Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Arnhem 040712

Rb Arnhem 040712

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2013/rb-arnhem-040712

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 224809 / HA ZA 12-15

Vonnis van 4 juli 2012

in de zaak van
X,
wonende te X,
eiser,
advocaat mr. M.A. Smits te Nijmegen,

tegen

de naamloze vennootschap
TVM Zakelijk N.V.,
gevestigd te Hoogeveen,
gedaagde,
advocaat mr. H.N. Kuiper te Hoogeveen.
Partijen zullen hierna X en TVM genoemd worden.

1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 14 maart 2012
- het proces-verbaal van comparitie van 14juni 2012,
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten
2.1. X is motorambulanceverpleegkundige. Op 4 juni 2007 reed hij op de Utrechtseweg vanuit Arnhem in de richting van Oosterbeek. Hij was op weg naar een reanimatie en had zijn sirene en zwaailichten aan. Y reed in een bestelbus in dezelfde richting als X. Hij sloeg linksaf op de kruising (T-splitsing) met de jhr Nedermeijer van Rosenthalweg. Daarbij is hij in botsing gekomen met X die hem op dat moment inhaalde.
2.2. In het proces-verbaal van de politie district Arnhem Veluwezoom staat onder meer: ‘(...) Beknopte duidelijke omschrijving van het ongeval. Betrokkene 14.1 (Y, rb) reed over de Utrechtseweg te Oosterbeek komende uit de richting Arnhem. Betrokkene 14.2 (X, rb) reed in dezelfde richting als betrokkene 14.1. Betrokkene 14.2 betrof een motorambulance en voerde optische geluidssignalen. Betrokkene 14.2 wilde betrokkene 14.1 links inhalen. Betrokkene 14.1 zette zijn knipperlicht naar links, om de Jhr Nederm v Rosenthalweg in te slaan, Betrokkene 14.1 wilde met de bedrijfsauto linksaf slaan en zag hierbij betrokkene 14.2 over het hoofd, waardoor een aanrijding ontstond met vermelde schade en letsel. (...)‘
Y heeft op 4juni 2007 aan de politie verklaard:
‘(...) Ik reed ongeveer 20 kilometer per uur, want ik wilde linksaf de jhr Nederm v Rosenthalweg in slaan. Ik reed zo rustig, omdat ik op een tegenligger moest wachten. Ik had mijn knipperlicht inmiddels naar links uitgezet. Ik draaide mijn stuur naar links en hoorde op dat moment een sirene en meteen hierna een klap. Ik zag dat de man over de motorkap heen vloog. Hij raakte mij aan de linkerzijkant van de bedrijfsauto. (...) Ik had de radio van de bedrijfsauto aan staan. Volgens mij stond hij op volumestand 8.’
A heeft op 4 juni 2007 aan de politie verklaard:
‘Op maandag 4juni 2007 omstreeks 15.35 reed ik samen met mijn vrouw over de Utrechtseweg te Oosterbeek, komende uit de richting van Arnhem. Wij reden op onze snorfiets (...). “Het volgende gebeurde allemaal heel snel”. Op een gegeven moment hoorde ik een sirene achter ons. Ik keek achterom en zag een blauwe bestelbus op de Utrechtseweg staan. Deze blauwe bestelbus had zijn knipperlicht aan staan om vermoedelijk de JHR Nedermeijer van Rosenthalweg in te rijden. Ik zag dat een motorambulance op dat moment de blauwe bestelbus in wilde halen. Ik zag en hoorde dat deze motorambulance blauw zwaailicht en sirene voerde. De motor klapte op de blauwe bestelbus. (...)‘
B heeft op 4juni 2007 aan de politie verklaard:
‘Op maandag 4juni 2007 reed ik samen met mijn man over de Utrechtseweg te Oosterbeek, komende uit Arnhem. Wij reden met onze snorfiets (...) op de aldaar gelegen fietsstrook, Ik zag dat iedereen aan de kant ging en hoorde op een gegeven moment sirenes. Ik keek achterom en zag dat de personenauto (...) linksaf wilde slaan. Ik zag dat hij zijn knipperlicht naar links had aanstaan. (...)“ 
C heeft op 4juni 2007 aan de politie verklaard:
‘Op maandag 4 juni 2007 omstreeks 15.35 uur reed ik op de Utrechtseweg te Oosterbeek in de richting van Arnhem. Ik reed in de bedrijfswagen van mijn werk. (...) Op de Utrechtseweg ter hoogte van perceel 44 zag ik op de voor mij tegemoet komende rijbaan een blauwe bestelbus rijden. Ik zag dat de blauwe bestelbus zijn knipperlicht naar links, voor mij rechts, aan had staan. Kennelijk om linksaf de JHR. Nedermeijer van Rosenthalweg in te rijden. “Het volgende gebeurde allemaal heel snel”. Op het moment dat deze blauwe bestelbus afsloeg, zag ik dat een motorambulance deze blauwe bestelbus inhaalde. Ik zag en hoorde dat deze motorambulance blauw zwaailicht en sirene voerde.
Een aanrijding volgde tussen de blauwe bestelbus en de motorambulance. (...)‘
X heeft op 13juni 2007 aan de politie verklaard:
‘(...) Ik was in uniform gekleed en reed op een opvallende ambulancemotor (...). Ik reed op de Eusebiusbuitensingel te Arnhem toen ik de melding kreeg om te gaan naar Renkum voor een reanimatie. Dit is een melding met prioriteit 1 (...). Ik heb hier mijn optische geluidssignalen aangezet. Zowel de sirenes als de blauwe verlichting werkte naar behoren. Ik reed op een gegeven moment over de Utrechtseweg te Oosterbeek. Ik zag dat de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer helemaal Vrij was, Ik besloot om op deze rijbaan te gaan rijden, om op deze wijze meer overzicht te krijgen. Ik zag dat de weg tot aan de verkeerslichten en tot het Shell tankstation helemaal vrij was. Ik reed op dat moment ongeveer 80 tot 100 kilometer per uur. Toen ik ter hoogte van de T-splitsing van met Jhr Nedermeijer van Rosenthalweg kwam, zag ik dat een personenauto links afsloeg. (...) Ik zag dat de auto zijn knipperlicht naar links aan deed en meteen naar links stuurde. Ik denk dat hij op dat 40 tot 50 kilometer per uur reed en zonder te remmen linksaf sloeg. Ik heb geen remlichten bij de auto gezien. Ik zag dat ik meteen tegen de auto aanzat, (...)‘
2.3. In het proces-verbaal Verkeersongevallen Analyse staat onder meer:
“(...) Tijdens deze rijproef zag en hoorde ik dat de autoradio op volumestand 8 stond, hetgeen behoorlijk luid was en zeker van invloed kan zijn geweest in deze aanrijding. (...) Door ons werden de standen en de daarbij behorende gezichtsvelden van de spiegels van het voertuig merk Peugot (auto van Y, rb) gecontroleerd. Wij zagen dat de linkerbuitenspiegel door het ongeval beschadigd was. (...) De stand (gezichtsveld) van de linkerbuitenspiegel hebben wij dus niet kunnen controleren. (...)‘
2.4. Bij onherroepelijk vonnis van de politierechter te Arnhem van 15 november 2007 is Y veroordeeld wegens het overtreden van artikel 18 lid t RVV. Hem is geen straf opgelegd.
2.5. In de “Brancherichtlijn Optische en Geluidssignalen Spoedeisende medische hulpverlening” staat onder meer:
‘(...) Artikel 4.2. Urgentiebepaling en het voeren van Optische en Geluidssignalen
(...)A1
Indien er sprake is van een Al-urgentie begeeft het ambulancevoertuig zich per definitie als voorrangsvoertuig door het verkeer. (...)
5. Gedragscode bestuurder van voorrangsvoertuigen
5.1. Algemeen
Het voeren van optische en geluidssignalen en het afwijken van de gangbare verkeersregels verstoren het normale verkeersbeeld. Dit levert per definitie potentieel gevaarlijke situaties op. Het overtreden van verkeersregels gebeurt terughoudend en indien daartoe voldoende noodzaak bestaat. Het voertuig dient feitelijk steeds tot stilstand te kunnen worden gebracht binnen de afstand waarover de weg vrij is en te overzien. Het algehele rijgedrag is beheerst en dwingt respect af: Bij het passeren van een kruising van wegen wordt extra alertheid betracht en de snelheid aangepast. De bestuurder dient zich bewust te zijn van de mogelijkheid dat andere weggebruikers de signalen niet zien of horen, dan wel niet goed kunnen bepalen waar het betreffende voorrangsvoertuig vandaan komt. Ook dient rekening te worden gehouden met onvoorziene of onberekenbare acties van andere weggebruikers. In de wijze van verkeersdeelname dient de bestuurder van het voorrangsvoertuig het belang waarvoor de optische (en geluidsignalen worden gebruikt, af te wegen tegen de risico’s, die daarmee gemoeid zijn voor eigen en andermans veiligheid en gezondheid. (...)
5.3. Maximumsnelheden
(...) De ter plaatse toegestane snelheid wordt met niet meer dan 40 km/uur overschreden op lokale en provinciale wegen en op auto(snel)wegen. (...)
5.4. Tegen het verkeer inrijden
(...) Bij niet-gescheiden rijbanen is tegen het verkeer inrijden toegestaan, mits kortstondig en over en afstand die vrij is en te overzien. (...)
2.6. In een emailbericht van 10december2010 heeft X aan zijn advocaat geschreven:
‘(...) Aangezien ik Oosterbeek binnenkomend rijdend, meteen op de li-rijstrook (de strook van de tegenligger) ben gaan rijden om goed overzicht te krijgen, is het pertinent onmogelijk dat er een tegenligger mij gepasseerd zou zijn. Deze zou dus dwars door mij heen hebben moeten rijden (...). Voor de duidelijkheid: 150 meter voor de T-splitsing ben ik al links gaan rijden voor het overzicht en om in de spiegel van dhr. Y te gaan rijden. Wat de tegenpartij steeds suggereerd, dat ik niet continu op de li-rijstrook heb gereden is ook nergens op gebaseerd. De tegenligger waar ze het misschien over hebben is de auto die vanuit het kruispunt uit Oosterbeek is komen aanrijden, oftewel ongeveer 150 meter van ongevalssituatie verwijderd. Het is namelijk zeer opvallend dat de getuige C (tegenligger) totaal niet praat over een hem tegemoetkomende motor met zwaailicht en sirene. (...) Deze grote afstand geeft tevens ook aan dat dhr. Y niet op C stond te wachten om af te slaan. Tevens wordt er telkens gesproken over een te hoge snelheid. Zij gaan telkens uit van 100 km/uur, terwijl er door de VOA (...) geen snelheid berekend is. Ik ga er dus van uit dat ik mij aan de brancherichtlijnen gehouden heb, dus 30 tot 40 km harder als de maximumsnelheid (...). Wat betreft het aanstaan van het knipperlicht van dhr. Y: Ik heb nooit ontkent dat die aanstond. Maar alleen het tijdstip waarop dit gebeurde was veel te laat, pas toen ik dhr. Y aan het passeren was. Ik zag namelijk in mijn ooghoek dat hij hem activeerde. (...) Verder waren er ook geen andere tekenen dat dhr. (...) zou afslaan. Er waren geen remlichten.’
2.7. In een rapport van 14 juli 2009 heeft dr. Edixhoven als diagnose gesteld dat bij X sprake is van een extra-articulaire fissuur linker distale radius, fractuur processus transversus L 111, IV-V rechts, fractuur met dislocatie van de spina iliaca anterior superior met de origo van de sartorius. Deze afwijkingen beschouwt dr. Edixhoven uitsluitend als ongevalsgevolg. Er is een eindtoestand bereikt. De blijvende functionele invaliditeit van de gehele persoon bedraagt 9%, aldus dr. Edixhoven.
2.8. X heeft in een verzoekschrift een deelgeschil aan de rechtbank voorgelegd met kort gezegd het verzoek uit te spreken dat in de toedracht van het ongeval redenen zijn gelegen om TVM 100% aansprakelijk te laten zijn zodat TVM ter zake van de toedracht geen beroep op artikel 6:10 1 BW toekomt. De rechtbank heeft bij beschikking van 7 februari 2011 afwijzend op dit verzoek beslist.

