RBDHA-250626
- Meer over dit onderwerp:
Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2026/RBDHA-250626
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel
Zaaknummer / rekestnummer: C/09/701382 / HA RK 26-161
Beschikking in deelgeschil van 25 juni 2026
in de zaak van
[verzoeker] te Amstelveen,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker],
advocaat: mr. S. Deldjou Fard, te Utrecht,
tegen
de vennootschap naar Iers recht [verweerder] te Dublin, Ierland,
in Nederland vertegenwoordigd door [verweerder 2] te Amsterdam, verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder 2],
advocaat: mr. K.R. Wehnes, te Bussum.
1. De procedure
1.1. De volgende stukken werden ingediend:
- het verzoekschrift met bijlagen, bij de rechtbank ingekomen op 13 maart 2026,
- het voorafgaand aan de mondelinge behandeling toegezonden verweerschrift met producties 1 tot en met 51,
- de spreekaantekeningen van mr. Deldjou Fard.
1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 april 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft van de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt.
1.3. De zaak is vervolgens op verzoek van partijen aangehouden voor (nader) overleg tussen partijen. Op 13 mei heeft mr. Deldjou Fard de rechtbank laten weten dat het partijen niet is gelukt om een regeling te treffen en heeft hij de rechtbank verzocht een beschikking te geven. De beschikkingsdatum is bepaald op vandaag.
2. Het geschil
2.1. Dit geschil gaat over de gevolgen van een verkeersongeval. Op 29 april 2024 werd [verzoeker], die met de door hem bestuurde taxi stilstond voor een rood stoplicht, van achteren aangereden door een auto die bestuurd werd door een verzekerde van [verweerder 2]. [verweerder 2] heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend en de schade aan de auto van [verzoeker] vergoed.
2.2. Er is discussie over de verdere schade. Daarbij is van belang dat [verzoeker] tot het ongeval werkte als zelfstandig taxichauffeur en na het ongeval niet meer. Volgens [verzoeker] zijn de klachten en beperkingen die maken dat hij zijn werk niet kan doen door het ongeval veroorzaakt. Hij heeft nu geen inkomen en daardoor zijn aanzienlijke financiële problemen ontstaan. Volgens [verzoeker] is de omvang van zijn schade nog niet helemaal duidelijk, hij meent dat er verder onderzoek moet worden gedaan naar onder meer zijn (inkomen uit) onderneming, maar hij vindt dat al voldoende duidelijk is dat [verweerder 2] hem vooralsnog moet vergoeden wat hij aan inkomsten mist en aan extra kosten heeft.
2.3. Partijen hebben medisch advies ingewonnen. In opdracht van [verweerder 2] is advies uitgebracht door dr. A.P.H. van der Vet op 11 september 2025. Daarin is de volgende beschouwing opgenomen:
'BESCHOUWING
Uit de beschikbare medische informatie blijkt dat betrokkene na de ons regarderende aanrijding klachten had van gekneusde nekspieren, waardoor er ook hoofdpijn en angstklachten ontstonden en betrokkene zijn werkzaamheden als taxichauffeur niet meer meende te kunnen uitvoeren. Bij nader onderzoek, met name omdat de fysiotherapie niet hielp, bij onder andere de orthopedisch chirurg bleek dat er sprake was van slijtage van de nekwervelkolom met versmalling van de tussenwervelschijven op de niveaus C4-C5, C5-C6 en C7-borstwervel Th1. Er waren echter geen posttraumatische afwijkingen aan de nekwervelkolom. De orthopedisch chirurg verwees betrokkene naar de pijnspecialist die een TENS-apparaat voorschreef waar betrokkene baat bij had.
Vanwege de psychische klachten die ontstonden door de pijnlijke nek en daardoor slecht slapen en niet kunnen werken werd betrokkene verwezen naar de psycholoog, die betrokkene vanaf 31 juli 2024 onder behandeling nam middels cognitieve gedragstherapie en hierna een gerichte behandeling vanwege de PTSS-klachten. Over het resultaat van deze behandelingen is geen informatie beschikbaar.
Op basis van het bovenstaande kan worden geconstateerd dat er bij betrokkene geen sprake was van enig letsel na het ons regarderende incident, maar mogelijk van een kneuzing van de nekspieren waarvoor adequate behandeling middels pijnstilling en fysiotherapie zonder positief resultaat werden toegepast.
