Zoeken

Inloggen

Artikelen

HR 23022007 ongeval tijdens zeilweekend; geschonden norm strekt niet tot bescherming van eiser nu deze zich zelf ook niet naar die norm heeft gedragen.

HR 23-02-2007 ongeval tijdens zeilweekend; geschonden norm strekt niet tot bescherming van eiser nu deze zich zelf ook niet naar die norm heeft gedragen.
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Io Vivat Nostrorum Sanitas (hierna: de Vereniging) is een studentenvereniging van de Hotel Management School te Leeuwarden. Eén van de commissies van de Vereniging is de commissie Watersport, die de naam ADAM draagt en voor de leden van de Vereniging onder meer jaarlijks het "Zomer Zeil Zwerf weekend" organiseert. In 1995 vond dat evenement van 4 tot 7 mei plaats. [Eiser] was als lid van de commissie Watersport één van de organisatoren van het weekeinde. Hiervoor waren zeventien zeilboten en één motorboot, de Aqua Rose, gehuurd.
(ii) Op 4 mei 1995 omstreeks 18.00 uur voer de Aqua Rose met aan boord ongeveer 20 tot 25 personen in de richting van de haven van Heeg. De opvarenden deden de motorboot zodanig schommelen dat deze aan het gangboord bijna onder water kwam te liggen. Op een gegeven moment viel de motor uit. [Eiser] is de kajuit ingegaan. Voordat hij het luik in de kajuitvloer had geopend dat toegang tot de motor gaf, vond een explosie met een steekvlam plaats.
Er ontstond brand op de boot. [Eiser] liep ernstige brandwonden op, waarvoor hij in het ziekenhuis is behandeld. (...)


3.4 Het hof heeft daartoe als volgt overwogen.
"8. Het hof stelt voorop dat in een geval als het onderhavige - waarin sprake is van een studentenvereniging met een gezelligheidskarakter, waaronder een aantal commissies vallen zoals onder meer de commissie watersport ADAM - geen al te hoge eisen mogen worden gesteld aan het toezicht en de aard daarvan op activiteiten van de vereniging. Daarbij speelt mee dat de organisatie van de vereniging Io Vivat en de commissie ADAM berust bij leden van die vereniging, zodat het de leden zelf zijn die verantwoordelijk zijn voor de organisatie van activiteiten en het toezicht daarop. Zulks brengt mee dat op de deelnemers aan activiteiten van de vereniging een grote mate van eigen verantwoordelijkheid rust.
Voorts overweegt het hof dat niet gesteld of gebleken is dat Io Vivat op enig punt faalde door een gevaarlijke situatie in het leven te roepen. Immers, het organiseren van een jaarlijks terugkerend evenement voor ADAM, het zeilweekend, is op zich zelf géén activiteit die door Io Vivat zou dienen te worden verboden in verband met het feit dat het deelnemen aan het zeilweekend voorzienbaar gevaarlijk was. Ook is niet gesteld of gebleken dat Io Vivat over een grotere kennis beschikt op het gebied van varen met een motorboot en de daarmee samenhangende veiligheid dan aanwezig is bij de individuele leden van die vereniging die zich op die motorboot, de Aqua Rose, bevonden, waarbij wellicht één uitzondering is te maken voor [eiser] zelf, van wie onweersproken vaststaat dat hij over een vaarbewijs beschikte.
Daar komt nog het volgende bij. Voorzover geoordeeld zou moeten worden dat Io Vivat wel (enig) toezicht had dienen te houden, heeft zij dit toezicht gelegd bij de namens haar optredende watersportcommissie ADAM, waarvan [eiser] zelf één van de organisatoren was, en welke commissie de verantwoordelijkheid klaarblijkelijk heeft aanvaard. De verantwoordelijkheid voor de toerusting aan boord en de veiligheid aan boord lag daarmee bij de organisatoren, allen leden van de watersportcommissie ADAM. Het hof stelt vast dat niet is gebleken dat deze organisatoren:
a) maatregelen hebben genomen om te voorkomen dat er te veel mensen aan boord waren;
b) hebben voorkomen dat er twee extra gasflessen aan boord werden gebracht;
c) er op hebben gelet dat deze gasflessen deugdelijk waren verankerd;
d) hebben voorkomen dat deze gasflessen in werking werden gesteld tijdens het varen;
e) hebben voorkomen dat er met de motorboot werd geschommeld.

9. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden kan [eiser] Io Vivat niet een gebrek aan toezicht verwijten, daar hij immers als deelnemer aan het zeilweekend en varend op een motorboot als commissielid van ADAM zelf niet heeft gedaan wat hij Io Vivat verwijt te hebben nagelaten: het houden van toezicht tijdens de vaartocht. Door [eiser] is niet nader gesteld en toegelicht wanneer en hoe Io Vivat - in het kader van het voorgaande - nu precies toezicht had moeten houden. Voorzover de stellingen van [eiser] aldus zouden moeten worden begrepen dat Io Vivat voorafgaand aan het zeilweekend specifieke instructies aan de deelnemers had moeten geven om te voorkomen dat de omstandigheden als opgesomd bij r.o. 6 zich zouden voordoen, is het hof van oordeel dat niet voorzienbaar was voor Io Vivat dat de studenten op de motorboot zouden gaan schommelen met als gevolg dat de slang van een gasfles, die aan boord was meegenomen en die was aangesloten en in werking gesteld en gekoppeld aan een hotelbrander met daarop een pan die aldus verwarmd werd, zou losschieten hetgeen een steekvlam zou veroorzaken, welke vlam [eiser] uiteindelijk zou treffen, waardoor hij gewond zou worden. Van Io Vivat kan onder die omstandigheden niet worden gevergd dat zij specifieke instructies gaf ter voorkoming van een ongeval als het onderhavige." (...)

3.6.2 Het bestreden oordeel moet gelezen worden in samenhang met het oordeel van het hof in rov. 10 dat uit het voorgaande volgt dat niet gesproken kan worden van een aan de Vereniging toe te rekenen onrechtmatige daad. Dan wordt duidelijk dat het hof van oordeel is dat, voor zover al sprake zou zijn geweest van het door [eiser] gestelde, maar zoals het hof - in cassatie onbestreden - heeft geoordeeld: niet nader toegelichte, onvoldoende toezicht, de aldus geschonden norm niet strekt tot bescherming van [eiser] nu deze zich als (mede-) organisator van het zeilweekeinde zelf ook niet naar die norm heeft gedragen. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover onderdeel 2 het tegendeel betoogt, faalt het derhalve.

3.6.3 De klacht dat het enkele feit dat [eiser] lid is van de commissie ADAM nog niet tot gevolg heeft dat de Vereniging niet aansprakelijk is voor het letsel van [eiser], mist, zoals volgt uit het hiervoor in 3.5 overwogene, feitelijke grondslag.

3.6.4 De omstandigheid dat [eiser] maar een van de commissieleden van ADAM was en het totale toezicht van het evenement niet (uitsluitend) bij [eiser] lag, doet aan het oordeel van het hof, dat de Vereniging niet aansprakelijk is voor het letsel van [eiser], niet af, nu het hof bij gebreke van daartoe strekkende, in de feitelijke instanties te berde gebrachte, stellingen geen reden had te oordelen dat [eiser] als lid van de commissie ADAM naast andere leden van de commissie niet de volle verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het geboden toezicht droeg of dat hem voor het niet uitoefenen van dat toezicht geen blaam treft. Ook de overige klachten van onderdeel 2 treffen derhalve geen doel. (...)
LJN AZ6219

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies