Overslaan en naar de inhoud gaan

RBMNE-010726

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2026/RBMNE-010726

 

beschikking


RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

 

Civiel recht

Kantonrechter

 

Zittingsplaats Utrecht

 

Zaaknummer / rekestnummer: 11978591 \ UE VERZ 25-358

 

Beschikking van 1 juli 2026

 

in de zaak van

 

[VERZOEKER],

te [woonplaats],

verzoekende partij,

hierna te noemen: [verzoeker],

gemachtigde: mr. F.L. Joosten,

 

tegen

 

1. [VERWEERDER SUB 1],

te [woonplaats],

2. [VERWEERSTER SUB 2],

te [woonplaats],

verwerende partijen,

hierna samen te noemen: [verweerders],

gemachtigde: mr. R. Bagasrawalla.

 

Partijen worden hierna [verzoeker], [verweerder sub 1] en [verweerster sub 2] genoemd. 

 

1.         De procedure

 

1.1.      Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met 15 producties;
- de brief van 4 december 2025 van de griffier met het verzoek om de schade toe te lichten en verhinderdata op te geven;
- een aangepaste versie van het verzoekschrift met een toelichting op de schade, op de griffie ontvangen op 22 december 2025 met productie 16 en 17;
- de akte aanvullende producties (18 tot en met 27)
- de oproepbrief van 12 januari 2026 voor de mondelinge behandeling;
- het verweerschrift met vier producties;
- de mondelinge behandeling op 15 april 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
- de spreekaantekeningen van mr. Joosten.

1.2.      Tot slot is uitspraak bepaald.

 

2.         De kern van de zaak

 

2.1.      [Verzoeker] is tijdens zijn werk als maaltijdbezorger met een scooter ten val gekomen en heeft hierbij letsel opgelopen. In deze deelgeschilprocedure verzoekt [verzoeker] om vaststelling van de aansprakelijkheid van zijn werkgever. Dit verzoek wordt toegewezen. Hierna wordt uitgelegd om welke redenen dat gebeurt.

 

3.         De achtergrond van het geschil

 

3.1.      In mei 2021 is [verzoeker] als maaltijdbezorger voor Mamma Mia, de vennootschap onder firma (hierna: vof) van [verweerders], gaan werken. Zijn werkzaamheden bestonden voornamelijk uit het bezorgen van maaltijden. Dat deed [verzoeker] op een scooter van Mamma Mia. Op 18 augustus 2021 is hij met de scooter onderuit gegaan, tegen een verzinkbare paal gevallen, ‘gelanceerd’ en enkele meters verderop terecht gekomen. Hij heeft daarbij ernstig knieletsel opgelopen. [Verzoeker] heeft [verweerders] voor dit eenzijdige verkeersongeval aansprakelijk gesteld. Zij hebben daar niet op gereageerd. Daarom is [verzoeker] deze deelgeschilprocedure begonnen.

 

4.         De beoordeling

 

4.1.      [Verzoeker] heeft het verzoek gebaseerd op de Wet Deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade opgenomen in artikel 1019w - 1019cc van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De vereisten om via deze route een zaak aan de rechter voor te leggen, zijn dat het moet gaan om personenschade (schade door letsel of schade door overlijden) waarvoor wettelijke aansprakelijkheid bestaat en waarbij de onderhandelingen over de afwikkeling ervan zijn vastgelopen. De deelgeschilprocedure kan dus alleen worden gebruikt als aan al deze vereisten is voldaan. Dat is in deze zaak zo.

 

Het verzoekschrift is gericht tegen de juiste partijen

 

4.2.      [Verweerders] voeren als eerste aan dat [verzoeker] niet-ontvankelijk is. Hij had deze procedure moeten beginnen tegen werkgever (de vof Mamma Mia of haar vennoten). Dat is niet gebeurd. Zij zijn in persoon in rechte betrokken.

 

4.3.      Dit verweer faalt. [Verzoeker] heeft vanwege de vele wisselingen in het handelsregister van de Kamer van Koophandel ervoor gekozen [verweerders] hoofdelijk in privé aan te spreken. Dit is toegestaan. Temeer nu het voor [verweerders], mede gelet op de aansprakelijkheidsstellingen duidelijk was, althans had kunnen zijn, dat de verzoeken betrekking hebben op het handelen van [verweerders] in hun kwaliteit van vennoten van de vof. Er bestaat geen verplichting om de vof of de vennoten aan te spreken.

 

De klachtplicht is niet geschonden

 

4.4.      [Verweerders] vinden het feit dat [verzoeker] pas na vier jaar na het ongeval met deze procedure begint, het achterhalen van de oorzaak van het ongeval bijna onmogelijk maakt en het niet meer goed te achterhalen is of zijn klachten te relateren zijn aan het ongeval. Door niet tijdig een procedure te beginnen heeft [verzoeker] de klachtplicht (artikel 6:89 BW) geschonden.

 

4.5.      Ook dit verweer faalt. De vof en [verweerders] zijn in januari 2022 uitdrukkelijk aansprakelijk gesteld. Daarmee heeft [verzoeker] in beginsel aan zijn klachtplicht voldaan. De omstandigheid dat er - nadat er kortstondig is gecorrespondeerd - verder enkele jaren radiostilte is geweest, maakt dat niet anders. Ter zitting heeft [verzoeker] onweersproken de volgende reden gegeven voor dit tijdsverloop. Tussen partijen bestond indertijd een vriendschappelijke verhouding. Daarom is langere tijd geprobeerd om deze kwestie minnelijk te regelen. [Verweerders] wisten hoe dan ook dat hen deze claim boven het hoofd hing. In 2025 is de aansprakelijkheidsstelling herhaald en is de lopende verjaring gestuit. Mocht nadien blijken dat [verweerders] door het tijdsverloop toch zijn benadeeld dan kan zich dat mogelijk oplossen in een lagere schadevergoeding.

 

Wat de kantonrechter moet beoordelen

 

4.6.      In artikel 7:658 BW is de aansprakelijkheid van een werkgever geregeld voor schade die een werknemer lijdt bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat artikel 7:658 lid 1 BW niet alleen een hoog veiligheidsniveau eist van de werkruimte, werktuigen, gereedschappen en kleding maar ook van de organisatie van de werkzaamheden. Bovendien moet de werkgever toezicht houden op behoorlijke naleving van de instructies die hij heeft gegeven en op behoorlijk onderhoud van werkruimten en materialen.[1] Door artikel 7:658 lid 1 BW moet de werkgever dus zorgen voor de veiligheid en gezondheid van zijn werknemers.[2] Deze zorgplicht verplicht de werkgever om die maatregelen te treffen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om ongevallen te voorkomen die zich bij de uitoefening door de werknemer van zijn werkzaamheden zouden kunnen voordoen. Als een werknemer tijdens zijn werk schade heeft opgelopen, wat hij moet stellen en bewijzen, is de werkgever volgens het tweede lid van artikel 7:658 BW aansprakelijk, behalve als de werkgever op zijn beurt stelt en bewijst dat hij zijn zorgplicht voor de veiligheid van de werkomgeving van de werknemer is nagekomen of de schade in belangrijke mate door opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer komt. De werkgever kan ook aan aansprakelijkheid ontkomen als hij stelt en bewijst dat causaal verband ontbreekt tussen een eventueel geschonden zorgplicht en de gezondheidsschade zoals de werknemer die lijdt.[3] Alleen in die drie gevallen is de werkgever niet aansprakelijk. Artikel 7:658 BW houdt een ruime zorgplicht in. Niet snel kan worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan[4] en dus niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Artikel 7:658 BW beoogt echter ook geen absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen gevaar.[5] Welke veiligheidsmaatregelen van de werkgever mogen worden verlangd en op welke manier hij de werknemer moet instrueren, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij de kelderluik-criteria een rol spelen.[6] Dit juridisch kader geldt voor arbeidsongevallen en voor beroepsziekten.