Na evaluatie door de orthopedisch chirurg en pijnspecialist werd er ingezet op pijnstilling, waarbij de psychische klachten van betrokkene werden behandeld en begeleid door een psycholoog.
Omdat het ongeval inmiddels ruim een jaar en vier maanden geleden heeft plaatsgevonden, ga ik ervan uit dat er inmiddels een medische eindtoestand is bereikt zonder blijvende klachten en/of beperkingen ten gevolge van het ons regarderende incident van 29 april 2024.
ADVIES
Er bestaat geen medisch-inhoudelijk bezwaar om te komen tot een afronding van deze zaak op basis van tijdelijke klachten en beperkingen ten gevolge van het ons regarderende incident zonder restverschijnselen.
Indien betrokkene van mening blijft dat er aanhoudende klachten zijn ten gevolge van het ons regarderende incident, dient hij aanvullende medische informatie aan te leveren die dit zou kunnen onderbouwen.'
2.4. In opdracht van [verzoeker] is advies uitgebracht door mr. drs. E.L. Braakman op 12 januari 2026. In dat advies is de volgende beschouwing opgenomen (de noten zijn weggelaten):
'Bespreking
De toedracht van het ongeval is consistent met het ontstaan van buig-strekletsel van de halswervelkolom. De aanrijdsnelheid is mij niet bekend; anderzijds is voor het postwhiplashsyndroom geen veilige ondergrens aan te geven waar beneden dit niet kan optreden. Klachten van hoofd-, nek-, schouder- en bovenrugpijn, concentratieproblemen, vermoeidheid en slaapproblemen passen daarbij.
Het verkeersongeval vond plaats op 26-04-2024. Na zes maanden is een meerderheid van de patiënten met buig-strek-nekletsel klachtenvrij en werkt een overgrote meerderheid van de patiënten weer. Bij een resterende groep is dat dus niet het geval. Over het algemeen wordt na anderhalf tot twee jaar een eindtoestand aangenomen, als de behandelingen dan zijn afgerond. Naar recidieven van een postwhiplashsyndroom zie ik, wanneer ik daarop zoek in de literatuur, geen onderzoek. Van gewone nekpijn is bekend dat deze kan persisteren, recidiveren, fluctueren en soms kan verergeren.
Bij het postwhiplashsyndroom gaat het volgens de AMA Guides, 6e editie, om een percentage blijvende invaliditeit van de gehele persoon van maximaal 3%. Op basis van de NOV-/NVN-richtlijnen geldt geen percentage blijvende invaliditeit. Welke richtlijnen prevaleren, de AMA Guides of de NOV-/NVN-richtlijnen, is verder een juridische discussie. Naast het percentage blijvende invaliditeit moet rekening worden gehouden met beperkingen.
De laatste informatie over de pijn(gerelateerde) klachten dateert van eind maart 2025 en is dus al ouder. Het is mij niet bekend of hij nog onder behandeling staat van de anesthesioloog-pijnspecialist. Graag ontvang ik van deze vervolginformatie.
In de medische voorgeschiedenis was hij reeds bekend met chronische lage rugklachten. Ook was er in maart 2025 een ingreep die niets met het ongeval te maken had, schrijft de arbeidsdeskundige.
Er zijn echter vooralsnog geen aanwijzingen voor pre-existentie van de na het ongeval ondervonden klachten. Voor de documentatie hiervan kan nog bij de huisarts worden nagevraagd of de na het ongeval ondervonden klachten (alle te benoemen en te bespreken) tevoren al dan niet bestonden of hebben bestaan en zo ja, wanneer, welke klachten en met welk beloop.
(...)
In het geval van aanhoudende discussie zal een expertise nodig zijn. Voor het geval een neurologische expertise wordt gehouden, stel ik voor: (...)
Een alternatief is om een anesthesiologische expertise te houden.
U schrijft op 07-01-2025 dat de neuroloog het advies heeft gegeven om een injectie in de rug te laten plaatsen. De anesthesioloog schrijft dat er geen aantoonbare pathologie was bij de neuroloog. Op de lijst van behandelaren die u meestuurde, stond echter geen neuroloog. Het is mij nu niet duidelijk of hij een neuroloog heeft bezocht. Als hij toch een neuroloog heeft bezocht, kan bij deze nog worden geïnformeerd.
Daarnaast zijn er psychische klachten.
Door A.N. Chakigar, GZ-psycholoog, wordt geconcludeerd tot een posttraumatische stressstoornis en een depressieve stoornis, eenmalig/ernstig, en door mw. N. Shams, psycholoog, en Akbarkhanzadeh, psychiater, wordt geconcludeerd tot een acute stressstoornis, mogelijk overgaand in posttraumatische stressstoornis (PTSS), en deze schrijven dat mogelijk daarnaast depressieve symptomen een rol spelen. Het verdere beloop en de verdere behandeling moeten worden afgewacht. In het geval van aanhoudende psychische klachten is altijd een psychiatrische expertise noodzakelijk. Klachten van concentratieproblemen, vermoeidheid en slaapproblemen kunnen ook bij de psychische klachten passen.'
2.5. [Verzoeker] beoogt met zijn verzoek dat [verweerder 2] hem structureel gaat bevoorschotten zodat hij niet (verder) in financiële nood komt in de periode dat zijn schade verder in kaart wordt gebracht. Hij heeft de volgende verzoeken ingesteld:
I te bepalen dat [verweerder 2] gehouden is [verzoeker] periodiek, tijdig en adequaat te bevoorschotten ter zake van het verlies aan arbeidsvermogen en overige materiële schadeposten, met een maandelijkse betaling van € 2.524, althans op een nader in goede justitie te bepalen bedrag te vermeerderen met wettelijke rente ex art. 6:119 BW vanaf opeisbaarheid;
II [verweerder 2] te veroordelen tot betaling van een aanvullend voorschot onder algemene titel van € 65.000, althans op een nader in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente ex art. 6:119 BW vanaf indiening van dit verzoek tot de dag der algehele voldoening;
III voor recht te verklaren dat [verweerder 2] onrechtmatig heeft gehandeld door het arbeidsdeskundige traject eenzijdig te blokkeren, en [verweerder 2] te bevelen haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de onmiddellijke hervatting van dit traject, alsmede aan verdere onderzoeken door de arbeidsdeskundige, teneinde (verdere) schade te voorkomen en [verzoeker] een reëel toekomstperspectief te bieden (middels ondersteuning en begeleiding), en [verweerder 2] voorts te bevelen mee te werken aan de financiering van dat traject op grond van artikel 6:96 lid 2, aanhef onder b, BW, zulks op straffe van een door de rechtbank te bepalen dwangsom (art 3:296 BW);
IV [verweerder 2] te veroordelen tot betaling van een smartengeldvergoeding wegens secundaire victimisatie van € 10.500, althans op een nader in goede justitie te bepalen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van indiening van het verzoekschrift tot aan de dag van algehele voldoening;
V te bepalen dat de door [verzoeker] gemaakte kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand redelijk zijn en als zodanig door [verweerder 2] dienen te worden vergoed, en [verweerder 2] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 7.016,07 ter zake van buitengerechtelijke kosten, althans tot betaling van een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen voorschot, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;
VI [verweerder 2] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van medisch advies ten bedrage van € 2.842,59, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;
VII [verweerder 2] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 641,30 ter zake van de inschakeling van een beëdigde tolk, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening.
2.6. [Verzoeker] voert daartoe onder meer aan dat hij door het ongeval arbeidsongeschikt is geraakt. De beschikbare medische stukken en de tot nu toe opgestelde rapportages bieden volgens [verzoeker] voldoende aanknopingspunten voor het voorlopige oordeel dat verzoeker sinds het ongeval pijnklachten heeft aan hoofd, nek en rug, alsmede mentale klachten. De medische informatie geeft zicht op een langere periode en bieden een voldoende consistent beeld van zijn klachten. Desondanks is de schaderegeling stilgevallen. [verweerder 2] heeft te laat en ontoereikend bevoorschot, behandelt zijn dossier niet adequaat en heeft ten onrechte het een arbeidsdeskundig traject opgeschort. Daarmee handelde [verweerder 2] onrechtmatig jegens [verzoeker] en de reeds bestaande psychische en lichamelijke klachten zijn daardoor verergerd. De voortdurende financiële druk, onzekerheid over de toekomst van zijn gezin, het gevoel van afhankelijkheid en het uitblijven van duidelijkheid hebben geleid tot extra spanningen, gevoelens van machteloosheid en sociaal isolement. Daarmee is sprake van secundaire victimisatie en een zelfstandige aantasting in de persoon waarvoor hij schadevergoeding vordert.
2.7. [verweerder 2] verzet zich tegen toewijzing van de verzoeken. Volgens [verweerder 2] is niet voldoende duidelijk dat [verzoeker] door het ongeval niet meer kan werken. Wat er medisch met [verzoeker] aan de hand is en dat de door hem gestelde klachten en beperkingen door het ongeval zijn veroorzaakt en maken dat hij niet meer kan werken (en dus geen inkomsten heeft) is volgens [verweerder 2] niet helder. Bij deze stand van zaken is een arbeidsdeskundig onderzoek of traject niet aangewezen. [verweerder 2] betwist ook dat zij onvoldoende voortvarend te werk is gegaan en onrechtmatig heeft gehandeld. De bevoorschotting tot op heden is volgens [verweerder 2] passend. Er is € 25.000 aan [verzoeker] betaald en € 11.331,30 voor zijn buitengerechtelijke kosten.
3. De beoordeling
3.1. In de eerste plaats moet worden beoordeeld of het verzoek zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Deze procedure biedt betrokkenen bij een geschil over letselschade de mogelijkheid om in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter in te schakelen, waardoor partijen een extra instrument in handen krijgen ter doorbreking van een impasse in de onderhandelingen. De rechterlijke uitspraak in een deelgeschil moet partijen in staat stellen om de onderhandelingen weer op te pakken en mogelijk definitief af te ronden.
Verzoeken I en II
3.2. Een verzoek om de aansprakelijke partij te veroordelen om verder te bevoorschotten en/of een voorschot op de reeds verschenen schade te betalen kan op zich in een deelgeschil worden voorgelegd. Bij toewijzing van de in deze procedure (onder I en II) verzochte voorschotten wordt echter niet alleen vrijwel alle verschenen schade (€ 65.000) maar ook de toekomstige schade (met een bedrag van € 2.524 per maand) vergoed. Daarmee zou het geschil over de aard en omvang van de door het ongeval veroorzaakte schade grotendeels zijn beslecht. Dat kan niet goed worden gezien als een beslissing om een impasse in de onderhandelingen te doorbreken en partijen weer op weg te helpen. Zo bezien lenen de verzoeken zich niet voor behandeling in een deelgeschil, omdat in feite over het hele geschil, vrijwel alle schadeposten waarover partijen het oneens zijn, een beslissing wordt gevraagd. Dat zou anders zijn als het ging om een enkele post of een of meer concrete geschilpunten in de beoordeling van de vraag of een schadepost geheel of gedeeltelijk moet worden vergoed.
3.3. Voor zover het in deze procedure (met de verzoeken I en II) alleen gaat om de schadepost verlies aan verdienvermogen – dus het wegvallen van het inkomen van [verzoeker] – dan geldt het volgende. Een beslissing daarover kan in een deelgeschil genomen worden als daarmee de onderhandelingen tussen partijen - over verdere geschilpunten - weer op gang worden gebracht en dat partijen helpt om te komen tot een regeling. Om [verweerder 2] te veroordelen tot betaling van de verzochte voorschotten, moet echter wel al voldoende duidelijk zijn dat hij inderdaad minstens die bedragen aan schade heeft geleden. Dat is in deze zaak niet zo. In deze zaak moeten immers ook volgens [verzoeker] zelf nog de nodige stappen moeten worden gezet om vast te kunnen stellen of en zo ja in welke mate het bij het ongeval opgelopen letsel gevolgen heeft voor zijn verdiencapaciteit. In het verzoekschrift wordt in dat verband (in 24) genoemd dat in de eerste plaats mogelijk een orthopedische expertise moet plaatsvinden en vervolgens een arbeidsdeskundig onderzoek, waarnaast de medisch adviseurs van partijen nog hun oordeel moeten geven. Juist omdat partijen het niet eens zijn over de vraag in hoeverre (en hoe lang) [verzoeker] door het ongeval niet meer kon/kan werken en daarnaar nog onderzoek moet worden gedaan door mensen met verschillende deskundigheid, moeten zijn verzoeken I en II dus worden afgewezen.
3.4. De advocaat van [verzoeker] heeft er terecht op gewezen dat volgens vaste jurisprudentie niet te hoge eisen mogen worden gesteld aan het door een benadeelde te leveren bewijs van zijn schade en het causaal verband met het ongeval. Hij voert aan dat uit de informatie van zijn behandelaars een consistent klachtenpatroon naar voren komt, er geen aanwijzingen zijn dat [verzoeker] zijn klachten overdrijft of daar niet eerlijk over is en dat [verzoeker] sinds het ongeval niet meer heeft gewerkt. In deze zaak is er naar het oordeel van de rechtbank echter te weinig zicht op de aard en omvang van de klachten en beperkingen van [verzoeker] door het ongeval, op het verband tussen het ongeval en die klachten en beperkingen en op de mogelijke invloed van eerdere en andere klachten en gezondheidsproblemen. [verweerder 2] heeft er immers terecht op gewezen dat er kennelijk een medische voorgeschiedenis is met (chronische) lage rugklachten en dat [verzoeker] in 2025 een ingreep heeft ondergaan vanwege prostaatkanker. Zoals ook naar voren komt uit het advies van de medisch adviseur van [verzoeker] zelf is er (veel) meer voor nodig om te komen tot de conclusie dat [verzoeker] door het ongeval geen inkomen meer heeft en zich ook geen inkomen meer kan verwerven.
3.5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek om maandelijkse bevoorschotting moet worden afgewezen reeds omdat niet voldoende duidelijk is dat [verzoeker] nog altijd maandelijks een dergelijk bedrag aan schade door het ongeval lijdt. Daar komt nog bij dat het verzochte maandbedrag is gebaseerd op het - in een bedrijfseconomische quickscan van Heling en Partners berekende - gemiddelde netto inkomen van [verzoeker] over voorgaande jaren, waar [verweerder 2] de nodige vraagtekens bij heeft gezet. Hoe dan ook moet het verzoek om maandelijkse bevoorschotting met € 2.254 worden afgewezen. Er zijn ook geen aanknopingspunten om [verweerder 2] te veroordelen tot een ander (lager) maandbedrag, met name omdat niet voldoende duidelijk is of (en zo ja in hoeverre) [verzoeker] nog steeds niet kan werken vanwege het ongeval.
3.6. Het verzoek II, om een aanvullend voorschot van € 65.000 voor verschenen materiële en immateriële schade is evenmin toewijsbaar. Volgens [verzoeker] gaat het bij dat bedrag om € 53.000 vanwege verlies verdienvermogen over de periode van 29 april 2024 tot en met 13 februari 2026. De rechtbank neemt aan dat het verder gaat om schadeposten die zijn opgenomen in de schadestaat die namens [verzoeker] aan [verweerder 2] is gestuurd, maar dat is verder in het verzoekschrift niet uitgelegd. Op die andere posten, waarvan de hoogte door [verweerder 2] gemotiveerd is betwist, gaat de rechtbank, mede gelet op wat hiervoor is overwogen in 3.2, niet verder in.
3.7. De vraag is dan of op grond van wat al bekend is over de situatie van [verzoeker] en zijn verlies aan verdienvermogen door het ongeval, een lager bedrag bij wijze van voorschot kan worden toegewezen. Ook daarvoor ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten. Eigenlijk staat of valt dat met de vraag naar de looptijd van de ongevalgerelateerde klachten en beperkingen van [verzoeker]; of het ongeval inderdaad de (enige of belangrijkste) oorzaak is van de ook lang na het ongeval nog optredende pijnklachten van [verzoeker] en wat hij door die klachten wel of niet meer kan doen. Hoewel er zeker aanwijzingen zijn dat [verzoeker] sinds het ongeval ernstig beperkt is en niet meer kan functioneren als voordien, is dat allemaal onvoldoende uitgekristalliseerd om daar een concreet alvast te betalen schadebedrag aan te kunnen verbinden, boven de € 25.000 die al is betaald.
3.8. De rechtbank heeft begrip voor de ingewikkelde financiële situatie van [verzoeker] en de spanning en problemen die voortkomen uit het feit dat hij geen inkomen meer heeft uit zijn onderneming. Er is inmiddels al meer dan twee jaar verstreken sinds het ongeval en er is nog steeds geen zicht op het einde van de schadeafwikkeling. Dat [verzoeker] daardoor de wanhoop nabij is en hoopt op een oplossing is goed invoelbaar.
Verzoeken III en IV
3.9. De rechtbank deelt echter niet het verwijt dat zijn advocaat [verweerder 2] maakt over de behandeling van de schade. Het mag zo zijn dat telkens een ander namens [verweerder 2] correspondeerde en het dossier steeds werd overgedragen, maar uit de stukken komt niet naar voren dat dat tot significante vertraging heeft geleid. De rechtbank gaat daarbij uit van de volgende (door [verweerder 2] gestelde en onderbouwde) gang van zaken:
- Na een verzoek daartoe van 6 juni 2024 is de nota van de voertuigschade voldaan in juli 2024.
- Op 16 juli 2024 meldde de belangenbehartiger zich en is een eerste beschrijving gegeven van de verdere gevolgen van het ongeval. Naar aanleiding daarvan is ruim een maand later, 20 augustus 2024, een voorschot van € 4.000 betaald aan [verzoeker] en € 1.331,30 aan zijn advocaat.
- Eind december 2024 is verdere informatie verstrekt over het letsel en de financiële situatie en is een eerste schadestaat gestuurd, nog zonder medische en/of financiële stukken. Er werden aanvullende voorschotten verzocht van € 46.000 en € 4.397,14 (voor buitengerechtelijke kosten), en een onderzoek door een bedrijfseconoom naar de financiële situatie van de onderneming.
- [verweerder 2] verstrekte 23 januari 2025 een aanvullend voorschot van € 10.000 aan [verzoeker] en € 3.000 aan zijn advocaat.
- Vervolgens is er in februari contact geweest waarbij [verweerder 2] heeft gevraagd om financiële en medische informatie en is overlegd over een opdracht aan Heling en Partners. In die periode kwam naar voren dat [verzoeker] eerder, voor het ongeval, rugklachten had en niet had kunnen werken, en dat na het ongeval prostaatkanker is geconstateerd en behandeld.
- In maart en april 2025 ontving de medisch adviseur van [verweerder 2] medische informatie. Er is (voor het eerst) een huisbezoek geweest bij [verzoeker] door de schaderegelaar op 6 mei 2025 en ook de arbeidsdeskundige heeft [verzoeker] bezocht.
- Het is in opdracht van [verweerder 2] bij een kort arbeidsdeskundig onderzoek van Heling en Partners gebleven, een zogenoemde quick scan, met een rapport van eind mei 2025. In juni 2025 ontving de medisch adviseur van [verweerder 2] verdere medische informatie. Partijen hebben overleg gevoerd waarbij 20 juni is gevraagd om nog ontbrekende medische stukken zodat medisch advies kon worden opgevraagd en een voorschot van € 6.000 is verstrekt voor de buitengerechtelijke kosten.
- Begin augustus 2025 heeft [verweerder 2] haar medisch adviseur om advies gevraagd.
- De advocaat van [verzoeker] heeft 12 augustus 2025 telefonisch contact gehad met [verweerder 2] en in een bericht van 13 augustus 2025 om nadere voorschotten gevraagd, ook voor zijn rekening van € 8.016,07.
- Op 1 september 2025 verstrekte [verweerder 2] een nader voorschot van € 1.000 aan [verzoeker] en € 1.000 voor de buitengerechtelijke kosten.
- Ondertussen was er sinds mei 2025 discussie over het door de schaderegelaar naar aanleiding van het huisbezoek op te stellen verslag. Uiteindelijk stelde de schaderegelaar ten behoeve van [verweerder 2] een (interne) notitie op. Over de verder te nemen stappen in het dossier - zowel voor wat betreft de medische kant als voor wat betreft de arbeidsdeskundige kant - verliep het contact tussen partijen steeds stroever.
- Op 11 september 2025 kreeg [verweerder 2] het medisch advies van haar adviseur (hiervoor deels in 2.3). Vervolgens heeft [verweerder 2] buiten de advocaat van [verzoeker] om het arbeidsdeskundig traject bij Heling en Partners stopgezet en op 12 september 2025 de advocaat benaderd en gevraagd een regelingsvoorstel te doen of een voorstel voor vervolgstappen, waarbij volgens [verweerder 2] een nadere onderbouwing met aanvullende medische informatie gegeven moest worden.
- Op 12 januari 2026 informeerde de advocaat van [verzoeker] [verweerder 2] over de stand van zaken en is het door hem ingewonnen medisch advies (hiervoor deels weergegeven in 2.4) toegezonden.
- [verweerder 2] heeft 21 januari 2026 laten weten een pragmatische regeling te willen treffen. Daarmee kon [verzoeker] niet instemmen. [verweerder 2] heeft geweigerd om verdere voorschotten te betalen en [verzoeker] heeft deze procedure aanhangig gemaakt.
De behandeling van de zaak heeft naar het oordeel van de rechtbank niet te lang stilgelegen en [verweerder 2] heeft ook niet evident te weinig of te laat bevoorschot. Daarbij merkt de rechtbank op dat van de kant van [verzoeker] pas laat relevante informatie is verstrekt en dat de kwestie aan zijn kant niet bijzonder voortvarend en adequaat lijkt te zijn opgepakt. Dat [verweerder 2] naar aanleiding van de in het voorjaar van 2025 gerezen twijfel over het causaal verband tussen het ongeval en de arbeidsongeschiktheid het arbeidsdeskundig traject heeft stopgezet is naar het oordeel van de rechtbank ook niet onrechtmatig. Dat betekent dat verzoeken III en IV ook moeten worden afgewezen.
Verzoek V
3.10. Verzoek V ziet op de kosten van rechtsbijstand die [verzoeker] maakte voorafgaand aan deze procedure. [verweerder 2] heeft tussen augustus 2024 en 1 september 2025 bij wijze van voorschot € 11.331,30 voor de buitengerechtelijke kosten aan de advocaat betaald. Er staat van zijn rekeningen nog een bedrag van € 7.017,07 open, waarvan [verzoeker] nu vergoeding verzoekt. [verweerder 2] voert als verweer dat daarmee de post voor buitengerechtelijke kosten onredelijk hoog zou worden. Daar is de rechtbank het mee eens. Het is goed dat [verzoeker] een belangenbehartiger heeft ingeschakeld en de kosten daarvan komen voor vergoeding in aanmerking als het gaat om redelijke kosten die nodig zijn om tot schadevergoeding te komen. Maar in dit dossier zijn verhoudingsgewijs, gelet op wat er aan relevante stappen zijn gezet en welke werkzaamheden daarvoor door de advocaat zijn verricht, veel dure uren in rekening gebracht, terwijl er tussen [verzoeker] en [verweerder 2] geen discussie is geweest over de aansprakelijkheid en er vervolgens geen relevante financiële en medische informatie op tafel lag waarover een juridisch standpunt is ingenomen. Bij die stand van zaken is naar het oordeel van de rechtbank niet duidelijk dat [verweerder 2] het resterende deel van de rekening van de advocaat voor zijn werk over die periode moet voldoen. Dat maakt dat ook verzoek V moet worden afgewezen.
Verzoeken VI en VII
3.11. Tijdens de mondelinge behandeling is naar voren gekomen dat de in de verzoeken VI en VII genoemde bedragen inmiddels zijn of zullen worden betaald. Die verzoeken zullen daarom ook worden afgewezen.
Kosten deelgeschil
3.12. De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Dat is anders als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, maar dat heeft [verweerder 2] niet aangevoerd en oordeelt de rechtbank in deze zaak ook niet ambtshalve.
3.13. [Verzoeker] maakt aanspraak op € 6.623,44 (inclusief btw) plus het griffierecht van € 93 en die post is goed onderbouwd. [verweerder 2] heeft daartegen geen verweer gevoerd. De rechtbank zal de kosten dienovereenkomstig begroten en [verweerder 2] veroordelen tot betaling daarvan.
4. De beslissing
De rechtbank
4.1. wijst de verzoeken van [verzoeker] af;
4.2. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 6.623,44 (inclusief btw) plus het griffierecht van € 93 en veroordeelt [verweerder 2] tot betaling daarvan aan [verzoeker].
Deze beschikking is gegeven door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.
Met dank aan mw. mr. K.R. Wehnes, SchadeAdvocatuur voor het inzenden van deze uitspraak.
Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2026/RBDHA-250626