Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb Oost-Brabant 120613 val van oplegger na losraken kantplank tijdens rondrit; geen onrechtmatig handelen chauffeur; oplegger geen gebrekkige zaak

Rb Oost-Brabant 120613 val van oplegger na losraken kantplank tijdens rondrit; geen onrechtmatig handelen chauffeur; oplegger geen gebrekkige zaak

5.  De beoordeling in de hoofdzaak 

5.1.  [eiseres] voert twee grondslagen aan voor aansprakelijkheid van TVM welke de rechtbank hierna zal beoordelen. 

Onrechtmatig handelen van de chauffeur (art. 6:162 BW) 

5.2.  Over de stelling van [eiseres], dat de chauffeur van de vrachtwagen onrechtmatig heeft gehandeld door zijn onvoorzichtige rijgedrag, oordeelt de rechtbank als volgt. 

5.3.  Het staat vast dat de chauffeur op diens eigen verzoek werd bijgestaan door een bijrijder die met hem mee keek, dat de chauffeur de hele route stapvoets heeft gereden (dit blijkt uit zowel zijn verklaring als uit die van de heer [A], voorzitter van de sportvereniging), dat hij voor een rotonde moest stoppen om ander verkeer voor te laten, dat hij vervolgens weer is gaan rijden en dat hij vrijwel direct daarna weer is gestopt. Ook staat vast dat de valpartij heeft kunnen gebeuren doordat meerdere personen op de oplegger uit balans zijn geraakt. 

5.4.  Niet staat vast dat de valpartij is veroorzaakt door het onverwacht opnieuw stoppen van de vrachtwagen, zoals [eiseres] in haar dagvaarding stelt. De rechtbank acht het mogelijk dat de valpartij al eerder in gang is gezet. De acht getuigenverklaringen die [eiseres] heeft overgelegd (prod. 2 t/m 9) geven geen eenduidig beeld van de toedracht van de valpartij. Vijf van hen benoemen in dit verband het onverwacht en abrupt voor de tweede maal remmen door de chauffeur, maar drie anderen geven als oorzaak van de valpartij aan dat de chauffeur bij de rotonde te scherp naar rechts zou hebben gestuurd. Door TVM is overgelegd een verklaring van de chauffeur (prod.1) waarin staat: “Op het moment dat ik begin te rijden hoor ik een aluminium plank vallen en sta meteen stil. Ik zie verschillende mensen vallen.” Dit wijst er op dat de valpartij al in gang was gezet voordat de chauffeur voor de tweede maal stopte. [eiseres] heeft ter zitting verklaard: “Omdat de vrachtwagen stopte raakte iedereen uit balans en toen hij weer optrok ging iedereen nog meer uit balans. Ik heb als het ware een koprol gemaakt (…). Voor mij in de wagen was het nog extra druk en die mensen kwamen door de bewegingen naar achteren. In die massa ben ik naar links geduwd, samen met een aantal andere mensen.” De verklaringen van de chauffeur en van [eiseres] doen vermoeden dat met name het weer optrekken - wat bij de passagiers leidt tot een beweging naar achteren - de valpartij heeft veroorzaakt. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat de chauffeur onrechtmatig heeft gehandeld door de wijze waarop hij is gestopt en weer is gaan rijden, dit met name gelet op de geringe snelheid waarmee is gereden. 

5.5.  Ook indien de valpartij is veroorzaakt doordat de chauffeur kort na de eerste stop voor de tweede maal - en voor de personen op de oplegger onverwacht - is gestopt, betekent dit nog niet dat de chauffeur daarmee onrechtmatig heeft gehandeld. Of hij nu stopte omdat er nog nieuw verkeer naderde of omdat hij een plank hoorde vallen, in beide gevallen had de chauffeur een goede reden om te stoppen en kan hem daarvan geen verwijt worden gemaakt. 
Op de route bevonden zich geen verkeersregelaars die de weg voor de vrachtwagen-combinatie hebben vrijgehouden, waardoor de chauffeur genoodzaakt was te stoppen bij de rotonde om het andere verkeer doorgang te verlenen. Dat daarbij een aantal van de personen op de oplegger uit evenwicht is geraakt, betekent nog niet dat de chauffeur onvoorzichtig reed. Wanneer zoveel feestende mensen met elkaar op een rijdende oplegger staan, zonder dat een deel van hen, dat zich in het midden van de oplegger bevindt, zich ergens aan vast kan houden, dan is er niet veel voor nodig om hen uit evenwicht te brengen. Dat dit is gebeurd, biedt op zichzelf dan ook geen steun voor de stelling van [eiseres] dat de chauffeur te wild heeft gereden, zoals [eiseres] stelt. Door [eiseres] is niet aangegeven op welke andere wijze de chauffeur bij de rotonde had kunnen en moeten rijden. In de stellingen van [eiseres] ziet de rechtbank onvoldoende grond om aan te nemen dat de chauffeur zijn rijstijl niet heeft afgestemd op de bijzondere situatie en dat hij bij het rijden onvoldoende rekening heeft gehouden met de personen die zich op de oplegger bevonden. 

5.6.  Dat de chauffeur onrechtmatig heeft gehandeld is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet komen vast te staan. 

