RBMNE-290626
- Meer over dit onderwerp:
Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2026/RBMNE-290626
beschikking
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 604723 HA RK 25-226
Beschikking van 29 juni 2026
in de zaak van
[VERZOEKER],
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker],
advocaat: mr. D.L. Langedijk,
tegen
A.S.R. SCHADEVERZEKERING N.V.,
te Utrecht,
verwerende partij,
hierna te noemen: a.s.r.,
advocaat: mr. F. van Toorn.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 29 december 2025 met 6 producties;
- het verweerschrift van 15 april 2026 met 4 producties.
1.2. De mondelinge behandeling was op 30 april 2026. Daarbij was aanwezig: [verzoeker], bijgestaan door mr. D.L. Langedijk. Namens a.s.r. was aanwezig [vertegenwoordiger van a.s.r.], bijgestaan door mr. F. van Toorn. Mr. Langedijk heeft het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen. Ook heeft mr. Langedijk met goedvinden van a.s.r., ‘Ritformulier RAV Haaglanden’ in het geding gebracht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken. Daarnaast hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling afspraken gemaakt die zijn vastgelegd in een proces-verbaal. Deze afspraken hielden – kort samengevat – in dat: (1) partijen gezamenlijk aan het ambulancepersoneel dat op 15 december 2024 aanwezig is geweest na het ongeval de vraag stellen op basis waarvan zij hebben vermeld dat [verzoeker] geen gordel droeg en (2) dat zij de rechtbank hierover, na ontvangst van een antwoord, informeren.
1.3. Op 18 mei 2026 heeft a.s.r. de rechtbank geïnformeerd over de aan de ambulancedienst gestelde vragen en de reactie van de ambulancedienst hierop. a.s.r. heeft de rechtbank daarbij geïnformeerd dat zij haar standpunten handhaaft. Op 21 mei 2026 heeft [verzoeker] de rechtbank geïnformeerd dat ook hij zijn standpunt handhaaft.
1.4. De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De kern van de zaak
2.1. Op 15 december 2024 is [verzoeker] als passagier van een auto betrokken geraakt bij een eenzijdig verkeersongeval. [verzoeker] zat op de middelste zitplaats van de achterbank, toen de bestuurder van de auto, [de bestuurder], de macht over het stuur verloor, waarna de auto tegen geparkeerde voertuigen botste. [verzoeker] liep hierdoor meerdere breuken op aan zijn linker bovenarm. De auto was verzekerd bij a.s.r. Partijen verschillen van mening over de omvang van de aansprakelijkheid van a.s.r. [verzoeker] vindt dat a.s.r. 100% van zijn schade moet vergoeden. A.s.r. doet een beroep op eigen schuld van [verzoeker] aan het ontstaan van zijn schade, omdat: (1) [verzoeker] volgens a.s.r. geen gordel droeg ten tijde van het ongeval en (2) [verzoeker] zijn gordel niet op de juiste wijze droeg. De rechtbank oordeelt dat [verzoeker] eigen schuld heeft aan het ongeval, omdat hij zijn gordel niet op de juiste wijze droeg. Daarom is een gordelkorting van 25% gerechtvaardigd. [verzoeker] krijgt ongelijk.
3. De beoordeling
Dit geschil leent zich voor een beoordeling in deelgeschil
3.1. [verzoeker] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De rechtbank moet beoordelen of er sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel. Ook moet de rechtbank beoordelen of er sprake is van een geschil over een deel van wat partijen verdeeld houdt.
3.2. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen.[1]
3.3. In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over de omvang van de aansprakelijkheid van a.s.r. voor de door [verzoeker] geleden (letsel)schade. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek inhoudelijk zal bespreken.
A.s.r. heeft onvoldoende onderbouwd dat [verzoeker] geen gordel droeg
3.4. a.s.r. voert primair aan dat [verzoeker] geen gordel droeg ten tijde van het ongeval. Subsidiair voert a.s.r. aan dat [verzoeker] zijn gordel onjuist droeg. Volgens a.s.r. heeft [verzoeker] in beide gevallen 25% eigen schuld[2] aan het ontstaan van zijn schade en moet daarom een zogenoemde gordelkorting van 25% worden toegepast. Het niet (op juiste wijze) dragen van een gordel vergroot namelijk de kans op letselschade bij een aanrijding, aldus a.s.r.
