Zoeken

Inloggen

Artikelen

RBMNE 270319 zelfwerkzaamheid tot 75 jaar, richtlijn vermeerderd met kwart toegewezen

RBMNE 270319 procedure opgestart door aansprakelijke partij; uitgebreide overwegingen over schade na ernstig beenletsel en psychische beperkingen;
- smartengeld ernstig beenletsel en psychische klachten; AO en beperkingen bij hobby's, huishouden en zelfwerkzaamheid; 25.000
- zonder ongeval per 01/01/2012 carrierestap naar hoofd technische dienst; 10 uur neveninkomsten per week aannemelijk;
- zelfwerkzaamheid tot 75 jaar, richtlijn vermeerderd met kwart toegewezen;
- rekenrente tot 2022 0% en daarna 2%, afwijzing kosten financieel advies tzv rendement;
- voorbehoud tzv stelselwijziging WIA afgewezen;
- gedeeltelijke vergoeding kosten camper ipv motorfiets
- kosten eigen risico, vitaminesupplementen, fysiotherapie, orthopedisch schoeisel, reiskosten, elektrische fiets, bed, etc.

De schade als gevolg van verlies aan zelfwerkzaamheid. 

3.37. 
Van der Ham heeft de arbeidsbehoefte voor het onderhoud van het huis en van de tuin in kaart gebracht. Van der Ham heeft er bij zijn beoordeling rekening mee gehouden dat het huis een twee-onder-een-kapwoning is en dat de tuin wat betreft de oppervlakte en inrichting afwijkt van een gemiddelde tuin. Een deel van de tuin is als moestuin in gebruik. Van der Ham komt op een tijdsbesteding van 502,7 uur per jaar (202,7 uur voor de klussen in en om de woning en 300 uur voor het onderhoud van de tuin). Volgens Allianz is het ondenkbaar dat [ verweerder ] deze werkzaamheden allemaal zou kunnen doen, gelet op het feit dat hij al zoveel tijd kwijt is met zijn werk bij Clip en zijn nevenwerkzaamheden. Voor de verschenen schade heeft [ verweerder ] volgens Allianz ook niet aangetoond dat hij zoveel kosten heeft gemaakt als hij heeft opgegeven. De verklaringen van derden die hebben opgegeven welke werkzaamheden zij voor [ verweerder ] hebben verricht zijn daarvoor onvoldoende. Daarom moet volgens Allianz voor zowel de verschenen schade als voor de toekomstige schade worden uitgegaan van de normbedragen die worden gehanteerd in de richtlijn zelfwerkzaamheid van de Lestelschaderaad. 

