Zoeken

Inloggen

Artikelen

RBZWB 031121

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2021/RBZWB-031121


vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster II Handelszaken

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/377354 / HA ZA 20-580

Vonnis van 3 november 2021

in de zaak van

[eiseres] ,
wonende te [ woonplaats ] ,
eiseres,
advocaat mr. J.F. Roth te Amersfoort,

tegen

1. de naamloze vennootschap
ALLIANZ BENELUX NV,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde,
advocaat mr. H.A. Kragt te Arnhem,
2. de naamloze vennootschap
NV UNIVE SCHADE,
gevestigd te Assen,
gedaagde,
advocaat mr. G. Loman te Assen.

Partijen zullen hierna [eiseres] , Allianz en Unive genoemd worden.

1.
De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 februari 2021 en de daarin genoemde processtukken;
- de brief van 10 september 2021 met producties 42 t/m 56 van [eiseres] .

1.2.
Op 16 september 2021 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Mr. Roth heeft gebruik gemaakt van spreekaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting aan de orde is gekomen.

1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.
De feiten

2.1.
[eiseres] is op 22 mei 2015 betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Zij is met de auto over de kop geslagen na een aanrijding en moest door de brandweer uit haar auto worden bevrijd. Op 6 april 2017 is van [eiseres] opnieuw betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Ook bij dit tweede ongeval is de auto van [eiseres] over de kop geslagen.

2.2.
Allianz heeft als WAM- verzekeraar aansprakelijkheid erkend voor het eerste ongeval. Unive heeft als WAM- verzekeraar aansprakelijkheid erkend voor het tweede ongeval.

2.3.
Voor het eerste ongeval was [eiseres] vanuit haar eigen ondememing werkzaam als tandprotheticus, met een vestiging in Hilvarenbeek en een vestiging in Tilburg.

2.4.
Allianz heeft opgetreden als regelend verzekeraar. Allianz heeft Schaderegelingsburo R.P. van Dijk B.V. in de persoon van de heer [ X ] (hierna te noemen: "[ X ] -) ingeschakeld om de schadeafhandeling ter hand te nemen. In het bezoekverslag van 5 augustus 2015 vermeldt [ X ] :
"Huidige klachten
Nekklachten
Duidelijk zichtbaar is, dat mevrouw [eiseres] een beperkte rotatie in de nek heeft. De nek is altijd pijnlijk ( ... ).

Hoofdpijn
Ze geeft aan, dat ze het gevoel heeft een heel hard hoofd te hebben. ( ... ) Ze blijven de gehele dag aanwezig. ( ... )

Nachtrust
[eiseres] heeft een verstoorde nachtrust. Ze wordt regelrnatig wakker in verband met de pijn aan haar handen en elleboog. ( ... ) Ze is vermoeid en emotioneel

Concentratie en geheugen
[eiseres] maakt melding van een gestoorde geheugen- en concentratiefunctie. Soms doet ze in de praktijk dingen, waarvan de patient dan zegt, dat ze die al gevraagd heeft of gedaan heeft. ( ... ) Ook bemerkt ze woordvindproblemen. ( ... ) Ook bemerkt ze, dat ze zaken in haar omgeving niet herkend ( ... )

Pre-existente gezondheid
[eiseres] vertelt ons, dat ze voorafgaande aan het ons bezighoudende ongeval in goede gezondheid verkeerde. Ze gebruikte geen medicijnen, heeft nooit eerder dit soort klachten gehad. Wel heeft ze in het verleden migraine gehad, maar daarvan had ze al een tijd geen last meer van. ( ... )
"

2.5.
[eiseres] is na het eerste ongeval door haar huisarts verwezen naar de neuroloog. Neuroloog dr. [ Y ] heeft in zijn verslag van de controleafspraak van [eiseres] op 1 september 2015 onder meer genoteerd:

"Anamnese:
08-06-2015: Ongeval, niet bewusteloos geweest, aangereden buiten schuld, NO en aanvullend onderzoek geen afwijkingen. Nog veel typische post commotionele en postwhiplash klachten. vergeetachtig vertigo, pijn nek hoofd.
30-07-2015: Nog steeds veel klachten van de nek en het hoofd Zowel veel pijnklachten als aandacht geheutgen en concentratieproblemen. Visusproblemen, erg moe. Draaierig bij hoofdbewegingen. Is er erg emotioneel onder, moet heel vroeg naar bed.
01-09-2015: Klachten geheel SQA. ( ... )

Beleid:
Uitleg en geruststelling, patient wordt ivm het persisteren van de postwhiplashklachten doorverwezen naar de afd psychologie voor behandeling. ( ... )
"

2.6.
Allianz heeft arbeidsdeskundig bureau Radar in de persoon van arbeidsdeskundige mevrouw [ Z ] (hierna te noemen: "[ Z ] ") bij brief van 11 december 2015 verzocht om [eiseres] te begeleiden. In haar rapportage van 11 februari 2016 vermeldt [ Z ] :

'Betrokkene gaf aan dat zij de volgende klachten ervaart:
• tintelende vingers (beide handen);
• rechterarm geeft een `slapend en tintelend gevoel';
• rond de linkerelleboog ervaart betrokkene zenztwpijn;
• krachtverlies in met name de rechter (dominante) hand;
• geheutgen- en concentratieproblematiek;
• hoofdpijn aan de achterzijde van het hoofd (het voelt alsof zij een 'te strakke badmuts' draagt);
komt vanuit de nek;
• nekklachten;
• verminderd zicht;
• mentaal veel moeite met het felt dat zij heel abrupt tot stilstand is gekomen;
• vermoeidheid
• ( ... )
Volgens haar opgave werkte zij 80 uur per week. ( ... )
Met betrokkene stond ik stil bij mijn standpunt dat het aantal uren dat zij aangeeft te werken, buitenproportioneel hoog is. Zij vertelde dat zij dit bij de aanvraagprocedure voor een AOV ook te horen heeft gekregen. Omdat een dergelijk aantal uren door geen enkele verzekeringsmaatschappij geaccepteerd zou worden, is gemakshalve uitgegaan van 50 uur per week ( ... )

2.7.
Op 6 juni 2016 verstrekt [ Z ] aan de (toenmalige) advocaat van [eiseres] en [ X ] een overzicht van werkzaamheden en uren die [eiseres] voorafgaand aan het ongeval werkte. Het totaal aantal uren komt uit op 97 uur per week, waarvan 75 uren doordeweeks werden gewerkt en 24 uur in het weekend. [ Z ] vermeldt in het overzicht dat [eiseres] — uitgaande van 7 uur slaap per nacht — op doordeweekse dagen nog 2 van de 24 uur over zou hebben voor activiteiten naast het werk. Dat zou betekenen dat [eiseres] altijd actief was, aldus [ Z ] .

