Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb Den Haag 081215 bezwaren tegen rapport neuroloog falen; het had op de weg van gedaagde gelegen om contra-expertise in te brengen

Rb Den Haag 081215 bezwaren tegen rapport neuroloog falen; het had op de weg van gedaagde gelegen om contra-expertise in te brengen 
– tegenverzoek tot het gelasten van een deskundigenonderzoek valt buiten het toepassingsbereik van de deelgeschilprocedure 

- kosten gevorderd € 5.778, toegewezen 15 uur x € 240 + 6% + twee uur reistijd x € 120 + btw + griffierecht, totaal € 4.840,56

vervolg op: rb-alkmaar-230212-verzoek-deskundigenbericht-in-strijd-met-goede-procesorde-te-zeer-twijfelachtig-of-verzoek-kan-bijdragen-aan-waarheidsvinding

4 De beoordeling

Verzoek
4.1.
Gelet op artikel 1019z Rv moet allereerst beoordeeld worden of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Naar het oordeel van de rechtbank is dit het geval. Na de onderhavige beslissing kunnen partijen immers het buitengerechtelijk onderhandelingstraject voortzetten. De kantonrechter verwerpt het verweer van het Maartenhuis c.s. dat het verzoek op formele gronden niet vatbaar is voor toewijzing; aan dit verweer liggen enkel inhoudelijke bezwaren van het Maartenhuis c.s. tegen het rapport ten grondslag, die hierna worden besproken. Of het Maartenhuis c.s. na de beslissing van de kantonrechter op het verzoek van [verzoekster] al dan niet bereid zijn de onderhandelingen voort te zetten en of daadwerkelijk een vaststellingsovereenkomst tot stand zal komen, acht de kantonrechter niet van belang.

4.2.
In geschil is of partijen gebonden zijn aan het rapport, dat als voorlopig deskundigenbericht in de zin van artikel 202 Rv is uitgebracht. Het rapport is tot stand gekomen op basis van de beschikking van het hof van 3 december 2013 en met inachtneming van de voor het voorlopige deskundigenbericht geldende voorschriften zoals bepaald in artikel 205 lid 1 in verbinding met artikel 194 e.v. Rv. De kantonrechter neemt tot uitgangspunt dat partijen in beginsel gebonden zijn aan het deskundigenbericht, tenzij zwaarwegende - en vanzelfsprekend steekhoudende - bezwaren tegen het rapport nopen tot een andere conclusie. Van zwaarwegende bezwaren is onder andere sprake indien het bericht niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen van onpartijdigheid, consistentie, inzichtelijkheid en logica.

4.3.
De bezwaren die het Maartenhuis c.s. tegen het rapport hebben aangevoerd, leiden de kantonrechter niet tot de conclusie dat een uitzondering op genoemd beginsel moet worden gemaakt. Hoezeer het Maartenhuis c.s. het oneens zijn met de vaststellingen en conclusies in het rapport, meer specifiek op het punt van de beperkingen van [verzoekster] en het bestaan van medische causaliteit tussen die beperkingen en het incident, mede gezien het tijdsverloop van meer dan veertien jaar sinds het incident, de omstandigheid dat [verzoekster] na het incident tot november 2001 heeft (door)gewerkt en eerst in 2011 heeft verzocht om een voorlopig deskundigenbericht, kan niet gezegd worden dat het rapport niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Daartoe acht de kantonrechter het volgende redengevend.

4.4.
De kantonrechter stelt vast dat het Maartenhuis c.s. bij brief van 29 juli 2014 hebben gereageerd op het conceptrapport van de deskundige, gedateerd 16 juni 2014. Al hetgeen zij in deze procedure als zwaarwegende bezwaren tegen het rapport naar voren brengen, hebben zij ook als opmerking bij het conceptrapport gemaakt. De deskundige heeft in het rapport melding gemaakt van die opmerkingen en daarop ook inhoudelijk gereageerd. Gelet hierop, terwijl overigens niet gesteld of gebleken is dat partijen in termen van hoor en wederhoor, het doen van verzoeken of anderszins onvoldoende invloed hebben kunnen uitoefenen op het onderzoek en de inhoud van het rapport, is de conclusie dat het rapport wat betreft de betrokkenheid van partijen op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

