Overslaan en naar de inhoud gaan

RBGEL 100325 vrachtwagen botst op veegwagen op vluchtstrook A15; geen ES bestuurder veegwagen, ook niet vanwege niet dragen gordel

RBGEL 100325 vrachtwagen botst op veegwagen op vluchtstrook A15; geen ES bestuurder veegwagen, ook niet vanwege niet dragen gordel
- rb acht zich niet gebonden aan ambtshalve door de politie opgemaakt P-V; niet tot burgerlijk bewijs bestemd; vrije bewijskracht
- verzoek om andere schadebehandelaar over en weer afgewezen; leent zich niet voor deelgeschil
- verzocht 20 uur x € 295 + 3 x € 250, toegewezen 20 uur x € 295 + 1,5 x € 250 = € 7.592,75

2De kern van de zaak

2.1.

Tijdens het schoonvegen van de vluchtstrook van de A15 is [verzoeker] met zijn veegwagen achterop aangereden door een vrachtwagen die is verzekerd bij TVM. Hij is na het ongeval met ernstig letsel onder de vangrail aangetroffen. TVM erkent aansprakelijkheid voor het ongeval, maar meent dat haar vergoedingsplicht met 25% moet worden verminderd omdat [verzoeker] ten tijde van het ongeval geen gordel droeg. In deze procedure kan echter niet worden vastgesteld dat sprake is van eigen schuld. [verzoeker] moest geregeld in- en uitstappen voor grotere objecten die de veegwagen niet kon opzuigen. TVM heeft onvoldoende onderbouwd dat [verzoeker] zich direct voorafgaand aan het ongeval in de veegwagen bevond en in een positie was waarin hij gehouden was de gordel te dragen. De gevraagde verklaring voor recht dat TVM zijn schade volledig dient te vergoeden wordt dan ook toegewezen. Het verzoek om een andere schadebehandelaar toe te wijzen wordt afgewezen.

3De feiten

3.1.

[verzoeker] is op 14 september 2022 een ongeval overkomen (hierna: het ongeval). Hij was op dat moment aan het werk op de Rijksweg A15 waar hij in opdracht van zijn werkgever met een veegwagen de vluchtstrook reinigde. Een in het kader van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) bij TVM verzekerde vrachtwagen met oplegger, bestuurd door [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ), reed op de A15 op de rechter rijstrook. Op enig moment is de vrachtwagen van de rechter rijstrook afgeweken en op de vluchtstrook terechtgekomen. Vervolgens is de vrachtwagen achterop de veegwagen gebotst.

3.2.

[verzoeker] is na het ongeval bewusteloos en buiten de veegwagen naast de vluchtstrook onder de vangrail aangetroffen. De veegwagen lag – bezien vanaf de positie van [verzoeker] – circa tien meter verderop op zijn linkerkant op de vluchtstrook. Na het ongeval is [verzoeker] met ernstig letsel met de ambulance naar het ziekenhuis gebracht.

3.3.

Kort na het ongeval is ter plaatse een verkeersongevallenanalyse (hierna: VOA) verricht door de politie. Onder meer verbalisant [verbalisant] (hierna: [verbalisant] ) was hierbij betrokken. Het mede door hem opgestelde proces-verbaal van 20 oktober 2022 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1.1. Verzoeker

Op verzoek van (…) de Forensische Opsporing, hebben wij op woensdag 14 september 2022, omstreeks 15.05 uur een onderzoek ingesteld naar het hierna bedoelde verkeersongeval.

(…)

1.3

Beknopte ongevalsbeschrijving

Op woensdag 14 september 2022 omstreeks 14.07 uur, heeft er op de snelweg A15 t.h.v. hm 125,1 Links een aanrijding plaatsgevonden tussen voertuig A en voertuig B. Voertuig A is op de vluchtstrook achterop voertuig B gebotst. Voertuig B was op dat moment op de vluchtstrook bezig met werkzaamheden. Door dit ongeval raakten de bestuurders van de beide voertuigen zwaargewond.

(…)

2.1.9

Eindposities

Toen wij ter plaatse waren, was de bestuurder van voertuig A en de bestuurder van voertuig B overgebracht naar het ziekenhuis. Wij hoorden van een collega ter plaatse, dat de beide voertuigen na het ongeval niet waren verplaatst (…).

Wij hoorden dat de bestuurder van voertuig B door de botsing met voertuig A uit zijn voertuig was geslingerd en dat hij gedeeltelijk onder de vangrail terecht was gekomen. Hierop werd ons de plek van het slachtoffer aangewezen. De afstand tussen het slachtoffer en de voorzijde van de eindpositie van voertuig B is door ons opgemeten. Deze afstand bedroeg circa 10 meter.

(…)

2.2.1

Sporen op plaats ongeval

(…)

Vermoedelijk is voertuig B direct na het contactmoment, rechtsom zijn zwaartepunt gedraaid. (…) Vervolgens is voertuig B door de botsing met voertuig A over de linkerzijde gekanteld en over het wegdek en tegen de vangrail geschoven.

(…)

3.3.1

Schade aan voertuig B

Wij zagen aan voertuig B de volgende recente schades die pasten in het beeld van dit verkeersongeval:

- Wij zagen dat de achterzijde beschadig en vervormd was.

- Wij zagen dat de wielophanging links achter fors beschadigd en vervormd was

- Wij zagen schuifschade op de gehele linkerzijde

- Wij zagen dat bijna de gehele glas uit het linker portier was gebroken.

- Wij zagen dat de opvangbak ontzet was en schuin naar boven was opgeduwd.

(…)

5Interpretatie en analyse

(…)

5.2

Oorzaak, toedracht en gevolg

Op woensdag 14 september 2022 omstreeks 14.07 uur, reed voertuig A over de A15 Links, komende vanuit de richting van de plaats Nijmegen en gaande in de richting van de plaats Rotterdam.

De bestuurder van voertuig B was in opdracht van Rijkswaterstaat bezig met reinigingswerkzaamheden op de vluchtstrook volgens de richtlijn van het CROW (…). Voertuig B stond met de voorzijde van zijn voertuig in dezelfde rijrichting als de rijrichting van voertuig A.

De toegestane maximumsnelheid voor voertuig A is 80 km/h. De laatste geregistreerde snelheid voor het botsmoment voor voertuig A bedroeg 84 km/h.

(…)

Voertuig A reed volledig op de vluchtstrook op het moment dat hij tegen voertuig B botste. Voertuig B mocht volgens het CROW (…) de werkzaamheden uitvoeren wanneer de afstand van 1.10 meter, gemeten vanaf de kantstreep niet werd overschreden. Wij hebben geen indicatie dat deze minimale afstand op het botsmoment werd overschreden door voertuig B.

Wat de reden is geweest dat voertuig A volledig op de vluchtstrook terecht is gekomen, hebben wij forensisch niet kunnen vaststellen. Afleiding door het gebruik van de onderzochte mobiele telefoon door de bestuurder van voertuig A, heeft niet plaats gevonden. (…)”

3.4.

Het proces-verbaal van de VOA is gehecht aan het proces-verbaal van de politie van 13 december 2022. Het proces-verbaal van de politie bevat ook getuigenverklaringen en luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“Op woensdag 14 september 2022 te 14:54 uur, kregen wij kennis van een verkeersongeval.

(….)

Vermoedelijke toedracht

(…)

De veegwagen reed op de vluchtstrook, waar de bestuurder bezig was met werkzaamheden. De bestuurder van de trekker met oplegger [de vrachtwagen, opm. rechtbank] reed vermoedelijk op rijstrook 2, en is op de vluchtstrook terecht gekomen. Hierbij heeft de bestuurder van de trekker met oplegger de op de vluchtstrook rijdende veegwagen aan de achterzijde geraakt.