2.8.
Op 28 juni 2017 heeft [ X ] naar aanleiding van het tweede ongeval opnieuw een bezoek gebracht aan [eiseres] . In zijn bezoekverslag van 3 juli 2017 vermeldt [ X ] het volgende:

"[eiseres] geeft aan, dat ze de gehele dag last van hoofdpijn heeft. ( ... ) Verder geeft ze aan, dat ze hinder ondervindt van de nekspieren. ( ... ) 1k heb haar gevraagd wat er gebeurt, wanneer ze veelvuldig leest. Er wordt aangegeven, dat ze niet veel meer leest. Dit heeft te maken met het feit, dat wanneer ze aan een nieuwe alinea begint, ze de inhoud van de vorige alweer vergeten is. ( ... ) [eiseres] geeft can dat haar kortetermijngeheuigen sterk is aangedaan. ( ... ) Ze geeft aan, dat de klachten na het ongeval op 6 april 2017 in hevigheid zijn toegenomen. ( ... )

De heer Roth laat me weten dat hij van mening is, dat de verzekeraar over dezelfde informatie moet beschikken, als waarover het slachtoffer beschikt. Eerst dan kan een discussie worden gevoerd over de medische causaliteit. lk heb de heer Roth laten weten, dat een werkweek van bijna 97 uur, ik verwijs daarvoor naar het overzicht van mevrouw [ Z ] van 6 juni 2016, slechts gedurende een korte tijd mogelijk is.
Wij sluiten niet dat, dat de klachten ook kunnen worden verklaard uit overbelasting ( ... ).

2.9.
[eiseres] heeft op 30 mei 2018 een verzoekschrift tot het houden van een voorlopig deskundigenbericht ingediend bij de rechtbank Zeeland -West -Brabant, locatie Breda. Bij beschikking van 18 december 2018 heeft de rechtbank het verzoek toegewezen en neuroloog dr. [ A ] (hierna: "[ A ] ") en klinisch neuropsycholoog [ B ] (hierna: "[ B ] ") als deskundigen benoemd.

2.10. [eiseres] is op 25 januari 2019 onderzocht door [ B ] . In haar rapportage vermeldt [ B ] :

"VIII. Samenvatting en conclusie

( ... )
De huidige klachten van onderzochte bestaan op lichamelijke gebied uit nek- en hoofdpijnklachten, snel vermoeid raken en meer rust nodig hebben dan voorheen. Op cognitief gebied kan zij niet goed meer zaken regelen, raakt zij snel afgeleid, kan zij geen dubbeltaken meer uitvoeren, verliest zij het overzicht, verdraagt zij licht en geluid niet goed en heeft zij soms buiten moeite te weten waar zij is.
Ook lukt het hear niet goed informatie uit gesprekken, afspraken en gezichten in haar geheugen vast te houden, |Waarbij zij soms informatie herkent wanneer zij deze opnieuw hoort, maar soms ook niet. Zij moet dingen een voor een doen, grote taken in delen opsplitsen en alle dingen die zij doet bewust doen, wat haar snel vermoeid maakt.( ... )

Bij het huidige neuropsychologische onderzoek wordt binnen het aandachtsdomein gestoord gescoord (duurconcentratie, verdelen van de aandacht) evenals binnen het geheugendomein: onderzochte slaagt er onvoldoende in nieuwe informatie aan te leren en de informatie over de tijd heen vast te houden in het geheugen. Op vier van de vijf symptoomvaliditeitsmaten wordt voldoende gescoord; op de meest gevoelige symptoomvaliditeitsmaat wordt echter afwijkend gescoord, wat enerzijds kan duiden op onderpresteren maar anderzijds ook veroorzaakt kan worden door werkelijke, ernstige cognitieve problematiek. Aangezien bij een andere geheugentaak blijkt dat onderzochte op de geheugenonderdelen gestoord presteert, maar zij niet uitvalt op submaten van dezelfde geheugentest die kijken naar symptoomvaliditeit, wordt haar inzet over het geheel genomen als voldoende beoordeeld. ( ... )

Doordat onderzochte niet buiten bewustzijn is geraakt en er geen sprake is geweest van verwardheid of posttraumatische amnesie direct na de ongelukken is contusionele hersenschade niet waarschijnlijk. De gevonden cognitieve stoornissen in samenhang met het beperkte energieniveau zijn mijns inziens het best passend bij een post-commotioneel beeld ( ... )

IX. Beantwoording van de vraagstelling

I. DE SITUATIE MET ONGEVAL

d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch onderzoek naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?

Antwoord d..
Wat betreft de neuropsychologische klachten is sprake van consistentie. Het patroon van gevonden cognitieve stoornissen komt daarbij overeen met het patroon dat werd gevonden bij eerder neuropsychologisch onderzoek en wordt als passend bij een bekende aandoening gevonden (post commotioneel syndroom). De in de decursus van de huisarts vermelde depressieve stoornis in de voorgeschiedenis heeft onderzochte zelf niet genoemd.

( ... )
1k heb onderzochte tijdens het gesprek niet geconfronteerd met de genoemde diagnose depressieve stoornis, daar deze mij pas achteraf bekend werd. Aangezien de depressieve klachten lange tijd terug speelden (1998) en er momenteel geen depressieve klachten aanwezig zijn wordt deze als niet relevant voor de huidige klachten beoordeeld. ( ... )
"

De beantwoording door [ B ] van de vragen 1f (diagnose) en 1g (beperkingen) zijn verwerkt in het rapport van [ A ] en hieronder weergegeven.

