Zoeken

Inloggen

Artikelen

PHR 180322 AG Hartlief; had verzekeraar bij kennis omtrent strafrechtelijk verleden verzekeringsovereenkomst gesloten?

PHR 180322 AG Hartlief; had verzekeraar bij kennis omtrent strafrechtelijk verleden verzekeringsovereenkomst gesloten?

Onderdeel 2: het oordeel van hof dat ASR bij kennis van de ware stand van zaken de verzekering niet met [eiser] zou hebben gesloten

3.13
In dit onderdeel, dat uiteenvalt in vier subonderdelen, komt [eiser] op tegen rov. 3.10 van het bestreden tussenarrest en rov. 2.6 van het bestreden eindarrest.

3.14
In rov. 3.10 van het bestreden tussenarrest heeft het hof onder meer overwogen dat het in 1998 gehanteerde acceptatiebeleid van ASR en andere verzekeraars van belang is bij het beantwoorden van de vraag of ASR als redelijk handelend verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken [eiser] als verzekerde had geaccepteerd. In rov. 2.6 van het bestreden eindarrest heeft het hof onder meer overwogen dat het uitgaat van de juistheid en waarheid van de ingevulde vragenlijsten en dat het zonneklaar is dat in 1998 een non-acceptatiebeleid gold voor overtredingen (veroordelingen) van de Opiumwet, in het bijzonder het importeren van hennep. Ook heeft het hof geoordeeld dat ASR genoegzaam heeft aangetoond en onderbouwd dat zij bij kennis van de ware stand van zaken betreffende de strafrechtelijke veroordeling van [eiser] als redelijk handelend verzekeraar de verzekeringsovereenkomst niet met hem had gesloten.

3.15
In subonderdeel 2.1 klaagt [eiser] dat de overwegingen/oordelen van het hof in rov. 3.10 van het bestreden tussenarrest en rov. 2.6 van het bestreden eindarrest rechtens onjuist zijn, dan wel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Volgens [eiser] heeft het hof miskend dat het acceptatiebeleid dat in 1998 bij ASR bestond voor [eiser] kenbaar moest zijn om gelding te hebben en is het onbegrijpelijk dat het hof niet op die kenbaarheid is ingegaan.

3.16
De klachten gaan uit van een onjuiste rechtsopvatting en falen.

3.17
Op grond van art. 7:930 lid 4 BW is de verzekeraar (ASR) géén uitkering verschuldigd indien hij bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten.

3.18
Bij arrest van 5 oktober 2018 heeft Uw Raad onder meer geoordeeld dat een beroep van de verzekeraar op art. 7:930 lid 4 BW in beginsel alleen zal kunnen slagen, indien de verzekeraar aantoont dat een redelijk handelend verzekeraar bij bekendheid met de ware stand van zaken de verzekering niet zou hebben gesloten. De verzekeraar die een acceptatiebeleid voert dat afwijkt van dat van een redelijk handelend verzekeraar, kan zich daarop alleen ten nadele van de verzekeringnemer beroepen als hij aantoont dat de verzekeringnemer bij het aangaan van de verzekering wist of behoorde te begrijpen welk acceptatiebeleid de verzekeraar hanteerde.35 Volgens Uw Raad kan, bij het beantwoorden van de vraag wat een redelijk handelend verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken zou hebben gedaan, groot gewicht toekomen aan het acceptatiebeleid van andere verzekeraars.36

3.19
Naar het oordeel van het hof (rov. 2.6 van het bestreden eindarrest) blijkt zonneklaar uit de door ASR in de procedure gebrachte vragenlijsten37 dat in 1998 een non-acceptatiebeleid gold voor overtredingen (veroordelingen) van de Opiumwet, in het bijzonder het importeren van hennep. Dit beleid gold dus zowel bij (de rechtsvoorganger van) ASR als bij Nationale Nederlanden en Allianz. ASR voerde in 1998 dus een acceptatiebeleid dat (in elk geval op dat punt) niet afweek van het acceptatiebeleid van andere verzekeraars en (daarom) ook niet van een redelijk handelend verzekeraar. Omdat het beleid niet afweek, is het niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat ASR zich op dit beleid heeft mogen beroepen, zonder daarbij te onderzoeken of het acceptatiebeleid voor [eiser] kenbaar was.

