Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb Den Haag 270515 onduidelijkheid bij gebruik elektronisch aanvraagformulier over moment beantwoording vragen; schending mededelingsplicht afgewezen

Rb Den Haag 270515 onduidelijkheid bij gebruik elektronisch aanvraagformulier over moment beantwoording vragen; schending mededelingsplicht afgewezen;
- tegenstrijdigheid verklaringen tzv verzekering kan niet worden tegengeworpen 
vanwege taalbarriere

2 De feiten

2.1.
Vanaf 1 september 2013 exploiteerde [eiser 1] een supermarkt in een door hem vanaf 1 oktober 2013 voor de periode van vijf jaren gehuurd winkelpand aan het [winkeladres] te [plaats winkel]. [eiser 1] heeft de supermarkt overgenomen van de heer [betrokkene] (hierna: [betrokkene A]), die de zaak vanaf januari 2011 met een compagnon en vanaf 1 april 2012 zelfstandig exploiteerde.

2.2.
Op 10 oktober 2013 heeft [eiser 1] het kantoor van ING in Winkelcentrum “De Boogaard” in Rijswijk bezocht in verband met (onder meer) een aanvraag voor een “Zekerheidspakket Handel” (hierna: pakketverzekering) bij Nationale-Nederlanden. Het verzekeringspakket bestaat uit een geldverzekering, een inventaris-/goederen-/huurdersbelangverzekering, een rechtsbijstandverzekering bedrijven, een aansprakelijkheidsverzekering bedrijven en een bedrijfsschadeverzekering.

2.3.
Het betreft een elektronische aanvraag met behulp van een standaardformulier, waarop de gegevens ter plekke zijn ingevoerd door een medewerkster van ING. [eiser 1] heeft van de aanvraag een uitdraai ontvangen. Op de uitdraai van het in het geding gebrachte formulier staat vermeld:
“Premie-indicatie
Zekerheidspakket Handel.
Dit pakket kost € 44,65 per maand.
Bedankt voor uw interesse in ons Zekerheidspakket Handel. Hieronder leest u meer over de verzekeringen en de premies.
(…)
Vrijblijvende opgave
Dit is een premie-indicatie op grond van verstrekte gegevens zonder nader onderzoek naar het risico. Onze opgave is vrijblijvend en geen aanbod. Wij behouden ons daarom het recht voor om het risico – eventueel aan de hand van een nog in te vullen aanvraagformulier – nader te beoordelen en, mocht daartoe reden zijn, een aanbod te doen tegen een andere premie en/of voorwaarden. Ook behouden wij het recht voor om een aanvraag alsnog te weigeren.”

2.4.
Op 20 oktober 2013 is [eiser 1] in zijn winkel door drie mannen bedreigd, waarbij een persoon buiten bleef staan.

2.5.
Op 21 oktober 2013 heeft [eiser 1] het kantoor van ING wederom bezocht in verband met zijn aanvraag. Op de uitdraai van het overgelegde formulier staat vermeld:
“Invuldatum 21 oktober 2013.
Dit is een overzicht van vragen en antwoorden. Dit is géén polis.
Overzicht
Onlangs ontvingen wij uw aanvraag voor het Zekerheidspakket Handel van uw klant [eiser 1]. Dit is een overzicht van de antwoorden op de vragen in die aanvraag. Met dit overzicht maakt u uw klantdossier actueel.
Het Zekerheidspakket gaat in op: 21 oktober 2013”
(…)
Voorgeschiedenis
(…)
Zijn er in de afgelopen 5 jaar schaden veroorzaakt / geleden door gebeurtenissen waarvoor de aan te vragen verzekering(en) dekking bied(t)(en)? Nee
Is er in de afgelopen 5 jaar sprake (geweest) van of dreigt er betrokkenheid bij een geschil? Nee
(…)”
[eiser 1] heeft het formulier niet ondertekend.

2.5.
Op 22 oktober 2013 (9.28 uur) heeft [eiser 1] bij de Politie Haaglanden, District Rijswijk/Westland, Bureau Rijswijk, aangifte gedaan van het feit dat hij op 20 oktober 2013 in zijn supermarkt was bedreigd. Hij heeft daaromtrent onder meer verklaard:
“De man werd boos en vroeg aan melder of hij niet de vorige eigenaar wilde bellen. Melder zei dat hij niet wist wie hij bedoelde aangezien de winkel in korte tijd van eigenaren is veranderd. De man werd nog bozer en zei tegen melder dat de volgende keer als hij kwam melder geld aan hem moest geven. Vervolgens liet de man een aansteker zien en deed deze aan en uit en zei “Weesvoorzichtig”. Tijdens dit gebeuren spraken de jongens wel met elkaar in het berbers. Toen men de winkel uit liep duwde de man enkele dozen omver.”

2.6.
Blijkens de op 22 oktober 2013 door Nationale Nederlanden afgegeven polis is de pakketverzekering ingegaan op 21 oktober 2013 met een looptijd tot 21 oktober 2014.

2.7.
Tussen 22 oktober en 2 november 2013 heeft [eiser 1] Nationale-Nederlanden verzocht de verzekerde bedragen wat betreft de inventaris te verhogen van € 10.000,-- tot € 100.000,-- en wat betreft de bedrijfsschade van € 40.000,-- tot € 110.000,--.

2.8.
Op 2 november 2013 heeft een brand gewoed in het door hem gehuurde winkelpand aan de [winkeladres] te [plaats winkel]. Er is geen forensisch sporenonderzoek door de politie uitgevoerd. Ook de brandweer heeft geen nader onderzoek verricht.

(...)

