Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb R.dam 290910 asbest, onvoldoende betwisting gestelde blootstelling, beroep op 30 jaarstermijn faalt smartengeld 50.000, diverse schadeposten

Rb R.dam 290910 asbest, onvoldoende betwisting gestelde blootstelling, beroep op 30 jaarstermijn faalt smartengeld 50.000, diverse schadeposten
4.5.    De rechtbank overweegt het volgende.
Gelet op het sub 4.2 weergegeven rapport van het IAS en de schriftelijke verklaringen van [X] en [Y] had het op de weg van Allianz gelegen om de gestelde asbestblootstelling gemotiveerd te betwisten. Dit heeft Allianz evenwel nagelaten. Zij heeft de gestelde blootstelling slechts bij gebrek aan wetenschap betwist. Naar het oordeel van de rechtbank kon Allianz hiermee, ook indien het tijdsverloop in ogenschouw wordt genomen, niet volstaan. Allianz heeft, gezien haar brief van 25 augustus 2008 aan de raadsman van [erflater] (productie 14, dagvaarding), erkend dat in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw in de scheepsbouw veelvuldig met asbest werd gewerkt. Derhalve moet worden aangenomen dat Allianz over de nodige kennis beschikt omtrent hetgeen in die periode te doen gebruikelijk was in die branche. Gelet hierop acht de rechtbank het niet uitgesloten dat door Allianz (verdere) informatie kan worden verkregen omtrent de door [erflater] verrichte werkzaamheden en de omstandigheden waaronder hij de werkzaamheden heeft verricht.

4.6.  Gelet op het vorenoverwogene staat als onvoldoende gemotiveerd betwist vast dat [erflater] tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden voor RDM aan asbest(stof) is blootgesteld.

4.7.  De rechtbank gaat er vanuit dat deze blootstelling aan asbest tot de ziekte mesothelioom heeft geleid. In het kader van het door het IAS uitgevoerde arbeidshistorisch onderzoek heeft [erflater] aangegeven tijdens andere dienstverbanden niet aan asbest(stof) te zijn blootgesteld. Allianz heeft hiertegenover geen c.q. onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit kan volgen dat [erflater] blootgesteld is aan asbest(stof) op een ander moment dan tijdens zijn werkzaamheden bij RDM. Daarbij geldt ingevolge artikel 6:99 BW nog het volgende. Indien de schade het gevolg kan zijn van twee of meer gebeur¬tenissen voor elk waarvan een andere persoon aansprakelijk is, en vast staat dat de schade door ten minste één van deze gebeurtenissen is ontstaan, dan rust de verplichting om de schade te vergoeden op ieder van deze personen, tenzij hij bewijst dat deze niet het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor hijzelf aansprakelijk is.
Toepassing van dit artikel in het onderhavige geval brengt mee dat Allianz feiten en omstandigheden dient te stellen waaruit volgt dat de ziekte van [erflater] niet het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor RDM aansprakelijk is. De rechtbank is hieromtrent van oordeel dat Allianz geen, althans onvoldoende, feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit kan volgen dat [erflater] op een ander moment dan gedurende zijn werkzaamheden voor RDM is blootgesteld aan asbest(stof) en dat daardoor zijn ziekte is veroorzaakt; dergelijke feiten en omstandigheden zijn ook niet gebleken.

Is RDM aansprakelijk op grond van artikel 7:658 BW?

4.8.  Nu vaststaat dat [erflater] tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden voor RDM aan asbest(stof) is blootgesteld en die blootstelling tot de ziekte mesothelioom heeft geleid, dient te worden beoordeeld of RDM ingevolge artikel 7:658 BW jegens [erflater] aansprakelijk is.

