RBMNE-280126
- Meer over dit onderwerp:
Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2026/RBMNE-280126
VONNIS
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/595663 / HA ZA 25-326
Vonnis van 28 januari 2026
in de zaak van
[Eiseres],
wonende te [woonplaats],
eisende partij,
advocaat: mr. C.C.J. de Koning,
tegen
1. [Bouwbedrijf] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
2. Nationale-Nederlanden Schadeverzekeringsmaatschappij N.V., gevestigd te ’s-Gravenhage,
gedaagde partijen,
advocaat: mr. C.C.R. Molkenboer.
Partijen zullen hierna respectievelijk [Eiseres], [Bouwbedrijf] en Nationale-Nederlanden worden genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
• de dagvaarding van 11 juni 2025 met producties 1 tot en met 8,
• de conclusie van antwoord met producties 1 en 2,
• de akte van [Eiseres] met producties 9 tot en met 11,
• de mondelinge behandeling van 16 december 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank aan partijen laten weten dat vandaag een vonnis zal worden uitgesproken in deze procedure.
2. De kern van de zaak
2.1.
[Eiseres] is van een losstaande trap in haar woning gevallen toen zij hiermee vanaf de eerste verdieping de vliering probeerde te bereiken. De trap is op die plek neergezet op het moment dat de woning door [Bouwbedrijf] werd verbouwd. In deze procedure vordert [Eiseres] dat de rechtbank voor recht verklaart dat [Bouwbedrijf] aansprakelijk is voor haar schade als gevolg van de val van de trap. De rechtbank wijst deze vordering toe. Hieronder legt zij uit waarom zij zo beslist.
3. De beoordeling
[Eiseres] is gevallen doordat de losstaande trap naar de vliering onder haar weggleed. 3.1.
In deze procedure zijn partijen het met name oneens over de vraag hoe [Eiseres] op 8 november 2023 ten val is gekomen. Volgens [Eiseres] gleed de trap onder haar weg toen zij hiermee de vliering probeerde te bereiken, waardoor zij vanaf 3,5 meter hoogte achterover is gevallen en (rugklachten) op de trap terecht is gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [Bouwbedrijf] deze toedracht onvoldoende betwist. Hierbij speelt het volgende mee.
3.2.
Op het moment van de val was alleen [Eiseres] aanwezig in de woning. Zoals [Bouwbedrijf] terecht aanvoert, is de door haar gestelde toedracht van het ongeval daarom uitsluitend gebaseerd op haar eigen verklaringen en de hieruit afgeleide informatie van medische hulpverleners. Maar hieruit volgt wel dat [Eiseres] haar toedracht van het ongeval telkens consistent heeft beschreven. Zo heeft [Eiseres] vrijwel direct na het ongeval (112 gebeld en) geschreven: ‘Zo heeft [Eiseres] de trap weg zien vallen nadat die ‘instortte’. Ook in het ambulanceverslag staat vermeld dat de trap ‘wegviel’ en dat [Eiseres] ‘achterover viel en op de trap belandde’. In het ziekenhuis heeft [Eiseres] wederom verklaard dat de trap nergens aan was bevestigd en loskwam waardoor zij achterover viel. Ook later heeft [Eiseres] na het ongeval niet in exact dezelfde bewoordingen uitgelegd wat er gebeurd is. Maar in al haar verklaringen komt wel terug dat de trap was weggegleden, terwijl zij op de bovenste trede stond. Daar komt bij dat ook uit verklaringen van [Bouwbedrijf] volgt, dat de trap verre van stabiel was. Tijdens de mondelinge behandeling liet bestuurder D. van [Bouwbedrijf] onder meer weten dat hij het een onveilige trap vond. Bovendien is tussen partijen niet in geschil dat er tijdens het ongeval op een met stucloper bedekte vloer stond. Hiervoor heeft D. tijdens de zitting verklaard dat een dergelijke ondergrond gladder is dan normaal. Ook volgens [Medewerker] van [Bouwbedrijf] was stucloper geen veilige ondergrond voor een dergelijke trap vanwege de gladde oppervlakte.
3.3.
De rechtbank stelt vast dat [Bouwbedrijf] onvoldoende heeft ingebracht tegenover het consistente betoog van [Eiseres] over het ongeval. [Bouwbedrijf] voert onder meer aan dat [Eiseres] tegenover elektricien [Naam] zou hebben verklaard dat zij bij een van de onderste treden een misstap hebben gemaakt toen zij de trap afliep, maar hier gaat de rechtbank aan voorbij. [Bouwbedrijf] heeft namelijk op geen enkele wijze concreet gemaakt wanneer [Eiseres] dit zou hebben gezegd en onder welke omstandigheden dat precies gebeurd is. Naar het oordeel van de rechtbank ligt een misstap bij de onderste treden ook niet voor de hand, vooral vanwege de ernst van het letsel dat [Eiseres] heeft opgelopen bij het ongeval. [Bouwbedrijf] voert tot slot nog aan dat een misstap of verlies van evenwicht van [Eiseres] niet kan worden uitgesloten. Maar uit de verschillende verklaringen van [Eiseres] blijkt op geen enkele manier dat een andere omstandigheid dan het wegglijden van de trap een rol heeft gespeeld bij het ongeval, en het dossier biedt daarvoor ook geen ander concreet aanknopingspunt. De rechtbank gaat dan ook uit van de door [Eiseres] gestelde toedracht.
[Bouwbedrijf] heeft hiermee onrechtmatig gehandeld tegenover [Eiseres] 3.4.
[Eiseres] stelt dat [Bouwbedrijf] aansprakelijk is voor de schade die zij door de val van de trap heeft geleden. Hierbij beroept [Eiseres] zich onder meer op gevaarzettend – en daarmee onrechtmatig – handelen door [Bouwbedrijf]. Volgens [Eiseres] is hier sprake van omdat [Bouwbedrijf] de trap tijdens de verbouwing op een met stucloper bedekte vloer heeft laten staan, zonder dat de trap ergens aan was vastgemaakt.
3.5.
De rechtbank stelt voorop dat niet elke vorm van gevaarzetting ook onrechtmatig is. Hiervan is pas sprake wanneer het zo waarschijnlijk was dat zich met de losstaande trap een ongeval zou kunnen gaan voordoen, dat [Bouwbedrijf] deze gevaarzettende situatie niet zo had mogen laten voortbestaan. Dit hangt vooral af van hoe waarschijnlijk het was dat [Eiseres] bij het gebruik van de trap niet de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid in acht zouden nemen, hoe groot was de kans dat dit tot ongevallen zou leiden, hoe ernstig zouden de gevolgen van zo’n ongeval kunnen zijn, en hoe bezwaarlijk het was voor [Bouwbedrijf] om veiligheidsmaatregelen te nemen.
3.6.
De rechtbank is in dit geval van oordeel dat [Bouwbedrijf] onrechtmatig gevaarzettend heeft gehandeld.
3.7.
Allereerst mocht [Bouwbedrijf] er niet zomaar van uitgaan dat [Eiseres] (of iemand anders) bij gebruik van de trap zo voorzichtig zou zijn dat er geen ongelukken konden gebeuren. Vast staat namelijk dat [Bouwbedrijf] [Eiseres] niet heeft gewaarschuwd voor de risico’s bij het gebruik van de losstaande trap naar de vliering. Dit terwijl [Eiseres] de trap vanwege de verbouwing niet op dagelijkse basis gebruikte en dus minder goed bekend was met die risico’s dan bijvoorbeeld de werknemers van [Bouwbedrijf]. De kans op een ongeval was hierbij bovendien groot. Tussen partijen is namelijk niet in geschil dat de trap volgens de gebruiksinstructies eigenlijk ergens aan bevestigd moest worden, vooral aan de bovenzijde. Daar komt nog bij dat de trap in dit geval op een met stucloper bedekte (dus gladde) vloer stond. Omdat de trap meerdere meters hoog was, waren de mogelijke gevolgen van een dergelijk ongeval daarnaast ernstig. Dit terwijl het nemen van veiligheidsmaatregelen eenvoudig was. Zo had [Bouwbedrijf] de trap kunnen weghalen, tijdelijk kunnen vastmaken of kunnen waarschuwen dat die niet gebruikt moest worden.
3.8.
Omdat ook vast is komen te staan dat [Eiseres] schade heeft geleden door deze onrechtmatige gevaarzetting, is [Bouwbedrijf] hiervoor aansprakelijk.
Geen sprake van eigen schuld van [Eiseres]
3.9.
Volgens [Bouwbedrijf] is het ongeval deels de schuld van [Eiseres], waardoor zij een deel van de schade zelf zou moeten dragen. Dit is mogelijk wanneer de schade ook komt door een omstandigheid (gedraging of gebeurtenis) die aan de benadeelde kan worden toegerekend. Hiervoor voert [Bouwbedrijf] aan dat [Eiseres] de trap is opgegaan zonder te vragen of dit veilig was, terwijl zij wel wist dat de trap niet was vastgezet. Maar naar het oordeel van de rechtbank gaat dat standpunt niet op. Vooral omdat de trap daar was neergezet door een professionele partij als [Bouwbedrijf] en bovendien bekend was dat de vliering veelvuldig werd gebruikt door haar werknemers, mocht [Eiseres] er in dit geval van uitgaan dat de trap veilig gebruikt kon worden.
De gevorderde verklaring voor recht over de aansprakelijkheid van gedaagden zal worden toegewezen
3.10.
Vanwege de vastgestelde aansprakelijkheid moet [Bouwbedrijf] (en daarmee Nationale Nederlanden als haar aansprakelijkheidsverzekeraar) de schade vergoeden die [Eiseres] als gevolg van het ongeval heeft geleden en nog lijdt. De gevorderde verklaring voor recht hierover zal daarom worden toegewezen.
[Eiseres] krijgt geen voorschot op een schadevergoeding
3.11.
[Eiseres] vraagt ook om een voorschot op een schadevergoeding ter hoogte van € 7.500,00. Maar de rechtbank zal deze vordering niet toewijzen. De hoogte van het gevraagde bedrag, en de noodzaak van het voorschot zelf, zijn namelijk niet onderbouwd terwijl dat wel vereist is.
[Bouwbedrijf] en Nationale-Nederlanden moeten de proceskosten van [Eiseres] vergoeden
3.12.
[Bouwbedrijf] en Nationale-Nederlanden zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [Eiseres] worden begroot op:
• kosten van de dagvaarding € 151,61
• griffierecht € 1.374,00
• salaris advocaat € 1.042,00 (2 punten × € 521,00)
• nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.745,61
3.13.
De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
3.14.
Als [Bouwbedrijf] en Nationale-Nederlanden de proceskosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving betalen, moeten zij ook wettelijke rente over de proceskosten betalen.
4. De beslissing
De rechtbank:
4.1. verklaart voor recht dat [Bouwbedrijf] aansprakelijk is voor het ongeval van 8 november 2023, alsmede dat beide gedaagden verplicht zijn de uit het ongeval voortvloeiende materiële en immateriële schade van [Eiseres], nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente, aan haar te vergoeden;
4.2. veroordeelt [Bouwbedrijf] en Nationale-Nederlanden hoofdelijk in de proceskosten van € 2.745,61, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als zij niet tijdig aan deze veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
4.3. veroordeelt [Bouwbedrijf] en Nationale-Nederlanden hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als die niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
4.4. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; 4.5. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. van Ommeren en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.
Met dank aan Mr. Coen de Koning, Slot Letselschade voor het attenderen op deze uitspraak.
Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2026/RBMNE-280126