Overslaan en naar de inhoud gaan

RBOVE 171121 aanrijding auto-voetganger op (suggestie) fietsstrook; auto voor 50% aansprakelijk, geen billijkheidscorrectie

RBOVE 171121 aanrijding auto-voetganger op (suggestie) fietsstrook; auto voor 50% aansprakelijk, geen billijkheidscorrectie

locatie ongeval: https://goo.gl/maps/nKrEpMA44yT13jBL9
2
De feiten

2.1.
Op 31 december 2019 heeft omstreeks het middaguur een ongeval plaatsgevonden tussen [eiseres] als voetgangster en [gedaagde] als bestuurder van een personenauto met [kenteken] (hierna: de auto), ten gevolge waarvan [eiseres] letsel heeft opgelopen.

Mevrouw [A] is eigenaresse van de auto. De auto was ten tijde van het ongeval bij Achmea tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd.

2.2.
Het ongeval vond plaats op de Marskant in Hengelo (Ov). Dit is een weg in de bebouwde kom, waar 50 kilometer per uur mag worden gereden. De weg bestaat uit twee rijbanen. Aan beide kanten van de weg bevinden zich, gelet op de door beide partijen in het geding gebrachte foto’s, (fiets)suggestiestroken (gemarkeerde gedeelten met onderbroken strepen) en langs de weg bevinden zich parkeerhavens. Langs beide kanten van de weg ligt een stoep. Komend vanaf de Deldenerstraat bevindt zich ter hoogte van supermarkt Lider een parkeerplaats.

2.3.
In het door de politie opgemaakte proces-verbaal is ten aanzien van de toedracht van het ongeval het volgende opgenomen1:

PA 2 reed over de weg en remde voor een andere PA die van een P-plaats af wilde rijden. Voetganger 3 stak ineens over en raakte de PA aan de rechterzijde.

In het hiervoor genoemde proces-verbaal staat bij omstandigheden, onder meer en voor zover van belang, het volgende vermeld:

( ... )

Lichtgesteldheid : DAGLICHT

( ... )

Weersgesteldheid : DROOG

Wegdek : NAT/VOCHTIG

Wegsituatie : RECHTE WEG

( ... )

Wegverlichting : NIET BRANDEND

2.4.
In het door de politie opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte is de volgende verklaring van [gedaagde] opgenomen:

Ik ben bestuurder van een personenauto [kenteken] . Vandaag reed ik door Hengelo over de Marskant. Ik kwam vanaf de Deldensestraat rijden. Ik reed in de richting van het Station. Ik reed ter hoogte van de supermarkt de Lider. Er zat toen geen verkeer voor mij. Ik denk dat ik ongeveer 50 a 55 km/u reed.

Ik zag dat aan de rechterzijde van de weg een personenauto die de parkeerplaats af wilde rijden. Ik zag dat die auto met zijn neus al op het fietspad stond. Ik zag dat hij linksaf wilde slaan.

Dat weet om dat de auto dusdanig met de neus in gekeerd stond ( ... ) om de weg op te draaien. Ik geloof zelfs dat die auto het linkerknipperlicht aan had staan. Ik vond dat deze auto ver op het fietspad stond. Ik had de indruk dat deze auto de weg op wilde draaien voor mij langs.

Ik heb daarom geremd en mijn snelheid verminderd. Op dat moment zag ik een mevrouw de straat op rennen. Ik schrok hiervan en stuurde naar links en remde om een aanrijding te voorkomen.

Ik merkte dat de vrouw tegen mijn auto aan kwam, ik hoorde een knal. Hierop ben ik gelijk gestopt en ben ik naar de vrouw gelopen die ondertussen op de grond lag.

Mijn vriendin zat bij mij in de auto en heeft alles ook gezien. ( ... )

2.5.
[eiseres] heeft een formulier van Achmea met vragen ingevuld4. Op dit formulier staat het volgende vermeld:

( ... )

1. Hoe was het uitzicht op de plek van het ongeluk?

Het was een beetje mistig maar wel goed zichtbaar (Zie foto)

2. Was u goed te zien voor de autobestuurder?

Ja, ik was goed zichtbaar voor de bestuurder.

3. Op hoeveel meter afstand had de autobestuurder u kunnen zien?

Op ongeveer –40 meter.

