Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb Limburg 090413 afwijzing aanvraag Schadefonds Geweldsmisdrijven ogv termijnoverschrijding onterecht; verschoonbare overschrijding

Rb Limburg 090413 afwijzing aanvraag Schadefonds Geweldsmisdrijven ogv termijnoverschrijding onterecht; verschoonbare overschrijding

Overwegingen

1. Namens eiseres, die op 11 oktober 1982 is geboren, is op 13 september 2011 een aanvraag ingediend voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Bij de aanvraag is aangegeven dat eiseres in de periode van 1993 tot en met 1996 het slachtoffer is geworden van seksueel misbruik, mishandeling en bedreiging, gepleegd door haar vader.

2. Bij het primaire besluit van 19 januari 2012 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat de aanvraag niet binnen de in artikel 7, eerste lid, van de Wsg gestelde termijn van drie jaren na de dag waarop het geweldsmisdrijf is gepleegd, is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is geacht. Daartoe heeft verweerder overwogen dat de aanvraag noch is ingediend binnen zes maanden nadat het slachtoffer met een derde over het misdrijf heeft gesproken, noch binnen drie maanden nadat de aanvrager bekend is geworden met het Schadefonds. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de omstandigheid dat de aanvraag eerst na enig beraad en nadat via Jeugdzorg en de Kinderbescherming de nodige documentatie is verzameld, is ingediend geen aanleiding geeft om aan te nemen dat het voor eiseres redelijkerwijs niet mogelijk was om de aanvraag eerder, dat wil zeggen binnen genoemde termijn van drie maanden, in te dienen.

3. Het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar heeft verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft zijn standpunt gehandhaafd dat is gebleken dat eiseres voorafgaand aan de bezwaarprocedure ten behoeve van de aanvraag van haar zus (waarvan het bezwaar op 25 maart 2011 is ontvangen) door haar gemachtigde, P.H.E. Scheres, op de hoogte is gesteld van het bestaan van het Schadefonds. Dat eiseres niet binnen drie maanden een vormvrije aanvraag heeft ingediend, is de verantwoordelijkheid van eiseres, aldus verweerder. Verder is in dit verband opgemerkt dat er op 2 september 2011 nadere werkafspraken zijn gemaakt omtrent aanvragen die buiten de daarvoor geldende termijn zijn ingediend, waardoor de aanvraag van eiseres, anders dan die van haar zus, onverschoonbaar te laat is ingediend.

4. Namens eiseres wordt in beroep – kort samengevat – aangevoerd dat de aanvraag binnen drie maanden nadat eiseres op de hoogte kwam van het bestaan van het Schadefonds is ingediend omdat de heer [naam] haar op of omstreeks 20 juni 2011 daarop heeft gewezen. Subsidiair is aangevoerd dat – indien sprake is van beleidsregels als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ten aanzien van de beoordeling van de verschoonbaarheid van de overschrijding van de wettelijke termijn – dat beleid ongeldig is, omdat het niet op juiste wijze is bekendgemaakt. Meer subsidiair is aangevoerd de het beleid niet blijft binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Voor zover sprake is van een interne gedragslijn is aangevoerd dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheden van het geval nu er zwaarwegende redenen zijn aangevoerd voor de termijnoverschrijding. Ten slotte is betoogd dat uit de informatie op de website blijkt dat een aanvraag zo volledig mogelijk moet zijn en dat eiseres niet kan worden tegengeworpen dat zij geen kale aanvraag heeft ingediend.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. In artikel 7 van de Wsg is - voor zover hier van belang - bepaald dat een verzoek om een uitkering bij het fonds moet worden ingediend binnen drie jaar na de dag waarop het misdrijf is gepleegd. Een na afloop van de termijn ingediend verzoek wordt niettemin behandeld, indien blijkt dat het verzoek zo spoedig is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd.

7. Ter invulling van het criterium ‘zo spoedig is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd’ heeft verweerder op 2 september 2011 werkafspraken gemaakt die dienen te worden aangemerkt als een vaste gedragslijn die niet extern bekend is gemaakt. Vanaf die datum is verweerder bij aanvragen, die buiten de wettelijke termijn zijn ingediend, gaan onderzoeken op welke datum de aanvrager met het bestaan van het Schadefonds bekend is geworden. Bij de toepassing van die interne gedragslijn wordt als criterium gehanteerd dat een aanvraag (altijd) zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs kan worden verlangd, is ingediend, indien de aanvraag is ingediend binnen drie maanden nadat de aanvrager bekend is geworden met het bestaan van het Schadefonds. Buiten deze termijn van drie maanden kunnen zwaarwegende redenen alsnog leiden tot verschoonbaar achten van de termijnoverschrijding.

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit telefonisch door de heer [naam] verstrekte informatie blijkt dat eiseres op of omstreeks 25 maart 2011 - de datum waarop haar zus bezwaar heeft gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag door verweerder - op de hoogte is geraakt van het bestaan van het schadefonds. Daarvan uitgaande is de aanvraag te laat ingediend. Volgens verweerder is niet gebleken van zwaarwegende redenen om desondanks verschoonbaarheid aan te nemen, omdat de gemachtigde van eiseres, de heer [naam], moest weten dat altijd een vormvrij verzoek kan worden ingediend om de termijn veilig te stellen. Dat de informatie op de site van verweerder anders suggereert, doet daaraan niet af volgens verweerder.

9. Zowel eiseres als de heer [naam] zijn er bij de behandeling ter zitting desgevraagd bij gebleven dat eiseres voor het eerst op 20 juni 2011 bekend is geworden met het bestaan van het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Eiseres wist wel eerder dat [naam] haar zus hielp met het krijgen van erkenning en een schadevergoeding als slachtoffer van een geweldsmisdrijf en dat zij daar ook voor in aanmerking kon komen, maar de naam van die instantie, het Schadefonds Geweldsmisdrijven, zou niet eerder dan op 20 juni 2011 zijn genoemd. In zoverre is de gespreksnotitie van 17 oktober 2011 geen juiste weergave van het gesprek dat toen is gevoerd, aldus [naam].

Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden worden gelaten of eiseres ten tijde van het instellen van bezwaar door haar zus met de naam van de instantie, waar [naam] voor haar zus een aanvraag had ingediend, bekend is geraakt. De rechtbank acht het in dit verband voldoende dat eiseres vóór het gesprek op 20 juni 2011 wist dat er in Nederland een instantie was, waar zij evenals haar zus, voor een erkenning als slachtoffer van een geweldsmisdrijf en het claimen van een schadevergoeding een beroep op kon doen. Dat de naam van die instantie, zijnde het Schadefonds Geweldsmisdrijven, haar mogelijk niet meteen is verteld acht de rechtbank in dezen niet relevant. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet binnen de in de interne gedragslijn gehanteerde termijn van drie maanden na het bekend raken met het bestaan van het Schadefonds de aanvraag heeft ingediend.

10. De rechtbank komt vervolgens toe aan de vraag of verweerders beslissing dat de aanvraag niet zo spoedig is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd, de rechterlijke toets kan doorstaan. Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting toegelicht dat een aanvraag die buiten de genoemde termijn van drie maanden is ingediend individueel wordt beoordeeld en dat een termijnoverschrijding verschoonbaar wordt geacht indien sprake is van zwaarwegende omstandigheden voor de termijnoverschrijding. Bij de interpretatie van ‘zwaarwegende omstandigheden’ zoekt verweerder aansluiting bij de regels omtrent verschoonbaarheid van overschrijding van bezwaar- en beroepstermijnen in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In lijn met deze benadering stelt verweerder zich op het standpunt dat, indien gebruik wordt gemaakt van een (professionele) gemachtigde een termijnoverschrijding niet snel verschoonbaar is te achten, omdat van een professionele gemachtigde kan worden verwacht dat hij op de hoogte is van de mogelijkheid een pro forma aanvraag in te dienen.

11. De rechtbank stelt voorop dat zij de door verweerder gekozen benadering om bij de invulling van het in artikel 7 van de Wsg vervatte criterium aansluiting te zoeken bij het criterium ‘verschoonbaar verzuim’ als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb niet zonder meer analoog toepasbaar acht op een geval als het voorliggende. De rechtbank acht het niet zonder meer juist om de strenge, formele benadering, zoals die bij artikel 6:11 van de Awb wordt gehanteerd bij overschrijding van de (korte) wettelijke bezwaar- en beroepstermijnen, toe te passen op het - kwetsbare - deel van de doelgroep van de Wsg, voor zover dat bestaat uit (mogelijke) slachtoffers van seksueel misbruik, mishandeling en bedreiging.

12. Met betrekking tot de thans ter beoordeling voorliggende beslissing overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder dient bij de toepassing van artikel 7 van de Wsg steeds op basis van alle individuele omstandigheden een afweging te maken of in het concrete geval blijkt dat de aanvraag zo spoedig is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd. Verweerder komt daarbij een zekere beoordelingsruimte toe.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het onderhavige geval niet alle relevante omstandigheden in de beoordeling betrokken en daaraan niet in alle opzichten de waarde gehecht die daaraan redelijkerwijs toekomt. Zo miskent verweerder met een beroep op de deskundigheid van de ingeschakelde gemachtigde dat op de site van het Schadefonds Geweldsmisdrijven wordt benadrukt dat een aanvraag altijd zo volledig mogelijk moet worden ingediend en dat deze kan worden afgewezen als bewijsstukken ontbreken. Deze informatie wekt de indruk dat het niet mogelijk is ter sauvering van de termijn een pro forma aanvraag in te dienen. De heer [naam] heeft bij de behandeling ter zitting uitvoerig toegelicht welke inspanningen hij heeft gedaan om de aanvraag van eiseres te completeren. Dit werd bemoeilijkt doordat het dossier van eiseres bij Bureau Jeugdzorg was vernietigd. Omdat door eiseres geen aangifte tegen haar vader is gedaan, diende zij conform de vermelding op de site een beschrijving van de gebeurtenissen mee te zenden. Het opstellen van die verklaring heeft begrijpelijkerwijs eveneens de nodige tijd gekost. Deze inspanningen worden door verweerder niet op juiste waarde geschat. Verder heeft verweerder miskend dat de heer [naam] geen juridisch geschoolde gemachtigde is, maar een vrijwilliger die sinds geruime tijd als hulpverlener optreedt voor aanvragers van een erkenning als slachtoffer. [naam] heeft onweersproken gesteld dat hij sinds jaar en dag dezelfde werkwijze hanteert en dat hij er niet op bedacht kon zijn dat zijn cliënt zou worden tegengeworpen dat er geen pro forma aanvraag is ingediend. Op de site wordt verder de intern gehanteerde termijn van drie maanden, waarbinnen een termijnoverschrijding altijd verschoonbaar wordt geacht, niet genoemd. In dit verband wijst de rechtbank er op dat verweerder weliswaar zijn interne gedragslijn mag aanpassen en ook mag aanscherpen, maar dat dit niet zonder meer aan repeat players als [naam] kan worden tegengeworpen indien daaraan geen bekendheid wordt gegeven.

13. Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij het bestreden besluit niet in redelijkheid zijn standpunt heeft kunnen handhaven dat niet is gebleken dat de aanvraag zo spoedig is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. Nu verder uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [naam] bij het completeren van de aanvraag voldoende voortvarend te werk is gegaan, dient verweerder op de aanvraag een inhoudelijke beslissing te nemen.

14. Tot slot zal de rechtbank, met gebruikmaking van de haar in artikel 8:75 van de Awb gegeven bevoegdheid, op de hierna aangegeven wijze verweerder veroordelen in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op het in het dictum vermelde bedrag. ECLI:NL:RBLIM:2013:BZ9966 

Met dank aan mw. mr. A.W.M. Beckx van Tijssen & Saes voor het attenderen op deze uitspraak.