Zoeken

Inloggen

Artikelen

RBLIM 240719 misbruik op jonge leeftijd; benoeming psychiater; aangepaste IWMD-vraagstelling

RBLIM 240719 misbruik op jonge leeftijd; benoeming psychiater; aangepaste IWMD-vraagstelling;
- benoeming verzekeringsarts essentieel voor arbeidsdeskundige en vervolgens rekenkundige beoordeling; vraagstellingen

8 De verdere beoordeling
In conventie
8.1.
De rechtbank gaat er vanuit de partijen geen hoger beroep hebben ingesteld tegen het vonnis van 8 mei 2019. Bij dat vonnis zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich, in het licht van hetgeen de rechtbank in dat vonnis onder 5.3. had overwogen, uit te laten over de vraag wie tot deskundige moet worden benoemd, hoeveel deskundigen moeten worden benoemd en welke vragen aan de deskundige(n) moeten worden voorgelegd.

8.2.
[eiser] heeft het volgende naar voren gebracht in zijn akte. Hij stelt allereerst dat de vraag aan welke psychische stoornissen hij lijdt en of deze kunnen zijn ontstaan door het onrechtmatige handelen van [gedaagde] en hoe [eiser] zich zou hebben ontwikkeld indien hij de psychische stoornissen veroorzaakt door het onrechtmatige handelen van [gedaagde] niet zou hebben, niet beantwoord moeten worden door een ontwikkelingspsycholoog, maar door een psychiater. Het gaat immers volgens [eiser] om psychiatrische stoornissen en een psychiater is, anders dan een psycholoog, een medisch specialist, die kundig is op het gebied van medicatie, genezing en de oorzaken van psychiatrische ziekten. Hij heeft een tweetal suggesties voor de persoon van een te benoemen psychiater.

8.3.
Ter beantwoording van de vraag tot welke beperkingen de psychische stoornissen als gevolg van het onrechtmatige handelen van [gedaagde] hebben geleid, stelt [eiser] de benoeming voor van een verzekeringsgeneeskundige voor. Hij doet ook een suggestie voor de persoon van die deskundige.

8.4.
Ten slotte dient volgens [eiser] onderzocht te worden welke schade de eventueel vast te stellen beperkingen hebben veroorzaakt. Daarbij dient volgens hem te worden onderzocht wat zijn arbeidsmogelijkheden zonder die beperkingen zouden zijn geweest en welke die zijn met de huidige beperkingen. Daartoe dient volgens hem een rapport te worden opgesteld door een arbeidsdeskundige. [eiser] stelt voor om [naam arbeidsdeskundige] tot arbeidsdeskundige te benoemen. De schade als gevolg van het eventuele verlies aan verdienvermogen dient volgens [eiser] te worden vastgesteld door een rekenkundige. [eiser] stelt voor om [naam rekenkundige] tot rekenkundige wordt benoemd.

8.5.
[eiser] heeft een aantal vragen geformuleerd ter beantwoording door de diverse deskundigen. Ten aanzien van de aan de aan de psychiater voor te leggen vragen stelt [eiser] voor de zogenaamde IWMD-vraagstelling te volgen.

8.6.
[gedaagde] heeft in zijn akte gesteld dat hij er, anders dan [eiser] , de voorkeur aan geeft, zoals ook door de rechtbank voorgesteld, om een ontwikkelingspsycholoog te benoemen die onderzoekt aan welke psychische aandoeningen [eiser] lijdt en in hoeverre die zijn veroorzaakt door het in deze zaak bewezen geachte onrechtmatige handelen van [gedaagde] . [gedaagde] heeft daarnaast een ontwikkelingspsychologe voorgedragen en een voorstel gedaan voor de aan deze voor te leggen vragen.

8.7.
Hij stelt voor dat met de benoeming van een deskundige voor de uitvoering van een vervolgrapportage, die ziet op de vraag of door de eventueel vastgestelde aandoening(en) de verdiencapaciteit is beïnvloed, wordt gewacht totdat de eerder genoemde ontwikkelingspsycholoog heeft gerapporteerd en partijen zich over het rapport hebben uitgelaten.

8.8.
[gedaagde] heeft geen bezwaren tegen de benoeming van de door [eiser] voorgestelde deskundigen [naam arbeidsdeskundige] (arbeidsdeskundige) en [naam rekenkundige] (rekenkundige). Wel verzet hij zich tegen het benoemen van een verzekeringsgeneeskundige. 
[gedaagde] doet een voorstel voor aan deze deskundigen ter beantwoording voor te leggen vragen.

