Overslaan en naar de inhoud gaan

Gem Hof v Just. 180809 dwarsleasie; periodieke uitkering

Gem Hof v Just. 180809 dwarsleasie; periodieke uitkering
j. verlies arbeidsvermogen
2.16 Door partijen zijn in de loop van de procedure telkens wisselende stellingen ingenomen ter zake van de hoogte van het inkomen van [appellant] voorafgaande aan het ongeval. Thiel heeft de aanname in het Ergonomics-rapport dat [appellant] voorafgaand aan het ongeval een gemiddeld maandinkomen van Afl. 2.916,66 genoot en daarnaast aanspraak had op een eindejaarsbonus gelijk aan een maandsalaris en een vakantievergoeding ter hoogte van Afl. 2.800,-- niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Nu duidelijk was dat dit rapport - en de daarin opgenomen bedragen - als uitgangspunt zou dienen voor de beoordeling door het Hof van de door [appellant] gestelde schade, had dat wel op haar weg gelegen, bijvoorbeeld door het overleggen van gegevens uit haar personeels- of loonadministratie waaruit specifiek de inkomsten van [appellant] zouden kunnen blijken. Thiel heeft evenwel volstaan met een verwijzing naar de loonbelastingkaarten van [appellant] (waarvan niet vast staat dat die de werkelijke inkomsten weergeven) en het door SVB gehanteerde dagloon (waarvan evenmin duidelijk is op welke gegevens dat is gebaseerd). Dat acht het Hof onvoldoende zodat het zal uitgaan van het in het Ergonomics-rapport gestelde maandinkomen met emolumenten.

2.17 Thiel heeft evenmin betwist dat [appellant] (daarnaast) inkomsten uit overwerk verwierf maar heeft wel gemotiveerd de hoogte van het door [appellant] gestelde inkomen daaruit betwist. Volgens Thiel beliep het gemiddelde overwerk (voor het gehele bedrijf) in de periode 1998-2007 11,6% van het bruto salaris. Het had op de weg van [appellant] gelegen om daartegenover zijn stelling dat in zijn geval van meer inkomsten uit overwerk sprake zou zijn geweest, nader te motiveren en onderbouwen. Dat heeft hij niet gedaan, zodat het Hof ook voor hem uit zal gaan van het door Thiel gestelde gemiddelde. Dit betekent dat de verdiencapaciteit van [appellant] gesteld wordt op 1,116 x (13 x Afl. 2.916,66 + Afl. 2.800,--) = Afl. 45.439,70 bruto per jaar (Afl. 3.786,64 bruto per maand), te rekenen vanaf april 1998. Teneinde de schade als gevolg van het verlies aan verdienvermogen vast te stellen, dienen daarop de door SVB aan [appellant] gedane uitkeringen in mindering te worden gebracht. Het Hof zal daarvoor aansluiten bij de in het Ergonomics-rapport genoemde bedragen. Tevens dient in mindering te worden gebracht de niet betwiste reeds door Thiel maandelijks betaalde suppletie ad Afl. 340,--. Dit alles leidt tot het volgende overzicht:

overzicht

2.18 Ten aanzien van toekomstige schade zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de arbeidsre-integratie door [appellant]. Uit de reactie van partijen leidt het Hof af dat [appellant] nog altijd niet aan het werk is en derhalve nog steeds arbeidsinkomsten derft. De (impliciete) stelling van Thiel dat [appellant] dit deels aan zichzelf te wijten heeft, acht het Hof onvoldoende onderbouwd om daaraan conclusies te verbinden. Dit betekent dat Thiel nog altijd gehouden is om het verlies aan verdiencapaciteit van [appellant] te compenseren. Blijkens het rapport van 13 januari 2004 vordert [appellant] een vergoeding voor het verlies aan verdiencapaciteit over een periode tot zijn zestigste levensjaar (13 mei 2022). Deze periode is door Thiel niet bestreden en komt het Hof, nu Thiel (zie het in eerste aanleg door Thiel overgelegde rapport van KPMG en de aantekeningen ten behoeve van comparitie van partijen van 20 januari 2004) ook zelf uitgaat van het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd door [appellant] op 60-jarige leeftijd althans 24 jaar na het ongeval, juist voor.

2.19 Over de periode na 2004 zijn door partijen geen gegevens verstrekt over de door SVB betaalde uitkeringen aan [appellant]. Bij het bepalen van het verlies aan verdienvermogen sinds 2004 gaat het Hof ervan uit, nu door partijen niet anders is gesteld, dat SVB tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van 60 jaar aan [appellant] een vergoeding toekent. [appellant] heeft ten aanzien van de toekomstige schade geen aanspraak gemaakt op betaling van de contante waarde ineens. Het Hof zal de vergoeding voor het verlies aan verdienvermogen na 2004 daarom per maand toekennen, door Thiel achteraf per de laatste dag van iedere maand te voldoen, waarbij (nu het Hof niet over voldoende feitelijke gegevens beschikt) partijen zelf dienen te berekenen welk bedrag resteert na aftrek van de vergoeding door SVB en de reeds door Thiel betaalde suppletie (op overeenkomstige wijze als hiervoor onder 2.17 is gebeurd voor de jaren 1998-2004). LJN BJ5903