4.9.  Als werkgever rustte op RDM de zorgplicht om die maatregelen te nemen die redelijkerwijs nodig waren om te voorkomen dat [erflater] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade zou lijden. Tussen partijen is in geschil of RDM in deze zorgplicht tekortgeschoten is. [eiseres] stelt dat dit het geval is omdat RDM geen voorzorgsmaatregelen heeft genomen tegen de blootstelling aan asbest. Allianz betoogt dat gedurende het dienstverband van [erflater] van RDM niet kon worden gevergd veiligheidsmaatregelen te nemen om iedere blootstelling aan asbest te voorkomen aangezien RDM in de periode 1952 tot en met 1964 niet bekend was en niet bekend hoefde te zijn met het feit dat (kortdurende) blootstelling aan asbest een ernstige ziekte als mesothelioom kon veroorzaken. Dit werd pas veel later bekend. RDM kon en behoefde in dat verband dus ook geen maatregelen te nemen.
Maatregelen ter bescherming van werknemers tegen asbestose gaven allerminst een garantie op (ook) bescherming van werknemers tegen mesothelioom. Aldus leidt het feit dat lang¬durige blootstelling aan asbeststof asbestose zou kunnen veroorzaken niet tevens tot de conclusie dat de werkgever met het nemen van maatregelen ter voorkoming van asbestose
ook mesothelioom had kunnen voorkomen, aldus nog steeds Allianz.

4.10.    Vooropgesteld wordt dat vanaf ongeveer de jaren vijftig bekend was dat men door inademing van asbest(stof) het risico liep een asbestziekte te krijgen, zoals onder meer blijkt uit de door [eiseres] bij dagvaarding overgelegde publicaties. Tot de bekende ziektes behoorde in eerste instantie nog niet mesothelioom. Pas rond 1969 kwam het risico van die ziekte in Nederland in beeld, enkele geïsoleerde publicaties waarmee RDM niet bekend behoefde te zijn buiten beschouwing latend. In dat jaar publiceert dr. J. Stumphius in Nederland zijn proefschrift over de relatie tussen asbest en mesothelioom. In de periode daaraan voorafgaande is dan ook sprake van een onbekend gevaar, maar dat impliceert niet dat werkgevers daarvoor niet aansprakelijk kunnen zijn. In het arrest Cijsouw/De Schelde I (HR 25 juni 1993, NJ 1993, 686) heeft de Hoge Raad aangegeven dat de werkgever aansprakelijk kan zijn voor de gevolgen van het destijds onbekende gevaar van mesothelioom indien hij in de betrokken periode heeft nagelaten de vereiste veiligheidsmaatregelen te nemen ter voorkoming van de verwezenlijking van de wel bekende gevaren en de kans op het zich verwezenlijken van een onbekend gevaar daardoor in aanzienlijke mate wordt verhoogd. Dit is slechts anders indien de werkgever aannemelijk maakt dat het nemen van de destijds vereiste veiligheids¬maatregelen met betrekking tot deze wel bekende gevaren de verwezenlijking van het onbekende gevaar waarschijnlijk niet had kunnen voorkomen.

4.11.     In het licht van het vorenstaande overweegt de rechtbank het volgende.
Door Allianz is niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist dat in de relevante periode (1952-1964) RDM wist, althans behoorde te weten, dat aan de blootstelling aan asbest(stof) bepaalde gezondheidsrisico’s waren verbonden en dat in ieder geval over de gevaren van asbestose en (asbestose met) longkanker consensus bestond. Allianz heeft weliswaar aangevoerd dat die risico’s destijds niet algemeen bekend waren en dat geen consensus bestond over de gevaren van asbest, maar zij heeft haar verweer dienaangaande voornamelijk toegespitst op de bekendheid met het gevaar van mesothelioom. Zo heeft Allianz terzake de door [eiseres] overgelegde publicaties van vóór het proefschrift van Stumphius, waaruit volgens [eiseres] blijkt dat in de relevante periode consensus bestond over het risico van asbestose, enkel aangegeven dat die niet van betekenis zijn omdat [erflater] aan mesothelioom leed en dat daarmee is aangetoond dat vóór 1964 geen consensus bestond over de relatie tussen asbestblootstelling en mesothelioom. Allianz heeft verder nog aangegeven dat een aantal van de bij dagvaarding overgelegde publicaties betrekking hebben op isolatiewerkzaamheden/asbestisoleerders en dat [erflater] een bankwerker was die zelf niet met asbest werkte. Nog daargelaten dat zulks onverlet laat dat met die publicaties werd gewezen op de gezondheidsgevaren van blootstelling aan asbest, treft dit verweer geen doel. [erflater] werkte als bankwerker immers in ruimten waar isolatiewerkzaamheden met asbest werden uitgevoerd.

