Overslaan en naar de inhoud gaan

Hof A.dam 110111 korte vraagstelling voor psychiatrische expertise

Hof A.dam 110111 vraagstelling voor psychiatrische expertise
vervolg op LJN BO5286

2.1 Het hof blijft bij hetgeen het in zijn tussenarrest van 21 september 2010 heeft overwogen en beslist.
Het hof heeft na getuigen te hebben gehoord vastgesteld dat [ Appellant ] vóór het ongeluk van 2 mei 2003 geen gezondheidsklachten had waarop bij de beantwoording van de vraag of hij thans lijdt aan een postwhiplashsyndroom acht zou moeten worden geslagen. Verder heeft het hof tot uitgangspunt gekozen dat [ Appellant ] kort na 2 mei 2003 serieuze gezondheidsklachten heeft ontwikkeld die kunnen wijzen op een postwhiplashsyndroom.
Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat moet worden onderzocht of toereikende grond bestaat om voor de gezondheidsklachten van [ Appellant ] geheel of gedeeltelijk een andere oorzaak aan te wijzen dan een door het ongeval van 2 mei 2003 veroorzaakt postwhiplashsyndroom alsmede dat die vraag het best kan worden onderzocht door een deskundige, en psychiater, in te schakelen.
Ter voorbereiding van het voorgenomen deskundigenonderzoek heeft het hof een reeks vragen aan de partijen voorgelegd.

2.2 [ Appellant ] heeft zich bereid verklaard om mee te werken aan onderzoek door een psychiater. In zover is er geen beletsel voor een deskundigenonderzoek.
(...)
2.5 Teneinde verdere vertraging van het geding te voorkomen overweegt het hof nog als volgt.
Elk van partijen heeft voorgesteld om het deskundigenonderzoek te doen uitvoeren door dr. M. Kuilman, psychiater. Het hof zal, terwijl de hierboven bedoelde aktewisseling plaatsheeft, deze psychiater benaderen met de vraag of hij het voorgenomen onderzoek wil uitvoeren en over het antwoord van deze psychiater zo nodig in overleg treden met partijen.

2.6 Elk van partijen heeft zich uitgelaten over de aan de deskundige voor te leggen vragen. Voor beide pakketten vragen geldt dat deze niet goed aansluiten bij hetgeen in dit geding al is onderzocht en vastgesteld. Bovendien lijken de voorstellen eraan voorbij te zien dat in dit hoger beroep de omvang van het verlies aan verdienvermogen niet aan de orde is gesteld; [ Appellant ] heeft wat betreft zijn verdienvermogen slechts een schadevergoeding op te maken bij staat gevorderd. Het hof zal dan ook geen van beide voorstellen ongewijzigd aanvaarden.
In de kern gaat het uiteindelijk om de volgende vraagstelling:
- zouden een of meer van de geconstateerde gezondheidsklachten ook zonder het ongeval van 2 mei 2003 zijn ontstaan?
- zo ja, waarom? Moet in dit verband aan een psychische stoornis worden gedacht? Welke stoornis?
- zo neen: heeft het ongeval bijgedragen aan het ontstaan van een psychische stoornis? Zo ja, heeft deze psychische stoornis bijgedragen aan de gezondheidsklachten?
Voorts ligt het in de rede om deze vraagstelling uit te breiden met vragen naar de redenen van wetenschap van de deskundige en controlevragen als bedoeld in de zogenoemde standaard IWMD vraagstelling.
Bij gelegenheid van de benoeming van de deskundige zal het hof de te stellen vragen definitief onder woorden brengen.

2.7 Het hof zal op de voet van bovenstaande overwegingen de zaak verwijzen naar de rol voor een akte aan de zijde van [ Appellant ] met het hierboven in rechtsoverweging 2.4 omschreven doel en verder iedere beslissing aanhouden. LJN BP1034