Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Rotterdam 181013 wg-er niet aansprakelijk voor val wn-er bij gladheid op openbare weg naar fietsenhok

Rb Rotterdam 181013 wg-er niet aansprakelijk voor val wn-er bij gladheid op openbare weg naar fietsenhok;
- kosten begroot op 12 uur, 6 uur voortraject en 6 uur verzoekschrift en zitting, x € 300,- + 6% + BTW

4. Het verweer

4.1 Het verweer strekt tot afwijzing van het verzoek.

4.2 Sator stelt zich op het standpunt dat zowel artikel 7:658 BW als 6:162 BW geen grondslag biedt voor het verzoek. Daartoe heeft zij het volgende aangevoerd:
- Artikel 7:658 lid 4 BW is jegens Sator niet van toepassing nu de schoonmaak- werkzaamheden die [Verzoekster], in dienst van CSU, verricht feitelijk niet tot de bedrijfsvoering van Sator behoren. Sator houdt zich bezig met deelnemen en financieren van ondernemingen op het gebied van de handel in ijzerwaren, gereedschappen, automaterialen, auto-onderdelen en toebehoren. Zij heeft het schoonmaakwerk volledig uitbesteed aan CSU. Bovendien had Sator geen zeggenschap over [Verzoekster]. De leiding was in handen van een meewerkend “voorman”, in dienst van CSU.
- Ook artikel 6:162 BW is niet van toepassing. Primair geldt dat de valpartij plaatsvond op de openbare weg (en dus geen verbindingsweg) en dat Sator niet verantwoordelijk is voor het onderhoud van de ongevalsplek. Daar komt bij dat [Verzoekster] wist dat het glad was en dat er een risico was om uit te glijden. Indien aansprakelijkheid wordt aangenomen, wordt subsidiair aangevoerd dat er sprake is van een zodanige mate van schuld aan de zijde van [Verzoekster] dat de eventuele schadevergoedingsverplichting van Sator op nihil moet worden gesteld.

4.3 CSU heeft primair gesteld dat haar zorgplicht ex artikel 7:658 BW uitsluitend geldt ten aanzien van werkzaamheden die door [Verzoekster] op de werkplek worden verricht. Hiervan was in casu geen sprake, aangezien de valpartij plaatsvond op de openbare weg (en dus geen verbindingsweg) nadat [Verzoekster] haar werkzaamheden al had beëindigd. De weg behoort niet tot de arbeidsplaats en is geen op de arbeidsplaats gelegen verbindingsweg. Subsidiair is er geen sprake van schending van de zorgplicht van CSU jegens [Verzoekster].

4.4 Ten slotte menen verweerders dat de door [Verzoekster] becijferde buitengerechtelijke kosten bovenmatig zijn. Zij betwisten de redelijkheid van de door [Verzoekster] gestelde tijdsbesteding en uurtarief van haar gemachtigde.

5. De beoordeling

5.1 Voor de behandeling van een zaak als deelgeschil in de zin van artikel 1019w Rv is vereist dat de gevraagde beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. In dat kader heeft [Verzoekster] gesteld dat tussen partijen de nodige correspondentie heeft plaatsgevonden, maar dat de aansprakelijkheid nog steeds niet door (één van de) verweersters wordt erkend, zodat [Verzoekster] zich genoodzaakt ziet om de aansprakelijkheidsvraag aan de deelgeschilrechter voor te leggen.
Geoordeeld wordt dat voldoende gebleken is dat beslechting van het geschil over de aansprakelijkheid kan bijdragen aan een verdere oplossing van het geschil. De vraag of verweersters aansprakelijk zijn, althans een van hen aansprakelijk is, voor de schade van [Verzoekster] is een vraag die in een deelgeschilprocedure behandeld kan worden, tenzij met de beantwoording van deze vraag veel tijd als gevolg van bewijslevering en deskundigenberichten gemoeid zal zijn. Dit is in het onderhavige geval echter niet aan de orde, waardoor het verzoek als deelgeschil beoordeeld kan worden. Tussen partijen bestaat immers nauwelijks verschil van mening over de relevante feiten. In het kader van dit deelgeschil zal uitsluitend worden beslist over de aansprakelijkheid, en zal dus geen oordeel w'orden gegeven over de schade en de hoogte daarvan.

Aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW
5.2 Op grond van artikel 7:658 BW lid 2 BW is de werkgever jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij zijn zorgplicht zoals bedoeld in lid 1 van dat artikel is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Ingevolge lid 4 van dat artikel is ook de inlener aansprakelijk voor deze schade.

5.3 Tussen partijen is onder meer in geschil de vraag of de weg waarop [Verzoekster] is uitgegleden moet worden aangemerkt als een verbindingsweg, op grond waarvan Sator in de zin van artikel 3.14 Arbeidsomstandighedenbesluit verplicht is om deze weg sneeuw- en ijsvrij te maken en/of te houden. Overwogen wordt als volgt.
Ingevolge voormeld artikel is de werkgever verplicht ervoor te zorgen dat de verbindingswegen op de arbeidsplaats – dat zijn de routes waarlangs werknemers zich verplaatsen tijden het werk – zodanig zijn gelegen en ingericht dat zij op eenvoudige wijze, veilig en overeenkomstig hun bestemming, door voetgangers en voertuigen of transportmiddelen kunnen worden gebruikt. Op grond van artikel 1 lid 3 sub g Arbeidsomstandighedenwet wordt onder arbeidsplaats verstaan: iedere plaats die in verband met het verrichten van arbeid wordt of pleegt te worden gebruikt.
In de eerste plaats hebben verweersters, onder verwijzing naar het kadaster, aangevoerd dat de weg waarop [Verzoekster] is uitgegleden een openbare weg is en dus niet tot het bedrijfsterrein behoort – hetgeen niet door [Verzoekster] is weersproken zodat Sator in beginsel geen zeggenschap heeft over die weg. Verder is ter zitting gebleken dat de weg niet alleen leidt naar het fietsenhok van Sator, maar verder gaat langs de andere kantoorpanden in de straat, zodat ook de andere bedrijven via deze (openbare) weg bereikbaar zijn. In dat verband heeft Sator aangevoerd dat de weg ook door werknemers van naburige panden wordt gebruikt om op hun werk te komen, terwijl die weg ook benut kan worden door bezoekers en klanten van die bedrijven. Aldus kan niet worden vastgesteld dat deze weg uitsluitend wordt gebruikt door de (ingeleende) werknemers van Sator. Bovendien geldt dat, voor zover de werknemers van Sator gebruik maken van de weg, dit geschiedt in het kader van woon-werk verkeer en niet in de uitoefening van de werkzaamheden. Deze omstandigheden leiden tot het oordeel dat de weg niet kan worden aangemerkt als ‘een verbindingsweg op de arbeidsplaats’ zodat artikel 3.14 Arbeidsomstandighedenbesluit toepassing mist.

5.4 Nu [Verzoekster] na werktijd is uitgegleden op de openbare weg die niet behoort tot de arbeidsplaats van Sator, is er geen sprake van schade die zij heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden, zodat het beroep van [Verzoekster] op artikel 7:658 BW reeds om die reden niet kan slagen. Dit geldt zowel ten aanzien van Sator als CSU. Het verweer van Sator dat artikel 7:658 lid 4 BW in dit geval niet van toepassing is, behoeft daarom geen verdere bespreking meer.

Aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW

5.5 Ook artikel 6:162 BW biedt geen grondslag voor het verzoek. Zoals reeds overwogen heeft het ongeval plaatsgevonden op de openbare weg waar Sator geen zeggenschap over heeft. Niet gebleken is dat Sator, doordat zij niet heeft gestrooid op de betreffende weg, in strijd heeft gehandeld met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Er is dan ook geen sprake van een onrechtmatig handelen dan wel toerekenbaar gevaarscheppend gedrag van Sator jegens [Verzoekster].

5.6 Het voorgaande brengt met zich dat het verzoek van [Verzoekster] om te verklaren voor recht dat CSU en Sator hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het onderhavige ongeval moet worden afgewezen.

De (buitengerechtelijke) kosten
5.7 Uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 1019aa Rv volgt dat ook als het verzoek op grond van artikel 1019z Rv wordt afgewezen, de kosten van de procedure dienen te worden begroot en dat dit alleen dan uitzondering lijdt indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Niet gezegd kan worden dat [Verzoekster] deze procedure volstrekt onnodig of onterecht heeft ingesteld. Derhalve zullen de aan de zijde van [Verzoekster] in verband met dit verzoek gemaakte redelijke kosten thans worden begroot. Die kosten worden, mede gelet op het door CSU en Sator daartegen gevoerde verweer, waarop (de gemachtigde van) [Verzoekster] ter zitting niet meer is ingegaan, in redelijkheid begroot op € 3.816,- exclusief BTW. De kantonrechter is daarbij uitgegaan van het door [Verzoekster] zelf genoemde uurtarief van € 300,- vermeerderd met 6% kantoorkosten en een redelijke tijdsbesteding van in totaal 12 uur, te weten 6 uur in het voortraject en 6 uur voor het opstellen van het verzoekschrift en de werkzaamheden tijdens en rondom de zitting. Voor de goede orde zij daarbij opgemerkt dat dit bedrag eerst verschuldigd is indien de aansprakelijkheid van de desbetreffende partij vaststaat.www.stichtingpiv.nl/

Deze website maakt gebruik van cookies