4. Hoe hard reed de autobestuurder ongeveer?

Hij reed ongeveer 50km per uur volgens de politie.

5. Was dit te snel in die situatie?

Geen idee maar na de klap stopte de bestuurder een paar meter verder op.

6. Kent u de plek van het ongeluk goed? Zo ja, kunt u daar iets meer over vertellen?

Ja, ik ken de plek goed en kom er regelmatig. Het ongeluk gebeurde op een hoofdweg naast een parkeerplaats. De hoofdweg bestaat uit twee (brede banen voor) richtingsverkeer en daarnaast een fietspad. Waar auto’s en fietsers naast elkaar op de weg kunnen. En aan beide kanten van de weg is een stoep (zie foto).

7. Gebeurde het ongeluk binnen of buiten de bebouwde kom?

Het gebeurde binnen een bebouwde kom.

8. Zijn daar verkeerstekens/borden? Zo ja, welke?

Nee, er zijn geen verkeerstekens/borden.

9. Denkt u dat de autobestuurder iets fout heeft gedaan?

Ja, de bestuurder lette waarschijnlijk niet op of heeft te hard gereden waardoor hij op het fietspad terecht kwam.”

2.6.
Op 20 januari 2020 heeft [eiseres] Achmea aansprakelijk gesteld. Achmea doet geen beroep op overmacht en heeft een schadevergoedingsplicht van 50% erkend (zonder erkenning van aansprakelijkheid).

3
Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. primair voor recht verklaart dat Achmea c.s. hoofdelijk 100% aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden schade als gevolg van het haar op 31 december 2019 overkomen verkeersongeval en, subsidiair, het percentage van de aansprakelijkheid van Achmea als gevolg van dit ongeval naar redelijkheid bepaalt;
II. Achmea c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een voorschot van € 5.000,- op het smartengeld van [eiseres] , althans enig ander bedrag dat de rechtbank redelijk acht;
III. de schade voor de rest voor zover mogelijk bij begroting vaststelt, dan wel nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet in de artikelen 612 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv);
IV. bepaalt dat over de gehele uitgekeerde schade een belastinggarantie door Achmea c.s. wordt verstrekt;
V. bepaalt dat bij de totale schadeafwikkeling een Participatiewet regres voorbehoud wordt verstrekt, dan wel door Achmea c.s. een bijstandsgarantie wordt verstrekt;
VI. Achmea c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de wettelijke rente over alle toegewezen schadeposten vanaf datum ongeval tot aan de dag der algehele voldoening;
VII. Achmea c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 4.039,46;
VIII. Achmea c.s. veroordeelt in de proceskosten.

3.2.
Achmea c.s. voert gemotiveerd verweer.

3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4
De beoordeling

wettelijk kader

4.1.
In geval van een aanrijding tussen een motorrijtuig en een voetganger geldt artikel 185 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). Dit artikel bepaalt dat, wanneer een motorrijtuig dat op de weg rijdt betrokken is bij een verkeersongeval, waardoor schade wordt toegebracht aan een niet door dat motorrijtuig vervoerd persoon, de eigenaar van het motorrijtuig verplicht is om die schade te vergoeden, tenzij aannemelijk is dat het ongeval is te wijten aan overmacht.

4.2.
Daarnaast is van belang dat de Hoge Raad in een aantal arresten (voor het eerst in HR 28 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0526 (IZA/Vrerink)) de zogenoemde 50%-regel heeft aanvaard ten behoeve van een voetganger of fietser, vanaf de leeftijd van 14 jaar, die het slachtoffer is van een verkeersongeval met een motorrijtuig. Deze regel houdt in dat indien overmacht van de bestuurder van het motorrijtuig niet aannemelijk is gemaakt, doch er wel een fout van de fietser of voetganger is zonder dat evenwel sprake is van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid, de billijkheid eist dat bij de verdeling van de schade over de betrokkenen ten minste 50% van de schade ten laste van het motorrijtuig wordt gebracht vanwege de verwezenlijking van het daaraan verbonden gevaar (onder meer HR 30 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7863). Dit brengt mee dat indien er geen sprake is van opzet of met aan opzet grenzende roekeloosheid aan de zijde [eiseres] , zij op grond van de gestandaardiseerde billijkheidscorrectie in ieder geval de helft van de door het ongeval veroorzaakte schade vergoed krijgt. Daarbij moet vervolgens worden onderzocht, hoe de schade op grond van de reguliere regels van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek (BW) over partijen zou zijn verdeeld.

