Overslaan en naar de inhoud gaan

RBNHO 170523 fractuur middenhandsbeentje met posttraumatische artrose; knijpkracht verminderd en bewegingsbeperkingen, € 5000,00

RBNHO 170523 deel letsel in causaal verband met OD (gooien van stoelen in restaurant) vrijwaringsvordering op ass. is verjaard
- vordering VAV (€ 831.851,00) huishoudelijke hulp en zelfwerkzaamheid onvoldoende onderbouwd bij gebrek aan vza en ad-rapporten
- uit beknopte toelichting nota's kan rechtbank niet herleiden welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen;
- fractuur middenhandsbeentje met posttraumatische artrose; knijpkracht verminderd en bewegingsbeperkingen, € 5000,00

3Het geschil

in de hoofdzaak

3.1.

[eiser] vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat [gedaagde] aansprakelijk is voor alle door [eiser] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade ter zake van de mishandeling die op 13 (de rechtbank begrijpt: 18) augustus 2013 heeft plaatsgevonden;

II. [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 945.297,08, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding;

III. [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2013;

IV. [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] te betalen de wettelijke rente over de verschenen schade wegens het verlies aan verdienvermogen met een jaarschade zoals gespecificeerd in de tabel in punt 4.3.4 van de dagvaarding, over de huishoudelijke hulp met een jaarschade van € 1.920,00 en over de zelfwerkzaamheid met een jaarschade van € 514,00 vanaf 1 januari van elk jaar volgend op het jaar waarin de schade is verschenen tot de dag van de dagvaarding;

V. [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 9.466,75 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding;

VI. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente, en tot betaling van de nakosten;

VII. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de beslag- en betekeningskosten waaronder begrepen de griffiekosten.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen – samengevat – het volgende ten grondslag.

3.2.1.

[eiser] is mishandeld door [gedaagde] . [gedaagde] heeft met ijzeren stoelen in de richting van [eiser] gegooid. [eiser] is door de stoelen geraakt op zijn rechterhand en zijn knie/been. Daarnaast is hij geslagen door [gedaagde] . Voor het meermalen mishandelen van [eiser] is [gedaagde] ook door de politierechter veroordeeld. [gedaagde] heeft daarmee onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit kan hem worden toegerekend.

3.2.2.

Als gevolg van de mishandeling is ernstig letsel ontstaan aan onder andere de rechterhand van [eiser] . Er is gebleken van een breuk van de CMC-5 (5e middenhandsbeentje rechts) en posttraumatische artrose in het CMC-5 gewricht. Het opgelopen letsel staat in oorzakelijk verband met de mishandeling. Dat blijkt uit een door H. ter Linden (hierna: Ter Linden) uitgevoerde plastisch chirurgische expertise, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 1 augustus 2021, en het naar aanleiding daarvan opgestelde aanvullend advies van medisch adviseur J.H.G.J. Goossen (hierna: Goossen) van 6 augustus 2021. Daaruit blijkt ook dat de knijpkracht met de aangedane hand aanzienlijk is verminderd en dat er bewegingsbeperkingen van de rechterhand aan de orde zijn. De beperkingen zien voornamelijk op het uitvoeren van de werkzaamheden als zelfstandig chef-kok, het uitvoeren van de huishoudelijke taken, waaronder het doen van boodschappen, en het uitvoeren van klussen in en om het huis. Uit het expertiserapport blijkt dat gesproken kan worden van een percentage blijvende functionele invaliditeit van 3%. [gedaagde] moet als aansprakelijke partij de als gevolg van de mishandeling ontstane materiële en immateriële schade van [eiser] vergoeden, alsmede de buitengerechtelijke kosten. [eiser] heeft hiertoe diverse schadeposten opgevoerd.

3.3.

[gedaagde] stelt dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen. Hij voert daartoe - samengevat - het volgende aan.

3.3.1.

[gedaagde] betwist een onrechtmatige daad jegens [eiser] te hebben begaan. [gedaagde] heeft geen stoelen of een ander voorwerp gegooid die (de hand en knie/been van) [eiser] hebben geraakt. Dat volgt volgens [gedaagde] ook uit de in het geding gebrachte verklaringen van hemzelf, getuige [getuige 5] en getuige [getuige 4] .

3.3.2.

Daarnaast is geen sprake van causaal verband tussen het gooien van de stoelen en het (hand)letsel van [eiser] : [gedaagde] heeft dit letsel niet veroorzaakt. De door [eiser] ingeschakelde expertisearts is volledig afgegaan op het verhaal van [eiser] , zowel wat betreft zijn klachten als de door [eiser] gestelde beperkingen. Van enige geobjectiveerde vaststelling is geen sprake geweest. Een rapportage van een verzekeringsgeneeskundige en een arbeidsdeskundige ontbreekt. Als gevolg van de gebrekkige informatie is niet duidelijk wat de klachten en functionele mogelijkheden van [eiser] precies zijn en welke beperkingen dat oplevert bij de uitvoering van zijn werkzaamheden, huishoudelijke taken en klussen in en rondom het huis. Hierdoor kan dus - aldus nog steeds [gedaagde] - ook niet worden vastgesteld of er schade door [eiser] is geleden en wat de omvang daarvan zou zijn. Ten aanzien van de diverse schadeposten van [eiser] voert [gedaagde] verder specifiek verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in de vrijwaringszaak

3.5.