3. Het geschil
3.1. X vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
- voor recht zal verklaren dat TVM volledig aansprakelijk is voor het X overkomen ongeval,
- TVM zal veroordelen om aan X als voorschot op zijn schade € 25.000,00 te betalen, althans een zodanig bedrag dat de rechtbank in redelijkheid meent te kunnen toewijzen,
- TVM zal veroordelen tot voldoening van de buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand ter zake van het deelgeschil begroot op € 5.023,08 en te verhogen met€ 11.300,00 voor de kosten rechtsbijstand voorafgaande aan het concipiëren van het deelgeschil,
- voor het overige TVM zal veroordelen de schade volledig te betalen aan X, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
- met veroordeling van TVM in de kosten en de rente.
3.2. TVM voert verweer.
3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling
4.1. TVM heeft het gevoerde ontvankelijkheidsverweer ter zitting ingetrokken. TVM beschouwt de dagvaarding als uitgebracht tegen de naamloze vennootschap TVM Zakelijk N.V. De rechtbank zal dat bij die stand van zaken ook doen.
4.2. TVM betwist niet dat zij (als WAM-verzekeraar van Y) aansprakelijk is voor het X op 4juni 2007 overkomen ongeval. In verband met het beroep van TVM op artikel 6:102 BW ligt de vraag voor of en zo ja, in welke mate de vergoed ingsplicht die op TVM rust dient te worden verminderd. In verband daarmee zullen eerst de aan weerszijden toe te rekenen omstandigheden die aan de schade hebben bijgedragen, vastgesteld moeten worden.
4.3. De aan TVM toe te rekenen omstandigheden die aan de schade hebben bijgedragen (en waarop ook de aansprakelijkheid berust) zijn volgens X: 
a. Y heeft rechtdoorgaand verkeer op dezelfde weg niet voor laten gaan (artikel 18 RVV)
b. Y heeft geen voorrang gegeven aan een voorrangsvoertuig (artikel 18 RVV)
c. Y heeft bij het afslaan geen teken getoond (artikel 17 lid 2 RVV)
d. Y heeft niet in de spiegels gekeken
e. Y had de radio te luid staan
4.4. Dat Y rechtdoorgaand verkeer op dezelfde weg niet heeft laten voorgaan, heeft TVM niet betwist. Ter zitting heeft TVM ook niet langer bestreden dat X een Alurgentie had. Gelet op het bepaalde in artikel 4.2. van de brancherichtlijn staat daarmee eveneens vast dat Y geen voorrang heeft gegeven aan een voorrangsvoertuig. TVM heeft - mede onder verwijzing naar de diverse aan de politie afgelegde verklaringen - bestreden dat Y bij het afslaan geen teken heeft getoond en niet in de spiegels heeft gekeken. Op X rust de bewijslast van die stellingen en hij zal tot die bewijslevering worden toegelaten. Dat geldt eveneens voor de stelling dat Y de radio te luid had staan. Niet is betwist dat de radio op volume 8 stond maar wel dat dat meebracht dat Y X niet (tijdig) heeft horen aankomen. X draagt ook de bewijslast van die stelling.
4.5. Wat betreft de aan X toe te rekenen omstandigheden die aan de schade hebben bijgedragen heeft TVM allereerst gesteld dat X harder reed dan volgens de brancherichtlijn (artikel 5.3.) was toegestaan (maximaal 90 km/u). Zij heeft ter zitting expliciet bewijs van deze stelling aangeboden en zal daartoe worden toegelaten. Daarnaast stelt TVM dat zelfs wanneer X zich heeft gehouden aan de toegestane snelheid, hij mede tegen de achtergrond van artikel 5.1. van de brancherichtlijn te hard heeft gereden. TVM heeft in dat verband op de volgende omstandigheden gewezen: X naderde een T-kruising en had er dus rekening mee moeten houden dat medeweggebruikers linksaf zouden slaan. Dit geldt temeer nu Y vaart minderde en zijn knipperlicht uitzette en er op nabije afstand een tegenligger zichtbaar was op wie Y moest wachten. X had ook rekening moeten houden met niet adequaat en tijdig reagerende weggebruikers, met weggebruikers die de geluidssignalen niet tijdig zouden horen en de zwaailichten niet tijdig zouden zien. Omdat X niet steeds op de linkerweghelft reed was hij niet op elk moment zichtbaar voor Y. Onder deze omstandigheden had X het kruispunt met lagere snelheid moeten naderen. In dat geval zou het ongeval zijn voorkomen — X zou dan hebben kunnen uitwijken — althans de schadelijke gevolgen zouden minder zijn geweest.
4.6. X heeft daartegenover het volgende aangevoerd: hij heeft vanaf 150 meter voor de kruising steeds op de linkerrijbaan gereden zodat hij meer overzicht kreeg en beter zichtbaar was voor Y. De tegenligger was op veel grotere afstand, minstens op 250 meter van de kruising. Van overig verkeer was geen sprake zodat ook geen rekening hoefde te worden gehouden met minder adequaat reagerende verkeersdeelnemers. De enige verkeersdeelnemer op dat moment was Y die, zo heeft X ter zitting in afwijking van een eerder aan zijn zijde ingenomen standpunt betoogd, geen vaart minderde maar gelijke snelheid aanhield en tot het moment dat X hem ging passeren, geen knipperlicht heeft aangezet. X hoefde er dan ook geen rekening mee te houden dat Y opeens linksaf zou slaan. Onder deze omstandigheden was 80 km/u, de snelheid die X stelt ongeveer te hebben gereden, gepast tegen de achtergrond van de Al -urgentie in verband met de reanimatie waar X naar op weg was. Ook als X zijn snelheid had aangepast, zou het ongeval met dezelfde ernst en omvang hebben plaatsgevonden, aldus X.
4.7. Indien de feiten en omstandigheden waarop TVM zich beroept vast zouden staan zou dat de conclusie kunnen rechtvaardigen dat X de T-splitsing en Y met lagere snelheid had moeten naderen. De kans bestaat dat het ongeval dan voorkomen had kunnen worden dan wel dat door een (aanzienlijk) lagere snelheid waarmee de voertuigen tegen elkaar zouden zijn gebotst, het letsel minder ernstig zou zijn geweest. De relevantie van de ( gestelde omstandigheden en het oorzakelijk verband tussen de gestelde aan X toe te rekenen omstandigheden en (de ernst van) het ongeval, is daarmee gegeven. Anders dan TVM heeft betoogd, rust op haar de bewijslast van de betwiste feiten en omstandigheden die zij in het kader van het beroep op eigen schuld heeft aangevoerd. Tot die bewijslevering wordt zij toegelaten. Het gaat er daarbij dus in het bijzonder, maar niet uitputtend om: dat Y vaart minderde, zijn knipperlicht tijdig aan zette, dat er een tegenligger op nabije afstand naderde waarop Y moest wachten, dat er meer verkeersdeelnemers waren met wie X rekening moest houden, dat X niet steeds op de linkerwegheift heeft gereden en niet goed zichtbaar was voor Y.
4.8. Afhankelijk van het aantal te horen getuigen is de rechtbank voornemens de aan beide zijden te horen getuigen en de in de contra-enquêtes te horen getuigen op dezelfde dag te horen. De rechtbank gaat er van uit dat (de advocaten van) partijen dit in onderling overleg zullen trachten af te stemmen.
4.9. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing
De rechtbank
5.1. draagt X op te bewijzen:
- dat Y zijn knipperlicht naar links niet tijdig heeft aangezet,
- dat Y niet in de spiegels heeft gekeken,
- dat het volume van de radio in de auto van Y zodanig was dat Y de sirene van Xs motorambulance niet kon horen,
5.2. draagt TVM op te bewijzen:
- dat X harder heeft gereden dan 90 kilometer per uur,
- de (betwiste) feiten en omstandigheden waarop TVM overigens met betrekking tot de gestelde eigen schuld van X een beroep heeft gedaan,
5.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 18juli 2012 voor uitlating door X en TVM of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel, 
5.4. bepaalt dat X en TVM, indien zij geen bewijs door getuigen willen leveren maar wel bewijsstukken willen overleggen, die stukken direct in het geding moeten brengen,
5.5. bepaalt dat X en TVM, indien zij getuigen willen laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op vrijdagen in de maanden september tot en met november 2012 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
5.6. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. S.C.P. Giesen in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4,
5.7. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
5.8 houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2012.

Met dank aan mr. MA. Smits, Brunet Advocaten, voor het inzenden van deze uitspraak.

Deze website maakt gebruik van cookies