4.5.
De omstandigheid dat de deskundige in de opmerkingen (gemotiveerd) geen aanleiding heeft gezien zijn conclusies en antwoorden aan te passen, maakt het rapport op zichzelf beschouwd niet inhoudelijk ondeugdelijk. In aanmerking genomen dat de deskundige de opmerkingen van het Maartenhuis c.s. met betrekking tot de inhoud van het conceptrapport bij de totstandkoming van het rapport heeft betrokken, had het op de weg van het Maartenhuis c.s. gelegen ter onderbouwing van hun verweer dat sprake is van zodanig zwaarwegende bezwaren dat het rapport niet als bindend uitgangspunt tussen partijen heeft te gelden, voor zover die bezwaren van medische aard zijn, een contra-expertise in het geding te brengen. Nu de kantonrechter niet over de medische deskundigheid van een neuroloog beschikt, is haar toets in dit opzicht beperkt, zoals de maatstaf die hiervoor in 4.2 uiteengezet ook impliceert. Hieraan doet niet af dat het Maartenhuis c.s. stellen dat de deskundige conclusies heeft getrokken op basis van onvoldoende medische gegevens (namelijk onvoldoende informatie van de huisarts en informatie betreffende de ziekte van Lyme). Een contra-expertise had immers mede een antwoord kunnen geven op de vraag of, medisch gezien, de conclusies van de deskundige op basis van de beschikbare informatie verantwoord moeten worden geacht.

4.6.
De deskundige is - in de kern weergegeven - tot de conclusie gekomen dat [verzoekster] klachten heeft, zoals pijn, druk, hittegevoelens in de rechter gelaatshelft, rechts in de nek, en in het rechter achterhoofd. Zij heeft ook klachten ontwikkeld achter het rechter oor. Volgens de deskundige zijn de geuite klachten daadwerkelijk aanwezig, niet ingebeeld en zeker niet overdreven. Feitelijk is er in de visie van de deskundige op neurologisch terrein geen duidelijke diagnose. Wel kan gesteld worden dat er zeer aannemelijk sprake is geweest van een trauma capitis, met in de fase direct na het ongeval het beeld van postcommotionele verschijnselen. Volgens de deskundige valt uit het verhaal van [verzoekster] op te maken, dat het trauma een flinke impact heeft gehad, dat zij reeds direct na het trauma klachten heeft ontwikkeld en dat er geen andere afwijkingen zijn op neurologisch terrein op basis waarvan deze klachten te zijn verklaren. De deskundige is ook van oordeel dat betrokkene beperkingen heeft bij het verrichten van lichamelijk zware, vooral nek- en schouderbelastende activiteiten, zeker wanneer deze langdurig volgehouden of chronisch herhaald moeten worden. De deskundige meent dat betrokkene vóór het trauma van 27 juli 2000 geen bijzondere klachten en afwijkingen op neurologisch gebied had, die zij nu nog steeds heeft en dat dat er op neurologisch terrein geen klachten en afwijkingen aanwezig zijn die ook zouden zijn opgetreden indien haar het ongeval niet was overkomen.

4.7.
Anders dan het Maartenshuis c.s. betogen, is de deskundige er niet als vaststaand vanuit gegaan dat [verzoekster] als gevolg van de klap buiten bewustzijn is geraakt. De kantonrechter verwijst naar hetgeen beschreven is op p. 15, p. 17 en p. 21 van het rapport:
“Mw [verzoekster] , thans 59 jaar, heeft op 27.07.2000 bij haar werkzaamheden als begeleidster in een instelling voor verstandelijk gehandicapten volkomen onverwacht een klap gehad van een cliënt. Zij is tegen de grond geslagen, tegen een kapstok aangekomen en waarschijnlijk zeer kortdurend buitenkennis geweest. Het incident is als zodanig door niemand gezien, maar wel gehoord. (…)