3.5. Op basis van dat wat is bepaald in artikel 150 Rv rust op a.s.r. de plicht om voldoende feiten en omstandigheden te stellen waaruit volgt dat [verzoeker] eigen schuld heeft aan het ontstaan van zijn schade. Dit heeft a.s.r. – gelet op de betwisting van [verzoeker] – onvoldoende onderbouwd gedaan.
3.6. a.s.r. heeft om haar verweer te onderbouwen verwezen naar het door de vader van de bestuurder ingevulde aanrijdingsformulier waarop staat: “1 persoon in de auto van verzekerde heeft last van zijn arm later bleek dat deze te zijn gebroken. Hij had geen gordel om.” Ook heeft a.s.r. verwezen naar de schriftelijke verklaring van de bestuurder van de auto van 14 januari 2026. Daarin staat: “We stapten samen in de auto, dhr [verzoeker] stapte achter in de auto. Ik zag op dat moment dat hij geen gordel droeg. Ik hoorde de gordel ook niet klikken in de gordelriem. Na het instappen zag ik in de binnenspiegel dat hij voor over ging zitten, hij had op dat moment geen gordel om, daarna ging hij achterover leunen. Ook op dat moment zag ik niet dat hij zijn gordel ging om doen. Ook de hele rit heb ik niet gezien dat hij zijn gordel om had.” Hieruit kan worden afgeleid dat de bestuurder heeft verklaard dat [verzoeker] geen gordel droeg ten tijde van het ongeval. Tussen partijen staat vast dat de vader van de bestuurder niet aanwezig was tijdens het ongeval, zodat zijn verklaring is gebaseerd op dat wat hij van zijn zoon heeft gehoord. Dit is – gelet op de weerspreking van [verzoeker] dat hij wel een gordel droeg ten tijde van het ongeval – te weinig om te kunnen vaststellen dat [verzoeker] geen gordel droeg. Het is dan immers de verklaring van de bestuurder tegen de verklaring van [verzoeker].
3.7. Ook uit de later aangepaste overdracht van het ambulancepersoneel aan de Spoedeisende Hulp waarin staat: “droeg geen gordel” kan niet worden afgeleid dat deze informatie afkomstig is van iemand anders dan de bestuurder van de auto. Uit e-mailbericht van de ambulancedienst van 7 mei 2026 volgt namelijk dat de desbetreffende verpleegkundige zich deze zorgverlening niet meer kan herinneren, waardoor de bron van de mededeling dat [verzoeker] geen gordel zou hebben gedragen niet meer kan worden achterhaald. Hierover staat ook niets in het medisch dossier, aldus de ambulancedienst. Ook deze overdracht is dus onvoldoende onderbouwing voor het verweer van a.s.r. dat [verzoeker] geen gordel zou hebben gedragen. Dit geldt ook voor het door [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling overgelegde ‘Ritformulier RAV Haaglanden’. Ook daaruit kan niet worden afgeleid dat [verzoeker] geen gordel droeg.
3.8. Het voorgaande betekent dat niet kan worden vastgesteld dat [verzoeker] ten tijde van het ongeval geen gordel droeg. Op basis hiervan kan dus ook niet worden vastgesteld dat [verzoeker] op basis hiervan eigen schuld heeft aan zijn als gevolg van het ongeval geleden schade.
[verzoeker] droeg zijn gordel niet juist, dit leidt tot een gordelkorting van 25%
3.9. Op basis van de stukken en dat wat [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard, kan wel worden vastgesteld dat [verzoeker] zijn gordel ten tijde van het ongeval niet op de juiste wijze droeg. [verzoeker] schrijft daarover namelijk in zijn verklaring van 13 mei 2025: “Ik zat achterin mijn telefoon viel op de grond op dat moment ging ik bukken om mijn telefoon op te pakken en zag het niet en toen voelde ik dat het fout ging en hoe ik mijn hoofd optilt Hadden we ongeluk gemaakt mijn gordel zat op dat moment om Had los getrokken om te bukken.” Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] verklaard dat hij zijn driepuntsgordel zodanig los van zijn bovenlichaam had getrokken dat hij zijn telefoon van de grond kon pakken en dat het ongeval op dat moment plaatsvond. [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling voorgedaan hoe hij dit deed: door de gordel die om zijn bovenlichaam zat met zijn hand een flink stuk los te trekken van zijn lichaam, slechts met het doel zijn mobiele telefoon op te rapen. Daarmee heeft [verzoeker] in strijd gehandeld met zijn wettelijke verplichting om de gordel te dragen op een manier die de beschermende werking ervan niet beïnvloed, zonder dat daar een rechtens relevante reden voor was.[3] Dit is een aan [verzoeker] toe te rekenen omstandigheid als bedoeld in artikel 6:101 BW, die wordt geacht te hebben bijgedragen aan de schade.
3.10. Het niet of niet juist dragen van een gordel leidt veelal tot een verdeling van de aansprakelijkheid van 25% voor degene die letsel heeft opgelopen, in dit geval [verzoeker], en 75% voor de vergoedingsplichtige, in dit geval a.s.r. Partijen hebben geen omstandigheden gesteld of aangevoerd op grond waarvan een andere verdeling gerechtvaardigd is. Dit betekent dat de schadevergoedingsplicht van a.s.r. is beperkt tot 75% van de door [verzoeker] als gevolg van het ongeval geleden schade.
Wat betekent dit voor het verzoek van [verzoeker]?
3.11. De conclusie is dat de door [verzoeker] gevorderde verklaring voor recht dat a.s.r. voor 100% aansprakelijk is voor de door hem geleden en nog te lijden schade zal worden afgewezen.
Kosten deelgeschil: a.s.r. moet 75% van de begrote kosten vergoeden
3.12. De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren. Dit betekent dat het inroepen van de rechtsbijstand en de daarvoor gemaakte kosten redelijk moeten zijn.
3.13. [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling een urenoverzicht in het geding gebracht en maakt, overeenkomstig dat overzicht, aanspraak op € 2.724,00. Dit is 11,35 uur x het uurtarief van € 240,00. Daar komt een bedrag van € 331,00 aan griffierecht bij.
3.14. a.s.r. heeft geen verweer gevoerd tegen het door [verzoeker] gestelde aantal uren en het daarvoor gehanteerde uurtarief. De rechtbank acht het gehanteerde uurtarief en de tijdsbesteding niet bovenmatig. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op € 2.724,00.
3.15. Zoals hiervoor is overwogen, is a.s.r. voor 75% aansprakelijk voor de door [verzoeker] als gevolg van het ongeval geleden schade. Deze mate van eigen schuld van [verzoeker] werkt in beginsel ook door in de vergoedingsplicht van de deelgeschilkosten van a.s.r., tenzij er aanleiding bestaat voor een billijkheidscorrectie op de schadepost buitengerechtelijke kosten.[4] De rechtbank ziet daarvoor in dat wat partijen hebben gesteld of aangevoerd geen aanleiding. Ook de advocaat van [verzoeker] heeft desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij ervan uitgaat dat een eventuele korting in het kader van eigen schuld ook doorwerkt in de kosten van het deelgeschil.
3.16. Dit betekent dat a.s.r. zal worden veroordeeld tot betaling van 75% van de hiervoor begrote kosten van € 2.724,00 aan [verzoeker]. Dit is een bedrag van € 2.043,00, te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 331,00.
4. De beslissing
De rechtbank
4.1. wijst het door [verzoeker] verzochte af;
4.2. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 2.043,00 te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 331,00 en veroordeelt a.s.r. tot betaling daarvan aan [verzoeker];
4.3. wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Penders en is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026
[1] artikel 1019z Rv.
[2] zoals bepaald in artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
[3] Artikel 59 lid 7 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
[4] Hoge Raad 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7624, NJ 2008/241 (Manege Bergemo).
Met dank aan mr. Frank van Toorn, asr voor het inzenden van deze uitspraak.
Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2026/RBMNE-290626