RBDHA-070126
- Meer over dit onderwerp:
Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2026/RBDHA-070126
vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel
Zaaknummer: C/09/682131 / HA ZA 25-257
Vonnis van 7 januari 2026
in de zaak van
[eiseres] te R.,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres],
advocaten: mr. S.C. Fijen en mr. A.L. Jongsma
tegen
1.[gedaagde 1] te D.,
hierna te noemen: [gedaagde 1]
2. [gedaagde 2] te D.,
hierna te noemen: [gedaagde 2]
3.[de dochter] te D.,
hierna te noemen: de dochter
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
advocaat: mr. A.H.A. Beijersbergen van Henegouwen.
1. De procedure
1.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 27 maart 2025 met producties 1 t/m 10;
- de conclusie van antwoord van [gedaagden];
- de akte van [eiseres] van 8 juli 2025;
- de akte uitlaten voortzetting procedure van [eiseres] van 17 november 2025 met productie 11; en
- het e-mailbericht van de rechtbank van 25 november 2025.
1.2. Op 15 juli 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. De zaak is aangehouden tot 19 november 2025 voor schikkingsonderhandelingen. Vervolgens is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1. Op 25 augustus 2021 is [eiseres] een ongeval overkomen bij de uitoefening van zijn werkzaamheden als schilder. Bij het schilderen van een daklijst van een woning stond hij op een keukentrap op het balkon. Op enig moment is hij naar beneden gevallen, als gevolg waarvan hij blijvend lichamelijk letsel heeft opgelopen. Omdat [eiseres] geen officiële verblijfsstatus had in Nederland, kan hij geen aanspraak maken op sociale voorzieningen en ontvangt hij geen uitkering.
2.2. Op 22 oktober 2021 is [gedaagde 1] door de Inspectie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de Inspectie) gehoord als verdachte van strafbare feiten. De verdenking zag op overtreding van artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) en artikel 308 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). [gedaagde 1] is op 8 februari 2022 aangehouden en nogmaals verhoord. Het onderzoek van Inspectie SZW is op 1 april 2022 afgerond.
2.3. [eiseres] heeft [gedaagde 1] op l november 2021 aansprakelijk gesteld. [gedaagde 1] heeft die aansprakelijkheid op 17 december 2021 van de hand gewezen.
2.4. Met ingang van 1 januari 2022 heeft [gedaagde 1] zijn onderneming opgeheven. Hij heeft sindsdien geen betaald werk meer verricht en leeft van een bijstandsuitkering.
2.5. Op 9 maart 2022 hebben [gedaagde 1]. [gedaagde 2] en de dochter een koopovereenkomst (hierna: de koopovereenkomst) gesloten ten aanzien van de woning aan de XXXstraat te D. (hierna: de woning), waarin zij samen woonachtig waren. De koopsom bedroeg E 238.000. Levering van de woning heeft plaatsgevonden op 12 april 2022.
2.6. Een deel van de koopsom voor de woning, namelijk een bedrag van E 106.302, is door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan de dochter geschonken (hierna: de schenkingsovereenkomst).
2.7. [gedaagde 1] is strafrechtelijk vervolgd. Op 11 februari 2025 heeft het Gerechtshof Den Haag een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan [gedaagde 1] opgelegd voor de duur van zes maanden wegens overtreding van artikel 32 Arbowet (overtreding van veiligheidsvoorschriften) en de artikelen 197b Sr (tewerkstellen van een vreemdeling) en 308 Sr (zwaar lichamelijk letsel door schuld). Daarbij is de vordering van [eiseres] als benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van E 84.784,26. Tegen dit arrest heeft [gedaagde 1] cassatieberoep ingesteld.
2.8. Op 14 mei 2024 heeft de kantonrechter in deze rechtbank voor recht verklaard dat [gedaagde 1] aansprakelijk is voor alle als gevolg van het ongeval op 25 augustus 2021 door [eiseres] geleden schade, bekend en onbekend, voor nu en in de toekomst. Daarbij is [gedaagde 1] veroordeeld om aan [eiseres] een bedrag van E 120.592,11 te betalen als vergoeding voor (im)materiele schade en gemaakte kosten.
2.9. [eiseres] heeft conservatoir beslag gelegd op de woning.
3. Het geschil
3.1. [eiseres] vordert — samengevat — vernietiging van de koopovereenkomst en de levering van de woning en vernietiging van de schenkingsovereenkomst, met veroordeling van [gedaagde cs] in de beslagkosten en de proceskosten. Deze vernietiging moet ook worden ingeschreven in de openbare registers.
3.2. Aan de vorderingen legt [eiseres] kort gezegd ten grondslag dat hij, als schuldeiser van [gedaagde 1], is benadeeld in zijn verhaalspositie door het sluiten van de koopovereenkomst en de schenkingsovereenkomst en de levering van de woning. Deze rechtshandelingen zijn onverplicht verricht, terwijl [gedaagden cs] op de hoogte waren van de aansprakelijkstelling en het onderzoek van de Inspectie. Daardoor is sprake van benadeling van schuldeisers in de zin van artikel 3:45 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
3.3. [gedaagden c.s] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres], met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1. Voor vernietiging van een rechtshandeling op grond van artikel 3:45 BW is nodig dat die rechtshandeling onverplicht is verricht en dat de schuldeiser door die rechtshandeling in zijn verhaalsmogelijkheden is benadeeld, terwijl bij de schuldenaar wetenschap bestond van deze benadeling. Met wetenschap van benadeling wordt bedoeld dat met redelijke mate van waarschijnlijkheid was te voorzien dat een schuldeiser benadeeld zou worden (HR 26 augustus 2003, ECLI:NL:HR:2003:A10369, rov. 3.5.2). Niet nodig is dat de handeling is verricht met de bedoeling de schuldeiser te benadelen. Evenmin is nodig dat de schuldenaar en degene met wie hij handelde wisten hoever de benadeling van de schuldeiser zou gaan (HR l oktober 1993, NJ 1994/257).
4.2. Ten aanzien van de schenkingsovereenkomst is alleen vereist dat [gedaagde 1] wetenschap had van die benadeling, omdat de schenking een rechtshandeling om niet is. Ten aanzien van de koopovereenkomst is vereist dat ook [gedaagde 2] en de dochter daarvan wetenschap hadden (artikel 3:45, tweede lid, BW).
4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de koopovereenkomst en de schenkingsovereenkomst tussen [gedaagde 1], [gedaagde 2] en de dochter onverplicht zijn aangegaan. Omdat [gedaagden c.s] hebben toegelicht dat de fiscale regeling voor deze schenking (de jubelton') een doorslaggevende rol speelde bij de verkoop van de woning, gaat de rechtbank ervan uit dat de koopovereenkomst zonder de schenking niet zou zijn gesloten. Beide rechtshandelingen moeten daarom als één geheel worden beschouwd. Verder stelt de rechtbank vast dat [eiseres] is benadeeld in zijn verhaalsmogelijkheden. Als gevolg van de koopovereenkomst en de levering van de woning kon [eiseres] zich daarop niet langer verhalen en door de schenkingsovereenkomst resteerde ook geen verkoopopbrengst waaruit de schade van [eiseres] kon worden vergoed. [gedaagden c.s] hebben nog wel gesteld dat er andere mogelijkheden voor verhaal bestonden, maar dat is door [eiseres] betwist en het is ook niet verder onderbouwd. De rechtbank concludeert daarom dat het ging om onverplichte rechtshandelingen die hebben geleid tot benadeling van [eiseres] als schuldeiser.
4.4. De belangrijkste vraag is of bij [gedaagden] wetenschap bestond dat [eiseres] zou worden benadeeld door de verkoop van de woning met schenking van een deel van de koopprijs. Ten aanzien van [gedaagde 1] is het antwoord op die vraag eenvoudig: op het moment dat de koopovereenkomst werd gesloten en de woning werd geleverd wist hij van de aansprakelijkstelling door [eiseres] en het feit dat hij door de lnspectie was aangemerkt als verdachte van ernstige strafbare feiten. Op het moment dat de overeenkomsten werden gesloten was hij al twee keer als verdachte verhoord. Hij moest dus rekening houden met het scenario dat hij de schade die [eiseres] door zijn toedoen had geleden zou moeten vergoeden en dat hij daar na de verkoop van de woning niet langer toe in staat zou zijn.
4.5. Ook bij [gedaagde 2] en de dochter bestond naar het oordeel van de rechtbank wetenschap van benadeling. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de dochter verklaard dat zij aanvankelijk niet wist van het ongeluk van [eiseres] en de aansprakelijkstelling van [gedaagde 1], maar dat [gedaagde 1] zijn gezin hiervan op de hoogte heeft gebracht op 8 februari 2022, de dag waarop hij werd aangehouden als verdachte. Hij heeft toen alles verteld over het ongeval, de aansprakelijkstelling en het strafrechtelijke onderzoek. De rechtbank concludeert daaruit dat [gedaagde 2] en de dochter vanaf dat moment dus wisten dat [gedaagde 1] aansprakelijk was gesteld en dat hij verdacht werd van strafbare feiten. Ook zij moesten vanaf dat moment rekening houden met het scenario dat [gedaagde 1] de schade van [eiseres] zou moeten vergoeden. Voor hen was met redelijke mate van waarschijnlijkheid te voorzien dat [eiseres] in zijn verhaalsmogelijkheden zou worden benadeeld als de woning aan de dochter werd verkocht met schenking van de helft van de koopprijs.
4.6. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat sprake is van benadeling van [eiseres] als schuldeiser en dat zijn vorderingen tot vernietiging van de verrichte rechtshandelingen kunnen worden toegewezen. Voor een bevel tot inschrijving van het vonnis in de openbare registers ziet de rechtbank geen aanleiding, omdat dit voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis niet noodzakelijk is en [eiseres] verder ook niet heeft onderbouwd waarom een dergelijk bevel nodig is.
4.7. De rechtbank realiseert zich dat toewijzing van de vorderingen verstrekkende gevolgen heeft. Vernietiging heeft immers terugwerkende kracht, wat betekent dat de vernietigde handelingen worden geacht nooit te hebben plaatsgevonden. Dit heeft tot gevolg dat de woning weer terugvalt in het vermogen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en dat de dochter de betaalde koopprijs als onverschuldigd betaald van hen kan terugvorderen. [eiseres] kan zich dus alsnog op de woning verhalen. Vanwege deze verstrekkende gevolgen hebben partijen ruim de tijd gekregen om hierover te overleggen, maar dat heeft niet tot onderlinge oplossing geleid.
4.8. De vordering tot vergoeding van de beslagkosten zal worden afgewezen, omdat [eiseres] niet heeft onderbouwd om welke kosten het gaat en wat daarvan de omvang is.
4.9. [gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiseres] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zullen [gedaagden] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op: - griffierecht E 90,00
- salaris advocaat E 1.228,00 (2 punten x E 614,00)
- nakosten 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de besl issing) Totaal 1.496,00
4.10. De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet tneer te betalen.
5. De beslissing
De rechtbank:
5.1. vernietigt de tussen [gedaagde 1], [gedaagde 2] en de dochter gesloten koopovereenkomst van 9 maart 2022 met betrekking tot de woning aan de XXXstraat te D.
5.2. vernietigt de levering van de woning aan de XXXstraat te D. door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan de dochter;
5.3. vernietigt de tussen [gedaagde 1], [gedaagde 2] en de dochter gesloten
schenkingsovereenkomst ter hoogte van E 106.320,00 met betrekking tot de woning aan XXXstraat te D.;
5.4. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van E 1.496,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met E 92,00 als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Sturm en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026.
Met dank aan mr. J. Roth, SAP Advocaten voor het inzenden van deze uitspraak.
Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2026/RBDHA-070126