VI. CONCLUSIE
1. Betrokkene heeft op 27.07.2000 een flinke klap gehad van een aan haar zorgen toevertrouwde mentaal beperkte man, welke zodanig heftig was dat zij ten val is gekomen en mogelijk buiten kennis is geraakt. 
Hoe het ongevalsmechanisme precies is geweest, wordt niet duidelijk. Mocht zij inderdaad (kortdurend) buiten kennis zijn geweest, dan kan op zijn minst gesproken worden van een schedeltrauma met waarschijnlijk een commotio cerebri als gevolg. De aanhoudende klachten over de rechter gelaats- en schedelhelft passen daarbij. (…)”
De deskundige heeft in noot 5 naar aanleiding van een opmerking op dit punt van mr. Van Noort vermeld: 
“Mw. Mr. van Noort heeft in haar commentaar van 29.07.2014 op het conceptrapport erop gewezen dat het feit dat betrokkene buiten kennis is geweest door haar is betwist en dat ik daarom niet meer van dit gegeven mag uitgaan en ook de conclusie “postcommotioneel” syndroom niet meer kan trekken. Het kan zijn dat deze conclusie op juridisch betwiste feiten is gebaseerd, maar medisch gezien is die conclusie niet onmogelijk. Door een klap in het gelaat is het zelfs heel goed mogelijk dat iemand buiten kennis raakt. Wat men waarneemt bij een “knock out”bij de bokssport is daarvan een aanschouwelijk voorbeeld. Het feit dat iemand dan even bewusteloos is geweest, betekent al dat een commotio cerebri (= hersenschudding) is opgelopen. De huisarts heeft twee maanden na het ongeval foto’s bij betrokkene laten maken met als indicatie “vasovagale verschijnselen”. Dit zijn verschijnselen die heel goed in het kader van een commotio cerebri kunnen optreden. Mw van Noort heeft ook gevraagd om mijn conclusie ter zake te “relativeren”(wat dit ook moge zijn); ik ben van mening dat mijn conclusie verwoord onder item 1 al heel relativerend is.”
Verder is in het rapport onder het kopje diagnose als antwoord vermeld:
“Feitelijk is er op neurologisch terrein geen duidelijke diagnose. Wel kan gesteld worden dat er zeer aannemelijk sprake is geweest van een trauma capitis, met in de fase direct na het ongeval het beeld van postcommotionele verschijnselen. Er zijn vooralsnog onvoldoende argumenten om de elders gesuggereerde “whiplash” aan te nemen, temeer niet omdat er immers van een typisch whiplashtrauma in het geheel geen sprake is geweest. De differentiaaldiagnostische overwegingen komen naar voren in wat ik heb weergegeven in hoofdstuk VI in het geneeskundig rapport. Bij het huidige onderzoek zijn er, gelet op de aard van de pijnklachten, de hypertonie en de bewegingsbeperkingen in de nek, vooral myotendinogene factoren van belang, terwijl er anderszins de mogelijkheid van een neuralgie in het traject van de nervus occipitalis major kan zijn (maar dit verklaart niet het hittegevoel in de rechtergelaatshelft en de bewegingsbeperkingen in de CWK).
Uit haar verhaal valt wel op te maken, dat het trauma een flinke impact heeft gehad voor haar functioneren, dat zij reeds direct na het trauma klachten heeft ontwikkeld en dat er geen andere afwijkingen zijn op neurologisch terrein op basis waarvan deze klachten zijn te verklaren.”

4.8.
De deskundige stelt met zoveel woorden vast dat niet duidelijk is hoe het ongevalsmechanisme precies is geweest. Medisch gezien houdt hij rekening met de mogelijkheid - en acht hij dit ook waarschijnlijk - dat zij buiten kennis is geraakt. Dit mede gerelateerd aan de verschijnselen die [verzoekster] direct na het ongeval heeft vertoond. De kantonrechter leest in het rapport niet dat de deskundige voor het antwoord op de diagnosevraag beslissend heeft geacht of [verzoekster] buiten kennis is geweest. Volgens de deskundige is de diagnose zoals hiervoor ook weergegeven op neurologisch terrein niet duidelijk; wel acht hij zeer aannemelijk dat sprake is van een schedeltrauma (trauma capitis), met in de fase direct na het ongeval het beeld van postcommotionele verschijnselen.

4.9.
De kantonrechter verwerpt ook het standpunt van het Maartenshuis c.s. dat de deskundige nader objectief onderzoek naar de gevolgen van de ziekte van Lyme die [verzoekster] heeft doorgemaakt, had moeten doen. De deskundige heeft ter zake het volgende op p. 6 van het rapport opgemerkt:

“(…) Omstreeks 2005 heeft zij ook de ziekte van Lyme doorgemaakt. Zij had destijds in het bijzonder klachten over de onderbenen en de voeten. Zij is 10 dagen bij de neuroloog in het Gemini Ziekenhuis opgenomen geweest. Uit haar verhaal blijkt dat zij intraveneus een antibioticum heeft gehad, wat ook heeft geleid tot een verbetering.”
In noot 2 bij de hiervoor geciteerde passage merkt de deskundige vervolgens op: “In een reactie van 29.07.2014 heeft de belangenbehartiger van de Stichting, mw. mr. A.H. M. van Noort gesteld het van belang te vinden dat betrokkene in 2005 de ziekte van Lyme heeft doorgemaakt en zij heeft ondergetekende verzocht daaromtrent bij huisarts en internist informatie op te vragen. Dit laatste is echter niet nodig. Deze ziekte is voor de beoordeling van de huidige status helemaal niet van belang. Betrokkene heeft beschreven dat zij destijds vooral klachten had in de benen, dat zij behandeld is door een neuroloog en dat zij ongeveer 10 dagen opgenomen is geweest. Zij heeft een behandeling gehad met een intraveneus toegediend antibioticum. Daarna zijn haar klachten verdwenen. Thans zijn er ook geen klachten van de benen of voeten. De beschreven feiten zijn mij vanuit de medisch specialistische praktijk zeer herkenbaar. Indien gedacht wordt aan een zogenaamde neuroborreliose (waarbij de bacterie die de ziekte van Lyme heeft veroorzaakt het zenuwstelsel heeft aangetast) wordt altijd een intraveneus antibioticum gegeven. Ik wijs in dit verband op de cursief weergegeven opmerking bij de beschrijving van het onderzoek in Hoofdstuk II van het rapport (ter zake van de “peesreflexen”).”
En dan op p. 20 van het rapport als antwoord op de vraag betreffende de medische gegevens: “De medische geschiedenis van betrokkene op neurologisch terrein is in het geneeskundig rapport beschreven in de hoofdstukken I en III. Feitelijk was zij vóór het trauma van juli 2000 althans in neurologisch opzicht volkomen gezond.
Overigens heeft zij vijf jaar na het ongeval de ziekte van Lyme doorgemaakt, in het kader waarvan zij waarschijnlijk het beeld van neuropathie in de beide benen heeft ontwikkeld, goed hersteld door de toediening van een antibioticum. Daarvan ondervindt zij thans geen gevolgen.
De medische behandeling komt naar voren uit de hoofdstukken I, III en IV.

Uit mijn beschrijving valt op te maken dat in het beschikbaar gestelde dossier uitgebreide medische gegevens zijn aangetroffen, te beginnen met de “groene kaart” van haar toenmalige huisarts. Hieruit valt op te maken dat zij de huisarts reeds op 27.07.2000 wegens klachten na het trauma heeft geraadpleegd. Deze heeft bovendien beeldvormende diagnostiek bij haar laten verrichten en haar tenslotte doorgestuurd voor fysiotherapie. Ook de overige begeleiding en behandeling op medisch terrein komt uit de beschikbaar gestelde gegevens voldoende naar voren.”

4.10.
Zonder contra-expertise, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom de deskundige, mede gelet op zijn eigen medisch specialistische praktijk als neuroloog, op basis van de beschikbare medische informatie en de informatie afkomstig van [verzoekster] betreffende haar behandeling in verband de ziekte van Lyme niet (als redelijk handelend en redelijk bekwaam neuroloog) tot de conclusie heeft kunnen dat deze ziekte voor de beoordeling van de huidige status van [verzoekster] niet van belang is. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat destijds sprake is geweest van klachten van [verzoekster] in haar benen en voeten, zij daarvan thans geen beperkingen ondervindt en de klachten die zij op dit moment heeft ter plaatse van haar rechter wang, rechts in de hals en de nek, alsmede het rechter oor en het rechterachterhoofd betreffen. De enkele omstandigheid dat de ziekte van Lyme een ziekte is die het zenuwstelsel aantast, acht de kantonrechter onvoldoende voor een andere conclusie.

4.11.
Verder merkt de kantonrechter op dat de deskundige blijkens zijn rapport zich er uitdrukkelijk rekenschap van heeft gegeven dat hij niet over de deskundigheid van een kaakchirurg of een KNO-arts beschikt. De rechtbank citeert delen van p. 23, 24 en 25 van het rapport:
“Er zijn daarnaast op neurologisch terrein geen klachten en afwijkingen aanwezig die ook zouden zijn opgetreden indien haar het ongeval niet was overkomen. Daarbij signaleer ik dat zij direct in aansluiting aan het trauma van 27.07.2000 klachten heeft ontwikkeld die ook aanleiding hebben gegeven om op dezelfde dag haar huisarts te consulteren. Voorts is het zo dat sterk het accent wordt gelegd op verschijnselen in de rechter gelaatshelft, rechts in de nek en in het rechterachterhoofd, een ongewone combinatie, die in ieder geval in de neurologische praktijk zelden of nooit als spontaan fenomeen wordt waargenomen. In dat verband is bovendien nog op verzoek van de kaakchirug in het UMCG een MRI van de schedelbasis en de achterste schedelgroeve vervaardigd, ongetwijfeld bedoeld om bijvoorbeeld een symptomatische trigeminusneualgie of anderszins een proces in de achterste schedelgroeve op het spoor te komen dan wel uit te sluiten. Het onderzoek heeft geen afwijkingen opgeleverd.”

In noot 7 merkt de deskundige in verband met de opmerking van mr. Van Noort op dit punt op: “In haar reactie van 29.07.2014 op het conceptrapport heeft mw. mr. van Noort verzocht om de (niet ongevalsgerelateerde) kaak- en gezichtsklachten “afzonderlijk” in mijn rapportage in kaart te brengen en deze bij de vraag naar de klachten en beperkingen, die ook zonder ongeval aanwezig zouden zijn geweest te betrekken. Dit acht ik echter niet de taak van een neuroloog, aangezien kaakklachten primair tot het vakgebied van een kaakchirug (en soms dat van een KNO-arts) behoren. Wat ik in algemene zin vanuit neurologisch oogpunt over deze klachten in mijn rapportage heb opgeschreven en opgemerkt acht ik vanuit neurologisch oogpunt voldoende. In het antwoord op vraag 4 heb ik aangegeven dat op dit punt een expertise door een kaakchirurg zinvol is.”
Op p. 25 van het rapport beantwoordt de deskundige de vraag naar aanvullende deskundigenberichten vervolgens, voor zover hier relevant, als volgt: “Het is in verband met de aard van de thans aanwezige klachten wellicht zinvol dat er tevens een expertise plaatsvindt door een kaakchirurg. In dit verband wijs ik er wel op, dat betrokkene reeds in behandeling is bij de kaakchirurg in het UMCG, dat zij deze nog consulteert met een frequentie van eenmaal per half jaar, dat bij een in juni 2008 verrichte MRI van hersenen, schedelbasis en kauwmusculatuur geen afwijkingen zijn gevonden en dat een sanering van de dentitie en het aanmeten van een prothese in boven- en onderkaak (wat al in 2001 is geïndiceerd) heeft plaatsgevonden.”

4.12.
De deskundige heeft zich beperkt tot de bevindingen die hij vanuit neurologisch oogpunt relevant heeft geacht. Mogelijk dat aanvullend onderzoek noodzakelijk is om te kunnen beoordelen of sprake is van beperkingen die enkel voortvloeien uit de kaak- en gezichtsklachten, die mogelijkheid laat de deugdelijkheid van het rapport onverlet.

