RBDHA-220726
- Meer over dit onderwerp:
Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2026/RBDHA-220726
vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Team Handel
Zaaknummer: C/09/701458 / HA ZA 26-264
Vonnis in incident van 22 juli 2026
in de zaak van
[eiser] te [woonplaats],
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in de incidenten,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. O. Arslan,
tegen
[gedaagde] te [woonplaats],
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in de incidenten,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. L.C. Dufour.
1. De procedure
1.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 9 maart 2026, met producties 1-9;
- de conclusie van antwoord tevens incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring tevens vordering tot afgifte c.q. inzage ex art. 194 e.v. Rv, met producties 1-18;
- de conclusie van antwoord in het incident tot oproeping in vrijwaring, tevens conclusie van antwoord in het incident ex art. 194 e.v. Rv.
1.2. Tenslotte is een datum voor vonnis in de incidenten bepaald.
2. De beoordeling in de incidenten
Inleiding
2.1. [gedaagde] is advocaat. [eiser] was een cliënt van [gedaagde]. [gedaagde] heeft [eiser] bijgestaan in een zaak op het gebied van personenschade. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] daarbij beroepsfouten gemaakt. In de hoofdzaak vordert [eiser], kort gezegd, de verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van die beroepsfouten en de veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding van die schade, nader op te maken bij staat. Volgens [eiser] is [gedaagde] tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen op grond van de met [eiser] gesloten overeenkomst van opdracht, dan wel heeft hij onrechtmatig gehandeld ten opzichte van [eiser], door niet de zorgvuldigheid te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. In dat kader maakt [eiser] [gedaagde] meerdere verwijten, die onder meer zien op zijn handelen in het kader van een bodemprocedure tegen een verzekeraar. De beroepsfouten van [gedaagde] hebben volgens [eiser] onder meer geleid tot het verlies van een reële kans op een hogere schadevergoeding, extra kosten en een verminderde onderhandelingspositie ten opzichte van de verzekeraar, die het dossier vanwege het (inmiddels onherroepelijke) vonnis in de bodemprocedure als gesloten beschouwd.
De beoordeling in het incident tot vrijwaring
2.2. In het incident tot vrijwaring vordert [gedaagde] dat hem wordt toegestaan om mr. O. Arslan (Arslan), de advocaat van [eiser] in deze procedure, in vrijwaring op te roepen. Daartoe voert [gedaagde] aan dat, indien de rechtbank mocht oordelen dat hij anders had moeten procederen en daarmee aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade, die schade in de onderlinge verhouding tussen hem en Arslan moet worden gedragen door Arslan. Op het moment dat Arslan de zaak overnam van [gedaagde] was namelijk nog geen vonnis gewezen in de bodemprocedure tegen de verzekeraar. De zorgplicht van Arslan ten opzichte van [eiser] en [gedaagde] bracht mee dat hij er alles aan moest doen om – bijvoorbeeld in hoger beroep – alsnog de rechten van [eiser] veilig te stellen en voor hem een hogere schadevergoeding te verkrijgen.
2.3. [eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering in het incident, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten.
2.4. De rechtbank stelt voorop dat een vordering tot oproeping van een derde in vrijwaring in beginsel toewijsbaar is, indien voldoende gemotiveerd en concreet wordt gesteld dat men krachtens een rechtsverhouding met die derde recht en belang heeft om de nadelige gevolgen van een ongunstige afloop van de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk op die derde te verhalen, dit in een zoveel mogelijk tegelijkertijd met de hoofdzaak te behandelen vrijwaringszaak. Het is niet vereist dat het bestaan van de gestelde rechtsverhouding vaststaat. De vraag of deze rechtsverhouding vaststaat dient in de vrijwaringsprocedure te worden beantwoord.
2.5. De hiervoor in 2.2 weergegeven stellingen van [gedaagde] komen er naar het oordeel van de rechtbank op neer dat de gestelde schade van [eiser] niet het gevolg is van het handelen van [gedaagde] in de bodemprocedure in eerste aanleg, maar van het (nadien) handelen van Arslan, waarbij Arslan namens [eiser] optrad. De rechtbank is dan ook – met [eiser] – van oordeel dat de stellingen van [gedaagde] neerkomen op een verkapt eigen schuld / causaliteitsverweer in de hoofdzaak en geen grond opleveren voor vrijwaring.
2.6. Dat sprake is van een zorgplicht van Arslan jegens [gedaagde], waarop [gedaagde] zich kan beroepen, is weliswaar gesteld, maar niet toegelicht. Dat sprake is van – bijvoorbeeld – een regresrecht op grond van (mede)schuld op grond van artikel 6:10 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 6:102 BW is door [gedaagde] niet, althans onvoldoende concreet gesteld.
2.7. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de incidentele vordering tot vrijwaring moet worden afgewezen.
2.8. In de aard van het incident tot vrijwaring ziet de rechtbank aanleiding te beslissen dat de proceskosten zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
De beoordeling van het incident ex artikel 194 e.v. Rv
2.9. [gedaagde] verzoekt de rechtbank [eiser] op grond van artikel 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te bevelen tot (primair) “afgifte” van dan wel (subsidiair) inzage in het dossier dat de broer van [eiser] op 4 oktober 2018 bij [gedaagde] heeft opgehaald.
2.10. Uit het bepaalde in artikel 195 Rv gelezen in samenhang met artikel 194 Rv volgt dat voor het recht op inzage, waaronder ook het recht op afschrift valt, moet zijn voldaan aan een aantal voorwaarden. Degene die inzage verlangt moet (i) partij zijn bij een rechtsbetrekking en (ii) de verlangde gegevens moeten voldoende bepaald zijn. Verder moet (iii) een partij een voldoende belang hebben bij inzage en moet (iv) degene van wie inzage wordt verlangd over de gevraagde gegevens beschikken.
2.11. De rechtbank overweegt dat de voor het recht op inzage vereiste rechtsbetrekking in dit geval is gelegen in het geschil waarop de hoofdzaak ziet. Dat [gedaagde] in het kader van zijn verweer in de hoofdzaak belang heeft bij het kunnen beschikken over “zijn eigen” dossier is op zich ook evident. Echter, [eiser] heeft terecht erop gewezen dat in de door [gedaagde] ingediende conclusie van antwoord meermaals wordt verwezen naar (door hem als productie bijgevoegde) stukken uit dit dossier, waaronder e-mailcorrespondentie met [eiser] en de verzekeraar en processtukken uit de bodemprocedure. Dit wijst erop dat [gedaagde] in ieder geval de beschikking heeft over een deel van het procesdossier. Gelet hierop had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van [gedaagde] gelegen om nader te onderbouwen welke stukken volgens [gedaagde] nog ontbreken, althans welke stukken hij nog nodig heeft in het kader van het kunnen voeren van verweer in deze procedure. Dat heeft [gedaagde] echter nagelaten. Een en ander maakt dat [gedaagde] zijn belang bij zijn incidentele vordering tot afgifte van/inzage in het dossier in dit incident onvoldoende heeft onderbouwd. Ook deze incidentele vordering zal dus worden afgewezen.
2.12. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden aan de zijde van [eiser] als volgt begroot:
- salaris advocaat: € 653 (1 punt x tarief II);
- nakosten: € 189 (plus de verhoging als het vonnis wordt betekend;
Totaal: € 842
3. in de hoofdzaak
3.1. De volgende stap in de hoofdzaak is de mondelinge behandeling. Via het roljournaal krijgen partijen de vraag om verhinderdata op te geven zodat daarmee rekening kan worden gehouden bij het plannen van de zitting. Het is zaak dat partijen het roljournaal wekelijks raadplegen zodat zij tijdig verhinderdata opgeven (anders wordt aangenomen dat zij beschikbaar zijn en wordt in beginsel alleen bij klemmende reden of overmacht een andere datum bepaald).
4. De beslissing
in het incident tot vrijwaring
4.1. wijst het gevorderde af;
4.2. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in het incident op grond van artikel 194 e.v. Rv
4.3. wijst het gevorderde af;
4.4. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op € 842, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe; wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [gedaagde] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
in de hoofdzaak
4.5. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
Met dank aan mr. Onur Arslan, Arslan & Arslan Advocaten, voor het inzenden van deze uitspraak.
Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2026/RBDHA-220726