2.11.
[eiseres] is op 21 februari 2019 onderzocht door [ A ] . In zijn rapportage vermeldt [ A ] :

"1.2 Huidige klachten:

Deze bestaan uit twee dingen tegelijk doen. ( ... ) Haar reactievermogen is afgenomen. ( ... ) Ze bevindt zich soms op een voor haar bekende plek die ze dan niet herkent ( ... ) Klachten van hoofdpijn gelokaliseerd op het achterhoofd, continu van karakter met een VAS 4. Ze is daar inmiddels aan gewend. ( ... ) Ze heeft meer rust nodig, ze kan niet meer doen wat ze voor het ongeval deed. Ze vertelt dingen dubbel, herkent mensen niet. Ze kan zich een verhaal dat aan haar verteld is niet meer herinneren. Bij lezen moet ze steeds een bladzijde opnieuw lezen. ( ... )

1.4 Voorgeschiedenis:

Deze vermeldt migraine. Voor het ongeval had betrokkene circa lx per jaar een migraineaanvaL althans zij had heel erg weinig last van migraineaanvallen. Ongeveer een keer per week krijgt ze een aanval, gebruikt hiervoor Zomig 2,5 mg, plusminus vier keer per maand ( ... )

III. Klinische diagnose op grond van de anatnnese en de bevindingen bij onderzoek:

Op grond van de anamnese is er sprake van een tweetal ongevallen, op 22-05-2015 en op 06-04-2017. Op grond van de anamnese zijn er geen aanwijzingen voor verlies van bewustzijn, amnesie voor de ongevallen of voor een significante retrograde of posttraumatische amnesie. Indien er bij deze ongevallen sprake zou zijn geweest van een trauma capitis dan is deze anamnese in overeenstemming met een licht- traumatisch schedelhersenletsel. Zonder trauma capitis past het klachtenpatroon van betrokkene bij een whiplash associated disorder graad I volgens de classificatie van de Quebec Task Force (Spine 1995). Aan restklachten zijn er milde hoofdpijnklachten en met name cognitieve klachten. Bij het neurologische onderzoek zijn er geen specifieke neurologische uitvals- of prikkelingsverschijnselen. De differentiaaldiagnose van de hoofdpijn is een tension -type headache. De cognitieve klachten kan ik niet verklaren vanuit een trauma capitis of vanuit een whiplash associated disorder graad I. Op grond van de ongevalsanamnese en de ontwikkeling in de tijd acht ik het zeer onwaarschijnlijk dat de milde hoofdpijnklachten en de cognitieve klachten primair gevolgen zijn van het ongeval, omdat er geen enkele aanwijzing is voor het bestaan voor een commotio of contusio cerebri.
( ... )

Paragraaf D. Samenvatting van de feiten waarvan ik uitga, alsmede de eigen beschouwing. Mijn eigen oordeel heb ik cursief en onderlijnd weergegeven.

( ... ) Conclusie is licht trauunatisch hersenletsel LTH bij auto-ongeval zonder bewustzijnsverlies. Ik kan mij vinden in deze conclusie.
( ... ) Conclusie: postwhiplashklachten, doorverwezen naar de afdeling psychologie voor behandeling EMDR of cognitieve gedragstherapie. Ik kan mij vinden in deze conclusie.

Paragraaf E. Beantwoording van aw vragen

I. De situatie met ongeval
( ... )
Consistentie
d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?(...)
Antwoord:
d. Naar mijn oordeel is er sprake van een onderlinge samenhang voor wat betrefi de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en mijn bevindingen bij onderzoek.
( ... )

Diagnose
f Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?

Antwoord: De diagnose op mijn vakgebied luidt als volgt: Betrokkene heeft een tweetal ongevallen doorgemaakt, op 22-05-2015 en op 06-04-2017, waarbij er sprake is geweest van een licht traumatisch schedelhersenletsel. Bij het tweede ongeval op 06-04-2017, welke wordt beschreven als een kop-staart botsing, acht ik het aannemelijk dat er zich een acceleratie-deceleratie beweging van de cervicale wervelkolom heeft voorgedaan. Het huidige klachtenpatroon van betrokkene kan goed passen by een whiplash associated disorder graad I volgens de classificatie van de Quebec Task Force (Spine 1995). Aan restklachten zijn er milde hoofdpijnklachten en met name cognitieve klachten. Bij het neurologische onderzoek zijn er geen specifieke neurologische uitvals- of prikkelingsverschijnselen.

De differentiaaldiagnose van de hoofdpijn is een tension -type headache. De cognitieve klachten kan ik niet verklaren vanuit een trauma capitis of vanuit een whiplash associated disorder graad l. Op grond van de ongevalsanamnese en de ontwikkeling in de tijd acht ik het zeer onwaarschijnlijk dat de hoofdpijn en de cognitieve klachten een primair gevolg zijn van het ongeval, omdat er geen enkele aanwijzing is voor het bestaan van een contusio of commotio cerebri als ongevalsgevolg.

De neuropsycholoog concludeert in haar rapportage dat de gevonden cognitieve stoornissen in samenhang met het beperkte energieniveau het best passen bij een post-commotioneel beeld. In DSM- 5 termen wordt de classificatie "Beperkte neurocognitieve stoornis door traumatisch hersenletsel" van toepassing geacht ( ... ). Door afwezigheid van bewustzijnsverlies, verwardheid of posttraumatische amnesie direct na het ongeluk is contusionele hersenschade niet waarschijnlijk. De persoonlijkheidstrekken van onderzochte die maken dat zij gedreven, ambitieus en verantwoordelijk is, hebben mogelijk bijgedragen aan het chronisch worden van de post- commotionele klachten doordat zij te weinig tijd voor herstel heeft genomen.

Beperkingen
g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn/haar huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? ( ... )

Antwoord:
De neuropsycholoog concludeert in haar rapportage dat onderzochte op cognitief gebied beperkt is in het opbrengen van duurconcentratie en flexibiliteit van de aandacht en ook in het aanleren en over de tijd vasthouden van nieuwe verbale en visuele informatie.
( ... )

Op grond van mijn overwegingen in mijn antwoord op vraag 1f kan ik op het vakgebied van de neurologie geen beperkingen aannemen welke voortvloeien uit de ongevallen die betrokkene heeft doorgemaakt. Betrokkene meldt dat zij migraine heeft. Ze meldt dat ze ongeveer een keer per week een aanval krijgt. Migraine aanvallen kunnen in negatieve zin interfereren met het uitvoeren van activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), de loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby's, bezigheden in recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid. Bij afwezigheid van migraine aanvallen zijn beperkingen op het vakgebied van de neurologie niet aannemelijk. ( ... )

3. Overig
a. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?

Antwoord:
De cognitieve klachten kan ik niet verklaren vanuit een trauma capitis of vanuit een whiplash associated disorder graad I. Op grond van de ongevalsanamnese en de ontwikkeling in de tijd acht ik het zeer onwaarschijnlijk dat een en ander een primair gevolg is van het ongeval, omdat er geen enkele aanwijzing is voor het bestaan voor een commotio of contusio cerebri als ongevallengevolg. Bij het neurologische onderzoek zijn er geen specifieke neurologische uitvals- of prikkelingsverschijnselen. Of deze klachten samenhangen met pre-existente persoonlijkheid van 
betrokkene, of met aanwezig zijn van een stemmingsstoornis kan ik niet beoordelen; dat betreft het vakgebied van de psychiatrie.