4.13.
De deskundige is voorts niet buiten de vraagstelling van het hof getreden door in te gaan op het percentage functionele invaliditeit van [verzoekster] als gevolg van het incident, nu het hof hier uitdrukkelijk om heeft gevraagd. Het rapport vermeldt ter zake het antwoord op de vraag naar de beperkingen van [verzoekster] het volgende: 
“Gelet op de bevindingen bij het lichamelijk onderzoek, heeft betrokkene beperkingen bij het verrichten van lichamelijk zware, vooral nek- en schouderbelastende activiteiten, zeker wanneer deze langdurig volgehouden of chronisch herhaald moeten worden. 
In dat verband kan gedacht worden aan beperkingen bij het langdurig gebukt staan of boven schouderhoogte werken, en bij zwaar tillen, sjouwen, duwen en trekken, terwijl er ook beperkingen zijn bij klimmen en klauteren, ver reiken, kruipen en knielen. 
Met gebruik van de NVN-richtlijnen van november 2007 en december 2013 is het niet mogelijk om haar een percentage functieverlies toe te kennen. Echter, in de periode dat zij het ongeval kreeg en daarna de klachten ontwikkelde, waren er zijdens de NVN andere richtlijnen van kracht, namelijk die van december 2011 en dan zou het eventueel mogelijk zijn om haar een percentage functieverlies toe te kennen op basis van hoofdstuk 4 (Na trauma persisterende syndromen), sub A (Het postcommotionele syndroom), alwaar het percentage functieverlies mag worden bepaald tussen 0 en 8%.
Indien men gebruik zou maken van de zesde editie van de AMA Guides, dan is een percentage functieverlies vast te stellen met hulp van tabel 17-2, waar namelijk over de niet-specifieke, chronische of chronisch recidiverende nekpijn wordt gesteld dat deze eventueel in aanmerking zou kunnen komen voor een percentage functieverlies tussen 0 en maximaal 8%. Ik ben dan van mening dat betrokkene is onder te brengen in klasse 1. Alsdan wordt het percentage functieverlies bij haar niet meer dan 1%.”
In noot 6 bij de hiervoor geciteerde passage merkt de deskundige op: “Mw. mr. van Noort heeft in haar reactie van 29.07.2014 gesteld dat ik met het berekenen van een percentage functieverlies buiten de door het Hof gestelde vragen kom. Zulks is niet het geval. In deze vraag 1h wordt zeer nadrukkelijk verzocht om de mate van functieverlies uit te drukken in een percentage. Dat is met mijn beschrijving ook gebeurd.”

4.14.
Met het Maartenhuis c.s. is de kantonrechter van oordeel dat het, gegeven de vraagstelling van het hof, de voorkeur had gehad wanneer de deskundige bij zijn beoordeling op dit punt een keuze had gemaakt voor de NVN-richtlijnen die wat hem betreft zouden moeten worden gehanteerd en dat de zesde editie van de AMA-guides in dezen niet van belang is. Tegelijk staat het ontbreken van een keuze voor een van de verschillende genoemde richtlijnen er niet aan in de weg dat het rapport tussen partijen als bindend uitgangspunt heeft te gelden. Het geschil tussen partijen spitst zich immers in de eerste plaats toe op de causaliteit tussen het incident en de door [verzoekster] gestelde beperkingen. Hieraan doet de uiteenzetting van de deskundige wat betreft het percentage functieverlies niet aan af. Hoogstens moeten partijen in gesprek over welke richtlijnen wat hen betreft zouden moeten worden toegepast. Die uiteenzetting maakt het rapport ook niet inconsistent of onvoldoende inzichtelijk. Integendeel, het biedt partijen mede inzicht in het verschil in uitkomst in mate van functieverlies, al naar gelang welke richtlijnen worden toegepast.

4.15.
Ten slotte verwerpt de kantonrechter het verweer van het Maartenshuis c.s. dat de rapportage gebaseerd is op onvolledige medische gegevens. Het staat vast dat de deskundige niet heeft beschikt over het huisartsenjournaal over de periode van medio 2001 tot eind 2002. Hij heeft dat evenwel niet van belang geacht gelet op de over die periode wel beschikbare informatie van medisch specialisten. De kantonrechter merkt verder op dat blijkens de brief van mr. Zwartjens van 10 januari 2013 aan het hof het elektronische patiëntenjournaal zoals opgemaakt door drs. [B] , de behandelend huisarts in de desbetreffende periode, teniet is gegaan als gevolg van computerproblemen in diens praktijk. Voor zover het Maartenhuis c.s. niet van de betrouwbaarheid van die mededeling heeft willen uitgaan, had het op haar weg gelegen haar verweer nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door correspondentie met de betrokken huisarts. De overgelegde brief van 19 maart 2013 van [C] , medisch adviseur bij Medas, en partijdeskundige aan de zijde van het Maartenhuis, acht de kantonrechter daartoe onvoldoende. Met het Maartenhuis c.s. roept de wisseling van huisartsen en het kennelijk ontbreken van een back up van het huisartsenjournaal gedurende die periode vragen op, niet is evenwel gebleken dat het Maartenhuis c.s. zich ter zake nader hebben geïnformeerd. Nu uit de beschikbare informatie wel blijkt van een computerstoring, gaat de kantonrechter er als onvoldoende weersproken vanuit dat beide partijen over de voor hun geschil relevante medische informatie hebben beschikt. Van schending van equality of arms, zoals het Maartenhuis c.s. stellen, is derhalve geen sprake.