Benoeming van een ontwikkelingspsycholoog of een psychiater?

8.9.
Partijen twisten over de vraag of een ontwikkelingspsycholoog, dan wel een psychiater dient te worden benoemd.

8.10.
De rechtbank is bij nader inzien van oordeel dat zowel een psychiater als een ontwikkelingspsycholoog over de deskundigheid beschikken om de hieronder geformuleerde vragen te beantwoorden, doch dat nu de vragen toch iets meer op het vakgebied van de psychiatrie liggen, een psychiater tot deskundige dient te worden benoemd. Desgevraagd heeft na te benoemen deskundige verklaard dit oordeel van de rechtbank te onderschrijven. De rechtbank heeft op grond daarvan beslist een psychiater tot deskundige te benoemen.

De andere te benoemen deskundigen

8.11.
Partijen zijn het er over eens dat ook een arbeidsdeskundige als ook een rekenkundige tot deskundigen benoemd moeten worden. Partijen zijn het eens zijn over de persoon van de respectieve deskundigen. De rechtbank zal bij benoeming het voorstel van partijen overnemen.

8.12.
[gedaagde] heeft gesteld dat hij geen noodzaak ziet voor het benoemen van een verzekeringsgeneeskundige. De rechtbank oordeelt dat de benoeming van een verzekeringsgeneeskundige essentieel is, als vast komt te staan dat bij [eiser] stoornissen aanwezig zijn die veroorzaakt zijn door de onrechtmatige handelingen van [gedaagde] , omdat deze deskundige de eventuele beperkingen van [eiser] moet vaststellen, aan de hand waarvan vervolgens door de arbeidsdeskundige moet kunnen worden vastgesteld welke handelingen en werkzaamheden (lees: welke beroepen) door [eiser] nog kunnen worden verricht (dan wel uitgeoefend) en de duur daarvan en ten slotte welk inkomen [eiser] daarmee nog kan verdienen. Op die manier kan de restverdiencapaciteit van [eiser] worden vastgesteld. Vervolgens zal de rekenkundige eventueel moeten berekenen op welke vergoeding [eiser] recht heeft om het verlies aan verdienvermogen en alles wat daarmee samenhangt te compenseren.

Wachten met de benoeming van de andere deskundigen totdat de psychiater heeft gerapporteerd en partijen daarop hebben gereageerd?

8.13.
Ter voorkoming van mogelijk nodeloze rapportages door (achtereenvolgens) een verzekeringsgeneeskundige, een arbeidsdeskundige en ten slotte een rekenkundige, zal de rechtbank eerst een psychiater benoemen en deze opdracht geven om aan te vangen met zijn werkzaamheden. Nadat deze zijn definitieve rapport heeft opgemaakt en partijen in de gelegenheid zijn gesteld om daarop bij conclusie na deskundigenbericht te reageren, zal de rechtbank, afhankelijk van de uitkomst van het rapport van de psychiater, bezien of de andere deskundigen nog benoemd moeten worden.

8.14.
Indien benoeming van de andere deskundigen nodig is, zal de rechtbank vervolgens tegelijkertijd een verzekeringsgeneeskundige, een arbeidsdeskundige en een rekenkundige benoemen, met dien verstande dat de rechtbank de desbetreffende deskundige pas (bij tussenvonnis) zal verzoeken om aan te vangen met zijn werkzaamheden, indien de deskundige die daarvóór zou moeten rapporteren, zijn definitieve rapport heeft opgesteld. De daarbij te hanteren chronologie is dat eerst de verzekeringsgeneeskundige moet rapporteren, vervolgens de arbeidsdeskundige en ten slotte de rekenkundige.

8.15.
De rechtbank zal hieronder om proceseconomische redenen wel al voorshands beslissen welke vragen in geval van benoeming aan de deskundigen ter beantwoording zullen worden voorgelegd.

De aan de diverse deskundigen voor te leggen vragen

8.16.
Zoals hiervoor vermeld, hebben partijen voorstellen gedaan betreffende de aan de diverse te benoemen deskundigen ter beantwoording voor te leggen vragen, met dien verstande dat [gedaagde] geen voorstellen heeft gedaan voor de aan de verzekeringsgeneeskundige voor te leggen vragen.

8.17.
Wat de aan de psychiater voor te leggen vragen betreft, overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank volgt de suggestie van [eiser] om aan de psychiater de zogenaamde IWMD-vraagstelling, op de wijze als door [eiser] aangepast, te volgen. Het betreft een beproefde, algemeen erkende en door deskundigen op juridisch en medisch vakgebied opgestelde standaardvraagstelling.