Gebrekkigheid van de oplegger (art. 6:173 BW) 

5.7.  Over het beroep van [eiseres] op de gebrekkigheid van de oplegger oordeelt de rechtbank als volgt. 

5.8.  Vaststaat dat [eiseres] met nog enkele anderen van de oplegger heeft kunnen vallen omdat één van de kantplanken is losgeraakt. De rechtbank verwerpt de stelling van [eiseres] dat het enkele feit dat de kantplank is losgeraakt voldoende is om aan te nemen dat de bezitter van de oplegger aansprakelijk is wegens de gebrekkigheid daarvan als bedoeld in art. 6:173 BW. Of een zaak gebrekkig is in de zin van dit artikel, hangt immers af van het antwoord op de vraag welke eisen men in de gegeven omstandigheden aan die zaak mag stellen. Het gaat er om welke eigenschappen men van een zaak mag verwachten. In dat verband is van belang om vast te stellen hoe de plank los heeft kunnen raken. 

5.9.  Uit de overgelegde stukken (waaronder foto’s van de oplegger tijdens de rondrit) en de ter zitting afgelegde verklaringen, is de rechtbank het volgende duidelijk geworden. 
De oplegger is bedoeld voor goederenvervoer. De zijkanten van de oplegger zijn elk door drie staanders verdeeld in vier (open) vakken. De onderzijde van elk vak is over de hele breedte afgesloten met een kantklep van ongeveer vijftig centimeter hoog (van de laadvloer van de oplegger tot net boven kniehoogte als men op die laadvloer staat). Daarboven is een open ruimte en ongeveer op heuphoogte bevindt zich in elk vak een horizontale aluminium kantplank van ongeveer tien centimeter hoog en naar schatting drie meter lang. Die kantplanken ‘hangen’ in U-profielen die zijn bevestigd op de staanders (en op de voor en achterzijde van de oplegger). Die U-profielen zijn ook tien centimeter hoog (de kantplanken passen er helemaal in) en enkele centimeters breed waardoor de kantplanken er met een speling van een paar millimeter in passen. De kantplanken wegen elk ongeveer zes tot zeven kilo en zijn niet vergrendeld. Wanneer de oplegger normaal wordt gebruikt voor goederenvervoer, dan bevinden zich hoger in elk vak ook nog een of twee van dezelfde kantplanken van tien centimeter hoog, onder andere op ooghoogte, en worden de zijkanten totaal afgedekt met zeil. In verband met de rondrit waren deze bovenste kantplanken verwijderd en waren de zijkanten van de oplegger (uiteraard) niet met zeil afgedekt. 

5.10.  Het staat vast dat de kantplank van het tweede vak aan de linkerzijde van de oplegger is losgeraakt waardoor enkele personen, waaronder [eiseres], van de oplegger hebben kunnen vallen. De kantplank is uit het U-profiel geraakt, zonder te zijn gebroken, doorgebogen of anderszins beschadigd. Ook de U-profielen waar de kantplank in hing, waren niet beschadigd. Na de valpartij is iedereen weer op de oplegger geklommen, is de kantplank weer in het profiel geschoven en is de rondrit voortgezet, zij het zonder [eiseres] want zij kwam als enige ongelukkig terecht en moest naar het ziekenhuis worden gebracht. 

5.11.  Nu geen enkele beschadiging is vastgesteld, volgt de rechtbank TVM in haar stelling dat de kantplank moet zijn losgeraakt doordat hij omhoog is gelicht en zodoende verticaal uit de U-profielen is geschoven. Dit moet zijn gebeurd doordat op de kantplank een min of meer rechtstandige opwaartse kracht is uitgeoefend. Op welke wijze die opwaartse kracht op de kantplank is uitgeoefend, is niet bekend. Ter zitting heeft de voorzitter van de sportvereniging verklaard dat er voor vertrek mensen op de rand van de kantkleppen hebben gestaan. De rechtbank acht het niet uitgesloten dat ook een of meer mensen op de kantklep van het tweede vak aan de linkerzijde van de oplegger zijn gaan staan en daarbij opwaartse druk hebben uitgeoefend op de daarboven hangende kantplank, waardoor die omhoog is geschoven en niet meer goed in de profielen hing. Maar ook is het mogelijk dat tijdens de rondrit op welke wijze dan ook van onderen tegen de kantplank is geduwd of daaraan van bovenaf is getrokken, waardoor die niet meer goed in de profielen hing op het moment dat daar een aantal mensen (zijwaarts) tegenaan werd geduwd. 

5.12.  Wat hier ook van zij, de rechtbank acht het niet aannemelijk dat de kantplank is losgeraakt enkel doordat daarop zijwaartse druk is uitgeoefend door een groep (vallende) mensen. De oplegger is bedoeld voor het vervoer van goederen. Van een dergelijke oplegger mag worden verwacht dat de kantplanken bestand zijn tegen een zekere zijwaartse druk van schuivende goederen, wanneer deze niet goed zijn vastgezet met spanbanden. De oplegger is niet bestemd en in beginsel ook niet geschikt voor het vervoer van mensen. Dit is eenieder duidelijk, ook de deelnemers aan de rondrit, waaronder [eiseres]. Naar het oordeel van de rechtbank kan van de oplegger in die omstandigheden dan ook niet worden verwacht dat hij voldoet aan het vereiste dat de kantplanken niet omhoog kunnen schuiven wanneer daarin tientallen feestende mensen worden vervoerd. Dat de kantplank niet was geborgd in de U-profielen en daarom omhoog heeft kunnen schuiven en los heeft kunnen raken, maakt dan ook niet dat de oplegger is aan te merken als een gebrekkige zaak als bedoeld in art. 6:173 BW. 

Conclusie 

5.13.  Het beroep van [eiseres] op de artt. 6:162 en 6:173 BW slaagt niet. Andere grondslagen zijn door [eiseres] niet aan haar vordering ten grondslag gelegd. Haar vordering moet daarom worden afgewezen. LJN CA2718