4.12.    De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat RDM in de periode dat [erflater] voor haar werkzaam was wist, althans behoorde te weten, dat aan de blootstelling aan asbest(stof) bepaalde gezondheidsrisico’s waren verbonden en dat in ieder geval over de gevaren van asbestose en asbestose met longkanker consensus bestond. RDM had met het oog op die bekendheid veiligheidsmaatregelen moeten nemen ter voorkoming van de destijds wel bekende gevaren van asbestose en asbestose met longkanker. Zelfs indien destijds de precieze oorzaak van en meest effectieve mogelijkheden van preventie tegen asbestose en asbestose met longkanker nog niet bekend waren, laat dat onverlet dat RDM verplicht was om de blootstelling aan asbest zoveel mogelijk terug te dringen. Gesteld noch gebleken is dat RDM destijds aan die verplichting heeft voldaan.

4.13.     [eiseres] stelt dat vanwege het feit dat destijds veiligheidsmaatregelen ter voorkoming van de wel bekende gezondheidsrisico’s achterwege gelaten zijn, [erflater] gedurende zijn dienstverband bij RDM blootgesteld is geweest aan asbest(stof) hetgeen de kans op het ontstaan van mesothelioom aanzienlijk heeft verhoogd. Tegenover deze stelling heeft Allianz niet aannemelijk gemaakt dat maatregelen met betrekking tot de wel bekende gezondheidsrisico’s de verwezenlijking van mesothelioom niet hadden kunnen voorkomen. Zij heeft haar stelling dienaangaande immers niet aan de hand van concrete feiten en/of omstandigheden onderbouwd. Zo is door Allianz niet gesteld dat voor bescher¬ming tegen mesothelioom andere maatregelen vereist waren dan voor bescherming tegen asbestose en asbestose met longkanker. Dat voor asbestose een langdurige(re) blootstelling vereist is dan voor mesothelioom, is niet relevant, nu [erflater] bij RDM langere tijd aan asbest is blootgesteld. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het achterwege laten van maatregelen met betrekking tot de wel bekende gezondheidsrisico’s de kans op het zich verwezenlijken van de nog onbekende asbestziekte mesothelioom in aanzienlijke mate heeft vergroot.

4.14.     Allianz heeft nog aangevoerd dat blootstelling aan wit asbest geen aansprakelijkheid van RDM meebrengt en dat het aan [eiseres] is om te bewijzen aan welke kleur asbest hij destijds blootgesteld is. Nu Allianz dit verweer enkel in verband heeft gebracht met mesothelioom, deze ziekte destijds nog onbekend was en gesteld noch gebleken is dat haar verweer (ook) voor asbestose van betekenis is, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Het beroep van Allianz op het arrest Gemex/Van Oostrum (HR 4 juni 2004, JAR 2004, 287) treft evenmin doel aangezien de feiten en omstandigheden in dat arrest niet vergelijkbaar zijn met die in de onderhavige zaak. In die zaak ging het immers om de vraag of Gemex in de periode 1965–1979 op de hoogte had moeten zijn van het risico dat blootstelling aan wit asbest kan leiden tot het optreden van mesothelioom.

4.15.    De conclusie is dat RDM in de relevante periode geen veiligheidsmaatregelen heeft genomen met het oog op de toen bekende gevaren van blootstelling aan asbest(stof) waardoor de kans op de (destijds nog niet bekende) asbestziekte mesothelioom vergroot is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat RDM jegens [erflater] tekort is geschoten in de op haar op grond van destijds artikel 7A:1638x BW en thans artikel 7:658 BW rustende zorgplicht en daardoor jegens (de erven van) [erflater] schadeplichtig is geworden.

Komt Allianz een beroep op verjaring toe?

