Zoeken

Inloggen

Artikelen

Hof 's-Gravenhage 070910 letsel loods na val; eigenaar schip 50% aansprakelijk; 50% eigen schuld ivm onvoldoende voorzichtigheid en oplettendheid

Hof 's-Gravenhage 070910 letsel loods na val; eigenaar schip 50% aansprakelijk; 50% eigen schuld ivm onvoldoende voorzichtigheid en oplettendheid

vervolg op: LJN BX9953 (zie hierboven) rb-middelburg-280905-verlies-verdienvermogen-en-arbeidsongeschiktheidsdagen-agv-het-ongeval en rb-mburg-270405-loods-valt-in-trapgat

De verdere beoordeling van het hoger beroep 

1. Met betrekking tot de vraag of Grieg is aan te merken als de rechtsopvolger van de oorspronkelijke gedaagde, de vennootschap naar vreemd recht Gran Inc., overweegt het hof als volgt. Onder verwijzing naar overgelegde producties heeft Grieg aangevoerd dat Gran Inc. (samen met een aantal andere scheepvaartmaatschappijen uit Liberia) is gefuseerd en opgegaan in Grieg International II AS, waarbij ook de eigendom van de het schip “Star Gran” is overgegaan naar Grieg. [de loods] heeft naar aanleiding van de door Grieg overgelegde stukken erkend dat Grieg heeft te gelden als de rechtsopvolger van Gran Inc. Dit brengt mee dat Grieg als rechtsopvolger van Gran Inc. ontvankelijk is in dit hoger beroep. Het hof zal appellante verder aanduiden als Grieg. 

2. In zijn tussenarrest van 7 oktober 2008 heeft het hof grief 1 verworpen. Het hof blijft bij deze beslissing. De bezwaren van Grieg op dit punt worden verworpen, nu een wijziging van de grondslag van de vordering in hoger beroep is toegestaan en Grieg voldoende mogelijkheden heeft gehad hierop inhoudelijk te reageren. 

3. Grief 2 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank – kort samengevat – dat Grieg aansprakelijk is voor de schade die [de loods] heeft geleden als gevolg van zijn val in het trapgat. 

4. Bij de beoordeling van grief 2 stelt het hof het volgende voorop. Bij de beantwoording van de vraag of aan iemand die een situatie in het leven roept of laat voortbestaan die voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, de eis kan worden gesteld dat hij met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen neemt, moet worden gelet op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en op de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen. 

5. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het open trapgat op de brug van de “Star Gran” een gevaarlijke situatie oplevert voor een loods die niet de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid in acht neemt. Dit geldt met name in de – in dit geval aan de orde zijnde – situatie waarin de loods zijn werkzaamheden verricht tijdens de nachtelijke uren (terwijl in het kader van de veiligheid tijdens de navigatie en het manoeuvreren op de brug zo min mogelijk verlichting wordt gevoerd), de navigatie van het schip zeer veel concentratie vergt van de loods en hij zijn blik in verband met die navigatie voornamelijk via de ramen naar buiten moet richten. Het hof verwijst in dit verband tevens naar het ongevalsrapport van de Arbeidsinspectie, waarin het open trapgat in de onderhavige situatie wordt aangemerkt als mogelijk valgevaar (rapport van 22 februari 2001, prod. 1 bij dagv.). De omstandigheden dat de “Star Gran”, zoals door Grieg gesteld, voldoet aan de Noorse en internationale veiligheidseisen, dat langs de trap gedimde verlichting aanwezig was en dat zich - volgens Grieg – niet eerder ongevallen hebben voorgedaan, brengt het hof niet tot een ander oordeel op dit punt. 