Vervolgens is de veegwagen over de kop geslagen, waarbij de bestuurder uit zijn voertuig is geslingerd. De trekker met oplegger is enige meters verder op de rijbaan tot stilstand gekomen.

Getuige [getuige 1] verklaarde in het kort dat hij achter de trekker met oplegger van de latere verdachte reed. Dat zij beiden ongeveer 85 kilometer per uur reden. Dat hij op de vluchtstrook een veegwagen zag rijden. Dat hij zag dat de bestuurder van de voor hem rijdende trekker met oplegger een uitwijkende beweging maakte richting de vluchtstrook. Dat hij vervolgens veel opspattend water zag. Dat vervolgens al het verkeer tot stilstand kwam, en dat er rook van de voor hen rijdende trekker met oplegger af kwam.

Getuige [getuige 2] verklaarde in het kort dat hij achter de trekker met oplegger van de latere verdachte reed. Dat hij zag dat de trekker met oplegger van de verdachte iets naar rechts uitweek, en vervolgens schaarde, waarbij het leek of hij iets geraakt had. Dat hij in eerste instantie dacht dat het voertuig een klapband had gehad. Dat hij vervolgens een persoon onder de vangrail zag liggen. Dat hij vervolgens zag dat de trekker met oplegger een veegwagen had geraakt. Dat hij vervolgens uit zijn vrachtauto is gestapt, en is gaan kijken naar de trekker met oplegger van de verdachte, en vervolgens 112 heeft gebeld.

Slachtoffer [verzoeker] verklaarde in het kort dat hij zich van de dag van het ongeval niets meer kan herinneren. Dat hij (…) deze dag de opdracht had gekregen om de vluchtstrook langs de A15, tussen Tiel en Wadenoijen te vegen. Dat hij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen hij het ongeval (…)

Verdachte [betrokkene] verklaarde in het kort dat hij met zijn trekker met oplegger reed op de A15, komende uit de richting van Nijmegen, en gaande in de richting van Rotterdam. Dat hij hij wist van spoorvorming en een slecht wegdek op de snelweg. Dat hij bewust iets naar rechts heeft gestuurd om een gat in de weg te ontwijken. Dat hij vervolgens een voertuig op de vluchtstrook zag, en meteen weer naar links stuurde. Dat hij een aanrijding niet meer kon voorkomen, en dat hij een klap voelde. Dat hij vervolgens met zijn voertuig tot stilstand kwam, en bekneld zat in zijn voertuig. (…)”

3.5.

De getuigenverklaringen in het proces-verbaal van de politie luiden, voor zover hier van belang, als volgt:

Uit de verklaring van getuige [getuige 2] :

“Ik reed op de Al5, achter het voertuig welke betrokken is geweest bij het ongeval. Ik zag dat de bestuurder van de vrachtwagen die voor mij reed iets naar rechts uitweek. Vervolgen zag ik dat de vrachtwagen schaarde, het leek alsof hij iets met de cabine had geraakt. Ik dacht in de eerste instantie dat hij een klapband had. Vervolgens zag ik een persoon in de vangrail liggen. Daarna zag ik dat de vrachtwagen een aanrijding had gehad met de veegwagen. (…)”

Uit de verklaring van getuige [getuige 1] :

“Ik reed op de A15 in de richting van Geldermalsen (…). Ik zag dat een voertuig (…) welke later betrokken raakte bij het ongeluk, zijn baan uitweek richting de vluchtstrook. Tevens zag ik dat erop de vluchtstrook een veegwagen stond. Niet veel later zag ik een hele bult met opspattend water, vervolgens stond het verkeer stil en kwam er witte rook van de laatstgenoemde vrachtwagen af. Ik reed op dat moment met een snelheid van ongeveer 85 km/u, ik zag dat de vrachtwagens voor mij ook met een ongeveer gelijke snelheid reden. (…)”

Uit de verklaring van vrachtwagenbestuurder [betrokkene] , waarbij V staat voor vraag van de verbalisant en A voor antwoord van [betrokkene] :

“V: Op woensdag 14 september 2022 bent u betrokken geweest bij een aanrijding op de Rijksweg Al5 (…). Wat kunt u zich nog herinneren van wat er die dag gebeurd is?

A: Ik reed daar, en ik weet dat de weg daar een beetje slecht is. Er is sprake van spoorvorming. Ik weet dat er daar wat gaten in het wegdek zitten. Ik probeerde deze te ontwijken, en stuurde iets naar rechts. Ik weet zeker dat ik niet over de witte lijn van de vluchtstrook gegaan ben.

Ik weet dat de weg daar een klein beetje in een bocht loopt, naar links vanuit mijn cabine gezien. Ik zag dat er voor mij een oplegger reed. Ik hield voldoende afstand, en kon nog wel een vrachtwagen tussen. Toen ik het gat in de weg zag, stuurde ik iets naar rechts. Opeens zag ik een wit knipperend lichtje op de vluchtstrook. Ik heb niet gezien wat voor voertuig het was. Voor mijn gevoel reed het voertuig vrij dicht tegen de witte lijn aan, aan de zijde van mijn rijstrook.

Toen ik het voertuig zag, heb ik meteen naar links gestuurd, maar het was al te laat. Toen was er een klap (…).

V: Heeft u enig idee welke snelheid door ander bestuurders van de betrokken voertuigen gereden werd, ten tijde van de aanrijding?

A: Ik zou het niet weten, volgens mij stond hij stil.”

Uit de verklaring van [verzoeker] :

“Op 14 september was u betrokken bij een verkeersongeval. Wat kunt u daar over verklaren?

Ik weet helemaal niks meer van die dag.

Hoe zag uw normale werkdag er dag uit?

(…) Ik kreeg die dag de opdracht om de A15 te vegen. (…)

U was met werkzaamheden bezig op de vluchtstrook van de A15. Waar bestonden deze werkzaamheden uit?

Vegen van de vluchtstrook, voor de ziekenwagens en brandweer dat ze geen lekke band rijden.

Wat zijn de voorschriften om deze werkzaamheden veilig uit te kunnen voeren? Was er aan deze voorwaarden voldaan?

De veegwagen moet tegen het gras aan rijden. De veegwagen moet één meter van de witte lijn af zijn. Als ik dit niet zou doen dan word ik door Rijkswaterstaat eraf gehaald. Ik mag niet op de witte punten rijden als je gaat uitvoegen op de snelweg.

Bent u bekend met het door u bestuurde voertuig?

Deze veegwagen was net drie weken oud, maar het is hetzelfde type als mijn vorige veegwagen.

Met welke snelheid reedt u?

5 km/u

(…)

Voelde u zichzelf in staat om het voertuig te besturen?

Ja, ik was niet ziek of iets.

(…)

Was u afgeleid door iets?

Nee, want ik moet op de borstels letten. Als ik er naast kom, dan wordt het een bende. Ik kijk dan een meter voor me. Aan de voorkant zit aan de onderkant een camera, hiermee kan ik zien of er grote dingen op de weg liggen. (…).

Droeg u een gordel in het voertuig?

Nee, ik droeg geen gordel. (…)”

3.6.

In opdracht van de werkgever van [verzoeker] heeft Arntz en Van Helden een expertiserapport opgemaakt van de schade aan de veegwagen. Het expertiserapport van 6 december 2022 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Evenement

Op 14 september 2022 werd de (…) veegwagen ingezet voor het reinigen van de vluchtstrook op de A15 (…).

Omstreeks 14:10 uur reed een trekker-oplegger combinatie op de achterzijde van de veegwagen. De impact was zodanig heftig dat de chauffeur uit de veegwagen werd geslingerd en de veegwagen gekanteld tegen de vangrail tot stilstand kwam.

(…)

Schadeomschrijving

(…)

Tijdens onze inspecties stelden wij de volgende zichtbare beschadigingen vast:

- cabine was ernstig ontzet en gedeukt

(…)

- chassis was getordeerd en aan de achterzijde gescheurd

(…)

- complete wielophanging met componenten van de aandrijving en besturing was ernstig beschadigd

(…)

- plaatwerk rondom ontzet

- bumperdelen linkerzijde waren gescheurd

- bumper achterzijde was ernstig vervormd

(…)

- opbouw was sterk gedeformeerd

- subframe van borstels aan de voorzijde vernield

(…)

Daaruit kon de conclusie getrokken worden dat de veegwagen economisch totaal verloren is. De schade-expert optredend namens TVM verklaarde zich hiermee akkoord. (…)”

3.7.

Bij het onderzoek door Arntz en van Helden was ook namens TVM een expert aanwezig van Hanselman Groep (hierna: Hanselman). In haar expertiserapport van 16 december 2022 constateert Hanselman dat de veegmachine rondom ernstig beschadigd is en de reparatiekosten de waarde van het voertuigen te boven gaan. Zij begroot de schade dan ook op ‘economisch totaal-verlies’.

3.8.

TVM heeft een onderzoek laten verrichten naar de ongevalstoedracht door [deskundige] (hierna: [deskundige] ). Het rapport van [deskundige] van 17 augustus 2023 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“I – INLEIDING

(…)

Opdracht (…):

“Er is sprake van een achterop aanrijding waarbij de bij TVM verzekerde vrachtwagen achterop een veegwagen is gereden die op de vluchtstrook reed. (…) De chauffeur van de veegwagen reed zonder gordel en is uit de veegwagen geslingerd.

Ik ben in het bijzonder benieuwd naar de volgende punten:

1. Valt te achterhalen op welke afstand de veegwagen van de kantstreep reed?

(mocht werkzaamheden kennelijk uitvoeren tot een afstand van 1,10 meter tot de kantstreep);

2. Kunt u iets zeggen over het effect/gevolgen van het niet dragen van de gordel. Het komt er op neer dat ik benieuwd ben hoe waarschijnlijk het is dat betrokkene uit het voertuig zou zijn geslingerd indien hij de gordel wel gedragen had of in welke mate het waarschijnlijk is dat betrokken zeer ernstig letsel had opgelopen indien hij de gordel had gedragen. Dit nu de cabine van de veegwagen relatief in tact is”.

(…)

III – ANALYSE

(…)

• Gebruik veiligheidsgordel, uitslingering, verwondingen

[verzoeker] , bestuurder van de veegwagen, is uit zijn voertuig geslingerd en in botsing gekomen met de vangrail (rechts van de vluchtstrook).

Na afloop werd hij onder die vangrail aangetroffen. Er werd in een openstaande rand van de vangrail bloed aangetroffen.

De afstand tussen [verzoeker] en de voorzijde van de veegwagen (in eindpositie) bedroeg circa 10 meter (zie pagina 8 van de VOA).

Bij het hoofdstuk “schade aan voertuig B” (zie pagina 18 van de VOA) staat onder meer genoteerd dat “bijna het gehele glas uit het linker portier was gebroken”.

Dit doet in eerste instantie vermoeden dat [verzoeker] door dit portier het voertuig verlaten heeft, maar dit is naar mijn inzicht toch niet aannemelijk omdat de veegwagen via de langsas is geroteerd en als gevolg daarvan op zijn linkerflank terecht is gekomen. Tijdens het schuiftraject zal het glas van het linker portier naar alle waarschijnlijkheid gebroken zijn. Glasdeeltjes zijn te zien tussen de eindpositie van het slachtoffer en de eindpositie van de Bucher [de veegwagen, opm. rechtbank].

(…)

Omdat na afloop de voorruit nog in tact is, ligt het naar mijn inzicht voor de hand dat [verzoeker] via het rechterportier uit de auto is geslingerd.

Dit kan stroken met de beweging die hij ten opzichte van zijn voertuig (naar achteren en naar rechts) heeft gemaakt als gevolg van de botsstoot.

[verzoeker] heeft kennelijk verklaard dat hij tijdens het vegen nooit zijn gordel draagt omdat hij regelmatig moet uitstappen. Het uitslingeren duidt er inderdaad op dat hij de gordel niet gedragen heeft.

(…)

IV – CONCLUSIES

1. Het heeft er alle schijn van dat de veegactiviteiten zijn uitgevoerd volgens de CROW richtlijnen. De Bucher reed tijdens het botsmoment (met een snelheid van minder dan 20 km/u) uiterst rechts op de vluchtstrook en op ca. 1,7 meter uit de linker kantstreep (markering tussen de rechterrijstrook en de vluchtstrook).

2. Op het botsmoment reed de door [betrokkene] bestuurde trekker met oplegger combinatie volledig op de vluchtstrook, met een snelheid van ca. 84 km/u.

3. Tijdens de botsing maakte [verzoeker] (naar eigen zeggen) geen gebruik van de veiligheidsgordel. De uitslingering van de bestuurder uit het voertuig is het directe gevolg van het niet dragen van de gordel. Het risico op het ontstaan van ernstig letsel neemt doorgaans toe wanneer iemand uit het voertuig wordt geslingerd.

Een in dit geval correct gedragen veiligheidsgordel zou een positieve werking hebben gehad op het ontstaan van letsels/verwondingen. (…)”

3.9.

TVM heeft bij brief van 18 augustus 2023 aansprakelijkheid voor het ongeval erkend, waarbij zij vermeldt dat zij een eigen-schuldpercentage toepast omdat [verzoeker] ten tijde van het ongeval geen gordel droeg. [verzoeker] heeft zich (onder meer bij e-mailbericht van 19 februari 2023) op het standpunt gesteld dat geen sprake is van eigen schuld en dat TVM de volledige schade door het ongeval moet vergoeden.

3.10.

Tussen de overgelegde stukken zit een telefoonnotitie van de gemachtigde van [verzoeker] waarin staat dat zij op 25 januari 2024 heeft gebeld met [verbalisant] . De telefoonnotitie luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Waaruit blijkt dat cliënt uit de veegwagen is geslingerd?

Cliënt was buiten het voertuig aangetroffen, iemand heeft dit geïnterpreteerd. Middelpunt vliegende krachten; ongecontroleerd; tollen draaien, lijkt het logisch dat iemand uit het voertuig vliegt. De andere portier was intact, dus op basis daarvan leek logisch dat het door de linker ruit was.

Hij heeft dit niet zelf onderzocht maar is er op basis van de collega’s van de basis politiezorg van uitgegaan.

Rechterportier was intakt, als die door kracht opengaat, dan zou er wel wat vervormen of ruit gebroken.

Bloedsporen te vinden in voertuig als iemand eruit vliegt; vaak wel vezelsporen bij voorruit omdat die niet helemaal doorbreekt. Zijruiten nooit geen sporen gevonden.

(…)

Gordel kan client volgens hem niet gebruikt hebben. Die zat helemaal onder een hoes verborgen die over de rugleuning zat. Kan zijn dat ze vrijstelling krijgen zoals bij postbezorgers. Dat moet de werkgever dan kunnen laten zien.

Snelheid van de weegwagen; ook niet onderzocht. Stilstond of reed ook niet onderzocht. Weet niet of tachograaf in veegwagen zat. Op basis van massa zou je een berekening kunnen maken. Wet behoud van impuls. Dan kun je dat terugrekenen. Maar met werksnelheid 3-5 km ga je dat niet zien. Dat is een te kleine marge. (…)”

3.11.

In de strafzaak tegen de vrachtwagenchauffeur [betrokkene] heeft deze rechtbank bij vonnis van 5 november 2024 (ECLI:NL:RBGEL:2024:7907) [betrokkene] vrijgesproken van overtreding van artikel 6 Wegenverkeersweg 1994 (WVW) en veroordeeld voor overtreding van artikel 5 WVW. Het strafvonnis luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“Vrijspraak primair tenlastegelegde, overtreding van artikel 6 WVW.

(…)

Niet gebleken is dat sprake was van alcohol- of drugsgebruik, overschrijding van de maximumsnelheid of gebruik van de telefoon ten tijde van het ongeval. Uit het dossier volgt dat verdachte op enig moment naar rechts heeft gestuurd, hierdoor volledig op de vluchtstrook terecht is gekomen en vervolgens direct tegen de veegwagen is gebotst. Het gaat in essentie om één door de verdachte gemaakte verkeersfout: het onvoldoende controle houden over het door hem bestuurde voertuig waardoor hij niet langer zijn rijbaan volgde. Het op de vluchtstrook rijden was hier het gevolg van en dit resulteerde weer in de botsing met de zich op korte afstand bevindende veegwagen. Het verwijt dat aan verdachte valt te maken is onvoldoende om te kunnen spreken van een aanmerkelijke verwijtbare onvoorzichtigheid. De rechtbank is van oordeel dat hierdoor geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het primair tenlastegelegde.

Veroordeling voor het subsidiair tenlastegelegde, overtreding van artikel 5 WVW

Op 14 september 2022 reed verdachte als bestuurder van een vrachtauto met daaraan gekoppeld een aanhanger op de Rijksweg A15 (…). Op de vluchtstrook reed op dat moment een veegwagen waarvan de bestuurder bezig was met werkzaamheden. Ter hoogte van hectometerpaal 125.1 heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen de vrachtauto en de veegwagen, waarbij de vrachtwagen op de vluchtstrook achterop de veegwagen is gebotst. Uit onderzoek is gebleken dat de vrachtauto volledig op de vluchtstrook reed op het moment dat hij tegen de veegwagen botste.

(…)

Gelet op de voorgaande beschreven gedragingen heeft verdachte gevaar op de weg veroorzaakt. De rechtbank acht dan ook de subsidiair ten laste gelegde overtreding van artikel 5 WVW bewezen.

(…)”

3.12.

Bij brief van 19 november 2024 aan TVM heeft [deskundige] inhoudelijk gereageerd op het verzoekschrift:

“Ik acht het (nog steeds) zeer wel mogelijk dat het rechterportier als gevolg van de botsing zelf (en mogelijk in combinatie met de beweging die de bestuurder daarvan heeft gemaakt in de richting van dat portier) is open gesprongen (dat zie ik wel vaker gebeuren bij ernstige aanrijdingen waarbij sprake is van ontzetting) en dat [verzoeker] zo het voertuig heeft verlaten zonder dat daarvoor (extra) schade aan dat portier hoefde te ontstaan.

21. In mijn rapportage ben ik er vanuit gegaan dat de veegmachine heeft gereden toen het ongeval plaatsvond en dat [verzoeker] uit de veegwagen werd geslingerd als gevolg van de botsing. Deze uitgangspunten werden gebaseerd op de uitlatingen van de Politie in de door hen opgestelde Kenmerkenmelding Plus (“De veegwagen reed”; “Beide voertuigen kwamen uit de richting Nijmegen en reden in de richting van Rotterdam”; Getuige [getuige 1] : “Zag een veegwagen rijden”; Verdachte [betrokkene] : “Zag een voertuig op de vluchtstrook”).

Inmiddels is nu ook het uitgebreide Proces Verbaal beschikbaar gekomen. Desgevraagd naar de snelheid van het andere voertuig geeft [betrokkene] aan: “Ik zou het niet weten, volgens mij stond hij stil”. Getuige [getuige 1] (die waarschijnlijk als tweede voertuig bestuurder achter de door [betrokkene] bestuurde vrachtwagen reed) verklaarde in dit kader: “Tevens zag ik dat er op de vluchtstrook een veegwagen stil stond”.

(…)

Het is voorstelbaar dat (als de veegwagen niet stil heeft gestaan) een zeer lage snelheid van de veegmachine niet direct zal opvallen. In dat kader verdient het naar mijn mening aanbeveling om de uitlatingen met betrekking tot de snelheid / stilstand van de veegmachine met de nodige voorzichtigheid te benaderen.

22. Productie 11 van het verzoekschrift toont een WhatsApp bericht dat door [verzoeker] werd verstuurd om 14:07 uur. Volgens mr. Spronck zou uit de stukken blijken dat het ongeval heeft plaatsgevonden om 14:07:10 uur, maar dit is volgens mij niet correct. Het Proces Verbaal noemt als (meld)tijdstip: 14:54 uur. Nu het appje ongeveer 47 minuten vóór het ongevalsmoment werd verstuurd lijkt het er op dat er geen relatie is te leggen tussen beide momenten.

23. Vanuit de constatering in punt 22 (…) is er naar mijn overtuiging ook gene basis voor de stelling dat [verzoeker] stil moet hebben gestaan op het botsmoment.

(…) Wanneer hij op het botsmoment tussen de veegmachine en de vangrail zou hebben gestaan kan de vraag gesteld worden of hij dan niet (nog veel) zwaarder gewond zou zijn geraakt? [verzoeker] reed met de rechterflank nagenoeg ter hoogte van het einde van de vluchtstrook verharding (…). De overgebleven ruimte tussen de veegmachine en de vangrail was derhalve “krap”.

De vangrail werd als gevolg van het botscontact behoorlijk naar buiten gedrukt (…). Ik heb het sterke vermoeden van [verzoeker] (wanneer hij rechts naast de veegmachine heeft gestaan) naar alle waarschijnlijk “gemangeld” zal zijn geworden tussen zijn voertuig en de vangrail.

(…)”

3.13.

Partijen zijn ten aanzien van de vergoeding van de volledige schadevergoeding van [verzoeker] niet tot een regeling gekomen.

4Het geschil

4.1.

[verzoeker] verzoekt – samengevat en na intrekking van een deel van zijn verzoek bij brief van 27 november 2024 – dat de rechtbank op voet van artikel 1019w Rv:

  1. voor recht verklaart dat TVM de schade van [verzoeker] als gevolg van het ongeval van 14 september 2022 volledig dient te vergoeden;

  2. voor recht verklaart dat TVM een andere schadebehandelaar dient te benoemen ter behandeling van de zaak;

  3. de kosten van het deelgeschil begroot op een bedrag van € 6.785,00 exclusief btw, te vermeerderen met het betaalde griffierecht, en TVM veroordeelt tot betaling aan [verzoeker] van dit bedrag.

4.2.

[verzoeker] legt aan zijn eerste verzoek (primair) ten grondslag dat TVM aansprakelijk is. Van eigen schuld is geen sprake. Uit het dossier blijkt juist dat [verzoeker] zich op het moment van de botsing buiten de veegwagen bevond, is meegesleurd door de botsende voertuigen en onder de vangrail is beland. Ook indien hij zich in de veegwagen bevond dan staat niet vast dat voor hem een gordelplicht gold. Voor zover wel eigen schuld wordt aangenomen, geldt (subsidiair) dat TVM alsnog alle schade dient te vergoeden op grond van de billijkheidscorrectie. Het tweede verzoek is ingegeven doordat de huidige schadebehandelaar een negatieve invloed heeft op de afwikkeling van de zaak en op [verzoeker] , en in strijd handelt met de Gedragscode Behandeling Letselschade van de letselschaderaad (hierna: GBL). Een andere behandelaar benoemen is niet bezwaarlijk voor TVM en dit zal bijdragen aan de correcte afwikkeling van de zaak. Ter zitting heeft [verzoeker] de verzochte kosten van het deelgeschil (het derde verzoek) gematigd naar € 6.650,00 (exclusief btw) plus griffierecht.

4.3.

TVM voert aan dat het verzoek moet worden afgewezen. Het eerste verzoek is ongeschikt om in een deelgeschil te worden beslecht omdat nadere bewijslevering nodig is. TVM is verder niet volledig schadeplichtig omdat er sprake is van eigen schuld van [verzoeker] . Als bestuurder van een bedrijfsauto had hij een gordelplicht (ex artikel 59 Rvv jo. artikel 1 Rvv) maar hij droeg geen gordel, waardoor hij uit de veegwagen is geslingerd en zijn letsel deels aan hemzelf is toe te rekenen. [verzoeker] kan de schade die TVM niet vergoedt volledig verhalen op (de werknemersschadeverzekering van) zijn (voormalig) werkgever. Een eigen-schuldpercentage van 25% is passend. Het tweede verzoek kan onvoldoende bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De huidige schadebehandelaar heeft bovendien de zaak correct opgepakt en er is ruim bevoorschot zodat TVM ook op dat vlak niet in gebreke is. Tot slot voert TVM verweer op de kosten van het deelgeschil.

4.4.

Indien de rechtbank het (tweede) verzoek van [verzoeker] toewijst, dan verzoekt TVM dat de rechtbank voor recht verklaart dat [verzoeker] een andere belangenbehartiger inschakelt. TVM baseert dit verzoek op artikel 6 EVRM. TVM voert aan dat zij de belangenbehartiger al geruime tijd tevergeefs vraagt om nadere informatie voor de onderbouwing van de schadestaat, wat de schadeafwikkeling belemmert.

4.5.

Op de stellingen van partijen wordt, voor zover van belang, hierna nader ingegaan.

5De beoordeling

Leent het verzoek zich voor een deelgeschil?

5.1.

[verzoeker] heeft ter zitting aangegeven dat zijn verzoek onder 1. is ingegeven door de discussie over eigen schuld tussen partijen. TVM heeft aangegeven het verzoek ook op die manier te hebben opgevat. De rechtbank begrijpt dit verzoek dan ook zo dat een oordeel wordt gevraagd over de vraag of sprake is van eigen schuld van [verzoeker] .

5.2.

Beantwoording van het eerste geschilpunt (de eigen-schuldvraag) kan naar het oordeel van de rechtbank bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Dat geldt echter niet voor het verzoek onder 2. van [verzoeker] en het (spiegelbeeldige) voorwaardelijke tegenverzoek van TVM (de gevraagde verklaringen voor recht dat de wederpartij een andere schadebehandelaar of belangenbehartiger moet inschakelen). Dit zijn naar het oordeel van de rechtbank geen verzoeken ter zake van wat tussen partijen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over wat [verzoeker] in het kader van de letselschadezaak te vorderen heeft van TVM (artikel 1019w lid 1 Rv). Het verzoek onder 2. van [verzoeker] zal dan ook worden afgewezen, waardoor de rechtbank ook niet toekomt aan het voorwaardelijke tegenverzoek van TVM (zie r.o. 4.4).

Nadere bewijslevering

5.3.

Ten aanzien van het verzoek onder 1. (de eigen-schuldvraag) voert TVM aan dat dit verzoek zich niet leent voor behandeling in deelgeschil omdat bewijslevering plaats zal moeten vinden. Hierover overweegt de rechtbank als volgt.

5.4.

Het standpunt van TVM komt erop neer dat [verzoeker] eigen schuld valt te verwijten omdat hij geen gordel droeg en daardoor bij de aanrijding uit de veegwagen is geslingerd, waardoor zijn letsel ernstiger is uitgevallen dan wanneer hij wel een gordel had gedragen. Ter zitting heeft [verzoeker] erkend dat hij geen gordel droeg, zodat bewijslevering op dit punt niet hoeft plaats te vinden. Geschilpunt tussen partijen is wel of [verzoeker] zich ten tijde van het ongeval buiten de veegwagen bevond en dus geen gordel hoefde te dragen (aldus [verzoeker] ), of dat hij in de veegwagen zat en dus een gordel moest dragen (aldus TVM). Volgens TVM dient het deelgeschil afgewezen te worden omdat over de vraag of [verzoeker] wel of niet in de veegwagen zat nadere bewijslevering nodig is. Echter de rechtbank is van oordeel dat ook zonder bewijslevering een beslissing op de eigen-schuldvraag kan worden gegeven, waarbij in het midden kan blijven of [verzoeker] zich buiten de veegwagen bevond.

Juridisch kader eigen schuld

5.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat [betrokkene] aansprakelijk is voor het ontstaan van het ongeval en TVM op grond van de WAM in beginsel gehouden is tot vergoeding van de schade die [verzoeker] als gevolg van het ongeval heeft geleden. De vraag die partijen verdeeld houdt is of [verzoeker] zelf heeft bijgedragen aan de omvang van de schade en TVM als gevolg daarvan niet is verplicht zijn schade volledig te vergoeden. Artikel 6:101 lid 1 BW bepaalt in dat verband dat wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht wordt verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. De bewijslast van eigen schuld van de tot schadevergoeding gerechtigde rust in beginsel op de partij die zich op eigen schuld beroept, zodat die partij in beginsel de bewijslast heeft van hetgeen hij ter onderbouwing van zijn beroep op eigen schuld aanvoert (vgl. Hoge Raad 11 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1733).

5.6.

Anders dan TVM aanvoert, brengt de omstandigheid dat in deelgeschilprocedures geen ruimte is voor bewijslevering niet mee dat de regels van stelplicht en bewijslast niet van toepassing zijn. Ook in deelgeschil draagt de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten in beginsel de bewijslast van die feiten of rechten (artikel 150 Rv). TVM stelt dat [verzoeker] direct voorafgaand aan het ongeval geen gordel droeg terwijl dit wel had gemoeten, dat [verzoeker] als gevolg daarvan uit de veegwagen is geslingerd en dat [verzoeker] aldus heeft bijgedragen aan de omvang van de schade. Hiermee doet TVM een beroep op eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW. Op grond van artikel 150 Rv rust dan ook op haar de stelplicht en de bewijslast van voormelde stellingen.

Had [verzoeker] de gordel moeten dragen?

5.7.

Tegen deze achtergrond is in de eerste plaats van belang of [verzoeker] verplicht was om een gordel te dragen. De rechtbank overweegt dat een veegwagen een bedrijfsauto is omdat het een voertuig op vier of meer wielen is, ingericht voor het vervoeren van goederen of het uitvoeren van andere werkzaamheden (artikel 1 RVV 1990 jo. artikel 1.1 sub b van de Regeling voertuigen). Uit artikel 59 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) volgt dat bestuurders van een bedrijfsauto tijdens deelname aan het verkeer gebruik dienen te maken van de voor hen beschikbare veiligheidsgordel. Niet in geschil is dat in de veegwagen een veiligheidsgordel voor de bestuurder zat. Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] een officiële ontheffing had voor het dragen van een gordel. [verzoeker] was dan ook als bestuurder van de veegwagen verplicht om een gordel te dragen. De omstandigheid dat de aanwezige gordel onder een doorzichtige plastic beschermingshoes zat die over de voorbank van de veegwagen was aangebracht, maakt dit niet anders. Aan de wettelijke gordelplicht doet ook niet af dat de werkgever het dragen van een gordel niet verplicht zou hebben gesteld omdat [verzoeker] voor zijn werkzaamheden regelmatig moest in- en uitstappen. [verzoeker] was desondanks wettelijk verplicht in beginsel de gordel te dragen.

5.8.

Gelet op het debat tussen partijen is vervolgens van belang of [verzoeker] zich direct voorafgaand aan het ongeval ook in een positie bevond waarin hij gehouden was de gordel te dragen. Indien de veegwagen reed, dan kan het immers niet anders dan dat [verzoeker] zich in de veegwagen bevond en dus – ten onrechte – zijn gordel niet droeg. Indien de veegwagen echter stilstond en [verzoeker] zich buiten de veegwagen bevond of net bezig was met in- of uitstappen, dan kan [verzoeker] niet worden verweten geen gordel te hebben gedragen. Dat was op dat moment voor hem immers redelijkerwijs niet mogelijk.

5.9.

TVM beroept zich in dat kader op het proces-verbaal van de politie, waarin onder ‘Vermoedelijke toedracht’ de afgelegde (getuigen)verklaringen zijn samengevat. Hierin staat dat getuige [getuige 1] heeft gezegd dat hij op de vluchtstrook ‘een veegwagen zag rijden’ (zie r.o. 3.4). In de getuigenverklaring zelf staat echter dat [getuige 1] verklaart: ‘Tevens zag ik dat erop de vluchtstrook een veegwagen stond’ (zie r.o. 3.5). Ook [betrokkene] heeft verklaard dat hij dacht dat de veegwagen stil stond (zie r.o. 3.5). Geen van de andere getuigen heeft verder verklaard de veegwagen te hebben zien rijden kort voor het ongeval. Daarmee staat een aantoonbare onjuistheid in het proces-verbaal van de politie. In het strafvonnis staat daarnaast weliswaar dat ‘op de vluchtstrook op dat moment een veegwagen [reed]’ (zie r.o. 3.11), maar niet is toegelicht waarop dit is gebaseerd. Niet ondenkbaar is dat dit is gebaseerd op voornoemde onjuistheid in het proces-verbaal. Een ambtshalve door de politie opgemaakt proces-verbaal is niet tot burgerlijk bewijs bestemd, zodat daaraan in de civiele procedure slechts vrije bewijskracht kan worden toegekend (vgl. Hoge Raad 27 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2501). De rechtbank acht zich op grond van het voorgaande daarom niet gebonden aan voornoemde passages in het strafvonnis en in het proces-verbaal.

5.10.

Anders dan TVM stelt kan ook uit de verklaring van [verzoeker] niet worden afgeleid dat hij direct voorafgaand aan het ongeval reed. [verzoeker] heeft weliswaar verklaard dat hij 5 km/u reed, maar ook dat hij zich niets meer van het ongeval herinnert (zie r.o. 3.5). De rechtbank ziet – mede gelet op het (niet betwiste) hoofdletsel dat [verzoeker] heeft opgelopen bij het ongeval – geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Uit zijn verklaring begrijpt de rechtbank daarom dat hij in algemene zin over de snelheid van de veegwagen heeft verklaard en niet specifiek over zijn snelheid ten tijde van het ongeval.

5.11.

Uit de processen-verbaal van de politie en de VOA blijkt vervolgens niet dat zij onderzoek hebben gedaan naar de vraag of de veegwagen direct voorafgaand aan het ongeval reed. Voor zover de politie (onder ‘Vermoedelijke toedracht’) en de VOA (onder 5.2) hebben opgemerkt dat de veegwagen reed, kan niet worden vastgesteld waarop zij deze bevinding hebben gebaseerd. [verbalisant] bevestigt in het telefoongesprek van 25 januari 2024 ook geen onderzoek te hebben gedaan naar de snelheid van de veegwagen. Uit het rapport van [deskundige] (onder IV) blijkt evenmin dat zij daarnaar onderzoek heeft gedaan. Bovendien geldt dat in de vraagstelling aan [deskundige] als gegeven is gepresenteerd dat de veegwagen reed. In haar brief van 19 november 2024 heeft [deskundige] bovendien toegelicht dat zij haar aanname dat de veegwagen reed heeft gebaseerd op de samenvatting in het proces-verbaal als hiervoor onder r.o. 5.9 vermeld en dat later bleek dat de getuigen anders hebben verklaard. Hieruit volgt dat zij geen eigen onderzoek heeft verricht naar het al dan niet rijden van de veegwagen. Dat geldt ook voor haar verklaring dat het mogelijk is dat de veegwagen met een zeer lage snelheid heeft gereden. De rechtbank gaat hier daarom aan voorbij.

5.12.

Van belang is ook dat [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij regelmatig moest in- en uitstappen, om objecten die te groot waren voor de veegwagen te fotograferen c.q. te verplaatsen. Dit staat ook in het rapport van [deskundige] (onder III). Hierdoor is het niet ondenkbaar dat de veegwagen direct voorafgaand aan het ongeval heeft stilgestaan en [verzoeker] zich ofwel buiten de veegwagen bevond, ofwel bezig was met in- of uitstappen. In beide kon [verzoeker] redelijkerwijs geen gordel dragen. Op zo’n moment kan [verzoeker] ook het WhatsApp-bericht hebben verzonden dat hij om 14:07 uur heeft verstuurd vanaf zijn telefoon (zie r.o. 3.12 onder punt 22), zodat ook daaruit niet blijkt dat hij reed kort voor het ongeval. De rechtbank volgt TVM niet in haar stelling dat het ongeval om 14:54 uur heeft plaatsgevonden, nu dat geen steun vindt in de overgelegde stukken. Het proces-verbaal van de VOA vermeldt immers 14:07 uur als ongevalstijdstip (zie r.o. 3.3) . In het proces-verbaal van de politie staat alleen dat de verbalisanten omstreeks 14:54 uur kennis hebben genomen van het ongeval (zie r.o. 3.4), waarmee niet is gezegd dat dat het ongevalstijdstip is.

5.13.

Gelet op het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat de veegwagen reed, zodat op basis daarvan evenmin kan worden vastgesteld dat [verzoeker] in de veegwagen zat kort voor het ongeval.

Is [verzoeker] uit de veegwagen geslingerd?

5.14.

TVM stelt daarnaast dat [verzoeker] bij de aanrijding uit de veegwagen is geslingerd. Zij ziet daarin een aanwijzing dat [verzoeker] zich in de veegwagen bevond en daarom een gordel had moeten dragen. De rechtbank volgt haar daarin niet. Ook als komt vast te staan dat [verzoeker] uit de veegwagen is geslingerd, hetgeen hij betwist, betekent dit niet dat hij zich direct voorafgaand aan het ongeval in een positie bevond waarin hij was gehouden een gordel te dragen. Zoals hiervoor onder r.o. 5.12 overwogen kan het zo zijn geweest dat [verzoeker] op dat moment bezig was met in- of uitstappen en daarom redelijkerwijs zijn gordel niet kon hebben gedragen. Voor zover TVM had willen aanbieden om te bewijzen dat [verzoeker] zich in een positie bevond waarin hij wel gehouden was de gordel te dragen, en dus niet bezig was met in- of uitstappen, geldt dat het deelgeschil zich niet leent voor nadere bewijslevering. Uitgangspunt is immers dat de deelgeschilprocedure eenvoudig, snel en kostenefficiënt dient te zijn. De investering die bewijslevering zou vergen in tijd, geld en moeite staat daaraan in de weg en weegt niet op tegen de bijdrage die een beslissing kan leveren aan de totstandkoming van een minnelijke regeling. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld dat [verzoeker] zich – aangenomen dat hij uit de veegwagen is geslingerd – in een positie bevond waarin hij was gehouden een gordel te dragen.

5.15.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat TVM onvoldoende heeft onderbouwd dat [verzoeker] uit de veegwagen is geslingerd. Dit blijkt niet, althans onvoldoende, uit de processen-verbaal en de deskundigenrapporten.

5.16.

Het proces-verbaal van de VOA bevat een verslag van het onderzoek dat ongeveer een halfuur tot een uur na het ongeval ter plaatse is uitgevoerd door (onder meer) verbalisant [verbalisant] (zie r.o. 3.10). In (punt 2.1.9 van) het proces-verbaal van de VOA staat dat [verbalisant] en zijn collega toen zij ter plaatse kwamen, van een collega hoorden dat [verzoeker] door de botsing uit zijn voertuig was geslingerd en gedeeltelijk onder de vangrail was terechtgekomen (zie r.o. 3.3). [verbalisant] heeft dit nader toegelicht in zijn telefoongesprek met de gemachtigde van [verzoeker] . Uit de – niet door TVM weersproken – telefoonnotitie blijkt dat collega’s van de basiszorg van de politie hebben geïnterpreteerd dat [verzoeker] uit de veegwagen is geslingerd, dat [verbalisant] dit niet zelf heeft onderzocht en dat het logisch leek dat [verzoeker] door de linkerruit is geslingerd aangezien het rechterportier intact was (zie r.o. 3.10).

5.17.

In het proces-verbaal van de politie staat dat de veegwagen over de kop is geslagen, waarbij de bestuurder uit zijn voertuig is geslingerd. Dit blijkt echter niet uit de getuigenverklaringen. Dat de veegwagen over de kop is geslagen, blijkt ook niet uit het proces-verbaal van de VOA. Daarin staat dat de veegwagen rechts om zijn zwaartepunt is gedraaid en vervolgens over de linkerzijde is gekanteld en over het wegdek en tegen de vangrail is geschoven. Dat [verzoeker] uit de veegwagen is geslingerd staat wel in het proces-verbaal van de VOA, maar dit is zoals hiervoor overwogen opgenomen op basis van aannames en niet op basis van sporenonderzoek.

5.18.

Uit de beide processen-verbaal blijkt bovendien niet dat is meegewogen dat het werk van [verzoeker] ook inhield dat hij de veegwagen uitstapte om afval te verwijderen, zodat wel mogelijk is dat hij zich buiten de veegwagen bevond toen de aanrijding plaatsvond. Ook blijkt nergens uit of is meegewogen dat de bestuurdersstoel van de veegwagen rechts zit en dat in- en uitstappen via het rechterportier gebeurde. De rechtbank concludeert dan ook dat in beide processen-verbaal de aanname is gedaan dat [verzoeker] uit de veegwagen is geslingerd, maar dat hier geen (sporen)onderzoek naar is gedaan. Nu ten aanzien van deze processen-verbaal zoals hiervoor onder r.o. 5.9 overwogen vrije bewijskracht geldt, acht de rechtbank zich niet aan deze aanname gebonden.

5.19.

De aanname dat [verzoeker] uit de veegwagen is geslingerd wordt bovendien niet ondersteund door de overige rapporten. Het rapport van [deskundige] , dat is opgesteld in opdracht van TVM, bevat een opdracht waarin als gegeven is gepresenteerd dat [verzoeker] uit de veegwagen is geslingerd (zie r.o. 3.8). [deskundige] gaat dan ook uit van deze aanname bij haar onderzoek, zoals zij ook bevestigt in haar brief van 19 november 2024 (zie r.o. 3.12). Niet gebleken is dat zij zelf onderzoek heeft verricht naar de juistheid van dit gegeven. Niet uitgesloten is dat zij zoekt naar mogelijkheden op welke wijze dat ‘eruit slingeren’ kan zijn gebeurd, zonder aandacht te besteden aan de mogelijkheid dat het niet is gebeurd. [deskundige] baseert haar bevindingen bovendien op voormelde onjuistheden in het proces-verbaal van de politie.

5.20.

[deskundige] acht het vervolgens onwaarschijnlijk dat [verzoeker] door (het raam van) het linkerportier uit de veegwagen is geslingerd gezien het spoor van glasscherven dat op de weg lag tussen de eindpositie van [verzoeker] en de eindpositie van de veegwagen (zie r.o. 3.8). [deskundige] schrijft dat naar alle waarschijnlijkheid de ruit van het linkerportier is gebroken nadat de veegwagen op links was gekanteld en doordat de veegwagen over het asfalt schoof, wat het volgens [deskundige] onmogelijk maakt dat [verzoeker] via (het raam van) het linkerportier uit de veegwagen is geslingerd. Dat [verzoeker] uit (het raam van) het linkerportier is geslingerd zoals TVM stelt, wordt dus uitgesloten door haar eigen expert. Uit het voorgaande blijkt dat dit ook niet wordt onderbouwd door de processen-verbaal omdat er geen onderzoek is gedaan naar (bijvoorbeeld) het glasspoor. TVM heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd gesteld dat [verzoeker] via de linkerzijde uit de veegwagen is geslingerd.

5.21.

Ditzelfde geldt voor haar stelling dat [verzoeker] via de rechterzijde uit de veegwagen is geslingerd. De rechtbank begrijpt dat in dit scenario het rechterportier door de aanrijding moet zijn geopend, waarna [verzoeker] uit de veegwagen is geslingerd en het portier vervolgens (door de zwaartekracht) weer is gesloten. Niet ter discussie staat immers dat de veegwagen na het ongeval is aangetroffen op zijn linkerkant met een gesloten rechterportier. Ter onderbouwing van haar stelling verwijst TVM naar het rapport van [deskundige] , waarin staat dat [verzoeker] wel uit het rechterportier moet zijn geslingerd nu de voorruit en de ruit van het rechterportier intact waren (zie r.o. 3.8). De rechtbank volgt haar hierin echter niet. Uit de rapporten van Arntz en Van Helden, Hanselman, [deskundige] en het proces-verbaal van de VOA blijkt immers niet dat het rechterportier en het rechterraam beschadigd waren. Daar komt bij dat [verbalisant] heeft gezegd dat het rechterportier intact was en dat er wel wat zou vervormen of de ruit zou zijn gebroken als die door kracht opengaat (zie r.o. 3.10). Gelet hierop is onvoldoende de bevinding van [deskundige] dat zij bij ernstige aanrijdingen waarbij sprake is van ontzetting van de cabine wel vaker ziet dat het portier openspringt zonder dat daardoor (extra) schade aan het portier ontstaat (zie r.o. 3.12). Zij had deze bevinding, die kennelijk alleen is gebaseerd op haar eigen ervaring, nader dienen te onderbouwen en niet kunnen volstaan met de enkele stelling dat ‘het (nog steeds) zeer wel mogelijk’ is dat het rechterportier open is gesprongen als gevolg van de botsing en de beweging die [verzoeker] heeft gemaakt, en dat [verzoeker] zo uit de veegwagen is gekomen zonder dat het portier (extra) is beschadigd. Veeleer houdt dit scenario de mogelijkheid open dat [verzoeker] zich direct voorafgaand aan het ongeval buiten de veegwagen bevond of op dat moment in- of uitstapte, als gevolg waarvan het portier geopend was en hij daarom uit de veegwagen is geslingerd zonder dat dit tot beschadigingen aan het portier heeft geleid.

5.22.

Tot slot heeft TVM niet gesteld dat [verzoeker] door de voorruit is geslingerd en dit is ook niet gebleken, nu in het rapport van [deskundige] staat dat de voorruit intact was en dat dus juist vast staat dat [verzoeker] niet door de voorruit heen is geslingerd. Andere scenario’s waarbij [verzoeker] uit de veegwagen is geslingerd zijn niet gesteld en volgen ook niet uit de diverse rapporten. De rechtbank concludeert dan ook dat niet is vast komen te staan dat [verzoeker] uit de veegwagen is geslingerd, nog daargelaten dat de vaststelling daarvan zoals hiervoor overwogen niet leidt tot de conclusie dat [verzoeker] een gordel had moeten dragen.

Conclusie over de aanwezigheid van eigen schuld

5.23.

De rechtbank concludeert, gelet op al het voorgaande en gezien de gemotiveerde betwisting door [verzoeker] , dat TVM onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat [verzoeker] in de veegwagen zat direct voorafgaand aan het ongeval en op dat moment een gordel had moeten dragen. Niet kan worden vastgesteld dat de veegwagen reed en [verzoeker] door het niet dragen van de gordel uit de veegwagen is geslingerd, zodat [deskundige] niet kan worden gevolgd in haar conclusie – die daarop is gebaseerd – dat het dragen van een gordel de omvang van de schade zou hebben beperkt. De overige rapporten en processen-verbaal bieden voor die stelling ook geen althans onvoldoende steun. Daarmee heeft TVM onvoldoende onderbouwd dat sprake is van eigen schuld, zodat aan bewijslevering – voor zover al mogelijk in het kader van deze deelgeschilprocedure – niet wordt toegekomen. Het voorgaande betekent dat het onder 1. verzochte (zie r.o. 4.1) zal worden toegewezen.

Kosten deelgeschil

5.24.

[verzoeker] verzoekt om begroting van en veroordeling in de kosten op de voet van art. 1019aa Rv. [verzoeker] heeft ter zitting de verzochte kosten gematigd en stelt dat hij kosten heeft gemaakt van (zo begrijpt de rechtbank) € 6.650,00 exclusief btw (20 uur maal uurtarief € 295,00 en 3 uur maal uurtarief € 250,00, vermeerderd met 21% btw) vermeerderd met griffierecht.

5.25.

TVM voert aan dat het verzoek moet worden afgewezen omdat het deelgeschil geheel onnodig en onterecht is ingesteld. Voor [verzoeker] was duidelijk dat voor het eerste verzoek (de eigen schuldvraag) nadere bewijslevering nodig is en dat het tweede verzoek (om een andere schaderegelaar aan te stellen) niet kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, terwijl het oorspronkelijke derde verzoek (over vergoeding van de openstaande buitengerechtelijke kosten) in een laat stadium is ingetrokken en ook overigens niet toewijsbaar was. Het gehanteerde uurtarief moet volgens TVM worden gematigd naar € 236,00 exclusief btw en het aantal bestede uren moet worden gematigd naar 15 uren.

5.26.

De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 1019aa Rv in beginsel begroting dient plaats te vinden van de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt. Bij de begroting moeten alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking worden genomen, met toepassing van de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets: het dient redelijk te zijn dat deze kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten moet ook redelijk zijn (MvT, Kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 18).

5.27.

Gelet op het feit dat het door [verzoeker] ingesteld eerste verzoek wordt toegewezen, kan niet met succes gesteld worden dat dit deelgeschil onnodig en onterecht aanhangig is gemaakt. De omstandigheid dat het tweede verzoek (om een andere schadebehandelaar) wordt afgewezen, maakt dit niet anders. [verzoeker] heeft het (oorspronkelijk) derde verzoek (over de buitengerechtelijke kosten) niet ingetrokken om redenen die kwalificeren als misbruik van procesrecht, maar omdat ze – gezien het uitgebreide verweer van TVM tegen de buitengerechtelijke kosten – de kern van de discussie tussen partijen (over eigen schuld) helder willen houden. Het (pas ter zitting) door TVM ingestelde verzoek om [verzoeker] vanwege misbruik van procesrecht te veroordelen in de proceskosten van TVM, is alleen al gelet daarop niet voor toewijzing vatbaar. De vraag of dit verzoek te laat is ingesteld, kan daarmee onbeantwoord blijven.

5.28.

Voor wat betreft de kosten heeft [verzoeker] ter onderbouwing een urenstaat overgelegd van zijn advocaat die uitkomt op 23 uur, die door TVM wordt betwist. De rechtbank komt die tijdsbesteding in een dossier als het onderhavige niet onredelijk voor. Ook zal de rechtbank geen matiging toepassen omdat een deel van het verzoek is ingetrokken, aangezien die intrekking geen misbruik van procesrecht oplevert. De rechtbank ziet wel aanleiding om de begrote kosten voor de mondelinge behandeling (3 uren) te matigen tot anderhalf uur. Daarmee komt de totale tijdsbesteding op 21,5 uur.

5.29.

Voor wat betreft het opgevoerde uurtarief overweegt de rechtbank dat TVM er ten onrechte van uitgaat dat uit de overgelegde facturen blijkt dat mr. Spronck een uurtarief hanteert van € 236,00. Uit de overgelegde factuur van 6 augustus 2024 blijkt dat voornoemd bedrag is gefactureerd voor een tijdsbesteding van 0,8 uren, wat omgerekend neerkomt op een uurtarief van € 295,00. Door [verzoeker] is nog gewezen op jurisprudentie waarbij ten aanzien van mr. Spronck het uurtarief van € 295,00, vanwege zijn specialisatie in letselschade, niet onredelijk werd geacht. De rechtbank ziet geen aanleiding om anders te oordelen in deze zaak. Tijdens de mondelinge behandeling was mr. Spronck echter niet aanwezig maar zijn kantoorgenoot, mr. Esser. TVM heeft in haar verweerschrift aangevoerd (zo begrijpt de rechtbank) dat voor mr. Esser een uurtarief van € 236,00 exclusief btw redelijk is. Tijdens de mondelinge behandeling is namens [verzoeker] toegelicht dat het uurtarief van mr. Esser € 250,00 exclusief btw bedraagt en dit heeft TVM niet weersproken. De rechtbank zal voor mr. Esser uitgaan van een uurtarief van € 250,00 exclusief btw.

5.30.

In totaal zal worden uitgegaan van een tijdsbesteding van 20 uren á € 295,00 per uur en 1,5 uren á € 250,00 per uur, vermeerderd met 21% btw en € 320,00 aan griffierecht, dus in totaal 7.912,75. Nu de aansprakelijkheid van TVM voorts niet (meer) ter discussie staat, zal TVM tevens worden veroordeeld tot betaling van voornoemde kosten.

5.31.

Tot slot merkt de rechtbank nog het volgende op. Uit de stukken begrijpt de rechtbank dat vooral de discussie over de eigen schuld, de verhoudingen tussen partijen op scherp lijkt te hebben gezet. Deze discussie is nu beslecht maar het schaderegelingstraject – waaronder de discussie over de buitengerechtelijke kosten – is nog niet afgerond. De rechtbank vertrouwt erop dat partijen, al dan niet met de huidige schadebehandelaars, samen de schadeafwikkeling verder ter hand nemen. Rechtbank Gelderland 10 maart 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:1849