3.38. 
De rechtbank is er van overtuigd dat [ verweerder ] het onderhoud van zijn huis en tuin altijd grotendeels zelf heeft gedaan en dat hij dat in de toekomst, indien het ongeval niet zou zijn gebeurd, ook altijd zo zou zijn blijven doen. Op dit punt heeft [ verweerder ] voldoende onderbouwd dat de algemene norm van de Letselschaderaad niet een juiste maatstaf is. In die norm wordt uitgegaan van de werkzaamheden die een gemiddelde eigenaar van een woning in het algemeen verricht. Het is voldoende aannemelijk dat de werkzaamheden van [ verweerder ] boven die gemiddelde norm liggen. De rechtbank vindt het ook aannemelijk geworden dat [ verweerder ] de tijd nam om deze onderhoudswerkzaamheden naast zijn (over)werk bij Clip en zijn nevenwerkzaamheden te verrichten. De rechtbank gaat voorbij aan het argument van Allianz dat [ verweerder ] na de in de hypothetische situatie zonder ongeval, bovenop zijn overuren, een reistijd zou hebben van 12 uur per week vanwege de verhuizing van Clip naar Zutphen, zodat er nog minder tijd zou overblijven voor kluswerk. [ verweerder ] heeft dit weersproken en gesteld dat hij - zeker als hij promotie zou maken naar de functie van hoofd technische dienst - bereid zou zijn geweest om te verhuizen. De rechtbank ziet geen reden om daar anders over te denken. Bij de tijdsbesteding en de mogelijkheid tot het werken aan zijn eigen huis speelt het argument van [ verweerder ] dat hij van oorsprong een boerenzoon is die van aanpakken weet wel een belangrijke rol. Een kenmerk van het boerenbedrijf is dat het werk "nooit af' is en dat er naast de reguliere werkzaamheden die dagelijks terugkomen, altijd onderhoud- en reparatieklussen zijn. Dat neemt niet weg dat ook de beoordeling van het aantal noodzakelijke uren voor het onderhoud een Van den Ham een theoretisch karakter heeft, waarbij is uitgegaan van de situatie dat het huis en de tuin steeds in perfecte staat van onderhoud zijn en blijven. Het is de vraag of dit de norm is waaraan [ verweerder ] in het verleden altijd heeft voldaan en in de toekomst zou blijven voldoen. Verder is het niet zo dat [ verweerder ] als gevolg van het ongeval in het geheel geen werkzaamheden in en om het huis zou kunnen verrichten. [ verweerder ] heeft dit ook erkend, gelet op zijn stelling dat nog door Van der Ham in kaart moet worden gebracht wat zijn uitval is voor deze werkzaamheden als gevolg van het ongeval, waarbij volgens hem vervolgens een redelijk tarief moet worden bepaald. Ook als dit onderzoek wordt uitgevoerd blijft de uitkomst theoretisch. Bovendien is er veel tijd mee gemoeid, terwijl beide partijen er belang bij hebben dat er duidelijkheid komt. De rechtbank zal deze weg daarom niet volgen, maar bepalen dat de norm van de Letselschade Richtlijn Zelfwerkzaamheid het uitgangspunt is, waarbij die wordt verhoogd met een kwart van het normbedrag. Daarmee wordt naar het oordeel van de rechtbank voldoende recht gedaan aan enerzijds de omstandigheid dat de werkzaamheden van [ verweerder ] in en om het huis meer zijn dan gemiddeld, en anderzijds de omstandigheid dat de richtlijn er van uitgaat dat de betrokkene volledig is uitgevallen, terwijl het voor [ verweerder ] wellicht mogelijk is om de (lichtere) werkzaamheden (gedeeltelijk) te doen. 

3.39. 
Ook voor de verschenen schade zal de rechtbank bepalen dat moet worden uitgegaan van de normbedragen van de richtlijn die worden verhoogd met een kwart. De rechtbank geeft Allianz gelijk in haar standpunt dat [ verweerder ] niet heeft onderbouwd welke kosten hij heeft gemaakt. De verklaringen zijn anoniem en er wordt slechts in algemene bewoordingen omschreven welke werkzaamheden er zijn gedaan. De rechtbank ziet geen reden om in te gaan op het aanbod van [ verweerder ] om alsnog de werkzaamheden die zijn verricht in kaart te brengen. Daarvoor is het nu veel te laat. Bij de onderbouwing van de nevenwerkzaamheden die [ verweerder ] deed voor het ongeval heeft de rechtbank genoegen genomen met een algemene onderbouwing, omdat er wel begrip voor is dat [ verweerder ] er toen nog geen rekening mee hoefde te houden dat hij in het kader van deze schadezaak zijn werkzaamheden zou moeten verantwoorden. Dat geldt niet voor de werkzaamheden die na het ongeval voor hem zijn verricht door derden en waarvan hij verlangt dat Allianz deze kosten vergoed. 

3.40.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat voor de schade wegens verlies aan zelfwerkzaamheid moet worden uitgegaan van de normbedragen van de richtlijn, verhoogd met een kwart van dat bedrag. Daarbij geldt voor de verschenen schade het normbedrag (verhoogd met een kwart van dat bedrag) van het betreffende jaar en voor de toekomstige jaren het normbedrag (verhoogd met een kwart van dat bedrag) dat geldt voor het jaar 2019 (het jaar van de peildatum voor de kapitalisatie). De looptijd voor deze schade is tot de 75- jarige leeftijd van [ verweerder ] . 