4.16.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het verzoek vatbaar is voor toewijzing. De kantonrechter is van oordeel dat de vaststellingen en conclusies in het rapport voldoende duidelijkheid geven over het bestaan van medische causaliteit tussen het incident en de klachten en beperkingen die [verzoekster] stelt te ondervinden als gevolg van het incident. Dat op onderdelen mogelijk geschilpunten tussen partijen kunnen blijven bestaan ten aanzien van het bestaan van juridische causaliteit tussen het incident en de schade die [verzoekster] stelt te hebben geleden, doet er niet aan af dat het rapport voldoende aanknopingspunten biedt ter beslechting van die geschilpunten en laat de mogelijkheid van aanvullend onderzoek door een kaakchirurg of KNO-arts, zo nodig, onverlet.

Tegenverzoek

4.17.
De rechtbank zal het tegenverzoek van het Maartenhuis c.s. afwijzen. De deelgeschilprocedure zoals neergelegd in de artikelen 1019w tot 1019cc Rv vormt blijkens de wetsgeschiedenis van die bepalingen met zijn eigen karakter een aanvulling op de reeds bestaande procesrechtelijke instrumenten die gericht zijn op of kunnen bijdragen aan de beëindiging van een geschil anders dan door het voeren van een bodemprocedure, zoals het voorlopig deskundigenbericht. De deelgeschilprocedure is dan ook niet bedoeld om reeds bestaande instrumenten, zoals de verzoekschriftprocedure tot het houden van een voorlopig deskundigenonderzoek, te vervangen. De rechtbank is gelet op het karakter van de deelgeschilprocedure en mede gelet op de wetsgeschiedenis van de deelgeschilprocedure van oordeel dat het verzoek van het Maartenhuis c.s. tot het gelasten van een deskundigenonderzoek met benoeming van een deskundige buiten het toepassingsbereik van de deelgeschilprocedure valt. Nu het verzoek tot het gelasten van een deskundigenonderzoek geen deelgeschil betreft in de zin van artikel 1019w lid 1 Rv zoals door de wetgever bedoeld, zal het worden afgewezen. Het vorenstaande laat onverlet dat de rechtbank ervan uitgaat dat [verzoekster] , zoals namens haar ter zitting is meegedeeld, zo nodig haar medewerking verleent aan een aanvullend deskundigenonderzoek door een kaakchirug.

Verzoek en tegenverzoek

4.18.
Nu het verzoek vatbaar is voor toewijzing, komen op grond van artikel 1019 aa Rv de kosten van rechtsbijstand die [verzoekster] heeft gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek in aanmerking voor vergoeding, voor zover voldaan is aan de in artikel 6:96 lid BW vervatte dubbele redelijkheidstoets. [verzoekster] vordert vergoeding van een bedrag van € 4.550 ex btw en ex 6 % kantoorkosten, in totaal derhalve een bedrag van € 5.778). Met het Maartenhuis c.s. acht de rechtbank een uurtarief van € 240 gelet op de aard en complexiteit van de zaak redelijk. Ter zitting heeft mr. Zwartjens een specificatie van haar vordering overgelegd. Daaruit blijkt dat sinds 15 december 2014 in totaal 22,42 uren in het dossier is geschreven. Gelet op die specificatie acht de rechtbank dat mr. Zwartjens geacht moet worden in redelijkheid kosten te hebben moeten maken van dertien uur aan voorbereidingstijd, te vermeerderen met twee uur voor de zitting, derhalve 15 uur x € 240 + 6% kantoorkosten, derhalve € 3.816, en twee uur reistijd tegen een tarief van 50 %, derhalve € 120, te vermeerderen met 21 % btw, hetgeen resulteert in een bedrag van € 4.762,56. Een en ander leidt, inclusief griffierecht van € 78, tot een vergoeding van € 4.840,56. Het Maartenhuis c.s. zullen hoofdelijk in deze kosten worden veroordeeld. ECLI:NL:RBDHA:2015:14675