 

[Verzoeker] heeft tijdens zijn werk schade opgelopen

 

4.7.      [Verweerders] voeren in dit verband twee verweren aan:

1)   De scooter waarmee het ongeval heeft plaatsgevonden is geen bedrijfsmiddel, werktuig, gereedschap in de zin van artikel 7:658 BW. De vof heeft twee scooters van het merk Piaggio. Het ongeval is gebeurd met een scooter van het merk Sym, die was van [de zoon van verweerder sub 1] met wie [verzoeker] bevriend is. [Verzoeker] leende deze scooter van het merk Sym wel eens voor privédoeleinden, zo ook op de dag van het ongeval.

2)   Er is geen sprake van schade die is geleden bij het uitvoeren van de werkzaamheden. Op het moment van het ongeluk was [verzoeker] niet aan het werk, hij stond niet ingeroosterd, had geen opdracht gekregen om te werken en hij had ook geen bestelling bij zich.

 

4.8.      De kantonrechter oordeelt dat de scooter, waarmee het ongeval plaatsvond, een bedrijfsmiddel is in de zin van artikel 7:658 BW. [Verzoeker] heeft een verzekeringsbewijs van de scooter overgelegd waaruit blijkt dat die op naam stond van [verweerder sub 1]. Ter zitting is dit ook door [verweerder sub 1] erkend. Mr. Bagasrawalla heeft ter zitting nog gesteld dat de scooter eigendom was van [de zoon van verweerder sub 1]. Desgevraagd kon hij die stelling echter op geen enkele wijze onderbouwen. Daarom wordt hieraan voorbij gegaan.

 

4.9.      Ter zitting is verder door [verweerders] erkend dat er ten tijde van het ongeval een dienstverband bestond tussen [verzoeker] en de vof. Daarnaast reed [verzoeker] ten tijde van het ongeval op een bedrijfsmiddel. Ook is er de verklaring de moeder van [verzoeker], die de portemonnee van de vof een dag later heeft terug gebracht. Hoewel dat op hun weg lag, hebben [verweerders] nagelaten hun stelling, dat [verzoeker] die avond niet was ingeroosterd, nader te onderbouwen. Inroosteren ging niet schriftelijk maar via Whatsapp. Maar er zijn ook geen relevante appberichten overgelegd. Ter zitting werd nog aangevoerd dat [de zoon van verweerder sub 1] kon verklaren dat [verzoeker] niet was ingeroosterd die avond. Echter, een schriftelijke verklaring met een dergelijke inhoud of strekking is niet overgelegd. In de spreekaantekeningen van mr. Joosten is specifiek aangegeven waar [verzoeker] die avond exact maaltijden heeft bezorgd. Tenslotte is ook de verklaring van [de zus van verzoeker] van belang. Daaruit blijkt dat ze een dag later de eigen scooter van [verzoeker] – waarmee hij naar zijn werk was gegaan - bij de vof is gaan ophalen. Dit is door [verweerders] niet gemotiveerd weersproken. Daarmee is met voldoende zekerheid komen vast te staan dat [verzoeker] die avond voor de vof werkzaam was.

 

[Verweerders] zijn aansprakelijk wegens schending zorgplicht

 

4.10.    [Verweerders] betwisten dat het ongeval plaatsvond doordat de scooter een te gladde band had. Daarnaast voeren zij aan dat het ongeval plaatsvond in een straat waar [verzoeker] met zijn scooter niet mocht rijden. Dit zou ter plaatse zijn aangeven met een verkeersbord. [Verweerders] hebben [verzoeker] herhaaldelijk gewaarschuwd dat hij de betreffende straat niet mocht inrijden. [Verzoeker] dit toch heeft gedaan met alle gevolgen van dien. Dit wordt door hen aangemerkt als opzet en/of bewuste roekeloosheid.

 

4.11.    De kantonrechter overweegt dat uit het proces-verbaal van de politie blijkt dat de scooter een gladde band (lees: geen profiel) had. Hieruit volgt een schending van de zorgplicht omdat [verweerders] hadden moeten zorgen voor goed en veilig materiaal. Daarnaast is uit verschillende bij de processtukken overgelegde foto’s in combinatie met de ter zitting overgelegde foto, in combinatie met de daarbij behorende datering, voldoende vast komen te staan dat er ten tijde van het ongeval niet het verkeersbord stond waar [verweerders] op doelen. Het was [verzoeker] indertijd wel degelijk toegestaan daar te rijden. Niet onbelangrijk is ook dat de vof ter zitting heeft erkend dat zij ten tijde van het ongeval niet voldaan had aan de verplichting om een RI&E te hebben en dat er dus ook geen sprake was van schriftelijke instructies aan de bezorgers. Van opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van [verzoeker] is voorshands niet gebleken. [Verweerders] hebben daartoe onvoldoende gesteld.

 

4.12.    Dit alles bij elkaar levert een schending van de zorgplicht op en daarmee aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW. Voor de conclusie dat [verweerders] in principe aansprakelijk zijn, is niet nodig dat vaststaat wat de exacte toedracht of oorzaak van het ongeval is geweest. Dit volgt uit uitspraken van de Hoge Raad[7] waarin is beslist dat de exacte toedracht van een ongeval niet hoeft vast te staan en een onzekere toedracht voor risico van de werkgever komt. Het beroep op artikel 7:658 BW slaagt. Daarom wordt niet meer toegekomen aan het bespreken van de subsidiaire grondslag van artikel 7:611 BW (goed werkgeverschap).

 

[Verweerders] moeten een voorschot te betalen

 

4.13.    [Verzoeker] heeft gevraagd om een voorschot van € 10.000,- op de uiteindelijk door [verweerders] te betalen schadevergoeding. Bij de beoordeling van deze vraag wordt voorop gesteld dat de aard van de deelgeschilprocedure met zich brengt dat de deelgeschilrechter zoveel mogelijk uitdrukkelijk en zonder voorbehoud oordeelt. Dit betekent dat op basis van de stukken die nu onderdeel zijn van het dossier vastgesteld moet kunnen worden dat [verzoeker] een aanspraak heeft op schadevergoeding die de het gevraagde voorschot (significant) overstijgt. Voor (nadere) bewijslevering is in een deelgeschilprocedure in beginsel geen plaats, terwijl het dan ook niet zou gaan om een overzichtelijke, eenvoudige bewijskwestie op grond waarvan de rechtbank aanleiding zou zien op dat uitgangspunt een uitzondering te maken.

 

4.14.    [Verweerders] voeren aan dat [verzoeker] geen aanspraak maakt op een voorschot omdat er volgens hun geen sprake kan zijn van aansprakelijkheid. Ook wordt het causaal verband betwist en wordt een beroep gedaan op eigen schuld aan de zijde van [verzoeker].

 

4.15.    De kantonrechter overweegt dat [verzoeker] met de in deze procedure overgelegde medische informatie voorshands voldoende heeft aangetoond dat hij fors letsel heeft opgelopen waarvoor hij uitgebreid is behandeld en gedurende langere tijd moest herstellen. De kantonrechter acht het aannemelijk dat de uiteindelijk vast te stellen schadevergoeding te zijner tijd (veel) hoger zal uitvallen. Vastgesteld wordt dat [verweerders] in deze procedure geen concreet verweer hebben gevoerd tegen het verzochte voorschot en daarmee de schadestaat (zoals overgelegd door [verzoeker] in productie 14 bij verzoekschrift) feitelijk niet hebben betwist. Daarom zal het door [verzoeker] verzochte voorschot worden toegewezen. De vordering tot betaling van de wettelijke rente over de hoofdsom van de schade is te prematuur ingesteld en wordt om die reden afgewezen. Voor een beroep op eigen schuld is geen plaats bij werkgeversaansprakelijkheid. Herhaald wordt dat van opzet of bewuste roekeloosheid niet is gebleken.

 

 

[Verweerders] moeten de kosten van het deelgeschil betalen

 

4.16.    De kantonrechter moet de kosten van deze deelgeschilprocedure begroten. Dit staat in artikel 1019aa lid 1 Rv. Hoe de kosten moeten worden begroot is geregeld in artikel 6:96 lid 2 BW. Daaruit volgt dat de rechtbank bij de begroting van de kosten de zogenoemde dubbele redelijkheidstoets moet gebruiken; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.

 

4.17.    De kosten voor dit deelgeschil bedragen volgens [verzoeker] € 6.708,80. De kosten en werkzaamheden zijn in productie 15 bij verweerschrift en in de spreekaantekeningen van mr. Joosten gespecificeerd. De werkzaamheden van mr. Joosten zijn verricht tegen een uurtarief van € 310,- en de werkzaamheden van mr. Abbring zijn verricht tegen een uurtarief van € 260,-. [Verweerders] hebben in hun verweerschrift en tijdens de zitting geen verweer gevoerd tegen de begroting van de kosten.

 

4.18.    De kantonrechter acht de kosten voldoende gespecificeerd, gemotiveerd en niet onredelijk hoog. De kosten van dit deelgeschil worden daarom vastgesteld op € 6.708,80. [Verweerders] zullen worden veroordeeld tot betaling daarvan aan [verzoeker].

 

De beschikking wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard

 

4.19.    Tegen de uitspraak in dit deelgeschil kan niet rechtstreeks in hoger beroep worden opgekomen. Dit volgt uit artikel 1019bb Rv. Een uitvoerbaarverklaring bij voorraad voegt dus niets toe. Dit deel van het verzoek wordt dan ook afgewezen.

 

 

5.         De beslissing

 

De kantonrechter

 

5.1.      verklaart voor recht dat [verweerders] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die verzoeker als gevolg van het hem op 18 augustus 2021 overkomen ongeval heeft geleden, thans lijdt en zal lijden; te vermeerderen met de kosten in en buiten rechte en de wettelijke rente vanaf de dag van het ongeval,

 

5.2.      veroordeelt [verweerders] hoofdelijk tot betaling van een voorschot van € 10.000,- op de door [verzoeker] geleden schade,

 

5.3.      begroot de kosten van dit deelgeschil op € 6.708,80 en veroordeelt [verweerders] tot betaling daarvan aan [verzoeker],

 

5.4.      wijst het meer of anders verzochte af.

 

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.P. Drijkoningen en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.


 


[1]HR 11 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9225, NJ 2008/465 m.nt. G.J.J. Heerma van Voss (Tarioui/Vendrig).

[2]T. Hartlief, W.H. van Boom, A.L.M. Keirse & S.D. Lindenbergh, Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding (Studiereeks Burgerlijk Recht, deel 5), Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 277.

[3]HR 10 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3837, NJ 2000, 211 m.nt. P.A. Stein (Fransen/Pasteurziekenhuis).

[4]T. Hartlief, W.H. van Boom, A.L.M. Keirse & S.D. Lindenbergh, Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding (Studiereeks Burgerlijk Recht, deel 5), Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 278.

[5]HR 12 december 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BD3129, NJ 2009/332 (Maatzorg/Van der Graaf).

[6]HR 11 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3313, NJ 2008/460 m.nt. G.J.J. Heerma van Voss (Bayar/Wijnen).

[7]HR 10 december 1999 ECLI:NL:HR:1999:AA3837 en HR 4 mei 2001 ECLI:NL:HR:2001:AB1430

 

 Met dank aan dhr, mr. Frans Joosten, Joosten Advocaten, voor het inzenden van deze uitspraak.

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2026/RBMNE-010726