Paragraaf F. Reacties van partijen en beantwoording hiervan.

Kunnen de cognitieve klachten mogelijk secundair gevolg zijn van de twee ongevallen waarbij [eiseres] betrokken was?
Ik kan niet uitsluiten dat de cognitieve klachten, gezien de aard van de ongevallen en ook het beloop van de klachten in de tijd, een mogelijk secundair gevolg zijn bij een chronisch geworden pijnsyndroom. Echter, op grond van mijn overwegingen, beschreven in mijn antwoord op vraag 1f kan ik op het vakgebied van de neurologie geen beperkingen aannemen welke voortvloeien uit de ongevallen welke betrokkene heeft doorgemaakt. ( ... )

U geeft herhaaldelijk aan dat er geen enkele aanwijzing bestaat voor een commotie cerebri of contusio cerebri. De neuropsycholoog concludeerde een post-commotioneel beeld. U heeft geen commentaar op deze duiding gegeven en u heeft ook zonder commentaar de door de neuropsycholoog beschreven cognitieve beperkingen overgenomen.
Ik wil u verzoeken om zich wat explicieter uit te spreken over de door de neuropsycholoog gebruikte terminologie: post-commotioneel beeld. Ik wil u tevens verzoeken om zich wat explicieter uit te spreken over de door de neuropsycholoog geduide cognitieve beperkingen, u kon deze immers niet verklaren.

Antwoord: De conclusie "post-commotioneel beeld wordt gemeld door de neuropsycholoog. De rechtbank heeft opgedragen dat de uitkomsten van het neuropsychologische onderzoek in het neurologisch rapport verwerkt dienen te worden. (Artikel 3.8). Ikzelf concludeer dat ik geen enkele aanwijzing heb voor het bestaan voor een contusio of commotio cerebri als ongevalsgevolg, en dat ik op het vakgebied van de neurologie geen beperkingen kan aannemen welke voortvloeien uit de ongevallen die betrokkene heeft doorgemaakt. Dat lijkt mij voldoende expliciet. De term postcommotioneel syndroom is weinig concreet omschreven. De richtlijn van de van de Nederlandse Vereniging voor de Neurologie. (Richtlijnen functieverlies — vijfde editie) meldt dat klachten over hoofdpijn, vermoeidheid, concentratiestoornissen en emotionele labiliteit, vroeger aangeduid als postcommotioneel syndroom, plegen te verdwijnen binnen een half jaar na het doorgemaakte trauma. Als zij daarna aanwezig blijven, dient ernstig betwijfeld te worden of zij berusten op een hersenbeschadiging. Er is nooit een substraat voor gevonden en de klachten vertonen een grote overeenkomst met andere syndromen zonder aanwijzingen voor een aandoening van het zenuwstelsel, zoals het postwhiplash-syndroom of het chronische vermoeidheidssyndroom. De werkgroep letselschade van de Nederlandse Vereniging voor de Neurologie is van oordeel dat hieraan ook geen functieverlies kan worden verbonden (NvN richtlijnen functieverlies, vijfde editie). Dit standpunt is conform AMA-6.

Bovenin op pagina 22 geeft u aan dat er sprake is van onderlinge samenhang wat betreft de anamnese, het medisch dossier en uw onderzoek. Ik zie echter wel een inconsistentie waar ik uw aandacht voor wil vragen: Betrokkene heeft naar u aangegeven dat zij voor het ongeval circa een keer per jaar een migraineaanval had, na het ongeval ongeveer een keer per week (bij de neuropsycholoog verklaarde zij overigens een frequentie van 1-2 keer per week na het ongeval). De anamnestische pre-existente aanvalsfrequentie komt echter niet overeen met de recepten antimigrainemiddelen die de huisarts (blijkens de journaaluitdraai) in de loop der jaren heeft uitgeschreven ( ... ) Graag uw commentaar.
Antwoord Uw opmerking is terecht Ik ben het met u eens dat de opgegeven ftequentie van migraine aanvallen (circa een keer per jaar) niet past bij de hoeveelheid uitgeschreven medicatie. In mijn
 oorspronkelijke rapportage, welke ik in het kader van blokkerings- en correctierecht naar betrokkene heb gestuurd heb ik in paragraaf 1.4 (Voorgeschiedenis) vermeld dat betrokkene ongeveer een keer per week een migraine aanval krijgt, ze gebruikt hiervoor Zomig 2,5 mg, plusminus vier keer per maand Betrokkene verzocht mij dit te corrigeren, d.w.z. dit anders te formuleren ( ... )

2.12.
Allianz heeft zonder erkenning van de door [eiseres] gestelde gevolgen van het ongeval een bedrag van € 95.000,00 betaald aan voorschotten (naast vergoeding van buitengerechtelijke kosten, de kosten van arbeidsdeskundige begeleiding en de schade aan de voertuigen).

2.13.
Onderling overleg over afwikkeling van de schade heeft niet tot overeenstemming geleid.

3.
Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert - samengevat — dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat bij [eiseres] als gevolg van de ongevallen van 22 mei 2015 en 6 april 2017 sprake is van de in de (anamnese van de) deskundigenberichten vermelde klachten en beperkingen en dat deze aan beide ongevallen moeten worden toegerekend;
II. Allianz veroordeelt om aan [eiseres] te vergoeden alle door haar als gevolg van het ongeval van 22 mei 2015 tot aan het tweede ongeval geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid, subsidiair de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling;
III. Allianz en Unive hoofdelijk veroordeelt om aan [eiseres] te vergoeden alle vanaf 6 april 2017 als gevolg van beide ongevallen geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid, subsidiair de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling;
IV. Allianz en Unive hoofdelijk veroordeelt om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 50.000,00 als voorschot op schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling;
V. Allianz en Unive hoofdelijk veroordeelt om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 24.254,80 ter zake buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling;
VI. Allianz en Unive hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten en wettelijke rente over de (na)kosten, voor het geval voldoening niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis plaatsvindt.

3.2.
[eiseres] legt artikel 6:162 BW aan haar vorderingen ten grondslag. Zij stelt aan beide ongevallen gezondheidsklachten te hebben overgehouden, die haar beperken in haar mogelijkheden om in haar inkomen te voorzien. Zij houdt Allianz en Unive aansprakelijk voor de schade die daaruit voortvloeit.

3.3.
Allianz en Unive voeren verweer, dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten. Allianz en Unive betwisten dat [eiseres] gezondheidsklachten heeft die in causaal verband staan tot de beide ongevallen. Ook het bestaan van beperkingen en daaruit volgende schade worden betwist. Allianz vordert subsidiair de uitvoerbaar bij voorraadverklaring te onthouden aan een eventueel toewijzend vonnis, althans daaraan voorwaarden te verbinden.

3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.
De beoordeling

4.1.
Partijen zijn het erover eens dat, hoewel Allianz als verzekeraar aansprakelijkheid heeft erkend voor het eerste ongeval en Unive voor het tweede ongeval, beide ongevallen in feite voor de beoordeling die nu aan de orde is niet van elkaar af te scheiden zijn en het geheel ondeelbaar is. Ook de rechtbank gaat daarvan uit in haar beoordeling, door in het navolgende geen onderscheid te maken tussen het eerste en het tweede ongeval.
Met haar vorderingen legt [eiseres] ter beoordeling voor of zij als gevolg van de haar overkomen ongevallen gezondheidsklachten heeft ontwikkeld, die haar beperken in haar mogelijkheden om arbeid te verrichten, als gevolg waarvan zij schade lijdt. Partijen weten elkaar wat betreft het toe te passen beoordelingskader te vinden, maar niet wat betreft de uitkomst daarvan.

4.2.
De rechtbank stelt bij de beoordeling het volgende voorop (zie onder meer Gerechtshof Arnhem Leeuwarden 28 februari 2017. ECLI:NL:GHARL:2017:1627 en Gerechtshof Arnhem -Leeuwarden 26 mei 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:4043). Het is aan [eiseres] om te stellen en, bij gemotiveerde betwisting, te bewijzen dat zij aan gezondheidsklachten lijdt. Daarbij gaat het niet alleen om "stoornissen" in de zin van medisch waameembare beschadigingen, afwijkingen of gebreken, maar ook om het bestaan van "klachten" die weliswaar naar hun aard subjectief zijn maar waarvan niettemin objectief vastgesteld kan worden dat zij aanwezig, reeel, niet ingebeeld, niet voorgewend, en niet overdreven zijn. Het enkele feit dat het klachten betreft die naar hun aard subjectief zijn, betekent niet dat het bewijs ervan niet geleverd kan worden. Wanneer kan worden vastgesteld dat het klachtenpatroon plausibel is, hetgeen doorgaans het geval zal zijn bij een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten, kan van het bestaan van dergelijke subjectieve klachten worden uitgegaan.

4.3.
Indien [eiseres] heeft aangetoond dat haar subjectieve (maar objectiveerbare) gezondheidsklachten in de hiervoor bedoelde betekenis bestaan, mogen aan het bewijs van het oorzakelijk verband tussen de ongevallen en deze klachten geen al te hoge eisen worden gesteld, in die zin dat het ontbreken van een specifieke, medisch aantoonbare verklaring voor de klachten niet in de weg staat aan het oordeel dat het bewijs van het oorzakelijk verband geleverd is (vgl. Hoge Raad 8 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2054). Indien komt vast te staan dat [eiseres] deze gezondheidsklachten voorafgaand aan de ongevallen niet had, de gezondheidsklachten op zich door de ongevallen veroorzaakt kunnen worden en een alternatieve verklaring voor de gezondheidsklachten ontbreekt, zal het bewijs van oorzakelijk verband daarmee veelal geleverd zijn.

4.4.
Indien het causaal verband tussen de subjectieve gezondheidsklachten en de ongevallen is vastgesteld, dient te worden beoordeeld of deze gezondheidsklachten ook tot beperkingen leiden. Het gaat bij de beoordeling van de beperkingen niet zozeer om het vaststellen van de meetbare functionele beperkingen van [eiseres] , maar om het vaststellen van de mate van activiteiten en participatie van [eiseres] . Bij die vaststelling zijn niet alleen de lichaamsfuncties en anatomische eigenschappen relevant, maar dienen ook de persoonlijke en omgevingsfactoren van [eiseres] te worden gewogen. Het enkele feit dat sprake is van subjectieve klachten, waarvoor een neurologisch substraat ontbreekt, staat dan ook nog niet in de weg aan de conclusie dat toch sprake is van beperkingen in de hiervoor weergegeven betekenis.

Gezondheidsklachten

4.5.
In de jaren sinds het eerste ongeval heeft [eiseres] diverse behandelaars en deskundigen gezien in het kader van de schadeafwikkeling en (medische) behandeling. Uit de door [ A ] gegeven samenvatting van de medische gegevens blijkt dat [eiseres] in de loop van die jaren in haar contacten met behandelaars en expertiserend artsen steeds klachten heeft genoemd als hoofdpijn, vermoeidheid en cognitieve problemen, zoals concentratie- en geheugenstoornissen en het niet meer tegelijk kunnen uitvoeren van taken. Dezelfde klachten blijken ook uit de bevindingen van [ X ] en [ Z ] . Deze klachten heeft [eiseres] ook tijdens de zitting benoemd als belangrijkste klachten. Anders dan Allianz en Unive, leest de rechtbank in het verslag van 3 augustus 2017 van psychiater [ C ] geen onderbouwing van de ter zitting ingenomen stelling dat daaruit blijkt dat [eiseres] geen cognitieve klachten heeft. Hij schrijft daarin immers onder meer: : ( ... ) Patiente heeft nu vooral last van geheugenklachten, die wisselend van aard zijn. (... ) 1k heb met patiente besproken dat ik toch weer denk aan SOLK-klachten en een SOLK-traject. ( ... )" Uit de samenvatting van [ A ] komt naar het oordeel van de rechtbank een beeld naar voren van een consistent en samenhangend klachtenpatroon. [ A ] constateert dat de huidige anamnese van pijnklachten en mentale klachten grotendeels overeenstemt met anamneses bij eerdere beoordelingen (beantwoording van vraag Id). Ook [ B ] constateert wat betreft de neuropsychologische klachten tot consistentie. [ A ] stelt dat er als gevolg van beide ongevallen sprake is geweestvan een licht- traumatisch schedelhersenletsel. Hij concludeert dat het huidige klachtenpatroon van [eiseres] goed kan passen bij een whiplash associated disorder graad I ("WAD I"). [ B ] concludeert dat de gevonden cognitieve stoornissen in samenhang met het beperkte energieniveau het best passend zijn bij een post-commotioneel beeld. Dat beide deskundigen uitgaan van een andere diagnose, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de plausibiliteit en objectivering van de klachten. Juist nu het gaat om de beoordeling van moeilijk te objectiveren klachten, waarvoor een medisch neurologisch substraat ontbreekt, is niet doorslaggevend of de behandelaars de klachten hebben benoemd op een wijze die exact aan de diagnostische criteria voldoet, maar of het bestaan van de klachten kan worden aangetoond. Daar is naar het oordeel van de rechtbank sprake van.