[gedaagde] vordert, samengevat, dat de rechtbank Klaverblad veroordeelt om aan [gedaagde] te betalen datgene waartoe [gedaagde] als gedaagde partij in de hoofdzaak jegens [eiser] wordt veroordeeld én de (na)kosten van de vrijwaringsprocedure, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.6.

[gedaagde] legt aan de vordering, samengevat, ten grondslag dat zijn eventuele aansprakelijkheid gedekt is onder de verzekeringsovereenkomst die ten tijde van de mishandeling op 18 augustus 2013 van kracht was tussen [gedaagde] en Klaverblad. [gedaagde] verlangt van Klaverblad dat zij uit hoofde van deze AVP-verzekering een uitkering doet aan hem ter grootte van hetgeen [gedaagde] in de hoofdzaak verschuldigd blijkt te zijn aan [eiser] . Volgens [gedaagde] heeft Klaverblad ten onrechte dekking geweigerd.

3.7.

Klaverblad stelt dat de vordering van [gedaagde] moet worden afgewezen, met veroordeling van [gedaagde] in de (na)kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Volgens Klaverblad ontbreekt dekking onder de verzekeringsovereenkomst op verschillende gronden, te weten verjaring, de opzetuitsluiting van artikel 5 van de toepasselijke polisvoorwaarden en de schending van de polisverplichtingen vanwege de te late melding van [gedaagde] van het schadevoorval, met verval van dekking tot gevolg.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

in de hoofdzaak

4.1.

In de hoofdzaak gaat het om de door [eiser] gestelde aansprakelijkheid van [gedaagde] op grond van artikel 6:162 BW.

Onrechtmatig handelen

4.2.

Allereerst moet er worden beoordeeld of er sprake is van onrechtmatig handelen van [gedaagde] jegens [eiser] , nu partijen een andere lezing hebben over wat er tijdens de ruzie op 18 augustus 2013 is voorgevallen.

4.3.

Uit de ‘Aantekening mondeling vonnis’ blijkt niet meer dan dat de politierechter [gedaagde] op 31 juli 2017 heeft veroordeeld wegens mishandeling (meermalen gepleegd). Een nadere specificatie is niet gegeven. Aan dat (onherroepelijke) vonnis komt dan ook geen dwingende bewijskracht toe als het gaat om de stelling van [eiser] dat zijn rechterhand is geraakt door stoelen die door [gedaagde] in zijn richting zijn gegooid. Aan de hand van de stukken en het verhandelde ter zitting zal de rechtbank beoordelen of het gedrag van [gedaagde] dat aan de vorderingen ten grondslag ligt, daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

4.4.

Getuigen [getuige 1] en [getuige 3] ondersteunen blijkens hun verklaringen bij de politie (zie 2.5 en 2.7) de stelling van [eiser] dat [gedaagde] een stoel richting [eiser] heeft gegooid, dat [eiser] deze afweerde en dat [eiser] hierdoor werd geraakt. Volgens [getuige 1] was dat op armhoogte. Ook [getuige 5] en [getuige 4] hebben bij de politie respectievelijk de rechter-commissaris verklaard dat [gedaagde] een stoel in de richting van [eiser] gooide (zie 2.9 en 2.14). [getuige 4] heeft bij de rechter-commissaris daarnaast verklaard dat [gedaagde] een tafel naar [eiser] heeft gegooid, die [eiser] met zijn hand heeft afgeweerd.

4.5.

De rechtbank overweegt, de getuigenverklaringen in onderling verband en samenhang overziende waaronder ook de verklaringen van [eiser] en [gedaagde] in de strafzaak, dat in rechte voldoende is komen vast te staan dat [gedaagde] stoelen naar [eiser] heeft gegooid en dat de hand van [eiser] hierdoor is geraakt. Tegenover de belastende verklaringen staan de (bij conclusie van antwoord overgelegde) ontlastende verklaringen van [getuige 5] en [getuige 4] dat de door [gedaagde] gegooide stoelen [eiser] hebben gemist. Aan deze summiere, niet-ondertekende verklaringen per e-mail hecht de rechtbank, in het licht van de eerder afgelegde verklaringen, minder waarde.

4.6.

De gedragingen van [gedaagde] kunnen naar het oordeel van de rechtbank als een onrechtmatig handelen jegens [eiser] worden aangemerkt. Dat [eiser] een breuk in zijn rechterhand heeft opgelopen is door [gedaagde] niet weersproken. Voldoende aannemelijk is dat dit letsel is veroorzaakt door het onrechtmatig handelen van [gedaagde] .