6. Met betrekking tot de vraag of aan Grieg de eis kon worden gesteld dat zij, met het oog op deze gevaarlijke situatie, bepaalde veiligheidsmaatregelen zou nemen, overweegt het hof als volgt. Het hof acht enerzijds aannemelijk dat een loods, die er mee op de hoogte is dat de brug van een schip niet altijd hetzelfde is ingericht en dat er ook schepen zijn (zoals de “Star Gran”) die niet één maar twee trappen hebben die in het stuurhuis uitkomen, zich in het algemeen voorafgaande aan zijn werkzaamheden goed zal oriënteren op de situatie op het schip, in het bijzonder wanneer hij zijn werkzaamheden in het (vrijwel) donker moet uitvoeren. De kans dat een loods bij de uitvoering van zijn werkzaamheden op de brug niet de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid zal betrachten met betrekking tot de aanwezigheid van een trapgat als het onderhavige, acht het hof daarom klein. Anderzijds neemt het hof echter in aanmerking dat, indien zich deze kleine kans voordoet dat de loods onvoldoende oplettend en voorzichtig is, de kans op een ongeval door een val in het trapgat van circa 3,5 meter diep groot is, evenals de kans dat een dergelijke val (zeer) ernstige gevolgen zal hebben voor het slachtoffer. Tot slot overweegt het hof dat Grieg geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit volgt dat het treffen van veiligheidsmaatregelen ter voorkoming van een dergelijk ongeval voor haar bezwaarlijk waren. Vast staat dat zij dit na het ongeval alsnog heeft gedaan door het plaatsen van een eenvoudig hekje. Alles afwegende is het hof met de rechtbank van oordeel dat aan Grieg redelijkerwijs de eis kon worden gesteld dat zij, ter voorkoming van een ongeval als het onderhavige, het trapgat op eenvoudige wijze zou beveiligen. Nu Grieg dit niet heeft gedaan, is zij in beginsel aansprakelijk voor de door [de loods] als gevolg van het ongeval geleden schade. Grief 2 wordt derhalve verworpen. 

7. Grief 3 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.3 van het vonnis van 27 april 2005 dat er geen aanleiding is de aansprakelijkheid van Grieg jegens [de loods] te matigen. In haar toelichting op die grief verwijt Grieg [de loods] dat hij de van hem te verwachten oplettendheid en zorgvuldigheid niet in acht genomen heeft en dat hij verzuimd heeft zich tijdens zijn ongeveer drie uur durende aanwezigheid op de brug bekend te maken met de lay-out van de brug. Op grond van eigen schuld zou [de loods] volgens Grieg minstens 50% van zijn schade zelf moeten dragen. [de loods] heeft die stelling betwist, daarbij onder meer aanvoerende dat hij zich vanaf het moment dat hij aan boord is gegaan heeft belast met het geven van adviezen ten aanzien van de navigatie en manoeuvres van het schip, en dat het aan de reder is om er zorg voor te dragen dat de werkomstandigheden en de inrichting van het schip zo veilig mogelijk zijn. 

8. Het hof is van oordeel dat van een loods, die er mee op de hoogte is dat de brug van een schip niet altijd hetzelfde is ingericht en dat er ook schepen zijn (zoals de “Star Gran”) die niet één maar twee trappen hebben die in het stuurhuis uitkomen, redelijkerwijs verlangd mag worden dat hij zich voorafgaande aan zijn werkzaamheden goed oriënteert op de situatie op het schip, in het bijzonder wanneer hij zijn werkzaamheden in het (vrijwel) donker moet uitvoeren. Uit het feit dat [de loods] stelt dat hij zich niet bewust is geweest van de aanwezigheid van de betreffende (tweede) trap, moet worden afgeleid dat hij zich voorafgaande aan zijn werkzaamheden onvoldoende ter plaatse heeft georiënteerd, en dat hij onvoldoende voorzichtig en oplettend is geweest. Het ongeval is naar het oordeel van het hof mede een gevolg van de onvoldoende voorzichtigheid en oplettendheid van [de loods], die aan hem moet worden toegerekend. Alles afwegende is het hof van oordeel dat zowel de onveilige situatie van het trapgat als de onvoldoende voorzichtigheid en oplettendheid van [de loods] beide voor 50% aan het ongeval hebben bijgedragen. Dit brengt mee dat het beroep van Grieg op eigen schuld slaagt, en dat Grieg aansprakelijk is voor 50% van de door [de loods] geleden schade. [de loods] heeft geen gronden aangevoerd die leiden tot een andere verdeling op grond van de billijkheid. Grief 3 slaagt derhalve. 

9. Het voorgaande betekent dat het hof de bestreden vonnissen van de rechtbank zal vernietigen, en – opnieuw rechtdoende – Grieg zal veroordelen tot betaling aan [de loods] van 50% van de door hem geleden schade, zijnde een bedrag van € 6.126,03 met wettelijke rente. [de loods] zal worden veroordeeld tot teruggave van het teveel ontvangen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals gevorderd. De vordering van Grieg tot teruggave door [de loods] van de verstrekte belastinggarantie wordt afgewezen, nu het belang van [de loods] bij deze belastinggarantie voldoende aannemelijk is en Grieg geen zwaarwegende gronden heeft aangevoerd die aan toewijzing in de weg staan. Het hof zal in verband met de leesbaarheid het gehele dictum opnieuw formuleren. 

10. Het hof passeert de bewijsaanbiedingen van beide partijen, nu geen concreet en gespecificeerd bewijs is aangeboden van feiten die kunnen leiden tot een andere beslissing. LJN BX9954

Deze website maakt gebruik van cookies