4.6.
Allianz en Unive hebben aangevoerd dat de bevindingen van [ B ] niet valide zijn, aangezien uit de bij [eiseres] afgenomen symptoomvaliditeitstesten aanwijzingen volgden voor onderpresteren. De rechtbank volgt Allianz en Unive hierin niet. [ B ] heeft vastgesteld dat [eiseres] op vier van de vijf symptoomvaliditeitstesten voldoende heeft gescoord, maar op de meest gevoelige symptoomvaliditeitsmaat afwijkend scoort. [ B ] beoordeelt echter de inzet van [eiseres] over het algemeen als voldoende, en motiveert dit door aan te geven dat [eiseres] bij een andere geheugentaak op de geheugenonderdelen gestoord presteert, maar niet uitvalt op submaten van dezelfde geheugentest die kijken naar symptoomvaliditeit. Op grond van de Richtlijn voor neuropsychologische analyse is het aan [ B ] om de symptoomvaliditeit te beoordelen en te onderbouwen, hetgeen zij in haar rapportage gedaan heeft. De rechtbank ziet geen aanleiding de bevindingen van [ B ] als niet valide te beschouwen en deze bij haar beoordeling buiten beschouwing te laten.

4.7.
Allianz en Unive wijzen op discrepanties in de verklaringen van [eiseres] , en stellen op basis daarvan haar betrouwbaarheid ter discussie. Ook in het niet (meer) volgen van behandelingen zien Allianz en Unive bevestiging van hun standpunt dat [eiseres] geen (ernstige) klachten aan de ongevallen heeft overgehouden. De rechtbank ziet in de aangevoerde stellingen geen aanleiding om haar oordeel dat [eiseres] aan de gestelde gezondheidsklachten lijdt, bij te stellen. Het al dan niet volgen van (revaliderende) behandelingen bepaalt niet de aanwezigheid en ernst van klachten, aangezien er ook (ernstige) klachten zijn waartegen geen adequate behandeling kan worden gericht. De (frequentie en het bestaan van) migraineklachten worden door Allianz en Unive benadrukt, terwijl [eiseres] zelf weinig relevantie toekent aan haar migraineklachten. [eiseres] heeft ter zitting toegelicht dat de hoofdpijnklachten die ze sinds de ongevallen ervaart en migraine voor haar twee verschillende dingen zijn. De migraine houdt voor [eiseres] geen verband met de beide ongevallen. Hoewel de rechtbank met Allianz en Unive het verschil tussen de frequentie van de migraineklachten volgens [eiseres] en de voorgeschreven medicatie merkwaardig acht, volgt daaruit vanwege het verschil in perceptie van het belang van deze klachten naar het oordeel van de rechtbank geen onbetrouwbaarheid van [eiseres] . Hetzelfde geldt voor het niet vermelden van de in 1998 doorgemaakte depressie, waarvan ook [ B ] onderschrijft dat deze dermate lang geleden is dat deze niet relevant is voor de huidige gestelde klachten.

Causaal verband

4.8.
Nu het bestaan van de klachten naar het oordeel van de rechtbank is aangetoond, zal aan de hand van het hiervoor in 4.3 gegeven kader het causaal verband tussen de klachten en de ongevallen worden beoordeeld.

4.9.
Het is de rechtbank niet gebleken dat de gezondheidsklachten van [eiseres] reeds voor het eerste ongeval aanwezig waren. [ B ] concludeert op basis van de haar ter beschikking gestelde informatie dat de cognitieve klachten en het beperkte energieniveau niet aanwezig waren voor het ongeval. [ A ] maakt in zijn rapportage melding van pre- existente migraineklachten, welke klachten ook na het ongeval bestaan, naar [eiseres] stelt in toegenomen mate. Uit de rapportage van [ A ] blijkt echter niet dat de hoofdpijnklachten, die afzonderlijk van migraine worden benoemd in zijn rapportage, eveneens reeds aanwezig waren voorafgaand aan het eerste ongeval.

4.10.
De klachten kunnen naar het oordeel van de rechtbank veroorzaakt zijn door het ongeval. [ A ] verwijst in zijn diagnose naar de ongevallen die [eiseres] zijn overkomen, en geeft aan dat daarbij sprake is geweest van licht traumatisch schedelhersenletsel. [ A ] acht het aannemelijk dat zich bij het tweede ongeval een acceleratie-deceleratie beweging van de cervicale wervelkolom heeft voorgedaan. Hij komt tot de diagnose dat de huidige klachten van [eiseres] goed passen bij een WAD 1. Tussen partijen bestaat discussie over de lezing van het rapport van [ A ] , waarbij beide partijen hun tegengestelde standpunten baseren op verschillende passages in het rapport. De rechtbank constateert dat [ A ] in zijn rapport, na het onderbouwen van zijn diagnose zoals weergegeven, vervolgt met de opmerking dat hij de klachten niet kan verklaren vanuit een WAD I. Ook geeft [ A ] aan dat hij het onwaarschijnlijk acht dat de hoofdpijn en cognitieve klachten een primair gevolg zijn van het ongeval. De rapportage van [ A ] is daarmee naar het oordeel van de rechtbank niet op alle punten helder: hij schrijft enerzijds dat de huidige klachten goed passen bij een WAD I en anderzijds dat hij de klachten niet kan verklaren uit een WAD I. Een en ander heeft zich onvoldoende nader uitgekristalliseerd naar aanleiding van de door (de medisch deskundigen van) partijen aan [ A ] voorgelegde vragen. De rechtbank heeft zich voor de vraag gesteld gezien hoe om te gaan met deze constatering in deze stand van de procedure. Dit beraad heeft geleid tot de beslissing om voor wat betreft het causaliteitsvraagstuk - hetgeen een juridische beoordeling vergt en niet een medische - uit te gaan van de door [ A ] gestelde diagnose, nu deze onderbouwd wordt gegeven, en ook eerder door bijvoorbeeld neuroloog [ Y ] reeds is gesteld. De rechtbank hecht daarbij minder waarde aan de beantwoording van vraag 3 omdat [ A ] daar ingaat op het causaal verband tussen klachten en ongevallen terwijl in de IMWD-vraagstelling daar nu juist geen vraag over wordt gesteld. De rechtbank heeft in haar afweging meegewogen dat beide partijen ter zitting hebben aangegeven te menen dat voldoende informatie voorligt, en dat het stellen van nadere vragen aan de deskundige of anderszins bewijslevering onwenselijk wordt geacht. Partijen hebben aangegeven gebaat te zijn bij duidelijkheid op korte termijn, zodat zij verder kunnen.

Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de wijziging in de gezondheidstoestand van [eiseres] duidelijk wordt gemarkeerd door de ongevallen.

4.11.
Allianz en Unive voeren aan dat voor de hoofdpijnklachten twee altematieve verklaringen aan te wijzen zijn, te weten de pre-existente migraine en de door [ A ] als differentiaaldiagnostische overweging benoemde tension -type headache. Hoofdpijnklachten kunnen leiden tot cognitieve klachten, aldus Allianz en Unive. Bovendien geldt dat [eiseres] getuige haar werkpatroon voorafgaand aan het eerste ongeval te veel van zichzelf vergde. Ook in overbelasting kan derhalve een altematieve verklaring voor de klachten worden gevonden, aldus Allianz en Unive.

4.12.
De rechtbank is van oordeel dat de gezondheidsklachten van [eiseres] niet op basis van de gestelde alternatieven verklaard kunnen worden. [eiseres] heeft erkend dat zij ook voorafgaand aan het ongeval last had van migraineklachten, die zij met medicatie goed onder controle kon houden. [ A ] meldt in algemene zin dat migraineklachten in negatieve zin kunnen 'interfereren met het uitvoeren van activiteiten van het dagelijkse leven, de loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby's, bezigheden in recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid'. Echter, hieruit volgt geenszins dat de concrete cognitieve klachten die [eiseres] ervaart, veroorzaakt worden door migraine en dat komt de rechtbank ook niet aannemelijk voor. Voor de hoofdpijnklachten geeft [ A ] als differentiaaldiagnose 'tension -type headache'. Ook hiervoor geldt dat de onderbouwing dat de concrete klachten van [eiseres] daaruit voortvloeien, ontbreekt. De rechtbank is met Allianz en Unive van oordeel dat [eiseres] voorafgaand aan het eerste ongeval een zeer actief leven leidde, maar nergens blijkt van aanwijzingen dat die levensstij1 tot gezondheidsklachten leidde.

4.13.
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt de rechtbank tot het oordeel dat [eiseres] voldoende heeft aangetoond dat de genoemde gezondheidsklachten het gevolg zijn van de ongevallen. Het bewijs van het causale verband tussen de gezondheidsklachten en de ongevallen is geleverd.

Beperkingen

4.14.
De stelling van [eiseres] dat zij door de gezondheidsklachten wordt beperkt in haar functioneren en arbeidsvermogen, wordt door Allianz en Unive betwist, onder verwijzing naar de rapportage van [ A ] . [ A ] vermeldt in zijn rapportage inderdaad dat hij op het gebied van de neurologie geen beperkingen kan aannemen die voortvloeien uit de beide ongevallen. Dit standpunt van Allianz en Unive miskent echter dat het feit dat een neurologisch substraat ontbreekt voor subjectieve klachten, niet in de weg staat aan de conclusie dat toch sprake is van beperkingen in de zin van de in rechtsoverweging 4.4 gegeven betekenis. [ B ] vermeldt - welke overweging ook door [ A ] is overgenomen in zijn rapportage - dat [eiseres] beperkt is op cognitief gebied in het opbrengen van duurconcentratie en flexibiliteit van de aandacht, en ook in het aanleren en over de tijd vasthouden van nieuwe verbale en visuele informatie. [ B ] voegt daaraan toe dat [eiseres] deze beperkingen zowel in haar werk als in haar priveleven ervaart. Doordat [eiseres] meer inspanning moet leveren wanneer haar aandacht of geheugen wordt aangesproken, raakt zij snel vermoeid, aldus [ B ] . Op basis van het voorgaande acht de rechtbank het aannemelijk dat uit de gezondheidsklachten beperkingen voortvloeien die van invloed zijn op het functioneren van [eiseres] , waarbij wordt aangetekend dat niet gesteld of gebleken is dat de hoofdpijnklachten van [eiseres] tot andere of meer dan de door [ B ] benoemde beperkingen leiden.

4.15.
Uit het voorgaande volgt dat de gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar is, in die zin dat voor recht kan worden verklaard dat [eiseres] milde hoofdpijnklachten, vermoeidheidsklachten en cognitieve problemen ervaart. Deze cognitieve problemen bestaan uit concentratie- en geheugenstoornissen en het niet meer tegelijk kunnen uitvoeren van taken. Deze klachten leiden tot beperkingen op cognitief gebied in het opbrengen van duurconcentratie en flexibiliteit van de aandacht, en ook in het aanleren en over de tijd vasthouden van nieuwe verbale en visuele informatie. De hoofdpijnklachten van [eiseres] leiden niet tot andere beperkingen dan weergegeven.

Schade

4.16.
Allianz en Unive zijn op grond van artikel 6:162 BW gehouden de schade die [eiseres] als gevolg van de haar overkomen ongevallen heeft geleden en in de toekomst nog zal lijden te vergoeden. De rechtbank is - anders dan Allianz en Unive betogen - op basis van de huidige beschikbare informatie niet in staat de schade van [eiseres] te begroten. [eiseres] heeft weliswaar een (globale) berekening van het verlies van arbeidsvermogen tot aan de pensioendatum en overige schadeposten ingebracht, maar in de huidige stand van het debat tussen partijen is het niet mogelijk om op basis daarvan tot een schadebegroting te komen.

Daarvoor is eerst vereist dat een verzekeringsgeneeskundige, gevolgd door een arbeidsdeskundige, in kaart brengt wat de invloed van de beperkingen is op het arbeidsvermogen en de zelfredzaamheid van [eiseres] . De beperkingen leiden er immers niet toe (en [eiseres] stelt dat overigens ook niet) dat zij in het geheel niet in staat is om te werken en om inkomen te genereren. In welke mate zij daartoe wel in staat is en op welke wijze haar arbeidsvermogen het beste kan worden aangewend, is nu onvoldoende duidelijk. Vervolgens kan, afhankelijk van het door partijen gevoerde debat en de tussen hen bestaande geschilpunten, aan de hand van een nog op te maken bedrijfseconomische analyse een schadeberekening worden uitgevoerd door een rekenbureau. Nu de rechtbank niet tot een schadebegroting kan komen, wordt voldaan aan de voorwaarden voor verwijzing naar de schadestaatprocedure. De in dat kader ingestelde vordering van [eiseres] is derhalve toewijsbaar. Het hiertegen opgeworpen bezwaar van proceseconomische redenen wordt als onvoldoende onderbouwd verworpen. Mede vanwege de geschetste omvangrijke stappen die nog gezet zouden moeten worden in deze procedure alvorens tot een schadebegroting te kunnen komen, komt het de rechtbank geraden voor de schade in een aparte procedure af te wikkelen.

