Overslaan en naar de inhoud gaan

HR 111194 negeren stopcommando bij judo is onrechtmatige daad; geen ES

HR 111194 negeren stopcommando bij judo is onrechtmatige daad; geen ES

3. Uitgangspunten

Hierna kan van het volgende worden uitgegaan.

Op 16 november 1978 namen [eiser] en [verweerder] deel aan een judoles, die zij als leden van de gemeentepolitie gehouden waren te volgen. Onder leiding van instructeur [de instructeur] werden werptechnieken geoefend. [eiser], [verweerder] en [de instructeur] waren in dienst van de Gemeente. Tengevolge van een door [eiser] ingezette worp is [verweerder] zo ongelukkig op de grond terecht gekomen dat hij letsel heeft opgelopen, welk letsel heeft geleid tot een post-traumatisch cervicaal syndroom, ook wel "whiplash-injury" genoemd.

De Rechtbank heeft, uitgegaande van de juistheid van de door [verweerder] gegeven lezing van de toedracht, te weten, dat [eiser] de schouderworp heeft ingezet, nadat [de instructeur] een stopcommando had gegeven, aan [eisers] opgedragen te bewijzen dat kort voor de fatale schouderworp, door [eiser] met [verweerder] uitgevoerd, geen stopcommando door [de instructeur] is gegeven en dat voor zover een dergelijk commando wel is gegeven, dit pas is geschied toen de schouderworp al door [eiser] was ingezet en niet meer kon worden afgebroken.

Het Hof heeft de hiertegen gerichte grieven ongegrond geoordeeld.

4. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep

De Rechtbank heeft [eisers] voormeld bewijs opgedragen, na te hebben overwogen dat zij, gelet op de ondersteuning van de lezing van [verweerder] door het rapport van de instructeur [de instructeur] er "voorshands" van uitgaat dat deze lezing de juiste is en dat, als daarvan wordt uitgegaan, [eisers] aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het aan [verweerder] overkomen ongeval. Het Hof heeft, dit vonnis bekrachtigend, overwogen dat voorshands moet worden aangenomen dat [eiser] zich ten opzichte van [verweerder] heeft schuldig gemaakt aan een onrechtmatige daad door niet te reageren op het stopcommando van [de instructeur]. Met betrekking tot dit commando heeft het Hof geoordeeld dat "vooralsnog" - behoudens door [eisers] te leveren tegenbewijs - ervan dient te worden uitgegaan dat het door [de instructeur] metterdaad is gegeven.

[verweerder] heeft betoogd dat de beslissing van het Hof blijkens het gebruik van de woorden "voorshands moet worden aangenomen" een voorlopige uitspraak is, dus geen bindende waarop niet kan worden teruggekomen, zodat cassatieberoep op grond van art. 399 Rv. niet openstaat en [eisers] in hun beroep niet ontvankelijk moeten worden verklaard.

De Hoge Raad verwerpt dit betoog. Het Hof heeft, in navolging van de Rechtbank, geoordeeld dat [eisers] aansprakelijk zijn, zo zij niet slagen in het hun opgedragen bewijs. Daaraan kan niet afdoen dat het Hof hier enigszins misleidend de term "voorshands" heeft gebezigd waar het kennelijk slechts heeft bedoeld dat het de lezing van [verweerder], behoudens tegenbewijs, bewezen heeft geoordeeld. Die beslissing is uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven. [eisers] zijn derhalve ontvankelijk in hun cassatieberoep.

5. Beoordeling van het middel

5.1 De onderdelen 1.1 en 1.2 keren zich met respectievelijk een rechtklacht en een motiveringsklacht tegen 's Hofs oordeel dat voorshands moet worden aangenomen dat [eiser] zich ten opzichte van [verweerder] heeft schuldig gemaakt aan een onrechtmatige daad door niet te reageren op het stopcommando van [de instructeur] en door te gaan met de oefening (rov. 4.2).

De onderdelen voeren aan dat het Hof heeft miskend dat niet reeds het enkele overtreden van de spelregels, waaronder regels ter bescherming van de veiligheid van de spelers, onrechtmatig is, en dat de overtreding van een spelregel slechts een factor is die meeweegt bij de beoordeling van de onrechtmatigheid, althans dat het Hof zijn oordeel in het licht van bedoelde maatstaf ongenoegzaam heeft gemotiveerd.

De onderdelen zijn tevergeefs voorgesteld. Het Hof heeft niet blijk gegeven van een andere rechtsopvatting dan die welke is aanvaard in HR 28 juni 1991, NJ 1992, 622, en die de onderdelen terecht tot uitgangspunt nemen.

Het Hof heeft overwogen dat de aan de judosport verbonden risico's, die aan [eiser] bekend waren, meebrengen dat "het van zeer groot belang (is) dat de deelnemers acht slaan op en gevolg geven aan aanwijzingen van scheidsrechters, instructeurs e.d. ".

Kennelijk heeft het Hof de omstandigheid dat [eiser] op dat punt in gebreke is gebleven, naar het Hof voorshands heeft aangenomen, aangemerkt als een zo zwaarwegende factor dat deze nalatigheid [eiser] moet worden aangerekend als een onrechtmatige daad. Zoals hierna in 5.3 nog wordt overwogen, heeft het Hof het grote belang dat het eraan heeft gehecht dat op het stopcommando terstond acht wordt geslagen hierop gegrond dat de deelnemers na dat commando, anders dan daarvóór, niet langer behoeven te verwachten dat zij op de grond zullen worden geworpen.

's Hofs oordeel geeft derhalve niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting; het is niet onbegrijpelijk en behoefde niet nader te worden gemotiveerd.

5.2 Onderdeel 1.3 kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Anders dan het onderdeel veronderstelt, heeft het Hof niet geoordeeld dat het acht slaan op en gevolg geven aan de aanwijzingen van scheidsrechters, instructeurs e.d. niet behoort tot de spelregels die de onderhavige tak van sport beheersen.

5.3 Onderdeel 2 strekt ten betoge dat zonder nadere redengeving niet valt in te zien waarom de fout van [eiser] ernstig is, terwijl het Hof ervan is uitgegaan dat de gedragingen van [eiser] niet onrechtmatig zijn indien komt vast te staan dat geen stopcommando is gegeven, dan wel is gegeven op zodanig moment dat de worp niet kon worden afgebroken. Het onderdeel faalt. Het Hof heeft zijn oordeel omtrent de onrechtmatigheid van het gedrag van [eiser] kennelijk gegrond op de overweging dat, zolang geen stopcommando was gegeven, [verweerder] rekening diende te houden met een door [eiser] uit te voeren worp, maar dat [verweerder] zulks niet behoefde te verwachten nadat de instructeur een dergelijk commando had gegeven. 's Hofs oordeel is niet onbegrijpelijk en genoegzaam gemotiveerd.

5.4 Onderdeel 3 keert zich met motiveringsklachten tevergeefs tegen 's Hofs oordeel dat het feit dat [eiser] het stopcommando van de instructeur niet gehoord heeft, hem niet disculpeert, nu geen relevante feiten of omstandigheden zijn gesteld, die dit niet horen rechtvaardigen (rov. 4.2). Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de les zich afspeelde in een kleine zaal, waarin zich destijds niet meer dan tien personen bevonden en dat, volgens de verklaring van [de instructeur], de ramen van het op de derde verdieping gelegen sportzaaltje gesloten waren en geen hinder van het straatverkeer ondervonden werd.

Dit oordeel is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Voor zover het onderdeel veronderstelt dat het Hof heeft aangenomen dat [eiser] het stopcommando wel heeft gehoord, mist het feitelijke grondslag en kan het om die reden niet tot cassatie leiden.

5.5 Onderdeel 4.1 keert zich tegen 's Hofs verwerping van het door [eisers] gedane beroep op medeschuld van [verweerder]. Het onderdeel voert aan dat een beoefenaar van de judosport die zich in de omstandigheden bevindt, als door het Hof met betrekking tot [verweerder] aangenomen, ermee rekening dient te houden dat degene met wie hij de sport beoefent, niet terstond gevolg zal geven aan een commando als het onderhavige, en zulks van belang is, niet voor het antwoord op de vraag of sprake is van medeschuld van de speler jegens wie de overtreding is begaan, maar voor de beoordeling van de onrechtmatigheid van de gedragingen van de andere speler.

Het onderdeel faalt. Het Hof heeft geoordeeld dat [verweerder] niet erop verdacht behoefde te zijn dat [eiser] de oefening zou voortzetten. Daarin ligt besloten 's Hofs verwerping van de stelling dat [verweerder] ermee rekening diende te houden dat [eiser] geen gevolg zou geven aan het commando. 's Hofs oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting; het is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

5.6 De onderdelen 4.2 en 4.3, die beide tot uitgangspunt nemen dat [verweerder] ermee rekening had behoren te houden dat [eiser] geen gevolg zou geven aan het stopcommando, bouwen voort op het vorige onderdeel en moeten dus het lot daarvan delen. Hoge Raad 11 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1533
zie ook Parket bij de Hoge Raad 23 september 1994, ECLI:NL:PHR:1994:54