3.20
In subonderdeel 2.2 betoogt [eiser] dat het rechtens onjuist is dat het hof in rov. 2.6 van het bestreden eindarrest heeft geoordeeld dat sprake was van een non-acceptatiebeleid bij ASR en andere verzekeraars voor overtredingen van de Opiumwet, in het bijzonder het importeren van hennep. Het hof heeft zijn oordeel gebaseerd op drie schriftelijke verklaringen (de vragenlijsten), terwijl een verzekeraar volgens [eiser] minst genomen protocollen of andere schriftelijke (beleids)documenten moet overleggen om een geslaagd beroep op art. 7:930 lid 4 BW te kunnen doen.

3.21
Deze klacht gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting en faalt.

3.22
Op grond van art. 152 lid 1 Rv kan bewijs worden geleverd door alle middelen, tenzij de wet anders bepaalt. Deze zogenoemde ‘vrije bewijsleer’ neemt als uitgangspunt dat de rechter zo weinig mogelijk belemmeringen behoort te ondervinden bij zijn bewijsoordeel. Hierdoor zijn er in principe geen beperkingen met betrekking tot de gebezigde bewijsmiddelen.38 Rechters kunnen in het kader van bewijs dus in beginsel uit alle soorten informatiebronnen putten, waaronder verklaringen van personen.39

3.23
Art. 152 lid 1 Rv laat ruimte voor het maken van uitzonderingen op de vrijheid van bewijslevering door alle middelen, maar art. 7:930 lid 4 BW vormt niet een dergelijke uitzondering.40 Dat een slagend beroep op art. 7:930 lid 4 BW verstrekkende gevolgen voor de verzekerde heeft, is onvoldoende om – zonder wettelijke basis – een uitzondering op de vrije bewijsleer aan te nemen. Het betoog van [eiser] , dat overigens ook volgens hemzelf nog niet eerder in rechtspraak of literatuur is aangevoerd,41 gaat dus niet op.

3.24
[eiser] klaagt daarnaast dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat ASR – afgezien van de ingevulde vragenlijsten – geen enkel schriftelijk bewijs heeft overgelegd.

3.25
Ook deze klacht faalt.

3.26
Het hof is, als rechter die over de feiten oordeelt, vrij in de waardering van de in het geding gebrachte (bewijs)stukken. Wel moet het hof zijn oordeel, over de vraag of bepaald bewijs al dan niet is geleverd, ten minste zodanig motiveren dat voldoende inzicht wordt gegeven in de aan het oordeel ten grondslag liggende gedachtegang van het hof.42 Het oordeel van het hof, inhoudende dat ASR genoegzaam heeft aangetoond en onderbouwd dat zij bij kennis van de ware stand van zaken betreffende de strafrechtelijke veroordeling van [eiser] als redelijk handelend verzekeraar de verzekeringsovereenkomst met hem niet had gesloten, voldoet aan deze eis. Uit het bestreden eindarrest blijkt immers niet alleen dat het hof zijn oordeel op de drie ingevulde vragenlijsten heeft gebaseerd, maar ook waarom het hof van de juistheid van die vragenlijsten is uitgegaan en waarom het niet verwonderlijk is dat ASR, 22 jaar na dato, geen andere schriftelijke stukken ter onderbouwing van haar standpunt heeft kunnen overleggen. De motivering van het hof is allerminst onbegrijpelijk.

3.27
Daarbij komt – los van de motivering van het hof – dat ook op basis van gezond verstand tot de conclusie kan worden gekomen dat ASR in november 1998 niet de verzekering met [eiser] had gesloten als hij destijds naar waarheid aan ASR had medegedeeld dat hij een half jaar eerder door de rechtbank was veroordeeld voor het invoeren van een meer dan tienduizend kilo hennep en het in het bezit hebben van meer dan twaalf kilo hasj (randnummer 1.2 hiervoor). Indien een potentiële verzekerde op zo’n grote schaal bij (de invoer en handel in) drugs is betrokken, vormt dat vanzelfsprekend een groot (extra) risico voor de (opstal)verzekeraar. Ik kan me dan ook niet voorstellen dat er een (reguliere) verzekeraar is/was die in 1998 (of enig jaar daarvoor of daarna), mét kennis van het recente strafrechtelijk verleden van [eiser] , een opstalverzekering aan [eiser] zou hebben aangeboden.43 Ook gelet hierop is het oordeel van het hof allerminst onbegrijpelijk.

3.28
[eiser] klaagt verder dat het oordeel van het hof bovendien onbegrijpelijk is of onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof eraan heeft voorbijgezien dat [eiser] heeft gesteld dat in 1998 geen sprake was van een schriftelijk acceptatiebeleid bij ASR.

3.29
Deze klachten missen feitelijke grondslag, want het hof heeft niet aan deze stelling van [eiser] voorbijgezien. Het hof heeft namelijk overwogen dat (i) uit de ingevulde vragenlijsten volgt dat in 1998 bij twee van de drie verzekeraars (te weten: Nationale Nederlanden en Allianz – en dus níet bij ASR44) (vermoedelijk) wel protocollen waren met betrekking tot het acceptatiebeleid bij particuliere opstalverzekeringen (rov. 2.2 van het bestreden eindarrest) en (ii) ook zónder protocollen een non-acceptatiebeleid bij verzekeraars gold (rov. 2.6 van het bestreden eindarrest).

3.30
In subonderdeel 2.3 klaagt [eiser] dat het oordeel van het hof in rov. 2.6 van het bestreden eindarrest onbegrijpelijk is of onvoldoende gemotiveerd, omdat het in essentie slechts is gebaseerd op één schriftelijke getuigenverklaring van een medewerker die bij (de rechtsvoorganger van) ASR werkzaam was en die heeft verklaard dat er géén schriftelijk acceptatiebeleid bestond. Bovendien betreft het een omstandigheid van 22 jaar geleden, waardoor de verklaring onvoldoende betrouwbaar is.

3.31
De klachten gaan uit van een onjuiste lezing van het bestreden eindarrest en missen dus feitelijke grondslag. Anders dan [eiser] betoogt, is het oordeel van het hof niet in essentie slechts op de getuigenverklaring van de medewerker van (de rechtsvoorganger van) ASR gebaseerd. Uit rov. 2.2 tot en met 2.6 van het bestreden eindarrest blijkt duidelijk dat het oordeel van het hof is gebaseerd op alle drie de ingevulde vragenlijsten en dus óók op de vragenlijsten van de medewerkers van Nationale Nederlanden en Allianz.

3.32
In subonderdeel 2.4 betoogt [eiser] dat het oordeel van het hof in rov. 2.6 van het bestreden eindarrest onbegrijpelijk is of ontoereikend gemotiveerd, omdat niet valt in te zien waarom geen enkele twijfel zou bestaan om aan de juistheid van de drie verklaringen (vragenlijsten) te twijfelen, nu het gaat over een omstandigheid van 22 jaar geleden.

3.33
Deze klachten falen.

3.34
Het enkele gegeven dat het gaat om een omstandigheid van 22 jaar geleden, maakt niet dat het onbegrijpelijk is dat het hof is uitgegaan van de juistheid van de drie ingevulde vragenlijsten. Tijdsverloop alleen maakt een verklaring (de gegeven antwoorden) immers niet per definitie onbetrouwbaar. Daarbij ligt het voor de hand dat verzekeraars altijd al een non-acceptatiebeleid voor overtredingen van de Opiumwet hebben gevoerd, zeker voor de ernstige overtredingen waarvoor [eiser] is veroordeeld (randnummer 3.27 hiervoor). Dit maakt het tijdsverloop sinds 1998 minder relevant. Ook hebben de medewerkers van de drie verschillende verzekeraars min of meer hetzelfde omtrent het in 1998 bestaande non-acceptatiebeleid verklaard, hetgeen een extra aanwijzing vormt dat hun antwoorden overeenkomen met de situatie zoals die in 1998 in werkelijkheid bestond.

3.35
[eiser] klaagt voorts dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat het hof niet is ingegaan op de volgende twee essentiële stellingen van [eiser] : (i) de verklaringen zijn afgegeven door medewerkers die ten tijde van het afleggen van de verklaringen werkzaam waren voor ASR en (ii) aan de verklaring van de medewerker van Allianz kan geen waarde worden toegekend, omdat deze medewerker slechts werkzaam was als ‘frontoffice’ medewerker (en dus als ‘host’).