De behoefte aan huishoudelijke hulp 

3.41.
Van der Ham heeft in zijn rapport ook het aantal uren bepaald dat noodzakelijk is voor de huishouding. Hij komt uit op 35,8 uur per week. Van der Ham heeft in zijn rapport niet vermeld of en zo ja welk gedeelte van deze uren aan [ verweerder ] moeten worden toegerekend. [ verweerder ] stelt dat, indien het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden, hij en zijn partner deze uren in de huishouding gelijkelijk zouden hebben verdeeld, zodat hij 17 uur en 54 minuten voor zijn rekening zou hebben genomen. Volgens [ verweerder ] moet aan Van der Ham een nadere opdracht worden gegeven om te beoordelen tot welke huishoudelijke werkzaamheden hij als gevolg van zijn beperkingen na het ongeval nog in staat is. De rechtbank ziet geen reden om een dergelijk onderzoek te laten verrichten. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om aan te kunnen nemen dat [ verweerder ] het ongeval weggedacht substantieel aan het huishouden zou hebben bijgedragen. Daarbij is de volgende afweging gemaakt. Bij de nevenwerkzaamheden is de redenering van [ verweerder ] gevolgd dat hij structureel en gedurende lange tijd zijn neveninkomsten zou houden, hoewel daarvoor geen harde cijfers voorhanden waren en bij de onderhoudswerkzaamheden is uitgegaan van een aanzienlijk hoger bedrag dan de normering van de lestelschade richtlijn. De rechtbank heeft de balans bij deze werkzaamheden in het voordeel van [ verweerder ] laten doorslaan, omdat dit recht doet aan zijn affiniteit voor technische en onderhoudsklussen en aannemelijk is geworden, dat hij daarvoor over voldoende tijd beschikte en zijn tijd daaraan ook zou hebben besteed als het ongeval hem niet was overkomen. Dat is voor de werkzaamheden in het huishouden niet het geval. De rechtbank geeft Allianz gelijk dat uitgaande van de tijdsbesteding van [ verweerder ] aan deze klussen voor derden en onderhoudswerkzaamheden aan het huis en de tuin, naast zijn fulltime baan bij Clip een grote bijdrage van [ verweerder ] niet voor de hand ligt. Allianz heeft betwist dat de partner van [ verweerder ] vanwege haar medische toestand in het geheel niet tot huishoudelijke werkzaamheden in staat zou zijn. Allianz heeft in dat kader er ook op gewezen dat zij een eigen praktijk heeft voor voetverzorging en massage, waarin zij gemiddeld 20 uur werkt. [ verweerder ] is daar niet op ingegaan. Alles bij elkaar genomen is er meer reden om te veronderstellen dat in de situatie zonder ongeval de partner van [ verweerder ] het grootste aandeel in het huishouden zou hebben gehad en dat zij - gelet op de tijdsbesteding van hen beiden - ook zonder het ongeval voor de zwaardere huishoudelijke werkzaamheden een professionele hulp zouden hebben ingeschakeld. Daar komt nog bij dat [ verweerder ] met zijn beperkingen als gevolg van het ongeval wel in staat moet worden tot lichte huishoudelijke werkzaamheden. De rechtbank volgt Allianz daarom in haar begroting van de schade voor huishoudelijke hulp op een jaarschade van € 1.250,00 ( twee uur per week voor € 12,50 per uur). 

3.42. 
Voor de verschenen schade tot en met 2016 heeft Allianz een bedrag van€ 12.767,50 erkend (zie nr. III van het schadeoverzicht van Allianz) Op grond van dezelfde redenering als voor de kosten van zelfwerkzaamheid is de rechtbank het ook op dit punt eens met Allianz dat [ verweerder ] met de algemene verklaringen die hij heeft overgelegd niet heeft aangetoond dat hij de door hem gevorderde kosten voor huishoudelijke hulp werkelijk heeft gemaakt. 

3.43. 
Het voorgaande leidt er toe dat de kosten voor huishoudelijke hulp tot en met 2016 worden begroot op een bedrag van € 12.767,50 en voor de jaren 2017 tot de 75-jarige leeftijd van [ verweerder ] moet worden uitgegaan van eenjaarschade van € 1.250,00 

Met dank aan de heer mr. J. Roth, SAP Letselschade Advocaten voor het inzenden van deze uitspraak.

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2019/RBMNE-270319

Deze website maakt gebruik van cookies