4.16.  Allianz betoogt dat de vordering van [eiseres] is verjaard. [eiseres] betwist dit niet, doch stelt dat het beroep van Allianz op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.17.  Of Allianz een beroep op verjaring toekomt, dient te worden beoordeeld in het licht van de in het arrest Van Hese/De Schelde (Hoge Raad 28 april 2000, NJ 2000, 430) ontwikkelde gezichtspuntencatalogus. Daarin heeft de Hoge Raad overwogen dat de objectieve verjaringstermijn van, in dat geval, dertig jaar, in uitzonderlijke gevallen buiten toepassing kan blijven voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (art. 6:2 lid 2 BW). Als gezichtspunten waarvan de rechter blijk moet geven deze in zijn beoordeling te hebben betrokken, heeft de Hoge Raad genoemd:
a. of het gaat om vergoeding van vermogensschade dan wel van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, en – mede in verband daarmee – of de gevorderde schade¬vergoeding ten goede komt aan het slachtoffer zelf, diens nabestaanden dan wel een derde;
b. in hoeverre voor het slachtoffer respectievelijk zijn nabestaanden ter zake van de schade een aanspraak op een uitkering uit anderen hoofde bestaat;
c. de mate waarin de gebeurtenis de aangesprokene kan worden verweten;
d. in hoeverre de aangesprokene reeds vóór het verstrijken van de verjaringstermijn rekening heeft gehouden of had behoren te houden met de mogelijkheid dat hij voor de schade aansprakelijk zou zijn;
e. of de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid heeft zich tegen de vordering te verweren, waarbij niet van belang is door welke oorzaken eventueel bewijsmateriaal verloren is gegaan en of dit aan de aangesprokene valt toe te kennen;
f. of de aansprakelijkheid (nog) door verzekering is gedekt;
g. of na het aan het licht komen van de schade binnen redelijke termijn een aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schadevergoeding is ingesteld.

4.18.    Allianz heeft aangevoerd dat voor de beoordeling van deze gezichtspunten van belang is dat Allianz, en niet de voormalig werkgever van [erflater], de aangesproken partij is. RDM is opgehouden te bestaan en omtrent de concrete werkomstandigheden van destijds is, gelet ook op het tijdsverloop, niets meer bekend en nagenoeg niets meer te achterhalen, aldus Allianz.
Dat de gestelde asbestblootstelling Allianz niet kan worden verweten, spreekt naar het oordeel van de rechtbank voor zich. De positie van de aansprakelijkheidsverzekeraar is echter per definitie een van haar verzekerde afgeleide. Hieraan doet niet af dat RDM niet meer bestaat. Weliswaar is aannemelijk dat het voeren van verweer door Allianz hierdoor bemoeilijkt wordt, doch anderzijds acht de rechtbank, zoals reeds hiervoor onder 4.5 is overwogen, niet uitgesloten dat door Allianz (verdere) informatie kan worden verkregen omtrent de door [erflater] te verrichten werkzaamheden en de omstandigheden waaronder hij die werkzaamheden heeft verricht. Allianz heeft erkend dat in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw in de scheepsbouw veelvuldig met asbest werd gewerkt. Mede gelet hierop moet worden aangenomen dat Allianz als verzekeraar van RDM beschikt over de nodige kennis omtrent hetgeen in de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw te doen gebruikelijk was in de scheepsbouw.
Voorts wijst de rechtbank erop dat het niet in de rede zou liggen om hetgeen onder gezichtspunt f (het nog bestaan van verzekeringsdekking) in het voordeel van de benadeelde werkt, onder gezichtspunt c terug te nemen op de grond dat de verzekeraar geen rechtstreeks verwijt kan worden gemaakt. Indien een beroep van RDM op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou dienen te worden geacht, dient dat naar het oordeel van de rechtbank ook te gelden voor een dergelijk verweer van de zijde van Allianz. Dat Allianz geen rechtstreeks verwijt treft, acht de rechtbank derhalve niet relevant bij de beoordeling van gezichtspunt c.