Zou [eiseres] op grond van de reguliere, casuïstische werking van de causaliteitsmaatstaf en/of de billijkheidscorrectie meer dan 50% vergoed krijgen, dan heeft zij recht op een dien-overeenkomstig hogere schadevergoeding. De aan de auto inherente gevaren, zoals massa en remweg, zijn reeds volledig verdisconteerd in de 50%-regel en mogen in het kader van de toepassing van de billijkheidscorrectie op het resterende gedeelte niet nogmaals worden meegewogen (HR 24 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1196).

4.3.
Partijen zijn het er over eens dat er geen sprake is van overmacht aan de zijde van [gedaagde] . Voorts is gesteld noch gebleken van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid aan de zijde van [eiseres] . Dit brengt met zich, dat [eiseres] aanspraak kan maken op vergoeding van in ieder geval 50% van de schade die zij als gevolg van het ongeval heeft geleden, hetgeen Achmea c.s. ook hebben erkend.

eigen schuld

4.4.
Vervolgens dient te worden beoordeeld of naar de maatstaven van artikel 6:101 BW meer dan 50% van de schade ten laste van Achmea c.s. moet worden gebracht.

4.5.
Bij de causaliteitsverdeling wordt de schade verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder van partijen toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Het gaat dan om de vraag in welke mate enerzijds het weggedrag van [gedaagde] als bestuurder van de auto, en anderzijds dat van [eiseres] als voetgangster, aan het ontstaan van het ongeval hebben bijgedragen.

4.6.
Achmea c.s., op wie ter zake de aanwezigheid van een fout aan de zijde van [eiseres] de stelplicht en eventuele bewijslast rusten, stelt zich op het standpunt dat [eiseres] heeft nagelaten voorrang te verlenen aan [gedaagde] . [eiseres] stak plotseling de weg over vanaf het trottoir naast de parkeerplaats. [gedaagde] week nog uit naar links, maar kon niet voorkomen dat [eiseres] tegen de rechter buitenspiegel van de Volkswagen liep. [eiseres] had voorrang moeten verlenen aan [gedaagde] en heeft voorts onoldoende oplettendheid betracht door ineens over te steken. Daardoor is er sprake van verkeersfouten aan de zijde van [eiseres] , waardoor de aanrijding is ontstaan. Ten tijde van de aanrijding was het niet mistig. Achmea c.s. wijst hierbij op de verklaringen van [gedaagde] en [getuige] en de inhoud van het politierapport.

4.7.
[eiseres] stelt zich op het standpunt dat de schade in de causale verdeling voor meer dan 50% voor rekening van [gedaagde] dient te komen. Hij reed zonder reden op de fietsstrook, heeft zijn snelheid niet gematigd en heeft onvoldoende geanticipeerd, terwijl de mist en de drukte in het stadscentrum daar wel om vroegen. Bovendien heeft [gedaagde] volgens [eiseres] zelf toegegeven haar niet te hebben gezien. Deze gedragingen van [gedaagde] hebben in grote mate bijgedragen aan het ontstaan van het verkeersongeval en de schade. Dit leidt tot een aansprakelijkheid van 100% van [gedaagde] . Achmea c.s. is dan ook gehouden om de door haar geleden schade als gevolg van het ongeval volledig te vergoeden.

4.8.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] vanaf het trottoir de weg wilde oversteken. Bij het oversteken heeft [eiseres] geen voorrang verleend aan [gedaagde] en daardoor in strijd met artikel 15 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV), en daarmee onrechtmatig, gehandeld. Deze gedraging weegt, vanwege het gevaarzettende karakter daarvan, zwaar. De rechtbank weegt ook mee dat [eiseres] , die voorrang moest verlenen aan al het verkeer op de weg, zich ervan had moeten vergewissen of zij de weg veilig kon oversteken.

De rechtbank stelt vast dat zij dat onvoldoende heeft gedaan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in de dagvaarding wordt vermeld dat [eiseres] “direct werd aangereden”, toen zij de weg opliep. Daaruit kan worden afgeleid dat de auto die [gedaagde] bestuurde al vlakbij was en voor haar dus goed zichtbaar toen zij wilde oversteken.

4.9.
Ter zake van aan [gedaagde] toe te rekenen omstandigheden geldt het volgende. De stelling van [eiseres] dat [gedaagde] zonder reden op de fietsstrook reed, wordt door Achmea c.s. betwist. Aan de hand van de zich in het dossier bevindende foto’s stelt de rechtbank vast dat er sprake is van een zogenoemde suggestiestrook en niet van een fietsstrook. Van een suggestiestrook mag een bestuurder van een motorrijtuig gebruik maken. Niet is komen vast te staan dat [gedaagde] op de suggestiestrook reed. Ook als er vanuit zou worden gegaan dat dit wel het geval is geweest, kan niet worden geconcludeerd dat hij daarmee een verkeersfout heeft begaan. Hoogstens zou dit kunnen bijdragen aan een verkeersonveilige situatie. Ook is niet komen vast te staan dat [gedaagde] te hard heeft gereden. Uit haar antwoord op vraag 9 op het hiervoor genoemde vragenformulier volgt dat [eiseres] dit als een mogelijke oorzaak noemt. Zij vermeldt echter ook dat [gedaagde] volgens de politie ongeveer 50 km per uur reed en dat de bestuurder na de klap een paar meter verderop stopte. Uit de verklaring die [gedaagde] bij de politie heeft afgelegd volgt dat hij vlak voordat het ongeval plaatsvond een auto zag die van de parkeerplaats af wilde rijden en al deels op de suggestiestrook stond. Omdat [gedaagde] de indruk had dat deze auto voor hem langs de weg wilde opdraaien heeft hij geremd en zijn snelheid verminderd. In het politierapport wordt deze toedracht bevestigd. Uit deze omstandigheden kan niet worden afgeleid dat [gedaagde] te hard heeft gereden. Verder heeft [eiseres] de onderbouwde stelling van Achmea c.s. dat uit het feit dat [gedaagde] na vijftien meter stilstond volgt dat hij met een lagere snelheid dan 50 km per uur moet hebben gereden, niet voldoende weersproken. De remweg levert daarom geen aanwijzing op voor de juistheid van de stelling dat [gedaagde] te hard zou hebben gereden. Desondanks kan het [gedaagde] in enige mate worden toegerekend dat hij niet in staat is gebleken te anticiperen op de verkeersfout van [eiseres] , bestaande uit het geen voorrang verlenen van [gedaagde] . Hij heeft zijn snelheid, mede gelet op de weersomstandigheden (het wegdek was nat en de luchtvochtigheid was hoog), niet zodanig teruggebracht dat hij in staat was om een botsing te vermijden. De aan [gedaagde] toe te rekenen omstandigheden zijn echter niet zodanig dat zij in verhouding tot de voorrangsfout van [eiseres] in overwegende mate aan de schade hebben bijgedragen of dat de fout van [eiseres] in het niet valt bij deze omstandigheden.

4.10.
Alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemende is de rechtbank van oordeel dat de voorrangsfout van [eiseres] in verregaande mate heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de fout van [eiseres] voor 85% aan de schade heeft bijgedragen. Op basis hiervan zou dus niet meer dan 50% van de schade door Achmea c.s. hoeven te worden vergoed.

Billijkheidscorrectie

4.11.
Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of [eiseres] een beroep toekomt op de billijkheidscorrectie. Bij de beantwoording van de vraag of de billijkheid - gelet op de persoonlijke en maatschappelijke belangen die bij het gegeven geval zijn betrokken - een andere verdeling eist, moet rekening worden gehouden met de ernst en de mate van verwijtbaarheid van de over en weer gemaakte fouten en met alle andere omstandigheden van het geval. Nu [eiseres] een beroep doet op de billijkheidscorrectie rust de stelplicht en bewijslast van de daartoe strekkende omstandigheden op haar.

4.12.
De rechtbank begrijpt dat [eiseres] aan haar stelling dat Achmea c.s. gehouden is om op grond van de billijkheidscorrectie meer dan 50% van haar schade te vergoeden, naast de onder rechtsoverweging 4.7. vermelde omstandigheden, ook de omstandigheid dat zij letsel heeft opgelopen ten grondslag legt. Door het opgelopen letsel is zij afhankelijk van het dragen van orthopedisch schoeisel. Ondanks dit schoeisel is zij beperkt in de mate waarin zij zich kan bewegen zonder pijnklachten te krijgen en ervaart zij beperkingen.

