Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Zwolle 270712 zelfwerkzaamheid; conform richtlijn Letselschaderaad; onvoldoende onderbouwing voor meerkosten

Rb Zwolle 270712 pre-existente klachten; arbeidsongeschiktheid zonder de opgelopen RSI is niet aannemelijk;
- zelfwerkzaamheid; conform richtlijn Letselschaderaad; onvoldoende onderbouwing voor meerkosten
- smartengeld EUR 20.000 gevorderd, EUR 15.000 toegewezen;
- schade agv privacy inbreuk door persoonlijk onderzoek vereist onderbouwing

Verlies van zelfwerkzaamheid (tuinonderhoud, buitenschilderwerk en huishoudelijk werk) 

4.15.  [A] vordert een totaalbedrag van EUR 21.062,50 per jaar aan kosten wegens verlies van zelfwerkzaamheid vanaf 1 januari 2003 tot 70-jarige leeftijd. Ter onderbouwing stelt [A] het volgende. Tuinonderhoud was de hobby van [A] en haar partner. Vanwege haar gezondheidsproblemen is zij daartoe niet meer in staat. Haar partner kan het tuinonderhoud wegens eigen gezondheidsproblemen niet overnemen terwijl het [A] aan financiële middelen ontbreekt om het werk professioneel uit te besteden. Voor een acceptabele onderhoudstoestand van de tuin is volgens [A] 8 uur hulp per week nodig, waarvoor zij de kosten vaststelt op EUR 12.500,00 per jaar. Voorts verrichtte [A] - voordat zij door RSI werd getroffen - zelf het buitenschilderwerk aan de woning, hetgeen zij thans moet uitbesteden. De kosten daarvoor stelt [A] vast op EUR 600,00 per jaar. Tot slot besteedde [A] voor haar uitval wegens RSI 3,5 uur per dag aan het huishouden. Veel van die werkzaamheden kan zij niet meer uitvoeren. Zij is daarvoor aangewezen op hulp van haar dochter en van derden. De kosten hiervan begroot [A] op EUR 7.962,50 per jaar (12,25 uur x EUR 12,50 x 52 weken). 
[A] acht zich voor de berekening van deze schadeposten niet gebonden aan de Richtlijnen van de Letselschade Raad. [A] heeft recht op volledige vergoeding van de werkelijk door haar geleden schade, waarbij rekening moet worden gehouden met haar persoonlijke en bijzondere omstandigheden. 

4.16.  Volgens [B en C] dient vanuit de door het UWV vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid en beperkingen beoordeeld te worden of en in hoeverre [A] niet meer in staat is tot het verrichten van tuinonderhoud, buitenschilderwerk en huishoudelijke werkzaamheden. [B en C] betwist dat [A] met de bij haar vastgestelde beperkingen en mate van arbeidsongeschiktheid in het geheel, en dus ook niet in een aangepast tempo, niet meer in staat is tot het verrichten van bedoelde werkzaamheden. Voorts acht [B en C] de onderbouwing van de door [A] gestelde schadeposten onvoldoende, zodat er in elk geval geen aanleiding bestaat om af te wijken van de Richtlijnen van de Letselschade Raad met betrekking tot zelfwerkzaamheden en huishoudelijke hulp. 

4.17.  De rechtbank overweegt dat destijds door het UWV niet is onderzocht of en in hoeverre [A], op basis van het vastgestelde beperkingenprofiel, beperkt is te achten voor bedoelde werkzaamheden. De rechtbank acht op basis van de beoordelingen door de UWV-verzekeringsarts en de vastgestelde beperkingenprofielen echter voldoende aannemelijk dat [A] aanvankelijk, sinds haar uitval per 2002, in mindere mate en later, vanaf het moment waarop zij volledig arbeidsongeschikt is verklaard, nauwelijks meer in staat was tot het verrichten van bedoelde werkzaamheden en daarvoor aangewezen was op hulp van derden. 
Wat betreft de omvang van die hulp en de daarmee gepaard gaande kosten, hecht de rechtbank belang aan de eigen verklaringen die [A] daaromtrent heeft afgelegd blijkens de in het geding gebrachte stukken. Zo heeft [A], volgens het rapport van arbeidsdeskundige H. Thalen van 29 augustus 2003, aangegeven dat zij in 2000 met haar partner en dochter wegens de lichamelijke beperkingen van haar partner is verhuisd naar een woning met een onderhoudsvriendelijke tuin (gras, struiken en klinkers) en dat zij en haar partner het onderhoud kunnen verrichten met af en toe ondersteuning van hun dochter. Voorts heeft [A], volgens het rapport dat schade-expert A.A Waterbolk heeft opgemaakt van het huisbezoek dat hij op 7 april 2009 heeft afgelegd, aangegeven dat in 2000 uitgebreid schilderwerk is uitgevoerd aan de woning door alle gezinsleden en met hulp van vrienden, terwijl de schade-expert blijkens hetzelfde rapport heeft waargenomen dat alleen op de begane grond schilderwerk verricht hoeft te worden omdat de bovenste verdieping vooral uit een grote rieten kap bestaat. Met inachtneming van de in de loop der jaren door het UWV vastgestelde beperkingenprofielen en voormelde verklaringen van [A], valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien dat [A] wegens haar gezondheidsproblemen vanaf 1 januari 2003 genoodzaakt was tot het inschakelen van hulp in de door haar gestelde mate en dat hiermee de door [A] gestelde (zeer omvangrijke) kosten zijn gemoeid. Bij de bepaling van de omvang van de hulp en de daarmee gepaard gaande kosten dient naar het oordeel van de rechtbank dan ook, tegen de achtergrond van de in de loop der jaren vastgestelde beperkingenprofielen en de eigen verklaringen van [A] omtrent haar behoefte aan hulp, aansluiting te worden gezocht bij de Richtlijnen van de Letselschade Raad. Weliswaar valt een berekening op basis van de daarin neergelegde normbedragen vermoedelijk lager uit dan de door [A] begrote schade maar [A] heeft onvoldoende (met bescheiden) onderbouwd dat zij meer kosten heeft moeten maken en nog zal moeten maken dan het gemiddelde. 
 LJN BX2714

Deze website maakt gebruik van cookies