Gezichtspunt a: aan wie komt de schadevergoeding ten goede en wat is de aard van de gevorderde schade

4.19.    Voor een deel is de schadevergoeding ten goede gekomen aan [erflater]. Het deel van de schadevergoeding dat overeenkomt met de uitkering op grond van de regeling TAS ad € 17.050,-- heeft [erflater] immers – door die uitkering, die in zoverre als voorschot fungeerde – reeds bij leven ontvangen. Dat [erflater] is overleden op het moment waarop de vordering ten gronde door de rechter wordt beoordeeld, vormt naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om dit element anders te waarderen. Verder is van belang dat de nabestaande aan wie de schadevergoeding voor het overige toekomt geen willekeurige erfgenaam is, maar de weduwe van [erflater] met wie hij in gezinsverband heeft samengeleefd en aan wie [erflater] de schadevergoeding ook kennelijk ten goede heeft willen laten komen. Verder komt belang toe aan de aard van de schade die wordt gevorderd. [eiseres] vordert zowel materiële als immateriële schade.

Gezichtspunt b: aanspraak op een uitkering uit anderen hoofde

4.20.    De rechtbank acht het niet aannemelijk dat terzake de gestelde immateriële schade aanspraak gemaakt kan worden op een uitkering uit anderen hoofde dan het voorschot ad
€ 17.050,-- op grond van de regeling TAS. Terzake de gestelde materiële schade is door [eiseres] gesteld dat de begrafeniskosten, na aftrek van een door RVS Levensverzekering uitgekeerd bedrag van € 4.318,18, per saldo € 2.630,57 bedragen. Derhalve resteert nog steeds een te vorderen bedrag van € 2.630,57 aan materiële schade.

Gezichtspunt c: de mate van verwijtbaarheid

4.21.     Uit hetgeen hiervoor onder 4.8 tot en met 4.15 is overwogen, volgt dat RDM kan worden verweten dat, hoewel zij vanaf ongeveer de jaren vijftig wist, althans behoorde te weten, dat aan de blootstelling aan asbest(stof) bepaalde gezondheidsrisico’s waren verbonden, zij in de relevante periode (1952-1964) geen veiligheidsmaatregelen heeft genomen ter voorkoming van de bekend te veronderstellen gezondheidsrisico’s. Hierdoor is [erflater] destijds blootgesteld geweest aan asbest(stof) en daardoor is de kans op mesothelioom in aanzienlijke mate verhoogd. RDM heeft dus verwijtbaar gehandeld jegens [erflater]. In de relatie tussen [eiseres] en Allianz kan deze verwijtbaarheid worden tegengeworpen aan Allianz, gelet op haar afgeleide positie als verzekeraar. Anders dan Allianz is de rechtbank niet van oordeel dat voor gezichtspunt c alleen een hoge mate van verwijtbaarheid relevant is.

Gezichtspunt d: de voorzienbaarheid van mogelijke aansprakelijkheid

4.22. Naar het oordeel van de rechtbank diende RDM ook vóór het verstrijken van de verjaringstermijn op 30 juni 1994 rekening te houden met de mogelijkheid dat zij voor de schade aansprakelijk zou zijn. Hierbij dient mede in aanmerking te worden genomen dat
– gelet op de publicatie van het proefschrift van dr. J. Stumphius uit 1969 – het verband tussen asbest en mesothelioom sedert 1969 bekend was (zodat vanaf 1969 mogelijk relevant bewijsmateriaal had kunnen worden vastgelegd en/of bewaard) en dat al vrij lang vóór
30 juni 1994 in de rechtspraak was aanvaard dat bij niet-inachtneming van een veiligheidsvoorschrift de overtreder aansprakelijk is voor de schade, ook al manifesteert deze zich op een wijze die niet voorzienbaar was.

Gezichtspunt e: de mogelijkheid verweer te voeren

4.23.  Zoals reeds hiervoor onder 4.5 en 4.18 is overwogen, acht de rechtbank niet uitgesloten dat door Allianz (verdere) infor¬matie kan worden verkregen omtrent de door [erflater] te verrichten werkzaamheden en de omstandigheden waaronder hij de werkzaamheden heeft verricht.