4.13.
Gezien de ernst van de zware verkeersfout die [eiseres] heeft gemaakt ten opzichte van het rijgedrag van [gedaagde] ziet de rechtbank geen aanleiding voor een billijkheidscorrectie. Door de toepassing van de 50%-regel is het algemene “Betriebsgefahr” van een auto reeds verdisconteerd. De schadevergoeding is hierdoor al verhoogd ten opzichte van de op de wederzijdse causaliteit gebaseerde uitkomst. Voor een aanvullende billijkheidscorrectie op grond van het door [eiseres] (beweerdelijk) opgelopen letsel ziet de rechtbank in dit geval evenmin aanleiding.

4.14.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de aansprakelijkheid en de schadevergoedingsplicht van Achmea c.s. niet verder gaat dan de reeds erkende 50%.

de verklaring voor recht

4.15.
Het voorgaande in aanmerking nemende is de primair gevorderde verklaring voor recht niet toewijsbaar. Nu hiervoor is overwogen dat op Achmea c.s. ten aanzien van het ongeval een aansprakelijkheid/schadevergoedingsplicht rust van 50% van de door [eiseres] geleden en nog te lijden schade zal - als het mindere van het gevorderde - een verklaring van recht worden afgegeven op basis van 50% aansprakelijkheid ( [gedaagde] ) dan wel schadevergoe-dingsplicht (Achmea c.s.). Ten aanzien van Achmea enkel worden bepaald dat zij gehouden is de door het ongeval geleden en nog te lijden schade van [eiseres] voor 50% te vergoeden op grond van artikel 6 van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM).

schade

4.16.
De rechtbank dient, wanneer zij een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt, hetzij de omvang van de schade zelf te begroten, hetzij partijen door te verwijzen naar de schadestaatprocedure (zie HR 20 maart 1998, NJ 1998/548).

Het debat over de schadevergoeding is naar het oordeel van de rechtbank nog onvoldoende uitgekristalliseerd, zodat de schadevergoeding nu niet begroot kan worden. Partijen hebben geen overeenstemming over de medische situatie van [eiseres] , in welke mate haar klachten zijn veroorzaakt door het ongeval en welke gevolgen deze klachten hebben voor de door haar geleden schade. Evenmin acht de rechtbank zich op dit punt voldoende voorgelicht om hierover een oordeel te kunnen geven. Ten aanzien van meerdere schadeposten is voorts niet gesteld, althans onvoldoende onderbouwd wat de omvang hiervan is. Hiertoe heeft [eiseres] onvoldoende concrete gegevens aangeleverd. Het enkel noemen van schadeposten zonder deze nader te onderbouwen en hier geen schadebedragen aan te verbinden is onvoldoende om de (beweerdelijke) schade te kunnen begroten. Gelet hierop zal de rechtbank volstaan met een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat.

4.17.
Achmea heeft zich bereid verklaard om voor de schadevergoeding een reguliere belastinggarantie box 1 (niet box 3) te verstrekken, zodat de rechtbank verstaat dat Achmea deze toezegging zal naleven.

4.18.
Of een PW regres voorbehoud en/of een bijstandsgarantie aan de orde zullen zijn, is pas duidelijk als de schade zal zijn begroot. Hierover kan in de schadestaatprocedure een beslissing worden genomen. De door [eiseres] gevorderde betaling van wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen, dit kan ook in de schadestaatprocedure worden meegenomen.

4.19.
[eiseres] heeft betaling van een voorschot van € 5.000,-- op smartengeld gevorderd. Achmea c.s. heeft hiertegen verweer gevoerd. Vast staat dat Achmea op 21 mei 2021 een bedrag van € 2.000,-- als voorschot op de door haar te betalen schade aan [eiseres] heeft betaald. Met inachtneming van het vorenstaande zijn er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan op dit moment geoordeeld kan worden dat de schadevergoedingsplicht van Achmea c.s. wat betreft het smartengeld een groter bedrag betreft.

4.20.
Nu de vorderingen gedeeltelijk worden toegewezen, maar Achmea voorafgaand aan de procedure al een schadevergoedingsplicht van 50% had erkend en in deze procedure geen hogere schadevergoedingsplicht wordt vastgesteld, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren. ECLI:NL:RBOVE:2021:4864