijze van Feron te twijfelen.

Redengevend daarvoor is dat het hof de conclusies van Feron overneemt, tot de zijne maakt, en (dan ook) aan het partijrapport van [betrokkene 1] voorbijgaat:

(i) in het licht van de zorgvuldige totstandkoming van het rapport van Feron (waaruit – zo volgt uit rov. 3.7 – blijkt dat partijen ruimschoots de gelegenheid hebben gehad om op het deskundigenrapport van Feron te reageren30),

(ii) alsmede gelet op de duidelijke conclusies en de onderbouwing in het rapport van Feron;

(iii) temeer daar uit dat rapport niet blijkt dat er om een reactie van Interland is gevraagd, hetgeen wel voor de hand had gelegen nu het rapport mede op informatie van Opdrachtgever is gebaseerd.

2.28
Het hof heeft blijkens dit oordeel en de motivering daarvan acht geslagen op de grieven 1 en 2 en de toelichting daarop (en de daarin vervatte stellingen van Opdrachtgever) en daarnaast op het rapport van [betrokkene 1] en het deskundigenrapport van Feron.

2.29
Dit oordeel geeft er aldus voldoende blijk van dat het hof bij de beantwoording van de vraag of het de conclusies waartoe Feron in zijn rapport is gekomen, zou volgen, alle ter zake door Opdrachtgever aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking heeft genomen en op basis van die aangevoerde stellingen in volle omvang heeft getoetst of aanleiding bestond van de in het rapport van Feron geformuleerde conclusies af te wijken.

2.30
Dit bewijsoordeel behoefde in het licht van het partijdebat naar mijn mening (ook) geen nadere motivering.

2.31
Feron heeft het volgens Opdrachtgever uit de offerte van [A] blijkende bezwaar dat met het vervangen van onderdelen van de kozijnen en/of bewegende delen niet kan worden volstaan – maar gehele vervanging van gevelelementen noodzakelijk is – in zijn rapport weerlegd door erop te wijzen dat de te vervangen onderdelen van kozijnen en bewegende delen alle betrekking hebben op onderdelen die nog verkrijgbaar zijn (zie hiervoor, onder 2.14).

2.32
Het uit de offerte van [B] blijkende bezwaar dat de puien foutief zijn geplaatst en als gevolg daarvan de buitenkaders van de puien vervangen moeten worden, heeft Feron weerlegd door erop te wijzen dat dit buitenproportioneel is, omdat – kort gezegd – foutief geboorde en eventueel niet herbruikbare bevestigingspunten die verder geen afbreuk doen aan de functionaliteit van een element geen reden zijn om het gehele element van een nieuw kader te laten voorzien (zie hiervoor, onder 2.14). Dat de puien foutief bevestigd zijn onderschrijft Feron maar de bestaande puien kunnen zonder meer deugdelijk definitief worden geplaatst, zonder dat de buitenkaders vervangen moeten worden, zo volgt uit het antwoord op vraag 3.3.3 (zie hiervoor, onder 2.12).

2.33
Uit de toelichting op de grieven 1 en 2 volgt mijns inziens dat het voornaamste bezwaar van partijdeskundige [betrokkene 1] ten aanzien van de kozijnen is dat er niet kan worden volstaan met het vervangen van onderdelen; ten aanzien van de puien is zijn bezwaar dat het alsnog deugdelijk plaatsen van de bestaande puien niet mogelijk is, maar volledige vervanging van de puien noodzakelijk is (zie hiervoor, onder 2.18). Deze bezwaren van de partijdeskundige hebben dan ook dezelfde strekking als de bezwaren van [A] en [B] , welke bezwaren door Feron al gemotiveerd zijn weerlegd in zijn deskundigenrapport (zie hiervoor, onder 2.31-2.32) en de kantonrechter er niet van hebben weerhouden om de conclusies van Feron tot de hare te maken (eindvonnis, rov. 2.8).

Dat [betrokkene 1] van mening is dat het gevolg van het niet deugdelijk plaatsen van de puien is dat er volledig nieuwe puien moeten worden geplaatst, terwijl [B] van mening is dat de bestaande puien vermaakt kunnen worden in die zin dat deze van nieuwe profielen kunnen worden voorzien, doet hier niet aan af. Feron is immers van mening dat de puien weliswaar foutief bevestigd zijn, maar de bestaande puien zonder meer alsnog deugdelijk definitief kunnen worden geplaatst zonder vervanging (van onderdelen daarvan).

2.34
In een situatie, zoals de onderhavige, waarin:

(i) tegen de zienswijze van een door de (lagere) rechter benoemde deskundige door een partij bezwaren naar voren zijn gebracht op basis van een partijdeskundigenrapport dat is overgelegd na de totstandkoming van het deskundigenrapport van de door de rechter benoemde deskundige; en

(ii) die bezwaren dezelfde strekking hebben als de bezwaren die op basis van bevindingen van andere partijdeskundigen reeds naar voren zijn gebracht in het kader van de totstandkoming van het deskundigenrapport, en

(iii) die bezwaren gemotiveerd zijn weerlegd door de door de rechter benoemde deskundige in zijn deskundigenrapport,

kunnen de onder (i) bedoelde bezwaren mijns inziens niet worden gezien als specifieke bezwaren tegen de zienswijze van de door de rechter benoemde deskundige die een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van die zienswijze als in het Flevoziekenhuis-arrest bedoeld.

Blijkens dat arrest zal de rechter in die situatie zijn beslissing om de bevindingen van de door de (lagere) rechter benoemde deskundige te volgen, in het algemeen niet verder behoeven te motiveren dan door aan te geven dat de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt (zie ook hiervoor, onder 2.6-2.9).

2.35
Het voorgaande brengt naar mijn mening mee dat het hof zijn beslissing – dat de grieven 1 en 2 falen, nu het rapport van [betrokkene 1] en de toelichting op de eerste twee grieven voor het hof geen aanleiding vormen om aan de zienswijze van Feron te twijfelen – niet verder behoefde te motiveren dan door aan te geven dat de door Feron in zijn deskundigenrapport gebezigde motivering hem overtuigend voorkwam, hetgeen het hof (onder meer) heeft gedaan.

2.36
Het komt er in essentie dus op neer dat het hof, door zich te verenigen met de bevindingen van de door de kantonrechter benoemde deskundige Feron, in wiens rapport reeds gemotiveerd op de bezwaren van [A] en [B] ten aanzien van de kozijnen en puien was ingegaan, voldoende heeft gemotiveerd waarom het zich door het partijrapport van [betrokkene 1] – waarin bezwaren met dezelfde strekking zijn opgenomen – niet van zijn beslissing heeft laten weerhouden.

Het hof was niet gehouden met zoveel worden te vermelden dat het zich ook op dit punt met de bevindingen van de Feron verenigde.31

2.37
Hierop stranden alle onderdelen. ECLI:NL:PHR:2020:541

Deze website maakt gebruik van cookies