Zoeken

Inloggen

Artikelen

Hof 's-Hertogenbosch 040214 eigen schuld bromfietser obv verkeersgedrag 60%; ook aan regresnemend ass. komt beroep op billijkheidcorrectie toe; 35% eigen schuld

Hof 's-Hertogenbosch 040214 regres; taxibusje remt abrupt; onrechtmatig jegens achteropkomende bromfietser; wel eigen schuld 
- eigen schuld bromfietser obv verkeersgedrag 60%; ook aan regresnemend ass. komt beroep op billijkheidcorrectie toe; 35% eigen schuld

vervolg op: rb-m-burg-030310-achteropaanrijding-bromfietser-botst-op-zonder-verkeersnoodzaak-remmend-taxibusje-invloed-eigen-schuld

artikel 6:101 BW

7.7.
Het hof komt thans toe aan de beoordeling van de omstandigheden aan de zijde van [chauffeur van het taxibusje] en de omstandigheden aan de zijde van [getuige 1.] zelf die tot het ongeval hebben bijgedragen. De grieven 3 t/m 6 van Menzis hebben hier op betrekking.

omstandigheden aan de zijde van [chauffeur van het taxibusje]
7.8.
Wat het verkeersgedrag van [chauffeur van het taxibusje] betreft, is de rechtbank als niet betwist ervan uitgegaan dat [getuige 1.] voor [chauffeur van het taxibusje] tijdens het afremmen niet zichtbaar was. In dit hoger beroep, dat mede dient tot herstel van fouten in eerste aanleg, betwist Menzis met grief 3 dat [getuige 1.] voor [chauffeur van het taxibusje] tijdens het afremmen niet zichtbaar was. Grief 3 klaagt er voorts over dat de rechtbank deze omstandigheid ten nadele van [getuige 1.] heeft laten meewegen.
7.8.1.
Deze grief slaagt. Naar het oordeel van het hof is niet relevant of [chauffeur van het taxibusje] kort voordat hij afremde [getuige 1.] heeft gezien. [chauffeur van het taxibusje] moet [getuige 1.] namelijk eerder hebben gezien, toen hij hem passeerde op het moment dat [getuige 1.] bij het einde van het bromfietspad stond te wachten om op de rijbaan te gaan rijden. Gelet op de afstand tussen die plaats en de plaats van het ongeval – ongeveer 500 meter – moet [chauffeur van het taxibusje] in ieder geval hebben bemerkt dat [getuige 1.] achter hem reed. Zoals van iedere chauffeur mocht ook van [chauffeur van het taxibusje] worden verwacht dat hij met het achter hem rijdende verkeer rekening hield op het moment dat hij wilde gaan remmen. Dat geldt in dit geval eens te meer daar [chauffeur van het taxibusje] wist dat zijn zichtmogelijkheden naar achteren gelet op de constructie van de taxibus beperkt waren. Zo verklaart [chauffeur van het taxibusje] als getuige in hoger beroep dat hij de weg achter hem door zijn binnenspiegel niet kon zien. Als professioneel chauffeur diende [chauffeur van het taxibusje] rekening te houden met deze dode hoek en van hem mocht op dit punt extra alertheid worden verwacht. Vaststaat echter dat [chauffeur van het taxibusje] dat niet heeft gedaan. Het hof neemt ten aanzien van het verkeersgedrag van [chauffeur van het taxibusje] naast het abrupt en plotseling zonder verkeersnoodzaak remmen ook deze omstandigheid in aanmerking.

eigen schuld [getuige 1.]
7.9.
De rechtbank heeft eigen schuld van [getuige 1.] aangenomen, meer in het bijzonder heeft de rechtbank aangenomen dat [getuige 1.] te dicht op de bus reed (volgens zijn eigen verklaring was de afstand 5 à 6 meter), dat hij in elk geval 35 km/u en mogelijk harder reed en dat hij niet steeds op het busje voor hem lette (hij heeft tot twee keer toe op de kilometerteller gekeken). De grieven 4, 5 en 6 zijn tegen deze oordelen gericht.
7.9.1.
Het hof overweegt als volgt. Dat een bestuurder van een motorvoertuig zicht op zijn snelheid moet houden, zoals Menzis terecht stelt, doet er niet aan af een bestuurder ook zicht dient te houden op het verkeer, meer in het bijzonder op het voor hem rijdende verkeer. Een bestuurder, en dus ook [getuige 1.], dient voorts te allen tijde voldoende afstand te houden ten opzichte van het voor hem rijdende verkeer. Aangezien [getuige 1.] zelf heeft verklaard dat hij ongeveer 5 à 6 meter achter de taxibus reed, heeft hij onvoldoende afstand gehouden. Dit geldt in dit geval eens te meer omdat [getuige 1.] een kruispunt naderde en hij daarom juist rekening diende te houden met de mogelijkheid dat het voor hem rijdende verkeer zou afremmen. Net als iedere verkeersdeelnemer diende ook [getuige 1.] bovendien rekening te houden met fouten van andere weggebruikers, zoals in casu het abrupt en plotseling en zonder verkeersnoodzaak remmen van [chauffeur van het taxibusje]. [getuige 1.] diende zijn verkeersgedrag daar in redelijke mate op af te stemmen. Nu op grond van de eigen verklaring van [getuige 1.] tevens vaststaat dat hij in ieder geval 35 km/u reed, leidt de combinatie van genoemde omstandigheden ertoe dat [getuige 1.] niet in staat was, toen de taxibus remde, ook zelf zodanig af te remmen dat een botsing werd voorkomen. [getuige 1.] verklaart zelf dat hij niet eens meer heeft kunnen remmen. [getuige 1.] heeft derhalve de verkeersregel van artikel 19 RVV overtreden, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen. Genoemde gedragingen zijn [getuige 1.] toe te rekenen.
7.9.2.
De rechtbank heeft dan ook terecht eigen schuld van [getuige 1.] aangenomen.
Derhalve falen de grieven 4 t/m 6.
weging wederzijdse omstandigheden

7.10.
Het hof is van oordeel dat, de gedragingen van [chauffeur van het taxibusje] en van [getuige 1.] als oorzaken van de aanrijding tegen elkaar afwegend, het ongeval meer aan de gedragingen van [getuige 1.] dan aan de gedragingen van [chauffeur van het taxibusje] is toe te rekenen. Het onvoldoende afstand houden, het niet goed opletten op het voorliggend verkeer in combinatie met een snelheid van in ieder geval 35 km/u, heeft ook naar het oordeel van het hof meer het gevaar van een aanrijding in het leven geroepen dan het plotseling en abrupt zonder verkeersnoodzaak remmen door [chauffeur van het taxibusje], ook indien daarbij in aanmerking wordt genomen dat [chauffeur van het taxibusje] wist dat [getuige 1.] achter hem reed. Het hof komt evenwel tot een andere causaliteitsverdeling dan de rechtbank – die 25% voor [chauffeur van het taxibusje] en 75% voor [getuige 1.] heeft aangenomen - aangezien het hof [chauffeur van het taxibusje] meer verwijt dan enkel het zonder verkeersnoodzaak remmen. Het hof is van oordeel dat het verkeersgedrag van [getuige 1.] voor 60% en dat van [chauffeur van het taxibusje] voor 40% aan het ongeval hebben bijgedragen.
Hieruit volgt reeds dat ook grief 7 van [getuige 1.] faalt. Anders dan [getuige 1.] betoogt, is het ongeval immers niet enkel toe te rekenen aan [chauffeur van het taxibusje].

7.11.
Dit betekent dat in beginsel [chauffeur van het taxibusje], althans zijn verzekeraar Achmea, verplicht is de schade van [getuige 1.] voor 40% te vergoeden en dat 60% voor rekening van Menzis, de zorgverzekeraar van [getuige 1.], dient te blijven.

billijkheidscorrectie
7.12.
De rechtbank heeft in deze zaak in de relatie tussen [getuige 1.] en Achmea de billijkheidscorrectie toegepast en op grond van art. 6:101 lid 1 (slot) BW geoordeeld dat de billijkheid een andere verdeling van de schade eiste. Dienaangaande heeft de rechtbank geoordeeld dat [getuige 1.] als bromfietser een veel groter risico op aanzienlijke schade liep dan [chauffeur van het taxibusje] als bestuurder van een taxibusje, dat de schade van [getuige 1.] ook aanzienlijk is en hem persoonlijk betreft aangezien hij voor de rest van zijn leven rolstoelafhankelijk zal zijn. Mede gelet op zijn jonge leeftijd ten tijde van het ongeval is [getuige 1.] daardoor zwaar getroffen. Onder die omstandigheden, en in aanmerking nemend dat zowel [chauffeur van het taxibusje] als [getuige 1.] een verkeersfout heeft gemaakt, vordert volgens de rechtbank de billijkheid dat de vastgestelde schadeverdeling van 25% voor [chauffeur van het taxibusje] tegenover 75% voor [getuige 1.] wordt gecorrigeerd en wel zo dat [getuige 1.] en [chauffeur van het taxibusje] – en dus Achmea – ieder daarvan 50% dragen. Ten aanzien van de vordering van Menzis – een regresnemer – overweegt de rechtbank dat de billijkheidscorrectie slechts tot een bijstelling van beperkte omvang kan leiden en dat de genoemde omstandigheden de rechtbank niet tot die correctie brengen. Ten aanzien van Menzis liet de rechtbank mitsdien de verdeling 25% - 75% in stand. Volgens grief 8 van Menzis is dit oordeel niet juist.
7.12.1.
Het hof stelt voorop dat [getuige 1.] in de onderhavige zaak geen partij is. Dit betekent dat het hof bij de beantwoording van de vraag of Menzis een beroep op de billijkheidscorrectie toekomt, uit dient te gaan van de door rechtbank ten opzichte van [getuige 1.] in aanmerking genomen omstandigheden, die op zichzelf door Achmea niet zijn bestreden. Dienaangaande oordeelt het hof als volgt.
7.12.2.
Menzis beroept zich in dit verband op HR 2 juni 1995, NJ 1997, 700-702 en HR 5 december 1997, NJ 1998, 400. Op grond van deze vaste jurisprudentie geldt dat ook een regresnemend verzekeraar een beroep kan doen op de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 BW. Daarbij moeten alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen, zowel aan de zijde van de bestuurder als aan de zijde van het verkeersslachtoffer. Menzis is van oordeel dat de door de rechtbank ten opzichte van [getuige 1.] in aanmerking genomen omstandigheden ook ten opzichte van haar tot toepassing van de billijkheidscorrectie moeten leiden.
7.12.3.
Voor alle duidelijkheid merkt het hof op dat het in deze zaak niet gaat om de zogenaamde 50 c.q. 100% regel die geldt ingeval van een aanrijding van een voetganger respectievelijk een kind jonger dan 14 jaar. Voor die gevallen heeft de Hoge Raad uitdrukkelijk geoordeeld dat voor deze standaardisering bij regresvorderingen van verzekeraars geen plaats is.
Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 5 december 1997, NJ 1998, 400, waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de billijkheidscorrectie ook bij een regresvordering mogelijk is en niet is beperkt tot bijzondere omstandigheden, is er naar het oordeel van het hof gelet op de omstandigheden aan de kant van [getuige 1.] hier geen aanleiding om de billijkheidscorrectie ten aanzien van Menzis niet toe te passen. Anders dan Achmea stelt, kan uit HR 24 september 2004, NJ 2005, 466 niet worden afgeleid dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen het slachtoffer zelf en zijn ziektekostenverzekeraar. In die zaak was in cassatie namelijk niet geklaagd over het niet toepassen door het hof van de billijkheidscorrectie ten opzichte van de ziektekostenverzekeraar. De Hoge Raad heeft zich daarover in dat arrest dan ook niet uitgelaten.
Menzis heeft derhalve terecht een beroep gedaan op de subjectieve omstandigheden aan de zijde van [getuige 1.], te weten de ernst van het letsel ten gevolge waarvan hij zijn hele leven rolstoelafhankelijk zal zijn, waardoor [getuige 1.] gelet op zijn jeugdige leeftijd zwaar is getroffen. Het hof past ten aanzien van Menzis dezelfde correctie toe als de rechtbank ten aanzien van [getuige 1.] heeft toegepast, dus 25%. Dit betekent dat 65% (40% + 25 %) van de schade voor rekening van [chauffeur van het taxibusje], dus Achmea, komt en 35% ten laste van Menzis blijft.
In zoverre slaagt de grief.
7.12.4.
Voor zover de grief betoogt dat het hof naast de door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden tevens in aanmerking dient te nemen dat [getuige 1.] een kwetsbare verkeersdeelnemer is, faalt de grief. Dit is immers al verdisconteerd in de omstandigheid dat [getuige 1.] als bromfietser een veel groter risico liep op aanzienlijke schade, dus kort gezegd de ernst van het letsel.ECLI:NL:GHSHE:2014:206

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies