Overslaan en naar de inhoud gaan

RBDHA-040626

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2026/RBDHA-040626 

 

beschikking


 

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Zaaknummer / rekestnummer: C/09/697191 / HA RK 26-3

Beschikking van 4 juni 2026

in de zaak van

1. [DE MOEDER QQ] te [woonplaats],

2. [DE VADER QQ] te [woonplaats],

verzoekers,

hierna afzonderlijk ook te noemen: [de moeder] en [de vader],

advocaat: mr. R. Schoemaker,

 

tegen

 

1. HADOKS ACUTE ZORG B.V. te Den Haag,

2. VvAA SCHADEVERZEKERINGEN N.V. te Utrecht,

verweerders,

hierna afzonderlijk ook te noemen: Hadoks en VvAA,

advocaat: mr. E.J.C. de Jong te Utrecht.

1.   De procedure

1.1.   Het procesdossier bevat de volgende stukken:

- het verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 6 januari 2026, met producties 1 tot en met 13;

- het verweerschrift van Hadoks en VvAA, met producties 1 en 2.

1.2.   De mondelinge behandeling heeft op 23 april 2026 plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft van de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt.

1.3.   De beschikkingsdatum is bepaald op vandaag.

2.   De feiten

2.1.   Verzoekers zijn de ouders van [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige]). [De minderjarige] is op [geboortedatum] 2019 geboren.

2.2.   Hadoks verzorgt spoedeisende hulp voor huisartsen in en omstreeks Den Haag in de avonden, nachten en weekenden.

2.3.   In mei 2021 is [de minderjarige] ernstig ziek geweest. Rondom die periode heeft onder meer het volgende plaatsgevonden.

2.4.   Op 17 mei 2021 zijn de volgende WhatsAppberichten gewisseld tussen [de moeder] en de kinderdagopvang van [de minderjarige]:

 

Medewerker kinderopvang: Hallo mama, vandaag hebben wij veel zieke afmeldingen van de kinderen en wij houden nu alleen nog [de minderjarige] over. Daarom gaat hij om 14:30 naar de groep hiernaast. (…)

[De moeder]: Hallo, is prima. (…)

Medewerker kinderopvang: Trouwens ik heb hem getempt en hij had geen koorts maar hij was een beetje huilerig van ochtend.

[De moeder]: Ok, denk dat hij nu wel last heeft van zijn tandjes.

2.5.   Op vrijdag 21 mei 2021 kreeg [de minderjarige] een koortsstuip. [De moeder] heeft Hadoks gebeld en een afspraak op de huisartsenpost van Hadoks gekregen. Een medewerker van Hadoks heeft bij die afspraak geconcludeerd dat [de minderjarige] een koortsstuip had gehad en dat er op gezette tijden paracetamol gegeven moest worden.

2.6.   Op zaterdag 22 mei 2021 kreeg [de minderjarige] nogmaals een koortsstuip. [De moeder] heeft ook toen met Hadoks gebeld. De triagist van Hadoks heeft overleg gehad met de dienstdoende huisarts en heeft daarna aan [de moeder] geadviseerd het nog even af te wachten. Van dit telefonische contact op 22 mei 2021 zijn bij Hadoks de volgende aantekeningen gemaakt:

 

22-05-2021:   telefonisch contact.

19:36 uur   Contact wegens koorts.

Koortsstuip vermoed.

ABCD veilig — AVPU: A/alert — normale kleur.

Luchtweg: geen stridor — geen dyspnoe.

Geen petechiën.

C/   klachten passen bij COVID-19.

Plan/   niet vermeld; waarschijnlijk gerustgesteld

2.7.   Op zondag 23 mei 2021 heeft [de moeder] nogmaals met Hadoks gebeld en een afspraak op de huisartsenpost van Hadoks gemaakt. Een practitioner verpleegkundige heeft [de minderjarige] op de huisartsenpost van Hadoks gezien. [De moeder] is daarna met [de minderjarige] weer naar huis gegaan. Van dit telefonische contact en de afspraak op 23 mei 2021 zijn bij Hadoks de volgende aantekeningen gemaakt:

 

23-05-2021:   telefonisch contact

07.14 uur   Contact wegens koorts

ABCD veilig — AVPU: A/alert — normale kleur

Zieke indruk volgens ouders

Luchtweg: geen stridor — geen dyspnoe

Geen petechiën

C/   geen verdenking COVID-19

Plan/   beoordeling

09:30 uur   fysiek consult.

A/   is hele week al ziek/huilerig, krijgt tanden.

in de nacht ieder uur wakker.

Al 2x een koortsstuip doorgemaakt.

Goede respons op PCM

Niet suf en geen respiratoire klachten.

Heeft plasluiers, er is nog orale intake.

O/   Neurologisch: maakt heldere en alerte indruk. Flink verzet bij onderzoek.

Vitale functies: pols 130/min, AH 24 / min, sat. 99%, CRT <2 sec., temp 36,2

KNO: iets rode farynxbogen, wit beslag op de tong, iets foetor, gezwollen tonsillen, grijze trommelvliezen.

Hart/longen: normale harttonen, normaal ademgeruis.

Abdomen: soepele buik, lever niet palpabel.

Huid: geen exantheem.

C/   Waarschijnlijk virale kinderziekte.

Plan/   herbeoordelen volgende dag.

Vangnet: opnieuw contact bij zieker worden of convulsie.

Z.n. nurofen in plaats van paracetamol.

2.8.   Op maandag 24 mei 2021 reageerde [de minderjarige] niet meer op aanspreken. [De moeder] heeft toen wederom Hadoks gebeld. Hadoks heeft een ambulance voor [de minderjarige] besteld. [De minderjarige] is eerst naar het HAGA/Juliana Kinderziekenhuis te Den Haag vervoerd en daarna naar het Erasmus/Sophia Kinderziekenhuis in Rotterdam. [De minderjarige] bleek een hersenvliesontsteking te hebben. Hij heeft daardoor ernstig en blijvend hersenletsel opgelopen.

2.9.   VvAA heeft dr. Alkemade onderzoek laten doen naar de medische behandeling van [de minderjarige]. Per brief van 24 november 2021 heeft VvAA hierover het volgende geschreven:

'Zoals u bekend is erkend, dat op 22 mei 2021 bij het telefonisch contact met de triagist rond 19:36 uur de tweede koortsstuip niet voldoende is (h)erkend en daarop onvoldoende actie is ondernomen.

(…)

Omdat nog onduidelijk is of en in hoeverre er een causaal verband is met het handelen, waarvan is erkend dat dit zorgvuldig [bedoeld zal zijn: onzorgvuldig, rechtbank] is geweest, ziet VvAA op dit moment geen reden om een voorschot te betalen.'

2.10.   Dokter N.G. Hartwig (kinderarts) van Veduma heeft in opdracht van de VvAA een eenzijdig medisch rapport gedateerd 15 december 2023 opgesteld, ter beoordeling van de vraag wat de gevolgen voor [de minderjarige] zijn geweest van het feit dat op 22 mei 2021 rond 19:36 niet voldoende actie is ondernomen op de mededeling dat er een tweede koortsstuip was geweest. In dit rapport is onder meer het volgende opgenomen:

'Met de kennis achteraf kan gesteld worden dat [de minderjarige] in mei 2021 een pneumokokken sepsis/meningitis heeft doorgemaakt (S. pneumoniae type 15b) met als restafwijkingen ernstige neurologische problemen. Het betreft een infectie met een serotype dat niet in het huidige rijksvaccinatieprogramma (RVP) is opgenomen. De klinische verschijnselen van [de minderjarige] kennen we onder een beeld van meningo-encefalitis.

De aanloop naar de diagnose strekt zich uit van 21-05-2021 tot 24-05-2021. In deze periode is er 3 maal telefonisch contact geweest met de huisartsenpost en heeft 2 maal een fysieke beoordeling plaatsgevonden.

(…)

Het tijdsbeloop van deze pneumokokkeninfecties kent in mijn opinie 3 fases:

fase 1. Voorbereidende fase: het klinisch beeld begon met een eenvoudige virale bovensteluchtweginfectie welke gepaard ging met koorts en verkoudheidsklachten. In dit beloop heeft [de minderjarige] 2x een koortsstuip doorgemaakt passend bij de leeftijd en de klinische presentatie die als “koortsstuipen” moeten worden aangeduid. Een toegenomen roodheid van de keel en gezwollen tonsillen passen bij deze veronderstelling.

fase 2. Septische fase: waarschijnlijk kort na beoordeling op 23-05-2023 om 09:30 zijn pneumokokken de bloedbaan binnengedrongen en hebben aanleiding gegeven tot een forse ontstekingsreactie afgemeten aan de hoogte van het CRP. Bron van de infectie: de tonsillen.

fase 3. Fase van meningo-encefalitis: deze is pas in de loop van de nacht van 23 naar 24-05-2021 manifest geworden. Passend zijn de neurologische klachten als sufheid, apathie (lage EMV-score), afwijkende oogbewegingen en mogelijk opnieuw convulsies (knipperen van de ogenleden). Passend in dit tijdsbeloop is ook het lage celaantal in de liquor.

(…)

De beoordeling 23-5-2021 om 9.30 uur is zorgvuldig uitgevoerd met beschrijving van klinische symptomen en vitale parameters. In dit consult zijn er onvoldoende klinische aanwijzingen om een meningo-encefalitis te veronderstellen of te overwegen. Dat na die beoordeling geen verwijzing heeft plaatsgevonden naar de kinderarts is acceptabel."

2.11.   Op 22 juli 2024 is bij de rechtbank Den Haag een voorlopig getuigenverhoor gehouden, waarbij [de moeder] onder ede als getuige is gehoord. In het proces-verbaal van dit getuigenverhoor is onder meer de volgende verklaring van [de moeder] opgenomen:

[De minderjarige] ging naar het kinderdagverblijf sinds hij zes maanden was op de maandag, dinsdag, woensdag en de donderdag. Op 17 mei 2021 ging hij ook naar het kinderdagverblijf. (…) Op de maandag dat hij op het verblijf was kreeg ik een whatsapp bericht dat hij huiliger was. Hij gedroeg zich anders, dus hadden ze zijn temperatuur gemeten. Meerdere kinderen waren ziek gemeld die dag. Hij beleid van het verblijf is dat het kind bij koorts thuis moet blijven. (…) Hij had de hele week geen koorts, maar hij was wel verkouden. Hij was hangerig, huilerig en kon niet goed slapen. Hij ging nog steeds naar het verblijf, omdat hij geen koorts had en nog actief was. Maandag, dinsdag, woensdag en donderdag is hij op het verblijf geweest. Hij was ziekerig, maar had geen koorts.

(…)

Op zaterdag werd hij wakker en zagen wij dat die een wat opgezwollen, enigszins dicht linkeroog had. Dat bleef het hele weekend zo.

(…)

Het klopt dat op de foto's bij de brief van 29 maart 2024 zichtbaar is dat het rechteroogje van [de minderjarige] opgezwollen en enigszins dicht is; het is een spiegelbeeldige print, het ging daadwerkelijk om zijn linkeroogje.

2.12.   De advocaat van verzoekers heeft bij mevrouw drs. W. Rommers, huisarts en verbonden aan SMAS B.V., een medisch advies ingewonnen over de vraag of er sprake is van causaal verband tussen het niet of niet juist handelen op de huisartsenpost op 22 mei 2021 en de hersenschade. In het medisch advies hierover van 26 maart 2025 is onder meer het volgende opgenomen:

'U heeft in het advies van Veduma al kunnen lezen dat de kinderarts verwacht dat de hersenvliesontsteking pas later in het ziektebeloop is ontstaan. Waarschijnlijk zou het beleid niet anders zijn geworden indien betrokkene wel op 22-5-2021 was ingestuurd voor de kinderarts. Meest waarschijnlijk was er op die datum nog geen aanvullend onderzoek ingezet door de kinderarts, simpelweg omdat er geen tekenen waren van een hersenvliesontsteking en omdat het afnemen van de lumbaalpunctie zeer belastend is. Dergelijk aanvullend onderzoek wordt alleen gedaan bij een gerede verdenking op een ernstig ziektebeeld. Da was er niet op 22-05-2021. Ik kan het advies van Veduma goed volgen en ben het eens met mijn collega.

Concluderend kunnen we stellen dat er onzorgvuldig is gehandeld door de huisartsenpost op 22-05-2021 en op 23-05-2021 (omdat er toen opnieuw is besloten ondanks de atypische koortsconvulsie niet in te sturen) echter is er hoogstwaarschijnlijk geen extra schade ontstaan door dit onzorgvuldige handelen.

Over het bestaan van het hangende oogje het volgende. In de medische stukken van de huisarsenpost wordt niets geschreven over dit oogje. Daardoor is het moeilijk hierover een advies te geven. Op de foto's van betrokkene d.d. 22-05-2021 en 23-05-2021 is duidelijk te zien dat het linkeroogje (het betreft foto's gemaakt met de selfie-camera waardoor het lijkt alsof het het rechteroogje betreft) afwijkend is. De moeder van betrokkene beschrijft ook in de getuigenverklaring d.d. 22 juli 2024 dat het ging om het linkeroog. Hierbij hangt het bovenooglid voor de helft dicht en lijkt dit ook gezwollen te zijn. In de decursus van de neuroloog wordt op 28 juni 2021 geschreven dat er sprake is van partiële uitval van een zenuw waarbij er een ptosis rechts wordt gezien. Een ptosis is een hangend bovenooglid. een ptosis kan een neurologische oorzaak hebben, bijvoorbeeld bij een probleem met de derde hersenzenuw. Vaak is er dan ook een wijde pupil, dubbelbeelden en soms een scheefstand van het oog. Het missen van het hangende oogje op 23-05-2021, zeker in het licht van de koorts en de convulsie, is onzorgvuldig te noemen. Het mag van de hulpverlener worden verwacht dat een gezwollen ooglid in combinatie met koorts wordt onderzocht en beschreven. In zeldzame gevallen kan dit namelijk passen bij een cellulitis rondom het oog, oftewel een forse ontsteking waarvoor in ieder geval antibiotica en een beoordeling door een oogarts is aangewezen. Een hangend ooglid (ptosis) zou ook kunnen wijzen op een neurologische aandoening. Ik wil hierbij wel nogmaals benadrukken dat het in mijn hoedanigheid als medisch adviseur moeilijk is om een advies te geven over iets dat niet wordt beschreven in de medische stukken.
(…)

1.b. Kunt u aangeven of er sprake is van een causaal verband tussen het niet zien van [de minderjarige] op zaterdag 22 mei. Hij had toen, als hij wel gezien was op de HAP, doorgestuurd moeten worden naar de kinderarts die nader onderzoek zou hebben gedaan?

Ja. Het is onzorgvuldig te noemen dat betrokkene op 22-05-2021 niet is beoordeeld door een huisarts op de post. De huisarts had betrokkene moeten onderzoeken en verwijzen naar de kinderarts, volgens de NHG-richtlijn 'Kinderen met koorts'.

1.c. Kunt u aangeven of er op de zondag 23 mei verwijtbaar is gehandeld door het missen van het hangende oogje van [de minderjarige] en had hij doorverwezen moeten worden door de kinderarts?

Zie ook de beschouwing. Het is moeilijk om een advies te geven over een fenomeen waarover niets is opgeschreven in de medische stukken. De foto's maken wel duidelijk dat er sprake was van afwijkingen aan het oog. Ik vind het wel onzorgvuldig dat het oog niet is onderzocht en beschreven.

2. Bent u in de a, b en c genoemde situaties van mening dat er sprake is van causaal verband tussen het niet/niet juist handelen van de HAP en de hersenschade?

Ik verwacht het niet. Zie ook het uitgebreide advies van Veduma d.d. 26-03-2024. Dit advies kan ik goed volgen. Een hersenvliesontsteking ontstaat vaak zeer acuut en ontwikkelt zich vaak snel. Die kans dat er op 21-05-2021, 22-05-2021 of 23-05-2021 al een hersenvliesontsteking gaande was, is zeer klein te noemen.'

2.13.   VvAA is de schadeverzekeraar van Hadoks.

2.14.   De kantonrechter van deze rechtbank heeft verzoekers gemachtigd om namens [de minderjarige] een procedure tegen Hadoks te voeren.

3.   Het verzoek en het verweer

3.1.   [De moeder] en [de vader] verzoeken de rechtbank bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv):

1.   te verklaren voor recht dat [de minderjarige] de week voorafgaande aan het weekend van 22 en 23 mei 2021 verkouden was;

2.   te verklaren dat [de minderjarige] op 22 en 23 mei 2021 een 'hangend oogje' had;

met veroordeling van Hadoks en VvAA in de kosten van deze deelgeschilprocedure, begroot op € 4.796,92, de (reis)kosten in verband met de mondelinge behandeling in deze procedure, vooralsnog begroot op € 1.500 en de (verdere) kosten in de procedure en het griffierecht.

3.2.   Aan het verzoek hebben [de moeder] en [de vader] het volgende ten grondslag gelegd. [De minderjarige] was in de week voorafgaande aan het weekend van 22 en 23 mei 2021 verkouden en had in dat weekend een hangend oogje. [De moeder] en [de vader] hebben er recht op en belang bij dat de rechtbank dit voor recht verklaart, omdat daarmee op basis van volledige gegevens een aanvullend medisch advies kan worden opgesteld dat kan uitwijzen of Hadoks is tekortgeschoten in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst dan wel onrechtmatig heeft gehandeld.

3.3.   Hadoks en VvAA verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek.

3.4.   Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.   De beoordeling

4.1.   Vaststaat dat [de minderjarige] neurologische letselschade heeft opgelopen. [De moeder] en [de vader] menen dat Hadoks voor deze schade aansprakelijk is, omdat de schade van [de minderjarige] volgens hen het gevolg is van (kort gezegd) medisch verwijtbaar handelen van Hadoks. Verweerders erkennen dat Hadoks medisch onzorgvuldig heeft gehandeld op zaterdag 22 mei 2021, maar betwisten dat dit ook het geval is geweest op zondag 23 mei 2021. Volgens verweerders bestaat er geen oorzakelijk verband tussen de fout op 22 mei 2021 en de schade van [de minderjarige] en is Hadoks dus niet aansprakelijk voor die schade. Gezien het voorgaande is sprake van een geschil tussen partijen dat zich naar de aard leent voor een beslissing in deelgeschil op grond van artikel 1019w Rv.

4.2.   De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank mede beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).

4.3.   Verzoekers hebben de rechtbank ten eerste verzocht te beslissen over een geschil met verweerders over de vraag of [de minderjarige] in de week vóór (zaterdag) 22 mei 2021 verkouden was, zoals verzoekers stellen maar Hadoks en VvAA gemotiveerd betwisten. Verzoekers hebben ter onderbouwing van hun stelling gewezen op de WhatsApp berichten tussen [de moeder] en de kinderopvang van [de minderjarige] die in deze beschikking zijn geciteerd onder 2.2. Daarnaast hebben verzoekers gewezen op het proces-verbaal van het voorlopig getuigenverhoor zoals in deze beschikking geciteerd onder 2.10.

4.4.   De rechtbank overweegt hierover als volgt. Uit de betreffende WhatsApp berichten kan de rechtbank weliswaar afleiden dat [de minderjarige] zich in de week vóór 22 mei 2021 niet helemaal goed voelde – hij was een beetje huilerig – maar niet dat dit gerelateerd was aan verkoudheidsklachten. De rechtbank acht daarbij van belang dat de berichtenwisseling in het geheel géén melding maakt van een typische verkoudheidsklacht zoals snotteren, een loopneus, hoesten of niezen. [De moeder] schrijft het wat huilerig zijn van [de minderjarige] in de berichtenwisseling ook met zoveel woorden toe aan een andere mogelijke oorzaak, namelijk dat [de minderjarige] last had van zijn tandjes. Naar het oordeel van de rechtbank vormt de getuigenverklaring van [de moeder] evenmin bewijs dat [de minderjarige] in de week vóór 22 mei 2024 verkouden was. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de concrete klachten van [de minderjarige] die [de moeder] op het getuigenverhoor heeft genoemd – namelijk hangerigheid, huiligerigheid en slecht slapen – ook andere oorzaken dan verkoudheid kunnen hebben. De enkele schriftelijke verklaring van [de vader] is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om bewezen te achten dat [de minderjarige] in de week vóór 22 mei 2021 verkouden was. Verzoekers hebben geen verder bewijs aangedragen voor hun stelling dat [de minderjarige] al verkouden was in de week vóór 22 mei 2021. De conclusie luidt daarom dat de rechtbank niet kan vaststellen dat dit aan de orde was. Alleen al daarom is het verzoek in zoverre niet toewijsbaar.

4.5.   Verzoekers hebben de rechtbank ook verzocht te beslissen over een geschil met verweerders over de vraag of [de minderjarige] op 22 en 23 mei 2021 een hangend oogje ofwel ooglid had. Volgens verzoekers was dat aantoonbaar wel het geval, verweerders betwisten dat. Verzoekers hebben in dit kader betoogd dat er een correlatie kan zijn tussen een hangend ooglid bij een kind en een bacteriële hersenvlies ontsteking, zodat deze feitelijke omstandigheid van belang kan zijn voor de aansprakelijkheid van Hadoks. Verweerders hebben ook dat betwist.

4.6.   De rechtbank acht het op basis van de informatie in het dossier denkbaar dat de door verzoekers gestelde toestand van het oogje van [de minderjarige] in het weekend van 22 en 23 mei 2021, relevant is voor de vraag of Hadoks op 23 mei 2021 al dan niet medisch zorgvuldig heeft gehandeld. Verder is duidelijk dat de neurologische schade die [de minderjarige] door de hersenvliesontsteking heeft opgelopen, zeer groot is en een grote impact zal hebben op zijn verdere leven (en dat van verzoekers). Gelet hierop acht de rechtbank het begrijpelijk dat verzoekers er groot belang aan hechten dat een oordeelsvorming over het medisch handelen wordt gebaseerd op de juiste feiten. Mogelijk kan helderheid over de feitelijke aanloop de weg vrijmaken voor de totstandkoming van een minnelijke regeling tussen partijen. De rechtbank acht het verzoek op dit punt daarom in overeenstemming met artikel 1019w lid 1 Rv. De vervolgvraag is of de rechtbank kan vaststellen dat [de minderjarige] een hangend oogje of ooglid had in het (hele) betreffende weekend en of hierover een verklaring voor recht kan worden uitgesproken.

4.7.   Verzoekers hebben als productie 9 meerdere foto's van [de minderjarige] overgelegd. Eén van die foto's is volgens verzoekers gemaakt op zaterdag 22 mei 2021 om 8.21 uur. Op deze foto is te zien dat [de minderjarige] wakker is en dat een van zijn ogen duidelijk minder ver open is dan het een andere oog, waarbij het ooglid meer over de oogbal hangt. Verzoekers hebben ook een foto overgelegd die volgens verzoekers is gemaakt op 23 mei 2021 en waarop [de minderjarige] slapend te zien is.

4.8.   Verweerders hebben de authenticiteit van de foto van [de minderjarige] gemaakt in de ochtend van 22 mei 2021 niet gemotiveerd betwist. Gelet hierop en op basis van hetgeen op deze foto te zien is, kan de rechtbank inderdaad vaststellen dat [de minderjarige] op 22 mei 2021 om 8.21 uur een hangend ooglid danwel een deels dichtzittend oogje had. Meer kan de rechtbank daarover feitelijk niet vaststellen en het is niet aan de rechtbank om aan die feitelijke vaststelling enige medische consequenties te verbinden. Aangezien het gaat om de vaststelling van een feit en niet om een vaststelling over de rechtsverhouding tussen partijen, zal de rechtbank enkel dit feit vaststellen en niet een verklaring voor recht uitspreken.

4.9.   Op basis van de foto van 23 mei 2021 kan de rechtbank niet vaststellen dat [de minderjarige] ook tóen een hangend ooglid danwel een deels dichtzittend oogje had. Op die foto is het gezichtje van [de minderjarige] vanaf de zijkant te zien, met het zichtbare ooglid gesloten. [De minderjarige] ziet er op deze foto uit als een lief slapend kindje; verdere bijzonderheden kan de rechtbank op deze foto niet waarnemen. De enkele getuigenverklaring van [de moeder] en de schriftelijke verklaring van [de vader] zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om bewezen te achten dat [de minderjarige] een hangend of afwijkend ooglid of oogje had in het weekend van 22 en 23 mei 2021, anders dan op 22 mei 2021 om 8.21 uur. De rechtbank heeft daar heden ook geen andere bewijzen voor, en acht nadere bewijslevering in deze deelgeschilprocedure niet aangewezen.

4.10.   Gelet hierop en op wat hiervoor is overwogen, zal de rechtbank in deze procedure uitsluitend ten gunste van verzoekers beslissen op de wijze zoals in de beslissing is uitgewerkt, en het verzoek voor het overige afwijzen.

4.11.   De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.

4.12.   [De moeder] en [de vader] verzoeken dat Hadoks en VvAA worden veroordeeld in de kosten van de deelgeschilprocedure, door hen begroot op € 4.796,92 inclusief btw, vermeerderd met € 1.500 aan (reis)kosten verband houdende met de zitting en griffierecht.

4.13.   Hadoks en VvAA betogen dat de kosten van het deelgeschil nodeloos zijn gemaakt en daarom voor rekening van verzoekers moeten blijven. Hadoks en VvAA betogen verder dat een tijdsbesteding van 13,6 uur voor het opstellen van het verzoekschrift proportioneel is, dat dit aanzienlijk sneller had gekund. Volgens verzoekers is een redelijke tijdsbesteding voor het opstellen van het verzoekschrift maximaal vijf uur. Verder zijn de overige opgevoerde kosten volgens Hadoks en VvAA nog niet inzichtelijk gemaakt. Ten slotte kent volgens Hadoks en VvAA de deelgeschilprocedure niet de mogelijkheid van een kostenveroordeling.

4.14.   De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de kosten van het deelgeschil nodeloos zijn gemaakt. De totale tijdsbesteding acht de rechtbank niet onredelijk. Verder zijn de kosten naar het oordeel van de rechtbank voldoende gespecificeerd. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de bezwaren van verweerders en begroot de redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW op (13,6 keer € 291,50 vermeerderd met 21% btw is € 4.796,92 plus € 1.500 aan kosten in verband met de zitting is € 6.296,92, te vermeerderen met het door verzoekers betaalde griffierecht van € 93.

4.15.   Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de rechtbank de kosten alleen begroten en Hadoks en VvAA niet veroordelen tot vergoeding daarvan. Het begrote bedrag hoeft alleen door Hadoks en VvAA te worden betaald, als de aansprakelijkheid alsnog komt vast te staan.

5.   De beslissing

De rechtbank

5.1.   stelt vast dat [de minderjarige] op zaterdag 22 mei 2021 om 8.21 uur een hangend ooglid danwel een deels dichtzittend oogje had;

5.2.   begroot de kosten van dit deelgeschil op € 6.296,92 inclusief btw te vermeerderen met het door [de moeder] en [de vader] betaalde griffierecht van € 93;

5.3.   wijst het meer of anders verzochte af.

 

Deze beschikking is gegeven door (dhr.) mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.

 

Met dank aan dhr. mr. Reinboud Schoemaker, reinboudschoemaker.nl voor het inzenden van deze uitspraak.
 

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2026/RBDHA-040626