4.17.
Het gevorderde voorschot op schadevergoeding wordt afgewezen. Uit de constatering van de rechtbank dat de schade van [eiseres] in deze stand van het debat nog niet begroot kan worden en hetgeen daarover overwogen is, volgt eveneens dat niet kan worden vastgesteld dat de geleden schade de reeds verstrekte voorschotten tot een totaalbedrag van € 95.000,00 overstijgt.

4.18.
Het voorgaande laat onverlet dat partijen het oordeel van de rechtbank als uitgangspunt kunnen nemen voor het voortzetten van het minnelijk overleg tussen partijen, en kunnen bezien of de in dit vonnis weergegeven uitgangspunten basis biedt voor een minnelijke regeling.

Buitengerechtelijke kosten

4.19.
[eiseres] vordert hoofdelijke veroordeling van Allianz en Unive in de buitengerechtelijke kosten ad € 24.254,80. Uitgangspunt is dat een slachtoffer van een ongeval jegens de partij die aansprakelijk is voor de gevolgen van dat ongeval, recht heeft op vergoeding van de door hem gemaakte redelijke kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand, verleend door een advocaat van zijn keuze. Of buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komen, wordt uiteindelijk bepaald door het antwoord op de vraag of is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW. Dit vereist dat, in de gegeven omstandigheden, het maken van de kosten redelijk is en de omvang van de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk is om vergoeding van de schade te verkrijgen.

4.20.
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde kosten de dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan. Hoewel het uurtarief van € 280,00 exclusief kantoorkosten en BTW zich aan de hoge kant bevindt, acht de rechtbank het tarief voor een gespecialiseerd letselschadeadvocaat niet bovenmatig. Ook het rekenen van kantoorkosten acht de rechtbank niet onredelijk. Het rekenen van kantoorkosten en het in rekening brengen van secretariele werkzaamheden gaan niet samen, maar zonder nadere concretisering, die ontbreekt, vindt de rechtbank in de ingebrachte specificaties geen onderbouwing van de stelling van Allianz en Unive dat secretariele werkzaamheden - tegen een specialistentarief - in rekening zijn gebracht. In de PIV- staffel kan eveneens geen grond voor afwijzing gevonden worden, nu deze niet overeengekomen en niet bepalend is, maar bovendien geldt dat de totale omvang van de schade - en dus ook de verhouding tot de omvang van de buitengerechtelijke kosten - nog niet inzichtelijk is. Gelet op de bevoorschotting die reeds heeft plaatsgevonden, komt het totaalbedrag aan buitengerechtelijke kosten inderdaad uit op een hoog bedrag, maar gelet op het feit dat de zaak reeds sinds het eerste ongeval in 2015 loopt, de omvang van het dossier en de vele contacten die hebben moeten plaatsvinden met meerdere (medisch) behandelaars van [eiseres] , acht de rechtbank de bestede tijd niet onredelijk. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn toewijsbaar. De wettelijke rente over voornoemde kosten is eveneens toewijsbaar.

Uitvoerbaar bij voorraad

4.21.
Allianz voert verweer tegen de door [eiseres] gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het vonnis, en verzoekt deze vordering af te wijzen, althans aan een toewijzing voorwaarden te verbinden. Allianz wijst op een zeer groot restitutierisico.

4.22.
Volgens vaste jurisprudentie kan aangenomen worden dat degene die een veroordeling tot betaling van een geldsom vordert, het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft (HR 27 februari 1998, NJ 1998/512), terwijI een daartegenover gesteld restitutierisico geconcretiseerd moet worden (HR 17 juni 1994, NJ 1994/591). Dat de executie mogelijk tot ingrijpende gevolgen leidt, die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, staat op zichzelf niet in de weg aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad, maar is slechts een omstandigheid die meegewogen moet worden (HR 28 mei 1993, NJ 1993/468). Het is aan de rechtbank om te beslissen of in het licht van de omstandigheden van het geval het belang van [eiseres] bij uitvoerbaar verklaring bij voorraad zwaarder weegt dan het belang van Allianz bij behoud van de bestaande toestand tot op een eventueel rechtsmiddel is beslist.

4.23.
Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van Allianz gelegen om de financieel nadelige gevolgen van een uitvoerbaar bij voorraadverklaring nader te onderbouwen en te concretiseren. Dit geldt temeer nu de veroordeling bestaat uit toewijzing van gemaakte buitengerechtelijke kosten, en niet uit een voorschot op schadevergoeding. De rechtbank oordeelt dat Allianz dit onvoldoende heeft gedaan, zodat de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring toegewezen zal worden.

Proceskosten

4.24.
Allianz en Unive zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:
- dagvaarding 100,89
- griffierecht 937,00
- salaris advocaat 2.163,00 (3,0 punt x tarief E 721,00)
Totaal 3.200,89

De nakosten en wettelijke rente zullen worden toegewezen zoals geformuleerd in het dictum.

5.
De beslissing

De rechtbank

5.1.
verklaart voor recht dat [eiseres] de in rechtsoverweging 4.15 vermelde klachten en beperkingen heeft en dat deze kunnen worden toegerekend aan de ongevallen van 22 mei 2015 en 6 april 2017;

5.2.
veroordeelt Allianz om aan [eiseres] te vergoeden alle door haar als gevolg van het ongeval van 22 mei 2015 tot aan het tweede ongeval van 6 april 2017 geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

5.3.
veroordeelt Allianz en Unive hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiseres] te vergoeden alle vanaf 6 april 2017 als gevolg van de verkeersongevallen van 22 mei 2015 en 6 april 2017 geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

5.4.
veroordeelt Allianz en Unive hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiseres] te betalen € 24.254,80 ter zake buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, te rekenen vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling;

5.5.
veroordeelt Allianz en Unive hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 3.200,89, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.6.
veroordeelt Allianz en Unive hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen;onder de voorwaarde dat Allianz en Unive niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. van 't Nedereind en in het openbaar uitgesproken op 3 november 2021.


Met dank aan de heer mr. J. Roth, SAP Letselschade Advocaten voor het inzenden van deze uitspraak.

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2021/RBZWB-031121


De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies