Overslaan en naar de inhoud gaan

RBAMS-020426

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2026/RBAMS-020426

 

RECHTBANK AMSTERDAM


Civiel recht

Zaaknummer/rekestnummer: C/13/777829/HA RK 25-376

Beschikking van 2 april 2026

in de zaak van

[verzoeker],

te [woonplaats] aan de [adres],

verzoekende partij,

hierna te noemen: [verzoeker],

advocaat: mr. P. van Huizen,

tegen

ANSVAR VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ N.V.,

te Amsterdam,

verwerende partij,

hierna te noemen: Ansvar,

advocaat: mr. J.R. Meelker.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het verzoekschrift met producties, binnengekomen ter griffie op 29 oktober 2025,

  • de beschikking van 15 januari 2026 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,

  • het verweerschrift met producties, binnengekomen ter griffie op 11 februari 2026,

  • de akte met productie 7 van [verzoeker] en

  • de mondelinge behandeling van 16 februari 2026 waarvan een verkort proces-verbaal is opgemaakt en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2. De beschikking is bepaald op vandaag.

2. De feiten

2.1. Op 24 juli 2016 is [verzoeker] betrokken geweest bij een ongeval. [verzoeker] is als bestuurder van een auto aangereden door de bestuurder van een andere auto. De (andere) automobilist is tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij Ansvar. Ansvar heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval voor [verzoeker] erkend.

2.2. Om de gevolgen van het ongeval (beter) te kunnen beoordelen hebben [verzoeker] en Ansvar afgesproken om deskundigen onderzoek te laten verrichten. Eerst heeft neuroloog Verhagen een expertise uitgevoerd. In zijn rapport van 28 februari 2020 staat onder meer:

"(...)

Klinische diagnose

Status na ongeval met acceleratie/deceleratie mechanisme zonder bewustzijnsverlies en zonder amnesie met nu pijnklachten in de nek en met name cognitieve en energetische problemen. Het beeld past het beste bij een whiplash associated disorder graad 2 volgens de classificatie van de Quebec Taskforce (Spine 1995). (...) Daarnaast zijn er evidente aanwijzingen voor stemmingsproblematiek. Ook dit kan zijn cognitieve functioneren in negatieve zin beïnvloeden. Er zijn geen aanwijzingen voor primaire cerebrale beschadigingen als oorzaak van de ervaren cognitieve problemen. Daarnaast zijn er aanwijzingen voor nu een spastisch lumbagobeeld niet ongeval gerelateerd, alsmede een milde polyneuropatie eci, ook niet ongeval gerelateerd.

(...)

Invaliditeit

(...)

Ik stel voor om dit chronisch geworden pijnsyndroom op basis van de AMA Guides $6^e$ editie 1% BIGP voor. Op basis van de NVvN richtlijnen is bij ontbreken van een neurologisch substraat sprake van 0% BIGP. Voor de niet-ongevalgerelateerde milde neuropathie zou men ook op 1% BIGP komen.

(...)

Beperkingen

(...)

Bij het ontbreken van een neurologisch substraat voor de ongevalgerelateerde klachten kunnen conform de richtlijnen van de NVVN geen beperkingen worden aangegeven. Als gevolg van de milde polyneuropathie acht ik het aannemelijk dat hij geringe beperkingen zal ervaren bij staan op 1 been en bij lopen in oneffen terrein.

Medische eindsituatie

(...)

Ik acht de huidige toestand van betrokkene zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval voor wat betreft het vakgebied van de neurologie mogelijk is. Ik verwacht geen verandering.

(...).

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval

(...)

Betrokkene had blijkens de anamnese en het dossier voor het ongeval geen klachten of afwijkingen op het vakgebied van de neurologie die hij thans nog heeft.

(...)

Overig

(...)

Ten aanzien van de polyneuropathieklachten heb ik hem geadviseerd om contact op te nemen met zijn huisarts. Dat geldt ook voor de stemmingsproblematiek. Het zou zeer wel kunnen zijn dat, wanneer dit behandeld wordt, het leidt tot beter cognitief functioneren en in ieder geval ook tot afname van de depressieve klachten.

(...)"

2.3. Daarna heeft neuropsycholoog Aldenkamp onderzoek gedaan. In his rapport van 26 september 2022 staat onder meer:

"(...)

Anamnese en dossier-onderzoek

(...)

Huidige klachten (op cognitief/gedragsmatig gebied):

Vergeetachtig/geheugenproblemen; hij moet alles opschrijven.

Een zeurende nekpijn en ook een zeurende hoofdpijn

Snellere vermoeidheid; (...)

(...)

Moeite met concentreren (...).

Moeite met multitasking

Er zijn stemmingsklachten: voelt zich depressief, maar is ook sneller geëmotioneerd en sneller geërgerd.

Het lezen gaat trager en hij maakt veel typefouten

Het gehele informatieverwerkingsproces is trager

Bij cognitieve overbelasting treden soms blokkades op

Samenvattende antwoorden op de verwijzingsvraag:

(...)

1. Zijn er stoornissen aantoonbaar in mentaal functioneren, het taalgebruik, de regulatie van emoties en gedrag of in de helderheid van het bewustzijn?

(...)

Primaire stoornissen:

  1. Er is sprake van vertraging van de centrale informatieverwerking en daarmee gerelateerde aantasting van het werkgeheugen (...).

  2. Er is een ernstige verstoring van de alertheid hetgeen de cognitieve representatie is van de subjectieve klachten van vermoeidheid. (...)

  3. Betrokkene is cognitief verhoogd interferentiegevoelig gebleken (...) Deze laatste stoornis betekent dat hij in het dagelijks leven moeite zal hebben met het filteren van sensorische prikkels en daardoor ook 'overspoeld' kan worden. Overigens is ook deze stoornis mild te noemen.

Secundaire stoornis:

Op een verbale (maar niet een visuele) geheugen/leertaak is sprake van een afwijkende leercurve met onvoldoende leerrendement voor leeftijd en opleidingsniveau door een drukkend effect dat optreedt over de gehele curve. Er lijkt dus 'overload' op te treden. Dit wijst op een informatieverwerkingsstoornis en wordt grotendeels veroorzaakt door de eerder vermelde vertraging van de centrale informatieverwerkingssnelheid. Al met al is sprake van een secundaire (als gevolg van de informatieverwerkingsstoornis) stoornis in het geheugen en geen primaire.

Als ik de primaire stoornissen samenvat dan is sprake van stoornissen in het energetische bereik gekenmerkt door vertraging van informatieverwerking, alertheidsstoornissen (verhoogde vermoeidheid) en overgevoeligheid voor externe prikkels door verhoogde interferentiegevoeligheid. Uitsluitend de alertheidsstoornis is in het ernstige bereik.

2. Is het aannemelijk dat de aangetoonde stoornissen veroorzaakt worden door het ongeval in 2016?

Ik zou de finale beantwoording van deze vraag willen overlaten aan de expertiserend neuroloog, aangezien ik niet beschik over cerebrale beeldvorming (is die wel uitgevoerd?) en de interpretatie daarvan ook niet tot mijn expertise behoort.

Er zijn een aantal kanttekeningen te maken.

Voor de interpretatie van een neuropsychologisch onderzoek is van groot belang of er sprake is geweest van een hoog-energetisch trauma (HET) en dat is het geval. (...)

Daar staat echter tegenover dat de klachten hun debuut hebben direct (in de dagen) na het ongeval en deze leiden ook tot observeerbare tekortkomingen in het dagelijks leven. Daarnaast corresponderen de klachten geheel met de door ons geconstateerde stoornissen die bovendien beschreven zijn als de langere termijn gevolgen van een neurotrauma, met name de stoornissen in het energetisch bereik (...)

3. Zijn er wellicht andere oorzaken dan het ongeval die de verklaring kunnen vormen voor de aangetoonde stoornissen?

Noch anamnestisch, noch in de mij ter beschikking gestelde informatie kan ik een alternatieve verklaring vinden.

(...)

Dat betekent dat sprake is van testvaliditeit en er geen aanwijzingen zijn voor systematisch onderpresteren.

(...)"

2.4. In een aanvullend rapport van Verhagen van 18 november 2022 staat onder meer:

"(...)

De bevindingen van prof. Aldenkamp wijken ernstig af van mijn bevindingen. (...) Wanneer er sprake zou zijn van relevant hersenletsel als verklaring voor de bevindingen van prof Aldenkamp dan zou ik op een MRI van het brein afwijkingen verwachten in de zin van witte stof afwijkingen, focale atrofie, axonaal letsel (DAI), hemosiderine deposities. Als die er niet zijn, lijken mij de neurologische onderzoeksbevindingen niet samenhangend met traumatisch hersenletsel. Derhalve lijkt het mij om uit de impasse te komen een MRI van het brein van belang.

(...)

Beantwoording van uw vragen

(...)

Diagnose

(...)

Er zijn naar mijn mening geen overtuigende aanwijzingen voor primaire cerebrale beschadigingen als oorzaak van de ervaren cognitieve problemen. Ik heb geen verklaring voor de bevindingen van prof Aldenkamp.

(...)

3. Overig

a. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van de zaak?

Antwoord:

Ten aanzien van de polyneuropathieklachten heb ik hem geadviseerd om contact op te nemen met zijn huisarts. Dat geldt ook voor de stemmingsproblematiek. (...) Gezien de discrepantie tussen mijn bevindingen en de ernstige afwijkingen gevonden door prof Aldenkamp, aannemende dat er geen sprake is van een nieuwe event tussen onze onderzoeken, moet overwogen worden om een MRI van het brein te maken. Wanneer er sprake is van ernstige cognitieve stoornissen zou ik daar relevante afwijkingen op willen zien zoals ik hierboven heb aangegeven. Indien dat niet het geval is, blijft dat ik geen neurologische verklaring heb voor de door prof Aldenkamp gevonden afwijkingen.

(...)"

2.5. Partijen (hun medisch adviseurs) hebben naar aanleiding van het tweede rapport van Verhagen hun commentaar daarop aan Verhagen gestuurd. Voor zover van belang heeft Verhagen als volgt daarop gereageerd.

(...)

[J.F.H. Dreverman] Het gemeenschappelijk neuropsychologisch onderzoek diende mede om de mogelijke invloed van een chronisch geworden pijnsydroom WAD (en stemmingsproblematiek) op het mentaal en cognitief functioneren van betrokkene te onderzoeken. Niet slechts is het dan ook van belang te weten of u de bevindingen van prof. Aldenkamp als rechtstreeks medisch ongevalsgevolg op uw vakgebied (cerebraal letsel) kunt verklaren, maar evenzo belangrijk is het te weten of u de cognitieve beperkingen/problemen, zoals vastgesteld door prof. Aldenkamp secundair aan de door u vastgestelde WAD graad II (en stemmingsproblematiek) kunt verklaren. Niet voor niets werd aan u een IWMD-vraagstelling voorgelegd (...)*

Teodoro et al ((...) A unifying theory for cognitive abnormalities in functional neurological disorders, fibromyalgia and chronic fatigue syndrome: systematic review (...)

Antwoord

Naar mijn mening zijn de cognitieve klachten geen gevolg van hersenletsel, maar secundair bij een chronisch geworden pijnsyndroom. Het door u genoemde artikel gaat om functionele neurologische aandoeningen. Daarbij is geen sprake van neurologische stoornissen. Die analogie geldt hier ook.

Voorts schrijft u dat de bevindingen van prof. Aldenkamp ernstig afwijken van uw bevindingen. Op welke specifieke bevindingen van u en prof. Aldenkamp doelt u? En hoe verklaart u deze afwijkingen?

Antwoord

(...)

Mijn bevindingen waren als volgt: Hij vertelt zijn verhaal coherent en met voldoende details. Hij maakt een sombere indruk. (...) Geen aanwijzingen voor apraxie, afasie, agrafie, stoornissen in het lichaamsschema of stoornissen in de links/rechts-oriëntatie.

Bij de algemene feiten laat hij geen afwijkingen zien, de MOCA is normaal en hij kan de anamnese goed en voldoende gedetailleerd vertellen. Dit alles past niet bij de bevindingen van prof Aldenkamp; bij zijn bevindingen zou ik ook afwijkingen verwachten bij mijn onderzoek.

(...)

[J.J. van Overbeeke] De heer Aldenkamp constateert toch afwijkingen op zijn gebied. Echter op uw vraag of het aannemelijk is dat de aangetoonde stoornissen veroorzaakt worden door het ongeval in 2016, antwoordt hij dat hij de beantwoording van deze vraag overlaat aan de expertiserend neuroloog. Kunt u deze vraag beantwoorden?

Antwoord

Ik wil u verwijzen naar het antwoord op de laatste vraag van collega Dreverman en verder naar de beantwoording van de vragen.*

*(...)"

2.6. De medisch adviseurs van partijen hebben veelvuldig met elkaar gecorrespondeerd.

2.7. Partijen hebben via hun belangenbehartigers geprobeerd tot een minnelijke regeling te komen. Dat is niet gelukt.

2.8. Ansvar heeft tot nu toe € 31.000,00 aan [verzoeker] betaald als voorschot op de vast te stellen schade en € 12.500,00 als voorschot op de buitengerechtelijke kosten.

3. Het verzoek en het verweer

3.1. [verzoeker] verzoekt, samengevat, na wijziging van het verzoek bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv):

I. voor recht te verklaren dat er een (juridisch) causaal verband bestaat tussen het ongeval op 24 juli 2016 en de cognitieve klachten en/of stoornissen van [verzoeker] zoals genoemd in het rapport van Aldenkamp en

II. de kosten van het deelgeschil te begroten op € 6.904,00 (inclusief btw), te vermeerderen met het griffierecht en om Ansvar te veroordelen tot betaling daarvan, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2. [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling het verzoek voor recht te verklaren dat er een (juridisch) causaal verband bestaat tussen het ongeval op 24 juli 2016 en het chronisch pijnsyndroom zoals genoemd in de rapporten van Verhagen ingetrokken, omdat Ansvar dit causaal verband erkent.

3.3. Ansvar voert verweer. Ansvar betwist het causaal verband tussen het ongeval en de gestelde cognitieve klachten en stoornissen. Ansvar stemt in met het verzoek onder II.

4. De beoordeling

4.1. [verzoeker] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).

 

4.2. In dit geval verschillen partijen - kort gezegd - van mening over de vraag of causaal verband bestaat tussen het ongeval (waarvoor aansprakelijkheid is erkend) en cognitieve klachten en/of stoornissen. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. De rechtbank zal het verzoek daarom inhoudelijk beoordelen.

4.3. [verzoeker] vraagt vast te stellen dat causaal verband bestaat tussen de klachten en/of stoornissen zoals genoemd in het rapport van Aldenkamp en Ansvar voert daartegen verweer. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv is het aan [verzoeker] om te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij de gestelde klachten/stoornissen heeft én dat die het gevolg zijn van het ongeval. Inherent aan de door [verzoeker] gestelde klachten is dat deze moeilijk objectiveerbaar zijn. Aan het bewijs voor het bestaan van de klachten kunnen daarom geen al te hoge eisen worden gesteld. Dat is vaste rechtspraak. Bij klachten die naar hun aard subjectief zijn, maar waarvan kan worden vastgesteld dat deze aanwezig, reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend of overdreven zijn, kan van het bestaan van die klachten worden uitgegaan en mogen geen hoge eisen worden gesteld aan bewijs van het oorzakelijk verband. In dit geval heeft [verzoeker] het causaal verband toch onvoldoende onderbouwd. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

4.4. Neuropsycholoog Aldenkamp beschrijft drie primaire neuropsychologische stoornissen bij [verzoeker] (vertraging van de centrale informatieverwerking, een alertheidsstoornis en cognitief verhoogde interferentiegevoeligheid) en een secundaire stoornis op het gebied van de informatieverwerking.

[verzoeker] stelt dat het met het rapport van Aldenkamp bewijs is geleverd van de cognitieve stoornissen. Ook stelt [verzoeker] dat uit het rapport van Aldenkamp volgt dat die stoornissen passen bij het ongeval dat [verzoeker] is overkomen. Daarin wordt [verzoeker] niet gevolgd.

4.5. Eerst heeft neuroloog Verhagen zijn rapport uitgebracht en vervolgens heeft neuropsycholoog Aldenkamp een onderzoek uitgevoerd. Verhagen heeft daarna in een aanvullende rapportage geconstateerd dat de bevindingen van Aldenkamp afwijken van zijn eigen bevindingen en dat hij die afwijkingen niet kan verklaren.

Daarnaast heeft Aldenkamp de finale beantwoording van de vraag of de door hem aangetoonde stoornissen kunnen zijn veroorzaakt door het ongeval, overgelaten aan Verhagen. Op zichzelf is juist dat Aldenkamp geen alternatieve verklaring heeft gevonden voor de cognitieve stoornissen (in de anamnese of in de aan hem ter beschikking gestelde informatie), maar bij gebreke van cerebrale beeldvorming, achtte Aldenkamp het aan de neuroloog om die stoornissen al dan niet als een gevolg van het ongeval aan te merken. Aldenkamp werpt de vraag op of cerebrale beeldvorming is uitgevoerd en schrijft dat interpretatie daarvan niet tot zijn expertise behoort. Aldenkamp heeft over de causaliteit tussen het ongeval en de stoornissen dan ook geen uitsluitsel gegeven.

4.6. Geen van partijen voert bezwaren aan tegen de deskundigenrapporten. Van de inhoud van die rapporten gaan partijen uit en ook de rechtbank zal daarbij aansluiten.

4.7. Dit leidt voor wat betreft de stoornissen die Aldenkamp noemt en die volgens [verzoeker] het gevolg zijn van het ongeval, tot het volgende. Het is Aldenkamp die de specialist is op het gebied van de neuropsychologie. Het behoort tot zijn vakgebied om neuropsychologische problematiek te onderzoeken en aan de hand van dat onderzoek een diagnose te stellen. Daarom moet in de regel worden uitgegaan van de constateringen die de neuropsycholoog op zijn vakgebied heeft gedaan en is het niet aan een andere deskundige om daarover een eigen oordeel te geven. In dit geval kan er toch niet aan voorbij worden gegaan dat neuroloog Verhagen de bevindingen van Aldenkamp niet kan verklaren. Volgens Verhagen hadden ook zijn conclusies anders moeten zijn, als wordt uitgegaan van de door Aldenkamp beschreven cognitieve stoornissen. Verhagen heeft voorgesteld een MRI van het brein te maken. Bij ernstige cognitieve stoornissen zou Verhagen daarop relevante afwijkingen willen zien. Daarmee zou dan weer een verklaring voor de afwijkingen kunnen worden gevonden.

4.8. Het springt in het oog dat, ondanks dat de neuroloog, de neuropsycholoog en op enig moment de medisch adviseur het nut van een MRI opwerpen, die MRI niet is uitgevoerd. [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat het aanvankelijk de bedoeling was om een MRI te maken, maar dat daarvan later is afgezien. Dit onder meer, omdat de uitkomst van een MRI mogelijk ook tegen hem zou kunnen worden gebruikt door de verzekeraar. Dat betekent voor nu wel dat de twee deskundigenrapporten niet op elkaar aansluiten en dat bij gebreke van nader onderzoek, die verschillen niet te verklaren zijn. Verhagen benoemt in antwoord op een vraag wel dat de cognitieve klachten secundair zijn bij het chronisch geworden pijnsyndroom, maar hij onderschrijft het bestaan van cognitieve stoornissen uitdrukkelijk niet.

4.9. Bovendien heeft Aldenkamp geen antwoord gegeven op de vraag of tussen de stoornissen en het ongeval (medisch) causaal verband bestaat. Anders dan [verzoeker] aanvoert, heeft Verhagen uiteindelijk niet 'toegegeven' dat deze ongevalsgevolg zijn. [verzoeker] verwijst naar de antwoorden van Verhagen op de vragen van de medisch adviseurs (2.5) ná zijn tweede rapportage. In reactie op de eerste vraag waarin wordt verwezen naar een artikel, zegt Verhagen dat dat artikel niet gaat over neurologische stoornissen en dat die analogie ook hier geldt. Op de vraag van de medisch adviseur van Ansvar over het causaal verband heeft Verhagen verwezen naar dit antwoord. Dat in deze laatste vraag de medisch adviseur de term 'aangetoonde stoornissen' gebruikt en Verhagen in zijn antwoord de term niet weerspreekt, maakt niet dat Verhagen uiteindelijk de stoornissen toch heeft erkend en dat deze kunnen worden toegeschreven aan het ongeval. In het antwoord waarnaar wordt verwezen staat dat ook hier de situatie zich voordoet dat geen sprake is van neurologische stoornissen. Verhagen antwoordt zeer summier en het heeft de strekking 'zie mijn eerdere antwoorden'. In die eerdere antwoorden is duidelijk dat hij de bevindingen van Aldenkamp uitdrukkelijk niet onderschrijft.

4.10. Geen van de deskundigen heeft de door Aldenkamp genoemde cognitieve stoornissen dan ook als een gevolg van het ongeval aangemerkt. Aldenkamp laat het aan Verhagen en uit de bevindingen (en antwoorden) van Verhagen kan het gestelde causaal verband niet worden afgeleid. Verhagen koppelt ook eventuele cognitieve klachten niet (alsnog) aan de door Aldenkamp omschreven cognitieve stoornissen. In het verzoek gaat [verzoeker] verder niet specifiek in op cognitieve klachten. Het gestelde causaal verband zag in het verzoek aanvankelijk ook alleen op cognitieve stoornissen en niet op cognitieve klachten. De bevindingen van de deskundigen laten wellicht ruimte voor de stelling dat bij [verzoeker] sprake is van cognitieve klachten die mogelijk verband houden met het chronisch pijnsyndroom, maar dit is onvoldoende uitgewerkt om een oorzakelijk verband tussen cognitieve klachten en het ongeval aan te nemen. Om hierover duidelijkheid te verkrijgen, is nadere bewijslevering nodig. Daarvoor leent dit deelgeschil zich niet. De rechtbank zal dan ook niet (zoals verzocht onder I) bepalen dat er een juridisch causaal verband bestaat tussen het ongeval en de cognitieve klachten en/of stoornissen van [verzoeker], zoals genoemd in het rapport van Aldenkamp.

4.11. Het verzoek onder I wordt dan ook afgewezen.

voorwaardelijk verzoek voorlopig deskundigenbericht en verstrekken medische informatie

4.12. [verzoeker] heeft ook voorwaardelijk verzocht een voorlopig deskundigenbericht te bevelen, met benoeming van een verzekeringsgeneeskundige. De rechtbank heeft [verzoeker] na de ontvangst van het verzoekschrift bericht dat een voorwaardelijk verzoek voorlopig deskundigenbericht zich niet laat combineren met het verzoek deelgeschil en dat het verzoek voorlopig deskundigenbericht niet inhoudelijk tijdens de behandeling van het deelgeschil aan de orde zal komen.

4.13. Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen besproken dat zij samen verder stappen zullen zetten voor het laten uitvoeren van een onderzoek door een verzekeringsgeneeskundige. Tussen partijen staat in ieder geval vast dat het chronisch pijnsyndroom van [verzoeker] in (juridisch) causaal verband staat tot het ongeval dat [verzoeker] op 24 juli 2016 is overkomen. Dit blijkt uit de brief van 29 juni 2023 van de verzekeraar aan [verzoeker] en dit is ter zitting ook bevestigd.

4.14. De rechtbank geeft partijen in dit kader in overweging om het verdere debat over de vraag of er sprake is bij [verzoeker] van cognitieve klachten (en zo ja, welke) als gevolg van het chronisch pijnsyndroom en of deze daarmee als ongevalsgerelateerd zijn aan te merken niet uit de weg te gaan, om met elkaar daadwerkelijk te komen tot een finale beslechting van het geschil. Gerichte vragen hierover zijn (nog) niet aan de deskundigen gesteld.

4.15. Ansvar heeft (voorwaardelijk) verzocht te bevelen dat [verzoeker] een afschrift van het volledige huisartsenjournaal vanaf 24 juli 2016 tot en met heden aan de medisch adviseur van Ansvar en aan de verzekeringsgeneeskundige zal verstrekken. [verzoeker] heeft daarmee ingestemd en Ansvar heeft verklaard dat zij ervan uit gaat dat [verzoeker] het afschrift daadwerkelijk zal geven. Daarom heeft Ansvar geen belang bij een door de rechtbank te nemen beslissing hierover.

Kosten deelgeschil

4.16. De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten.

4.17. Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Aan die toets is in dit geval voldaan.

4.18. [verzoeker] maakt aanspraak op € 6.904,00 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht. Daarbij gaat mr. Van Huizen uit van een uurtarief van € 275,00 exclusief btw en van een totale besteding van 22,5 uren. Daarvan maakt deel uit 3,5 uur reis- en wachttijd (helft van het tarief) en 1 uur bijwonen van de zitting. Van wachttijd is geen sprake geweest, maar de zitting heeft wel ruim anderhalf uur geduurd. Daarom kan van het aantal opgegeven uren worden uitgegaan. Het verzoek wordt toegewezen. Ansvar maakt geen bezwaar tegen de kostenbegroting, met uitzondering van de wettelijke rente. De verzochte wettelijke rente zal worden toegewezen zoals na te noemen. Als de kosten namelijk niet binnen de hierna te noemen termijn worden betaald, lijdt [verzoeker] vertragingsschade die dan moet worden vergoed.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst het verzoek onder I af,

5.2. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 6.904,00 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 331,00 en veroordeelt Ansvar tot betaling daarvan aan [verzoeker] binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en

5.3. veroordeelt Ansvar tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de in 5.2 genoemde kosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.C.J. Hamming, bijgestaan door mr. C.E.P. Honing, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026.

VOOR AFSCHRIFT CONFORM

De griffier van de

Rechtbank Amsterdam


Met dank aan mr. Rob Meelker, www.lauxtermannadvocaten.nl voor het inzenden van deze uitspraak. 

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2026/RBAMS-020426