8.18.
De rechtbank zal de door [eiser] voorgestelde vragen, respectievelijk te beantwoorden door de verzekeringsgeneeskundige, de arbeidsdeskundige en de rekenkundige, volgen. Deze vragen komen de rechtbank, anders dan de door [gedaagde] voorgestelde vragen, meeromvattend en ter zake dienend voor.

8.19.
Voor de goede geeft de rechtbank hieronder weer welke vragen zij aan de desbetreffende deskundige zal voorleggen.

T.a.v. de verzekeringsgeneeskundige

Welke belemmeringen geeft [eiser] aan te ondervinden bij het volgen van een studie?

Wilt u, na kennis genomen te hebben van het deskundigenbericht van de psychiater, op basis van zijn bevindingen in zijn vakgebied een belastbaarheidspatroon opstellen op de in uw beroepsgroep gebruikelijke wijze, bijvoorbeeld aan de hand van een zogenaamde “functionele mogelijkhedenlijst”? U wordt verzocht dit te doen voor de situatie met misbruik en – zo mogelijk – voor de situatie zonder misbruik.

Heeft nu naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?

T.a.v. de arbeidsdeskundige

Wat zou naar uw inschatting het carrièreverloop van [eiser] zijn geweest indien het misbruik hem niet zou zijn overkomen? Wilt u bij beantwoording van deze vraag ook de te verwachten arbeidsduur per week aangeven en de periode(n) waarover [eiser] in dat geval vermoedelijk op de arbeidsmarkt werkzaam zou zijn geweest?

Kunt u aangeven wat – uitgaande van uw antwoord op de voorgaande vraag – het reële verdienvermogen, zowel bruto als netto, van de door [eiser] te verrichten arbeid zou zijn geweest, zonder het misbruik, rekening houdend met de door [eiser] genoten opleiding en het arbeidsverleden?

Kunt u aangeven welk opleidingsniveau [eiser] had kunnen volgen zonder beperkingen?

Kunt u aangeven wat – uitgaande van uw antwoord op de eerste vraag – het reële verdienvermogen, zowel bruto als netto, van de door [eiser] te verrichten arbeid zou zijn geweest, zonder het misbruik, er vanuit gaande dat [eiser] de opleiding uit de derde vraag had gevolgd?

Zijn er, rekening houdend met de beperkingen, zoals die blijken uit het rapport van de verzekeringsgeneeskundige, passende arbeidsmogelijkheden voor betrokkene te duiden? Zo ja, welke en voor hoeveel uur per week? Zo nee, waarom niet?

In het geval u vraag 5 bevestigend beantwoordt: wat is het reële verdienvermogen, zowel bruto als netto, van de door bij dat antwoord aangegeven arbeid?

In het geval u vraag 5 ontkennend beantwoordt: ziet u, rekening houdend met de beperkingen van [eiser] , zoals die blijken uit het rapport van de verzekeringsgeneeskundige, en de door [eiser] genoten opleiding, mogelijkheden tot (verdere) omscholing? Zo ja, welke opleiding(en) kom(t)(en) daarvoor in aanmerking, wat is de duur en wat zijn de kosten van die opleiding(en)?

Indien vraag 7 aan de orde is en door u in bevestigende zin is beantwoord, wat zou zijn te verwachten verdienvermogen, zowel bruto als netto, zijn na voltooiing van de door u in dat antwoord genoemde nadere omscholing en aan welk carrièreverloop zou dan volgens u gedacht kunnen worden?

Zijn er werk- en ADL-voorzieningen te treffen die het verdienvermogen, al dan niet na omscholing als hiervoor onder 7 bedoeld, kunnen verhogen? Zo ja, welke voorzieningen zijn dat en wat zijn de kosten daarvan, voor zover niet vallend onder de AWBZ, Wmo, UWV en dergelijke?

Heeft u overigens nog opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang (kunnen) zijn?

T.a.v. de rekenkundige

Wilt u met inachtneming van hetgeen door de arbeidsdeskundige is overwogen de totale arbeidsvermogensschade (verlies verdienvermogen plus pensioenschade) van [eiser] berekenen?

Heeft u overigens nog opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang (kunnen) zijn?

De conclusie

8.20.
Het eerder aangekondigde deskundigenbericht van de psychiater zal nu worden bevolen.

8.21.
In het tussenvonnis van 8 mei 2019 is al geoordeeld (zie r.o. 5.3.) dat de kosten van het deskundigenbericht door [gedaagde] moeten worden voorgeschoten, doch dat nu deze procedeert op basis van een toevoeging, deze kosten voorlopig door de Staat worden voorgeschoten. Partijen worden in staat gesteld gemotiveerd te reageren op het begrote voorschot (zie r.o. 9.3.).

8.22.
De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.

8.23.
Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.

8.24.
De rechtbank ziet geen aanleiding om tussentijds hoger beroep van deze tussenbeslissing toe te staan. Zij wijst partijen op het arrest van 22 januari 2010 (LJN BK1639), waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de beslissing over de partij die het voorschot moet betalen, moet worden aangemerkt als een beslissing in het kader van de voortgang en de instructie van de zaak waartegen geen appel mogelijk is.

9 De beslissing
De rechtbank:

in conventie

9.1.
beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen en verzoekt deze daarbij steeds in acht te nemen de genoemde aanbevelingen van de Richtlijn medisch specialistische rapportage in bestuurs- en civielrechtelijk verband, versie april 2016 (RMSR):

1 DE SITUATIE MET MISBRUIK OP JONGE LEEFTIJD
Anamnese (aanbeveling 2.2.4 RMSR) 
a. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen? Welke overige klachten en beperkingen op uw vakgebied worden desgevraagd gemeld? Wilt u in uw anamnese vermelden welke beperkingen op uw vakgebied de onderzochte aangeeft in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby’s, bezigheden in recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid?

Medische gegevens (aanbeveling 2.2.6 RMSR) 
b. Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van: 
- de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied; 
- de medische behandeling van het letsel van de onderzochte en het resultaat daarvan.

Medisch onderzoek (aanbeveling 2.2.5 en aanbeveling 2.2.7 RMSR) 
c. Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek?

Consistentie (aanbeveling 2.2.8 RMSR) 
d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek? 
e. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt?

Diagnose (aanbeveling 2.2.15 RMSR) 
f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven? Indien mogelijk dient u zich hier met name zo concreet mogelijk uit te laten over de vraag of er stoornissen zijn, welke dat zijn en over de vraag of die zijn veroorzaakt door het misbruik.

Beperkingen (aanbeveling 2.2.17 en aanbeveling 2.2.18) 
g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het misbruik op jonge leeftijd? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

Medische eindsituatie (aanbeveling 2.2.14 RMSR) 
h. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het misbruik op jonge leeftijd mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel? 
i. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u? 
j. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht? 
k. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 1g)?

2 DE SITUATIE ZONDER MISBRUIK OP JONGE LEEFTIJD
Meestal zal het niet mogelijk zijn om onderstaande vragen (met name de vragen 2c - 2e) met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt geven over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft wat u op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt antwoorden (aanbeveling 2.2.14 en aanbeveling 2.2.16 RMSR).

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor misbruik op jonge leeftijd 
a. Bestonden voor het misbruik op jonge leeftijd bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft? 
b. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen (aanbeveling 2.2.17 en aanbeveling 2.2.18 RMSR) voor het misbruik op jonge leeftijd uit deze klachten en afwijkingen voortvloeiden en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?

Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder misbruik op jonge leeftijd 
c. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het misbruik op jonge leeftijd de onderzochte niet was overkomen? 
d. Zo ja (dus zonder misbruik op jonge leeftijd ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan? 
e. Kunt u aangeven welke beperkingen (aanbeveling 2.2.17 en aanbeveling 2.2.18 RMSR) uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid? 
f. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde niet-misbruik op jonge leeftijdsgerelateerde klachten en afwijkingen? 
g. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u? 
h. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht? 
i. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 2e)?

3 OVERIG (aanbeveling 2.2.11 RMSR)
a. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?

9.2.
benoemt tot deskundige:

prof. dr. G.F. Koerselman, psychiater;

[contactgegevens psychiater]

het voorschot

9.3.
stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op het door de deskundige begrote bedrag van € 6.050,-- inclusief btw. Een partij die zich hiermee niet kan verenigen kan bij brief, door de rechtbank binnen 14 dagen na heden te ontvangen, gemotiveerd bezwaar indienen;

9.4.
bepaalt dat [gedaagde] het voorschot van de kosten moet dragen, doch bepaalt dat dit voorschot, nu aan [gedaagde] een toevoeging is verleend, voorlopig ten laste van ’s Rijks kas komt; 

(...) ECLI:NL:RBLIM:2019:6819

Deze website maakt gebruik van cookies