Conclusie aansprakelijkheid

4.7.

Kortom, [gedaagde] is op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk voor de materiële en immateriële schade die [eiser] als gevolg van het onrechtmatig handelen (hierna ook genoemd: de mishandeling) op 18 augustus 2013 heeft geleden en nog zal lijden. De gevorderde verklaring voor recht is toewijsbaar op de wijze zoals in de hieronder weergegeven beslissing is vermeld.

Causaal verband tussen de normschending en de gestelde schade

4.8.

Vervolgens is het in beginsel aan [eiser] om te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij schade heeft geleden en tot welke omvang, alsmede dat er sprake is van een causaal verband tussen de gestelde schade en de mishandeling. Bij de bepaling van de hoogte van schade uit een onrechtmatige daad is het uitgangspunt dat de schadevergoeding het slachtoffer zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin hij zou verkeren indien de onrechtmatige daad niet zou hebben plaatsgevonden. Dit beginsel brengt mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de feitelijke situatie na de mishandeling en de hypothetische situatie bij het wegdenken daarvan.

4.9.

Gelet hierop zal de rechtbank de door [eiser] gevorderde schadeposten hieronder afzonderlijk beoordelen.

Verlies aan verdienvermogen

4.10.

[eiser] vordert een bedrag van € 831.851,00 aan verlies aan verdienvermogen, te vermeerderen met de wettelijke rente. [eiser] stelt dat hij zijn werkzaamheden als chef-kok als gevolg van het door hem opgelopen handletsel niet meer heeft kunnen uitvoeren zoals hij dat voor de mishandeling deed. Volgens [eiser] heeft hij niet meer de winst kunnen genereren zoals hij die in de periode daarvoor had gegenereerd. Hij moest zijn eenmanszaak noodgedwongen sluiten per 1 juli 2014. [eiser] stelt verder dat hij momenteel in loondienst is bij een pizzeria in de functie van kok, maar dat hij vanwege zijn beperkingen met maximaal 20 uren per week zijn maximale verdiencapaciteit benut. Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [eiser] een berekening van de nettowinst na belasting, de jaarcijfers en het inkomen uit loondienst na 2014 overgelegd. Daarnaast heeft [eiser] een NRL berekening betreffende het verlies van arbeidsvermogen gemaakt, ingaande 1 januari 2020, waaruit volgens hem blijkt dat het gevorderde bedrag meer dan te verantwoorden is.

4.11.

[gedaagde] voert aan dat de vordering niet deugdelijk is onderbouwd. Volgens [gedaagde] is onvoldoende duidelijk welke beperkingen de gestelde klachten van [eiser] opleveren bij de uitvoering van zijn werkzaamheden. Rapportages van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige ontbreken. Verder stelt [gedaagde] dat [eiser] zijn schade opklopt, althans onvoldoende inzicht verschaft in de daadwerkelijk door hem geleden schade. Volgens [gedaagde] valt niet in te zien waarom [eiser] zijn onderneming niet meer kon exploiteren, nu hij personeel in dienst had. Het heeft er, aldus [gedaagde] , alle schijn van dat niet het beweerdelijke handletsel maar andere (financiële) problematiek de reden is geweest voor de sluiting, althans verkoop, van het restaurant per 1 juli 2014. Over het arbeidsverleden van [eiser] tussen 2014 en heden wordt verder met geen woord gerept in de dagvaarding. Bovendien zijn de door [eiser] overgelegde cijfers met betrekking tot de nettowinsten en netto jaarinkomens onbetrouwbaar, net als zijn inkomensgegevens vanaf 2013. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, kan deze exorbitante schadepost niet voor toewijzing in aanmerking komen, aldus [gedaagde] .

4.12.

Dit verweer slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd gesteld dat het gestelde verlies aan verdienvermogen in causaal verband staat met het letsel als gevolg van de mishandeling. Dit licht de rechtbank als volgt toe.

4.12.1.

Het gestelde verlies aan verdienvermogen is gebaseerd op de stelling dat [eiser] tot zijn pensionering niet meer dan 20 tot 25 uur per week kan werken. Daarbij beroept [eiser] zich op het in het geding gebrachte expertiserapport van Ter Linden en het daarop volgende advies van Goossen. In het expertiserapport is vermeld dat de door [eiser] ervaren klachten en beperkingen overwegend een reële afspiegeling zijn van de belastbaarheid. De beperkingen zijn toegespitst op het verlies van de functie van de aangedane rechterhand.
Op grond hiervan kan weliswaar worden aangenomen dat [eiser] door het handletsel als gevolg van de mishandeling beperkt is geraakt in de uitoefening van zijn werk als (chef)kok, maar daaruit blijkt nog niet wat de gevolgen zijn van het handletsel voor het verdienvermogen van [eiser] .

4.12.2.

De door [eiser] ingeschakelde deskundigen hebben zijn functionele mogelijkheden en beperkingen niet volledig in kaart gebracht. Een rapportage van een verzekeringsgeneeskundige die op basis van de bevindingen van de medisch specialist kan aangeven of en zo ja in hoeverre [eiser] beperkt en verminderd belastbaar is voor zijn werk/beroep en in het dagelijks leven (huishouden, zelfwerkzaamheid) ontbreekt.

Evenmin is een arbeidsdeskundig onderzoek verricht naar onder meer het (resterende) verdienvermogen van [eiser] : wat zou [eiser] nog kunnen, op het gebied van werk, maar ook qua huishouden en zelfwerkzaamheid. Het lag op de weg van [eiser] deskundigen op deze vakgebieden te raadplegen.

4.13.

In tegenstelling tot wat [eiser] lijkt te betogen geeft ook het rapport van Treve Advies van 7 mei 2018 dat inzicht over mogelijkheden en beperkingen in de uitoefening van arbeid niet. Het onderzoek door Treve Advies is verricht in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) waarbij de bewindvoerder onderzocht wilde zien of van [eiser] kon worden verwacht dat hij gedurende de looptijd Wsnp meer dan 25 uur per week als kok zou kunnen werken. Het ontkennende antwoord van Treve Advies vormt niet het bewijs dat [eiser] objectief beperkt is tot een arbeidsduur van 25 uur per week. Nu [eiser] het gestelde verlies aan verdienvermogen onvoldoende heeft onderbouwd met objectieve gegevens, kan deze schadepost niet voor toewijzing in aanmerking komen.

Huishoudelijke hulp

4.14.

[eiser] stelt dat hij na de mishandeling niet meer in staat is geweest om zijn aandeel in het uitvoeren van de huishoudelijke taken op te pakken, mede omdat zijn hand na het uitvoeren van zijn werk in de pizzeria overbelast is. Zijn taken zijn overgenomen door zijn vrouw. [eiser] begroot de schade met betrekking tot de huishoudelijke hulp op € 88.138,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. [eiser] heeft ter onderbouwing van zijn vordering een (aangepaste) NRL berekening betreffende huishoudelijke hulp gemaakt.

4.15.

[gedaagde] voert hiertegen gemotiveerd verweer. [gedaagde] stelt onder meer dat [eiser] zijn stelling niet heeft onderbouwd dat hij in de eerste dertien weken na de mishandeling zwaar beperkt was in het uitvoeren van huishoudelijke taken. Dit geldt eveneens voor zijn stelling dat hij vanaf 18 november 2013 vier uren per week aan hulp in de huishouding nodig heeft.

4.16.

Dit verweer slaagt. Ook ten aanzien van deze schadepost oordeelt de rechtbank dat [eiser] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat de gestelde schade in causaal verband staat met het letsel als gevolg van de mishandeling. [eiser] heeft onvoldoende onderbouwd dat hij vóór de mishandeling huishoudelijk werk verrichtte in de mate als gesteld en dat hij als gevolg van de mishandeling niet in dezelfde mate huishoudelijke werkzaamheden kan verrichten als vóór de mishandeling. Nergens blijkt uit dat [eiser] in de eerste dertien weken na de mishandeling zwaar beperkt was en dat hij vanaf 18 november 2013 vier uren per week aan hulp in de huishouding nodig heeft. Er is geen sprake van vastgestelde beperkingen op grond waarvan kan worden aangenomen dat [eiser] als gevolg van de mishandeling behoefte aan huishoudelijke hulp heeft gekregen.

4.17.

Uit het expertiserapport van Ter Linden blijkt weliswaar dat [eiser] door het letsel aan zijn rechterhand pijn, krachtsverlies en posttraumatische artrose heeft, maar dat levert op zichzelf nog geen onderbouwing van de behoefte aan huishoudelijke hulp op. Die onderbouwing kan ook niet worden gevonden in de twee overgelegde verklaringen van de (voormalige) partner(s) van [eiser] . Het lag op de weg van [eiser] de schadepost nader te onderbouwen en te concretiseren, zeker nu hij in staat is zijn werk als kok voor in ieder geval 25 uur per week te verrichten. Dat heeft [eiser] niet gedaan. De rechtbank zal de schadepost daarom afwijzen.

Zelfwerkzaamheid

4.18.

[eiser] stelt verder dat hij beperkt is in het uitvoeren van de klussen in en om het huis. Volgens [eiser] voerde hij deze klussen volledig zelfstandig uit alvorens hem de mishandeling overkwam. [eiser] begroot de schade met betrekking tot de zelfwerkzaamheid op € 19.657,20. [gedaagde] voert hiertegen gemotiveerd verweer.

4.19.

De rechtbank is van oordeel dat [eiser] tegenover het gemotiveerde verweer van [gedaagde] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat hij als gevolg van het onrechtmatig handelen schade heeft geleden door het verlies van zelfwerkzaamheid. Het gestelde verlies aan zelfwerkzaamheid is gebaseerd op de stelling van [eiser] dat hij tot zijn 70e niet meer in staat is werkzaamheden in en om het huis uit te voeren die hij vóór de mishandeling verrichtte. [eiser] heeft ter onderbouwing van zijn vordering volstaan met het in het geding brengen van een (aangepaste) NRL berekening zelfwerkzaamheid. Uit niets blijkt echter dat beperkingen zijn vastgesteld die [eiser] beletten in zijn zelfwerkzaamheid. Als die beperkingen er al zouden zijn, is bovendien niet inzichtelijk gemaakt in welke mate [eiser] dan beperkt is. Nu [eiser] heeft nagelaten een deugdelijke onderbouwing te geven voor zijn vordering, zal de rechtbank deze afwijzen.

Medische kosten

4.20.

[eiser] vordert een bedrag van € 1.500,00 voor het door hem betaalde eigen risico. [eiser] stelt dat hij zijn eigen risico voor 2013, 2014 en 2015 van respectievelijk € 350,00, € 360,00 en € 375,00 heeft opgesoupeerd aan medische kosten in verband met de mishandeling. De rechtbank acht voldoende aannemelijk, gelet op het feit dat [eiser] medische behandelingen in het ziekenhuis heeft moeten ondergaan, dat deze kosten in een zodanig verband met de mishandeling staan dat zij [gedaagde] kunnen worden toegerekend. De vordering met betrekking tot het eigen risico zal de rechtbank toewijzen tot een bedrag van € 1.085,00. Het meer gevorderde zal bij gebrek aan een onderbouwing worden afgewezen.

4.21.

[eiser] vordert verder betaling van gemaakte kosten voor de fysiotherapeut ten bedrage van € 2.100,00. [eiser] heeft deze vordering op geen enkele wijze met stukken, zoals nota’s en betaalbewijzen, onderbouwd, zodat deze vordering zal worden afgewezen.

Reis- en parkeerkosten

4.22.

[eiser] vordert een bedrag van € 450,88 aan reis- en parkeerkosten. Daartoe stelt [eiser] dat hij vijfmaal naar het ziekenhuis in Amsterdam moest en dat hij bezoeken heeft gebracht aan zijn belangenbehartigers en aan een expert op 30 juli 2021.

4.23.

De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat deze kosten in een zodanig verband met de mishandeling staan dat zij [gedaagde] kunnen worden toegerekend. De gevorderde reis- en parkeerkosten zijn toewijsbaar tot een bedrag van € 190,88. Voor toewijzing van het gevorderde bedrag van € 260,00 ‘voor de toekomst’ ziet de rechtbank bij gebrek aan een onderbouwing geen grond.

Schade aan tafel
4.24. [eiser] vordert een bedrag van € 100,00 voor een nieuwe tafel. [eiser] stelt dat hij als gevolg van de mishandeling terecht is gekomen op een tafel in zijn restaurant, die als gevolg hiervan stuk is gegaan. [eiser] heeft deze - door [gedaagde] betwiste - stelling echter niet onderbouwd. Evenmin heeft [eiser] stukken in het geding gebracht ter onderbouwing van de door hem gestelde dagwaarde van de tafel van € 100,00. De vordering zal dan ook worden afgewezen.

Smartengeld

4.25.

[eiser] stelt dat hij recht heeft op vergoeding van smartengeld. [eiser] wijst erop dat hij zeer ernstig letsel heeft opgelopen aan zijn hand waarbij al gesproken kan worden van artrose. De beperkingen en klachten zullen in de toekomst alleen maar nog verder toenemen. Hij is blijvend beperkt en als gevolg daarvan niet meer in staat zijn werkzaamheden als chef-kok voor 40 uur per week uit te voeren. Hij heeft zijn restaurant moeten sluiten en hobby’s moeten laten varen. Een en ander rechtvaardigt volgens [eiser] een vergoeding van € 10.000,00. [eiser] verwijst ter onderbouwing van zijn vordering naar drie uitspraken uit de Smartengeldgids, nummers 2152, 1775 en 729.

4.26.

[gedaagde] stelt dat de vordering geheel, althans grotendeels, moet worden afgewezen. Volgens [gedaagde] hebben de uit de Smartengeldgids geciteerde nummers tot meer letsel geleid dan in het geval van [eiser] en waren de oorzaken daarvan waren ook ernstiger of net zo ernstig als de beweerdelijke oorzaak van het letsel van [eiser] , terwijl de toegekende bedragen aan smartengeld allemaal (ruim) lager lagen dan door [eiser] gevorderd. [gedaagde] betwist dat [eiser] zeer ernstig letsel heeft opgelopen aan zijn hand. Verder wijst [gedaagde] erop dat het psychisch leed dat wordt beschreven in de aangehaalde nummers uit de Smartengeldgids in het geval van [eiser] niet aan de orde was.

4.27.

De rechtbank stelt voorop dat de rechter bij de vaststelling van de omvang van immateriële schadevergoeding acht moet slaan op alle omstandigheden van het geval, zoals in dit geval de aard en mate van verwijtbaarheid van de schadeveroorzakende gedraging, de aard van de aansprakelijkheid, de aard en de ernst van het lichamelijk letsel en, in het verlengde hiervan, de aard, ernst en duur van de pijn, het verdriet en de gederfde levensvreugde. Daarnaast moet de rechter ook letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, rekening houdend met de sindsdien opgetreden geldontwaarding.

4.28.

In dit geval staat vast dat [eiser] een handfractuur heeft opgelopen door het raken van een door [gedaagde] gegooide stoel. Dit heeft vervelende gevolgen voor [eiser] gehad, waaronder pijn en het ondergaan van medische behandelingen. Alles overziende en op basis van de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen hebben toegewezen bepaalt de rechtbank het smartengeld naar billijkheid op € 5.000,00. Voor een hoger bedrag ziet de rechtbank, mede gelet ook op wat hiervoor over de diverse schadeposten en het juridisch-causale verband is overwogen, geen aanleiding. De vordering zal tot het bedrag van € 5.000,00 worden toegewezen.

Buitengerechtelijke kosten

4.29.

[eiser] vordert een bedrag van € 9.466,75 aan buitengerechtelijke kosten. Deze kosten bestaan volgens [eiser] uit de volgende posten:

  • -

    kosten van medisch adviseur Goossen, in totaal € 2.951,60 inclusief btw;

  • -

    kosten huisarts voor het verkrijgen van medische informatie en legeskosten van de gemeente voor het verkrijgen van een uitdraai uit de GBA, in totaal € 49,25;

  • -

    kosten van de plastisch chirurgische expertise door Ter Linden, in totaal € 2.569,50 inclusief btw;

  • -

    advocaatkosten, in totaal € 3.557,40 inclusief btw;

  • -

    tweemaal eigen bijdrage in verband met verkregen toevoegingen in 2014 en 2016, in totaal € 339,00.

4.30.

De kosten buiten rechte – “kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid” en “kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte” – komen in beginsel volledig voor vergoeding in aanmerking als deze voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets (art. 6:96 lid 2 BW). Deze toets houdt in dat het (i) redelijkerwijs verantwoord moet zijn geweest om de betreffende kosten te maken en (ii) de kosten daarnaast naar aard en omvang redelijk zijn. Dit is anders voor – kort gezegd – de kosten in rechte (art. 6:96 lid 3 BW). Op deze kosten zijn de regels betreffende proceskosten van toepassing (art. 241 Rv).

4.31.

De rechtbank oordeelt dat de kosten van Goossen en Ter Linden zijn aan te merken als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder b BW, die voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank gaat ervan uit dat deze kosten in een zodanig verband staan met de mishandeling dat zij aan [gedaagde] , als ten gevolge van deze gebeurtenis geleden schade, kunnen worden toegerekend. De rechtbank acht het redelijk dat [eiser] ter onderbouwing van zijn vordering en de door hem gestelde gevolgen van de mishandeling de deskundige bijstand heeft ingeroepen. Aan de enkele stelling van [gedaagde] dat de bewijswaarde van het rapport van Ter Linden te beperkt is gaat de rechtbank voorbij. De kosten van Goossen en Ter Linden, die [eiser] met overgelegde declaraties heeft onderbouwd, zijn eveneens redelijk.

4.32.

Ook de gevorderde kosten voor het verstrekken van medische gegevens door de huisarts van [eiser] kunnen worden beschouwd als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Gelet op de overgelegde declaratie is een bedrag van € 41,80 toewijsbaar. De gevorderde legeskosten ten bedrage van € 7,45 zullen bij gebrek aan een onderbouwing worden afgewezen.

4.33.

[eiser] vordert verder advocaatkosten die tot het moment van het inleiden van de procedure neerkomen op een bedrag van € 3.557,40. Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [eiser] een overzicht met uren en bedragen overgelegd.
Volgens [gedaagde] blijkt uit dit overzicht geenszins dat het gaat om kosten die op grond van artikel 6:96 lid 2 onder b en c BW voor vergoeding in aanmerking komen. Bovendien is het niet duidelijk of de kosten worden vergoed op basis van artikel 241 Rv. Zonder afdoende onderbouwing moeten de gevorderde advocaatkosten worden afgewezen, aldus [gedaagde] .

4.34.

Artikel 241 Rv bepaalt dat ter zake van verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237 tot en met 240 Rv bedoelde kosten (lees: de proceskosten) een vergoeding plegen in te sluiten, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak, jegens de wederpartij geen vergoeding op grond van artikel 6:96 lid 2 BW kan worden toegekend. De rechter zal van geval tot geval moeten bepalen of en zo ja welke kosten behoren tot die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak, zo mede welke kosten kunnen worden toegeschreven aan werkzaamheden ter verkrijging van voldoening buiten rechte, en welke kosten daarbij binnen de ruimte van artikel 6:96 BW als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komen.

4.35.

De rechtbank constateert dat [eiser] in de dagvaarding geen toelichting heeft gegeven op het door hem overgelegde overzicht ter onderbouwing van de gevorderde advocaatkosten. Op het overzicht, dat de periode tussen 18 mei 2020 en 18 augustus 2021 betreft, staan posten zoals telefoon cliënt/derde, brief/fax/e-mail inkomend of uitkomend van cliënt of een derde, bespreking cliënt, bestuderen stukken, diversen declarabel. Het ligt niet op de weg van de rechtbank om uit te zoeken waarop deze kosten betrekking hebben (gehad) maar op de weg van (de advocaat van) [eiser] . Als nadere productie 42 heeft [eiser] nog declaratiespecificaties in het geding gebracht waarop een zeer beknopte toelichting van de werkzaamheden van zijn advocaat is gegeven. Daaruit kan de rechtbank echter zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet herleiden welke kosten binnen de ruimte van artikel 6:96 BW als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komen. Nu [eiser] heeft nagelaten een deugdelijke omschrijving te geven van de uitgevoerde werkzaamheden, kan niet worden vastgesteld dat (een deel van) de gevorderde advocaatkosten moet(en) worden aangemerkt als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en ter verkrijging van voldoening buiten rechte. De rechtbank zal de gevorderde advocaatkosten daarom afwijzen.

4.36.

Ook de post “tweemaal eigen bijdrage toevoeging” zal worden afgewezen. Deze kosten vallen onder artikel 6:96 lid 3 BW waarop de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn (artikel 241 Rv) en/of zijn gemaakt in procedures die slechts in indirect verband staan met deze procedure tegen [gedaagde] .

4.37.

Dit alles leidt tot het oordeel dat de door [gedaagde] verschuldigde kosten uit hoofde van artikel 6:96 lid 2 BW een totaalomvang hebben van (€ 2.951,60 + € 2.569,50 + € 41,80 =) € 5.562,90 inclusief btw. Het meer gevorderde zal bij gebrek aan een onderbouwing worden afgewezen.

Slotsom

4.38.

De slotsom is dat de rechtbank zal toewijzen als vergoeding voor materiële schade in totaal een bedrag van (€ 1.085,00 + € 190,88 =) € 1.275,88, als vergoeding voor immateriële schade een bedrag van € 5.000,00 en een bedrag van € 5.562,90 aan buitengerechtelijke kosten. In totaal zal dus een bedrag van € 11.838,78 worden toegewezen. [gedaagde] is gehouden dat bedrag aan [eiser] te betalen.

(etc. red. LSA LM)

 

in de vrijwaringszaak

4.44.

Omdat [gedaagde] in de hoofdzaak zal worden veroordeeld tot betaling van een schadebedrag van € 11.838,78 te vermeerderen met rente en kosten, komt de rechtbank toe aan de behandeling van de vordering in vrijwaring.

4.45.

Het meest verstrekkende verweer van Klaverblad is dat de vordering van [gedaagde] is verjaard. Dit verweer zal dan ook als eerste worden beoordeeld.

4.46.

Ter staving van haar beroep op verjaring voert Klaverblad aan dat de rechtsvordering van [gedaagde] tot het doen van een uitkering ingevolge het verjaringsregime van artikel 7:942 BW onderhevig is aan een verjaringstermijn van drie jaar, ingaande op de dag volgende op die waarop de tot uitkering gerechtigde met de opeisbaarheid daarvan bekend is geworden.
Volgens Klaverblad heeft de verjaringstermijn een aanvang genomen per november 2015 althans per 13 juli 2016. [gedaagde] had namelijk kennis genomen van de civiele vordering van [eiser] in november 2015 toen hem in de strafzaak een schadeopgaveformulier van [eiser] als benadeelde partij is toegezonden, althans uiterlijk op 12 juli 2016 toen [gedaagde] op de zitting van de politierechter aanwezig was.
Indien de civiele vordering in het kader van de strafzaak buiten beschouwing wordt gelaten geldt volgens Klaverblad dat de verjaringstermijn op 18 mei 2018 is aangevangen. Dat is de dag volgend op de dag waarop [gedaagde] door [eiser] aansprakelijk is gesteld bij aangetekende brief van 17 mei 2018.
[gedaagde] was dus zowel in november 2015 als in juli 2016 en zeker ook in mei 2018 in staat om aan Klaverblad te melden dat hij aansprakelijk was gesteld. Pas op 7 januari 2022 en daarmee ná het verstrijken van de driejarentermijn en het intreden van de verjaring is de dekkings-aanspraak mondeling kenbaar gemaakt, aldus Klaverblad.