3.36
Deze klacht gaat uit van een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist dus feitelijke grondslag.

3.37
Ten aanzien van de stelling onder (i) heeft het hof in rov. 2.2 van het bestreden eindarrest overwogen dat de medewerkers van de twee andere verzekeraars (Nationale Nederlanden en Allianz) géén voormalige ASR-medewerkers zijn en in 1998 ook al bij de betreffende verzekeraars werkzaam waren. Hiermee heeft het hof de stelling van [eiser] verworpen, inhoudende dat de drie verklaringen zijn afgegeven door medewerkers die ten tijde van het afleggen van de verklaringen voor ASR werkzaam waren.

3.38
Ten aanzien van de stelling onder (ii) heeft het hof in rov. 2.2 van het bestreden eindarrest overwogen dat ASR de vragenlijst aan “acceptanten” van twee andere verzekeraars heeft voorgelegd, te weten medewerkers die de risico’s van een verzekeringsaanvraag beoordelen en beslissen over het al dan niet accepteren daarvan.45 Hiermee heeft het hof de – overigens ook bepaald vergezochte – stelling van [eiser] verworpen, inhoudende dat de medewerker van Allianz slechts werkzaam was als ‘host’ en derhalve niet over het non-acceptatiebeleid van Allianz heeft kunnen verklaren.

Onderdeel 3: het gepasseerde (tegen)bewijsaanbod

3.39
[eiser] klaagt dat het onjuist, althans onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is dat het hof in rov. 2.10 van het bestreden eindarrest heeft geoordeeld dat het bewijsaanbod van [eiser] wordt gepasseerd, omdat hij bij zijn bewijsaanbod geen relevante stellingen heeft betrokken die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Volgens [eiser] gaat het om een aanbod tot tegenbewijslevering, dat niet hoeft te worden gespecifieerd. Het hof had daaraan dus niet voorbij mogen gaan.

3.40
De klachten falen.

3.41
In eerste aanleg heeft [eiser] onder meer aangeboden bewijs te leveren van zijn stelling dat ASR de verzekering bij wetenschap van de werkelijke stand van zaken wél zou zijn aangegaan. [eiser] heeft gesteld dat hij bewijs kan leveren middels (diverse bij naam genoemde) getuigen, brieven, schriftelijke stukken en andere bewijsmiddelen.46 In hoger beroep heeft [eiser] dit bewijsaanbod herhaald.47

3.42
In de slotzin van rov. 3.10 van het bestreden tussenarrest heeft het hof partijen de mogelijkheid geboden om zich bij akte uit te laten over de vraag of ASR bij kennis van de ware stand van zaken als redelijk handelend verzekeraar [eiser] als verzekerde in november 1998 had geaccepteerd. [eiser] heeft van deze mogelijkheid gebruikgemaakt,48 maar hij heeft daarbij – anders dan hij had gesteld in zijn bewijsaanbod – géén bewijs geleverd door middel van getuigen, brieven, schriftelijke stukken en andere bewijsmiddelen. [eiser] heeft volstaan met, kort gezegd, een weerlegging van (de inhoud van) de door ASR ingebrachte vragenlijsten.

3.43
Gelet op deze gang van zaken gaat het niet aan dat [eiser] het hof nu verwijt dat het hem (wederom?) gelegenheid had moeten geven tot (aanvullende?) (tegen)bewijslevering, maar dat heeft nagelaten. Het hof heeft [eiser] de mogelijkheid tot (tegen)bewijslevering immers al in het bestreden tussenarrest geboden. Het is dan ook niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof in rov. 2.10 van het bestreden eindarrest heeft geoordeeld dat [eiser] bij zijn, overigens behoorlijk algemeen geformuleerde, bewijsaanbod geen relevante stellingen heeft betrokken die tot een ander oordeel kunnen leiden.

Onderdeel 4: voortbouwklacht

3.44
[eiser] betoogt dat het slagen van één van de klachten in de onderdelen 1 tot en met 3 tot gevolg heeft dat ook de slotsom van het hof in rov. 3.1-3.3 van het bestreden eindarrest niet in stand kan blijven.

3.45
Deze voortbouwklacht faalt, omdat geen van de klachten in de onderdelen 1 tot en met 3 tot cassatie leidt.

Slotsom

3.46
De slotsom luidt dat de klachten niet tot cassatie leiden en de bestreden arresten in stand kunnen blijven. ECLI:NL:PHR:2022:257

Deze website maakt gebruik van cookies