Gezichtspunt f: verzekeringsdekking

4.24.     Niet in geschil is dat de eventuele aansprakelijkheid van RDM is gedekt door een verzekering.

Gezichtspunt g: redelijke termijn

4.25.     Volgens [eiseres] dient bij de beoordeling van de redelijke termijn de periode waarover de bemiddeling door het IAS heeft plaatsgevonden, namelijk de maanden januari tot en met april 2008, niet te worden meegeteld. Zij heeft hiervoor verwezen naar de circulaire van het Verbond van Verzekeraars van 5 september 2008 (productie 39, CvR). Volgens Allianz is de vordering, ook indien voornoemde periode niet wordt meegeteld, te laat ingesteld aangezien de bemiddeling door het IAS op 9 april 2008 was afgesloten terwijl de dagvaarding eerst op 26 mei 2009 is uitgebracht, derhalve 13 maanden later.
4.26.    De rechtbank overweegt het volgende.
Op 4 januari 2008 is bij [erflater] de diagnose maligne mesothelioom gesteld. [erflater] heeft bij brief van 14 januari 2008 RDM aansprakelijk gesteld voor de door hem als gevolg van zijn ziekte geleden en te lijden materiële en immateriële schade. Vervolgens heeft het IAS van januari 2008 tot en met april 2008 bemiddeld in het geschil tussen [erflater] en RDM/Allianz. Nadat die bemiddeling in april 2008 was beëindigd, heeft de raadsman van [erflater] bij brief van 16 juni 2008 (productie 13, dagvaarding) Allianz verzocht (alsnog) aansprakelijkheid te erkennen. Allianz heeft in antwoord daarop bij brief van 25 augustus 2008 (productie 14, dagvaarding) haar standpunt ten aanzien van de verjaring gehandhaafd. [eiseres] heeft bij brief van 31 oktober 2008 (productie 15, dagvaarding) Allianz meegedeeld dat tot dagvaarding zal worden overgegaan. Vervolgens is Allianz op 26 mei 2009 door [eiseres] gedagvaard. Gelet op deze gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat na het aan het licht komen van de schade op 4 januari 2008 binnen redelijke termijn een aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schade¬vergoeding is ingesteld. In zoverre is de positie van Allianz in deze procedure niet nadelig beïnvloed door het tijdsverloop.

Slotsom ten aanzien van de verjaring

4.27.     Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat gezichtspunt e (mogelijkheid verweer) op zich zichzelf genomen pleit vóór toepassing van de verjaringsregel, maar dat de gezichtspunten c (verwijtbaarheid) en d (voorzienbaarheid) en tot op zekere hoogte ook gezichtspunt f (verzekeringsdekking) daaraan in de weg staan. De gezichtspunten a en b zijn in de totale afweging als neutraal meegewogen. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat in dit uitzonderlijke geval van iemand die pas 44 jaar na beëindiging van het dienstverband geconfronteerd wordt met mesothelioom en alle gevolgen van dien, toepassing van de dertigjarige termijn van artikel 3:310 lid 2 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Allianz komt daarom geen beroep op verjaring toe.

Schade

4.28.  Gelet op het voorgaande staat thans vast dat Allianz gehouden is de schade die is geleden door [erflater] en [eiseres] te vergoeden.

Immateriële schade

4.29.    Artikel 6:106 BW bepaalt – kort gezegd – dat iemand die letselschade heeft opgelopen recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding voor nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat. Volgens vaste rechtspraak moet bij de begroting van deze immateriële schade rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Deze toets omvat onder meer de aard van de aansprakelijkheid, de intensiteit van de pijn en het verdriet, waaronder die over een kortere levensverwachting, de gederfde levensvreugde van de benadeelde, en de duur van de periode waarin de immateriële schade is geleden.

