RBDHA-150525
- Meer over dit onderwerp:
Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2026/RBDHA-150525
beschikking
RECHTBANK DEN HAAG
Team Handel
Zaaknummer / rekestnummer: C/09/679925 / HA RK 25-58
Beschikking van 15 mei 2025
in de zaak van
[verzoekster] te [woonplaats],
verzoekster,
hierna te noemen: ‘[verzoekster]’,
advocaat: mr. Y.Y. Boduç,
tegen
ASR SCHADEVERZEKERING N.V. te Utrecht,
verweerster,
hierna te noemen: ‘ASR’,
advocaat: mr. F. van Toorn.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 6 februari 2025, met producties 1 tot en met 13;
- het verweerschrift van 3 april 2025, met producties 1 tot en met 8.
1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 april 2025. Daarbij is het verzoek van [verzoekster] met partijen en hun advocaten besproken. Van dat wat partijen ter zitting naar voren hebben gebracht is geen proces-verbaal opgemaakt. Wel zijn er zittingsaantekeningen gemaakt.
1.3. Vervolgens is een datum voor beschikking bepaald.
2. De feiten
2.1. Op 8 november 2019 heeft omstreeks 06:48 uur in de ochtend een verkeersongeval plaatsgevonden op de Wethouder Brederodelaan in Rijswijk. [verzoekster] is terwijl zij lopend de Wethouder Brederodelaan overstak, aangereden door een personenauto die werd bestuurd door een verzekerde van ASR (voorheen AEGON Schadeverzekering).
2.2. [verzoekster] is met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht, waar onder meer een gebroken rechteroogkas, een gebroken kaak en een gebroken rechterteen zijn geconstateerd.
2.3. De politie is ter plaatse geweest en heeft proces-verbaal opgemaakt, waarin onder meer staat:
VERKEERSONGEVAL MET LETSEL
(…)
Omstandigheden
(…)
Maximum snelheid : 50 km/h
Aard ongeval : BOTSING FRONTAAL
Lichtgesteldheid : SCHEMER
(…)
Weersgesteldheid : DROOG
Wegdek : NAT/VOCHTIG
(…)
Wegverlichting : WEL BRANDEND
(…)
Toedracht
1) personenauto (…)
2) voetganger (…)
1 reed op de Wethouder Brederodelaan, komende vanuit de richting van de Henri Dunantlaan, gaande in de richting van de T-splitsing D.H.J. van Mooklaan. 1 reed met een snelheid van ongeveer 30 kilometer per uur.
2 liep op het voetpad, D.H.J. van Mooklaan komende vanuit de richting Briandstraat, lopende in de richting van de Wethouder Brederodelaan.
2 zag 1 en wilde ervoor oversteken, over de Wethouder Brederodelaan heen. 1 zag 2 niet de weg oversteken. 1 raakte 2 aan de rechtervoorzijde van het voertuig.
2.4. Onderstaande foto geeft de situatie weer gezien vanuit de positie van de automobiliste, die wilde afslaan naar rechts. [verzoekster] stak vanaf de stoep aan de linkerkant van de foto over naar de stoep aan de rechterkant:
[foto van de verkeerssituatie] de foto die de rechtbank in de uitspraak gebruikte was erg slecht te verwerken, zie voor de locatie van het ongeval https://maps.app.goo.gl (red. LSA LM)
2.5. De automobiliste heeft dezelfde dag eenzijdig (de voorzijde van) een aanrijdingsformulier ingevuld en ondertekend. Bij een getekende situatieschets staat dat zij snelheid aan het minderen was om de bocht om te gaan en dat [verzoekster] voorbij haar auto “rende”.
2.6. Op 25 november 2019 heeft [verzoekster] ASR (althans AEGON) als WAM-verzekeraar van de automobiliste aansprakelijk gesteld voor haar immateriële en materiële schade als gevolg van het ongeval.
2.7. Op 18 december 2019 heeft de automobiliste de achterzijde van het aanrijdingsformulier ingevuld en opgestuurd. Zij heeft opgeschreven dat zij 20 tot 30 kilometer per uur reed en verwezen naar een handgeschreven notitie, te weten: “Het was donker buiten. Mw liep in zwarte jas, lange rok en zwarte hoofddoek. Mw stak over, niet op een zebra pad of voorrangs weg. Ik reed met 20/30 km want was aan het remmen voor de bocht om rechts af te slaan. (…)”.
2.8. Op 13 januari 2020 heeft AEGON althans ASR zich op het standpunt gesteld dat [verzoekster] voorrang had moeten verlenen aan haar verzekerde en bevestigd dat zij 50% van de schade van [verzoekster] zal vergoeden op grond van artikel 185 Wegenverkeerswet (‘WVW’).
2.9. Op 4 februari 2020 heeft de advocaat van [verzoekster] aan AEGON althans ASR geschreven dat [verzoekster] als gevolg van het ongeval lichamelijk letsel heeft opgelopen en verzocht om heroverweging van het standpunt ten aanzien van de aansprakelijkheid.
2.10. AEGON althans ASR is bij haar standpunt gebleven.
3. Het geschil
3.1. [verzoekster] verzoekt dat de rechtbank bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, verklaart voor recht dat ASR namens haar verzekerde volledig aansprakelijk is voor de door [verzoekster] geleden en nog te lijden schade althans voor een door de rechtbank te bepalen percentage met inachtneming van de billijkheidscorrectie, met begroting van de kosten van dit deelgeschil conform de door de advocaat van [verzoekster] opgestelde urenspecificatie inclusief btw en veroordeling van ASR in de kosten van dit geding, inclusief griffierecht.
3.2. [verzoekster] legt aan het verzoek ten grondslag dat de automobiliste het ongeval heeft veroorzaakt en dat zij, althans haar verzekeraar ASR, volledig aansprakelijk is voor de schade die [verzoekster] door het ongeval lijdt of nog zal lijden. [verzoekster] is overgestoken op een plek waar dat mocht, zij deed dat niet plotseling en zag de auto van de verzekerde van ASR aankomen. Die raakte haar vlak voordat zij aan de overkant was.
3.3. ASR voert verweer. Zij verzoekt de rechtbank het verzoek van [verzoekster] af te wijzen. ASR acht zich niet gehouden om meer dan 50% van de schade van [verzoekster] te vergoeden, omdat [verzoekster] zelf in belangrijke(re) mate heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval.
3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
4. De beoordeling
4.1. Bij het ongeval waren een voetganger ([verzoekster]) en een gemotoriseerde verkeersdeelnemer (de verzekerde) betrokken. In deze situatie geldt artikel 185 lid 1 WVW. Uit deze bepaling volgt dat de gemotoriseerde partij aansprakelijk is voor de schade, tenzij sprake is van overmacht, waarop ASR geen beroep heeft gedaan. Dat brengt mee dat ASR op grond van de in vaste rechtspraak aanvaarde zogenoemde 50%-regel op billijkheidsgronden ten minste 50% van de schade van [verzoekster] moet vergoeden. Dat percentage stijgt wanneer de schade voor meer dan 50% het gevolg is van omstandigheden die aan haar verzekerde zijn toe te rekenen. De verdeling van de aansprakelijkheid vindt in zoverre plaats aan de hand van de wederzijdse causaliteit. Daarbij is van belang of en in hoeverre de schade mede is veroorzaakt door aan [verzoekster] zelf toe te rekenen omstandigheden (artikel 6:101 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, ‘BW’). Tot slot moet de vraag worden beantwoord of de billijkheidscorrectie tot een andere verdeling van de schade leidt.
4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat ASR in ieder geval voor 50% aansprakelijk is voor de gevolgen die het ongeval voor [verzoekster] heeft gehad. In geschil is of de wederzijdse causaliteit en de billijkheidscorrectie aanleiding geven tot een hoger percentage. Volgens [verzoekster] moet dat percentage 100% worden. ASR betwist dat. Om de (mate van) aansprakelijkheid te beoordelen, zal de rechtbank eerst ingaan op de toedracht van het ongeval en de causale verdeling.
Toedracht van het ongeval en causale verdeling
4.3. [verzoekster] stak niet over op een voetgangersoversteekplaats en had de automobiliste voor moeten laten gaan. Zij zag de auto aankomen en dacht dat ze nog veilig kon oversteken, maar is toch geraakt. Dat wijst erop dat zij een verkeerde inschatting heeft gemaakt, een verkeersfout die in belangrijke mate heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Als zij niet was overgestoken op dat moment, zou zij immers niet zijn aangereden.
4.4. Er zijn geen aanwijzingen dat de verzekerde te hard reed of beter had moeten opletten. De maximumsnelheid ter plekke was 50 kilometer per uur en de weg waarop de verzekerde kwam aanrijden eindigde in een zogenoemde T-splitsing, zodat zij vaart moest minderen voor de bocht, waar [verzoekster] overstak. [verzoekster] heeft aangevoerd dat de automobiliste met een “hoge snelheid” van tenminste 40 kilometer per uur reed, maar dat vindt onvoldoende steun in de stukken. De enige verklaring die in die richting wijst, is van een getuige die pas later een verklaring op schrift heeft gesteld en (kennelijk) niet destijds door de politie is gehoord. Zijn verklaring legt onvoldoende gewicht in de schaal, mede gelet op het feit dat niet in geschil is dat [verzoekster] de medewerker(s) op de spoedeisende hulp van het ziekenhuis heeft verteld dat zij naar de bushalte rende en daarbij is aangereden door een auto die ongeveer 25 kilometer per uur reed. Verder geldt dat het op het moment van de aanrijding nog niet licht was; het schemerde en de straatverlichting brandde en [verzoekster] droeg donkere kleding. Het is daarmee aannemelijk dat [verzoekster] niet opviel. Dat de verzekerde haar niet zag oversteken is onder die omstandigheden niet genoeg om aan te nemen dat zij niet oplettend was.
4.5. Het ongeval is naar het oordeel van de rechtbank in overwegende mate veroorzaakt door het handelen van [verzoekster]. Dat betekent dat de causale verdeling (van gedragingen die tot het ongeval hebben geleid) geen grond is om aan te nemen dat ASR voor meer dan 50% aansprakelijk is. Er zijn immers geen aanknopingspunten voor de conclusie dat het gedrag van de verzekerde voor meer dan 50% heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval en de daaruit voortvloeiende schade.
Billijkheidscorrectie
4.6. Dan resteert de vraag of de billijkheidscorrectie tot een andere verdeling van de schadevergoedingsplicht leidt. Bij de beantwoording van die vraag moet rekening worden gehouden met de ernst en de mate van verwijtbaarheid van de over en weer gemaakte fouten en met alle andere omstandigheden van het geval, waaronder de gevolgen (schade) van het ongeval en de ernst daarvan.
4.7. De rechtbank overweegt dat de mate van verwijtbaarheid van het rijgedrag van de automobiliste, afgezet tegen het verwijt dat [verzoekster] zelf treft, niet zodanig is dat dit een billijkheidscorrectie rechtvaardigt. Ook in het letsel van [verzoekster] en de overigens door haar aangevoerde omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding voor vergoeding van een groter deel van de schade van [verzoekster] dan de hiervoor genoemde 50%. [verzoekster] heeft door het ongeval nare verwondingen opgelopen en zegt ook psychisch nog last te hebben van het ongeval. Daar heeft de rechtbank begrip voor, maar er is geen sprake van zodanig ernstige gevolgen dat de billijkheid een andere verdeling eist.
Slotsom
4.8. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de verzekerde en daarmee haar verzekeraar ASR voor 50% aansprakelijk is voor de schade die [verzoekster] als gevolg van het ongeval lijdt en dat ASR gehouden is 50% van de schade van [verzoekster] te dragen. De resterende 50% van de schade blijft dus voor rekening van [verzoekster] zelf. Omdat ASR erkent dat zij 50% van de schade van [verzoekster] moet vergoeden en het verzoek van [verzoekster] ertoe strekt dat voor recht wordt verklaard dat ASR een groter deel (haar volledige schade) moet vergoeden, zal haar verzoek worden afgewezen.
Kosten deelgeschil
4.9. Op grond van artikel 1019aa Rv moet begroting plaatsvinden van de kosten van de behandeling van het verzoek in deelgeschil aan de zijde van [verzoekster], ook als het verzoek wordt afgewezen. Hierbij wordt de dubbele redelijkheidstoets die besloten ligt in artikel 6:96 lid 2 BW gehanteerd: het moet redelijk zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten moet eveneens redelijk zijn.
4.10. De advocaat van [verzoekster] heeft de kosten van het deelgeschil begroot op 11,7 uur x een uurtarief van € 250 = € 2.925, te vermeerderen met 7% kantoorkosten en 21% btw. ASR heeft het hanteren van kantoorkosten ter zitting betwist, waarna de advocaat van [verzoekster] die heeft laten vallen.
4.11. Het verzoek betreft een eenvoudige en overzichtelijke kwestie. De rechtbank ziet aanleiding het begrote aantal uren te matigen tot 10 uren. Dit betekent dat de rechtbank de kosten vaststelt op een bedrag van (10 uur x € 250 =) € 2.500 + 21% btw = € 3.025, plus het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 331. Daarmee komt het totaal op € 3.356.
4.12. Omdat ASR 50% van de schade van [verzoekster] moet vergoeden en de proceskosten deel zijn van de door haar geleden schade, wordt ASR veroordeeld tot betaling van 50% van het voornoemde bedrag, dat is € 1.678.
5. De beslissing
De rechtbank:
5.1. wijst het verzoek af;
5.2. begroot de kosten van dit deelgeschil aan de zijde van [verzoekster] als bedoeld in artikel 1019aa Rv op een bedrag van € 3.356 inclusief btw en griffierecht en veroordeelt ASR tot betaling aan de advocaat van [verzoekster] van een bedrag van € 1.678 (50%) binnen 14 dagen na de datum van deze beschikking;
5.3. verklaart de veroordeling onder 5.2 uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2025.
Met dank aan mr. Frank van Toorn, asr voor het inzenden van deze uitspraak.
Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2026/RBDHA-150525