4 De beoordeling

Schending van de mededelingsplicht

4.1.
Nationale-Nederlanden stelt zich primair op het standpunt dat [eiser 1] bij het aangaan van de verzekering zijn mededelingsplicht op grond van artikel 7:928 BW niet is nagekomen, zodat geen recht op uitkering bestaat. Volgens Nationale-Nederlanden heeft [eiser 1] op 21 oktober 2013 nagelaten aan de medewerk(st)er van ING melding te maken van de chantage en bedreiging met brandstichting in zijn winkel op 20 oktober 2013. De daarop betrekking hebbende vragen heeft hij ten onrechte met ‘nee’ beantwoord (zie hierboven onder 2.4).

4.2.
De rechtbank stelt voorop dat het op de weg van Nationale-Nederlanden ligt te stellen en zo nodig te bewijzen dat de verzekeringnemer zijn mededelingsplicht niet naar behoren is nagekomen. Voor de vraag of [eiser 1] zijn mededelingsplicht niet is nagekomen, is beslissend op welk moment de betreffende vragen aan [eiser 1] zijn voorgelegd. Deze vraag houdt partijen verdeeld. [eiser 1] stelt dat hij alle gegevens heeft verstrekt tijdens het eerste gesprek met de medewerkster van ING en dus ook de beide cruciale vragen heeft beantwoord op 10 oktober 2013, derhalve voorafgaand aan de bedreiging van 20 oktober 2013. Nationale-Nederlanden betoogt evenwel dat [eiser 1] de bewuste vragen op 21 oktober 2013 heeft beantwoord, namelijk op het moment dat het aanvraagformulier conform de standaardprocedure wordt ingevuld.

4.3.
De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de betreffende twee vragen op 21 oktober 2013 aan [eiser 1] zijn gesteld, omdat de digitale procedure niet duidelijk maakt hoe een en ander is verlopen. Daartoe zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
De uitdraai van het elektronische aanvraagformulier vermeldt weliswaar 21 oktober 2013 als invuldatum, maar vermeldt tevens dat het formulier een overzicht geeft van antwoorden in het aanvraagformulier van 10 oktober 2013. Er staat namelijk: “Onlangs ontvingen wij uw aanvraag voor het zekerheidspakket Handel van uw klant [eiser 1]. Dit is een overzicht van de antwoorden op de vragen in die aanvraag”. Weliswaar zijn in de offerte de beide cruciale vragen niet opgenomen, maar dat laat onverlet dat deze al wel op 10 oktober 2013 aan [eiser 1] door de betreffende medewerkster kunnen zijn gesteld, zoals [eiser 1] betoogt en overigens ook door Nationale-Nederlanden ter comparitie als mogelijke gang van zaken is erkend. [eiser 1] heeft, naar niet is betwist, de vragen op het formulier niet zelf digitaal beantwoord, het formulier van 21 oktober 2013 is hem niet in geprinte vorm uitgereikt noch heeft hij het hoeven ondertekenen, zodat aan het formulier geen dwingende bewijskracht toekomt.
Al het voorgaande betekent dat niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat de beide vragen daadwerkelijk op 21 oktober 2013 aan [eiser 1] zijn gesteld, en dus dat hij zijn mededelingsplicht heeft geschonden.

4.4.
Dat volgens Nationale-Nederlanden de standaardprocedure is gevolgd, doet niet af aan hetgeen hiervoor is overwogen. Nationale-Nederlanden heeft ter comparitie immers verklaard geen inzicht te hebben in de procedure die ING volgt bij het informeren van verzekeringnemers en bij het invullen van de aanvraagformulieren. Uit het door EMN uitgevoerde toedrachtsonderzoek blijkt dat de betreffende medewerkster van de ING is gehoord maar dat zij zich [eiser 1] niet meer kan herinneren (en overigens ook niet meer bij het ING-kantoor werkt). Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen.

4.5.
Aan de stelling van Nationale-Nederlanden dat de verklaringen van [eiser 1] over de invuldatum tegenstrijdig zijn, wordt voorbij gegaan. Ter comparitie is gebleken dat [eiser 1] zéér gebrekkig Nederlands spreekt en dat hem geen formulieren in het Engels (of Irakees) zijn uitgereikt. Het ligt op de weg van de verzekeraar om zich ervan te vergewissen dat elke klant goed wordt geïnformeerd voordat een verzekeringsovereenkomst wordt gesloten. Dat geldt in het bijzonder voor klanten die de Nederlandse taal niet machtig zijn. Uit de communicatie tussen [eiser 1], ING en Nationale-Nederlanden blijkt niet dat met deze omstandigheid rekening is gehouden. Zelfs al zouden de verklaringen van [eiser 1] over het verloop van de aanvraag elkaar tegenspreken, hetgeen de rechtbank in het midden laat, dan kan dit hem niet worden tegengeworpen.

4.6.
Indien en voor zover Nationale-Nederlanden ter comparitie heeft bedoeld te stellen dat het op de weg van [eiser 1] ligt te bewijzen dat het aanvraagformulier op een andere datum is ingevuld, wordt hieraan voorbij gegaan. Met deze stelling ontkent Nationale-Nederlanden dat het op de weg van de verzekeraar ligt te stellen en te bewijzen dat de verzekeringnemer zijn mededelingsplicht niet naar behoren is nagekomen, zoals onder 4.2 is overwogen.

4.7.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het primaire verweer van Nationale-Nederlanden moet worden afgewezen. Het subsidiaire verweer dat Nationale-Nederlanden bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten, kan verder onbesproken blijven, aangezien ook voor dit verweer beslissend is op welk moment de vragen door [eiser 1] zijn beantwoord.ECLI:NL:RBDHA:2015:8166