4.30.    Tot de omstandigheden van dit geval behoort allereerst dat bij [erflater] in januari 2008 de (voorlopige) diagnose mesothelioom is vastgesteld. Hij was toen 71 jaar. Deze diagnose is kort daarna bevestigd. Inherent aan deze diagnose is dat [erflater] moet hebben geweten dat hij niet lang meer te leven zou hebben. Aangenomen kan worden, gelet op algemene ervaringsregels, dat dit een grote psychische belasting voor hem heeft betekend. Een half jaar later, op 18 juni 2008, is [erflater] overleden aan de gevolgen van mesothelioom. Op grond van algemene ervaringsregels kan aangenomen worden dat de ziekte in dat jaar een grote invloed op hem heeft gehad. Dat [erflater] immateriële schade heeft geleden, is dan ook evident.

4.31.    Schade als deze kan naar zijn aard moeilijk in geld worden gewaardeerd. De rechtbank kiest er als uitgangspunt voor om aansluiting te zoeken bij het normbedrag dat in 2008 als smartengeld voor mesothelioomslachtoffers door het IAS werd gehanteerd, zijnde (afgerond) € 50.000,--. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die meebrengen dat in deze zaak een lager of hoger bedrag op zijn plaats zou zijn. De rechtbank zal, alle hiervoor genoemde omstandigheden meewegend, daarom een bedrag van € 50.000,-- als immateriële schadevergoeding toewijzen.

Materiële schade

4.32.    In totaal bedraagt de vordering terzake materiële schade € 3.130,57 (€ 2.630,57 + € 500,--). [eiseres] heeft bij conclusie van repliek gesteld dat RVS Levensverzekering N.V. op grond van een levensverzekering in totaal € 4.318,18 (ƒ 9.500,--) heeft uitgekeerd waardoor terzake de begrafeniskosten ad € 6.948,75 per saldo nog een vordering van
€ 2.630,57 (€ 6.948,75 minus € 4.318,18) resteert. Voorts vordert [eiseres] in verband met de aanschaf van een nieuw bed een bedrag van € 500,--. Allianz heeft zich ten aanzien van de materiële schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.33.    Hoewel een specificatie ontbreekt van het bedrag van € 500,-- dat wordt gevorderd in verband met de aanschaf van een nieuw bed, acht de rechtbank het gerechtvaardigd dat dit bedrag door Allianz wordt vergoed. Het is voldoende aannemelijk dat een nieuw bed is aangeschaft omdat het oude bed door de ziekte en het overlijden van [erflater] niet langer
bruikbaar was. Nu de rechtbank de hoogte van het gevorderde bedrag niet onredelijk voorkomt, zal het bedrag van € 500,-- worden toegewezen.

4.34.  [eiseres] heeft de gestelde begrafeniskosten aan de hand van de nota d.d. juli 2008 van Moree Uitvaartverzorging ad € 6.584,75 en de nota d.d. 18 juli 2008 van [I] ad € 364,-- onderbouwd.
De rechtbank is van oordeel dat de (resterende) begrafeniskosten, die haar niet onredelijk voorkomen, ingevolge artikel 6:108 lid 2 BW door Allianz vergoed moeten worden. Derhalve acht de rechtbank het bedrag van € 2.630,57 toewijsbaar.

Buitengerechtelijke kosten

4.35.  De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten acht de rechtbank niet toewijsbaar. [eiseres] heeft niet (voldoende onderbouwd) gesteld dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

Wettelijke rente

4.36.  Ten aanzien van de gevorderde rente wordt als volgt overwogen.
De wettelijke rente over de immateriële schade is in overeenstemming met de vordering toewijsbaar vanaf 14 januari 2008. Ten aanzien van de materiële schadeposten geldt dat [eiseres] rente vordert vanaf 18 juni 2008, de datum van overlijden van [erflater], althans vanaf de datum van de dagvaarding. Nu blijkens de door [eiseres] overgelegde specificaties (producties 40, CvR) het met name gaat om kosten die zijn gemaakt in juli 2008 en op de nota d.d. juli 2008 van Moree Uitvaart¬verzorging ad € 6.584,75 handgeschreven is vermeld dat die nota op 1 augustus 2008 is voldaan, acht de rechtbank toewijzing van de rente over het gehele bedrag aan materiële schade, zijnde € 3.130,57 (€ 2.630,57 + € 500,--), vanaf 1 augustus 2008 om praktische redenen gerechtvaardigd.
LJN BO2658