4.47.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de daadwerkelijke bekendheid bij hem met de opeisbaarheid van de vordering jegens Klaverblad pas kwam in 2022, nadat hij de in de hoofdzaak betekende dagvaarding met zijn advocaat had besproken. Toen is ook gelijk een melding gedaan bij Klaverblad. [gedaagde] betwist dat het moment van eigen wetenschap al is ingegaan in november 2015 dan wel in juli 2016. Volgens [gedaagde] heeft hij het schadeopgaveformulier van [eiser] in de strafzaak nooit gezien en ging het op de zitting van 12 juli 2016 alleen maar over het horen van getuigen en niet over de vordering van [eiser] als benadeelde partij. Ook blijkt nergens uit dat over deze vordering is gesproken op de zitting van de politierechter van 31 juli 2017, toen [eiser] in zijn vordering niet-ontvankelijk werd verklaard. Op het moment van de aansprakelijkstelling van 17 mei 2018 ontstond er evenmin daadwerkelijke bekendheid bij [gedaagde] van een vordering op Klaverblad. Het was toen immers nog niet duidelijk wat er van [gedaagde] gevorderd zou worden en op welke grondslagen. Volgens [gedaagde] wist hij dus niets van een vordering jegens hem en kon hij dus ook niet daadwerkelijk iets weten van een opeisbare vordering van hem jegens Klaverblad.

4.48.

Het beroep van Klaverblad op verjaring slaagt. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

4.49.

Tussen partijen is niet in geschil dat artikel 7:942 BW, zoals dat sinds 1 juli 2010 luidt, op de rechtsvordering van [gedaagde] jegens Klaverblad van toepassing is.

Uit het eerste lid van artikel 7:942 BW volgt dat een rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering verjaart door verloop van drie jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de tot uitkering gerechtigde met de opeisbaarheid daarvan bekend is geworden. Volgens het tweede lid van deze bepaling wordt de verjaring gestuit door een schriftelijke mededeling, waarbij op uitkering aanspraak wordt gemaakt.

4.50.

De verjaringstermijn van het eerste lid van artikel 7:942 BW is gaan lopen de dag nadat [gedaagde] bekend is geworden met de opeisbaarheid van zijn vordering op Klaverblad. In het midden kan blijven of dit het geval was in november 2015 dan wel in juli 2016, omdat die bekendheid van [gedaagde] er zeker was op 18 mei 2018 en de daarop volgende driejarentermijn (waarbinnen [gedaagde] zijn rechtsvordering tegen Klaverbad veilig had kunnen stellen) ruimschoots was verstreken op het moment dat Klaverblad voor het eerst door [gedaagde] werd aangesproken. Dat licht de rechtbank als volgt toe.

4.51.

Het gaat in dit geval om een aansprakelijkheidsverzekering. De vordering van [gedaagde] op Klaverblad om dekking te verkrijgen werd opeisbaar toen [gedaagde] bij aangetekende brief van 17 mei 2018 (aan [gedaagde] zelf gericht, zie 2.17) in niet te mis te verstane bewoordingen door [eiser] aansprakelijk werd gesteld voor de schade ten gevolge van de mishandeling.
Anders dan [gedaagde] meent is voor de opeisbaarheid van de vordering op de verzekeraar niet bepalend de omvang van de schadevordering en evenmin op welke grondslagen de aansprakelijkstelling betrekking had. Zie in dat verband ook Kamerstukken II, 2007/08, 31 518, nr. 3 p. 25 bij het huidige artikel 7:942 BW: “Pas als de verzekerde aansprakelijk is gesteld heeft hij een opeisbare vordering op zijn verzekeraar en op dat moment neemt de termijn van drie jaren een aanvang”.2 Naar het oordeel van de rechtbank is [gedaagde] op 18 mei 2018 of kort daarna daadwerkelijk bekend geworden met die opeisbaarheid. De toenmalige advocaat van [gedaagde] heeft op 5 juni 2018 ook afwijzend gereageerd op de aansprakelijkstelling.

4.52.

Nu [gedaagde] vanaf mei 2018 daadwerkelijk in staat was een rechtsvordering in te stellen, is gelet op artikel 7:942 lid 1 BW vanaf dat moment de verjaringstermijn van drie jaren gaan lopen. Deze is vervolgens niet tijdig door een schriftelijke mededeling gestuit. Pas op 7 januari 2022 heeft (de advocaat van de) [gedaagde] Klaverblad mondeling geïnformeerd over de aansprakelijkstelling naar aanleiding van de mishandeling en aanspraak gemaakt op dekking. Dat was dus buiten de termijn van artikel 7:942 lid 1 BW. Een en ander betekent dat de rechtsvordering van [gedaagde] op Klaverblad uit hoofde van de aansprakelijkheidsverzekering, zoals Klaverblad terecht aanvoert, is verjaard. ECLI:NL:RBNHO:2023:4938

1Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juni 2022, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl met nummer ECLI:NL:HR:2022:853 (P.R. Dekker).

2Zie verder de uitspraken van het gerechtshof Amsterdam van 29 januari 2019 en 26 februari 2019, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl met nummer ECLI:NL:GHAMS:2019:223 respectievelijk ECLI:NL:GHAMS:2019:599