Overslaan en naar de inhoud gaan

RBOVE-130526

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2026/RBOVE-130526

vonnis


RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer: C/08/329296 / HA ZA 25-63

Vonnis van 13 mei 2026

in de zaak van

[eiser],
te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. J.F. Roth,

tegen

TVM VERZEKERINGEN N.V.,
te Hoogeveen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: TVM,
advocaat: mr. R.H.J. Wildenburg.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding met producties;
  • het herstelexploot (wegens vermelding van een verkeerde zittingsdatum);
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de nagekomen producties 6 en 7 van TVM;
  • de aanvullende productie 54 van [eiser];
  • de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
  • de brief van TVM waarin bezwaar wordt gemaakt tegen de door [eiser] aangekondigde aanwezigheid van de heer Neeser van NRL en met een uitdrukkelijk verzoek om verplaatsing van de mondelinge behandeling, zodat van haar zijde drs. F.C. Leendertse van Dekra aanwezig kan zijn;
  • het bericht van de rechtbank dat de mondelinge behandeling niet wordt verplaatst, dat [eiser] de heer Neeser mag meenemen naar de mondelinge behandeling met de toezegging dat TVM op het door de heer Neeser verklaarde bij akte mag reageren indien zij daar ter zitting onvoldoende op heeft kunnen reageren;
  • de mondelinge behandeling van 5 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
  • de afgifte verkort proces-verbaal;
  • de akte uitlaten van TVM met producties 9 en 10.

1.2. Ten slotte is vonnis gevraagd. Het vonnis is – na aanhouding – bepaald op vandaag.

2. Samenvatting

Deze zaak gaat over de afwikkeling van schade van een ernstig verkeersongeval dat [eiser] op 11 juli 2012 is overkomen met zijn motor. Partijen verschillen vooral van mening over de omvang van de inkomensschade die [eiser] heeft geleden als gevolg van dat ongeval, waarvoor TVM als WAM-verzekeraar van de veroorzaker voor 80% aansprakelijk is. Ten tijde van het ongeval had [eiser] een eigen onderneming, [bedrijf eiser] V.O.F. Voor het in kaart brengen van de schade uit verlies aan verdienvermogen hebben partijen in gezamenlijk overleg Wibbens Advies ingeschakeld voor een arbeidsdeskundig en bedrijfseconomisch onderzoek. Het bedrijfseconomisch onderzoek werd verricht door de heer [bedrijfskundig adviseur] van Wibbens Advies. Partijen zijn het niet eens over de bruikbaarheid van de rapportage van [bedrijfskundig adviseur]. Volgens TVM is de rapportage van [bedrijfskundig adviseur] definitief. Volgens [eiser] is dat niet het geval en kan het rapport van [bedrijfskundig adviseur] niet dienen als uitgangspunt voor de afwikkeling van de schade. [eiser] wenst dat de rechtbank daarover een knoop doorhakt in deze procedure. Tevens wil [eiser] dat de rechtbank in deze procedure zijn schade vaststelt en TVM veroordeelt tot betaling daarvan. TVM heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De rechtbank oordeelt dat het rapport van [bedrijfskundig adviseur] in dit geval niet als uitgangspunt kan dienen. De rechtbank kan nog geen eindvonnis wijzen. Zij zal in dit tussenvonnis allereerst een deskundige benoemen die haar kan adviseren over de schade door verlies aan verdienvermogen. De rechtbank licht haar beslissing hieronder verder toe.

3 De feiten

3.1. Op 11 juli 2012 vond een ernstig ongeval plaats waarbij [eiser] met zijn motor was betrokken. [eiser] reed samen met [vriend van eiser] op de Zoekerdijk in Saasveld. Nadat zij de bocht uitkwamen werden zij geconfronteerd met [bestuurster], bestuurster van een busje. Zij reed in tegengestelde richting en haalde vlak voor deze (onoverzichtelijke) bocht fietsers in waardoor zij op de voor haar linker weghelft reed en [eiser] en [vriend van eiser] niet meer kon ontwijken. [vriend van eiser] is ten gevolge van deze aanrijding overleden. Ook [eiser] is aangereden door [bestuurster]. [bestuurster], de bestuurster van de betrokken personenauto, was bij TVM verzekerd tegen wettelijke aansprakelijkheid ingevolge de WAM.

3.2. [eiser] was ook betrokken bij een eerder ongeval op 25 oktober 2011, waarbij hij met zijn auto werd aangereden door een bestuurder van een andere auto.

3.3. [eiser] liep door het ongeval in juli 2012 ernstig fysiek letsel op: een verbrijzelde linker bovenhand, een verbrijzelde linker bovenarm, een verbrijzeld linker bovenbeen, een dubbele fractuur in de linker onderarm, een gebroken linkervoet, drie gebroken ribben en een klaplong. [eiser] heeft meerdere chirurgische ingrepen gehad en een intensief revalidatieproces gevolgd. Bij deskundigenrapport van 24 mei 2016 heeft orthopedisch chirurg dr. M. Heeg een blijvende invaliditeit vastgesteld van 50%. Volgens Heeg heeft het eerdere ongeval in 2011 niet tot restklachten of beperkingen geleid.

[eiser] heeft daarnaast ook psychische klachten ervaren na het ongeval en ervaart die nog steeds, bestaande uit onder meer nachtmerries, somberheid en slaapproblemen. [eiser] is behandeld voor PTSS.

3.4. De arbeidsongeschiktheidsverzekeraar van [eiser], Amersfoortse Verzekeringen, heeft [eiser] in 2018 volledig arbeidsongeschikt geacht (80-100%) naar aanleiding van de conclusies in een arbeidsdeskundig rapport van de heer J. van Raalte.

3.5. Partijen hebben een procedure gevoerd over de aansprakelijkheid. In die procedure heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (geen publicatie bekend, red. LSA LM) geoordeeld dat [bestuurster] gevaarzettend en onrechtmatig heeft gehandeld en dat TVM voor 80% aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het verkeersongeval. Tegen dat arrest is geen cassatie ingesteld.

3.6. Ten tijde van het ongeval was [eiser] werkzaam in zijn eigen bedrijf [bedrijf eiser] V.O.F. Na het ongeval heeft de zoon van [eiser] (ten tijde van het ongeval 10 of 11 jaar oud) de werkzaamheden van [eiser] in de onderneming (deels) overgenomen. De echtgenote van [eiser] was en is mede-vennoot.

3.7. In 2020 zijn [eiser] en TVM in overleg gegaan over de schadeafwikkeling.

3.8. Om de schade uit verlies aan verdienvermogen te berekenen hebben partijen in onderling overleg Wibbens Advies ingeschakeld om een arbeidsdeskundig en bedrijfseconomisch onderzoek uit te laten voeren.

3.9. De heer B. Riensema van Wibbens Advies is ingeschakeld voor het arbeidsdeskundig onderzoek en heeft definitief gerapporteerd op 20 april 2021. In zijn rapport concludeert Riensema: "(…)

4.3. Situatie/activiteiten (op dit moment) na ongeval Zoals aangegeven is betrokken dagelijks gemiddeld 3 tot 4 uur per week in de zaak aanwezig. In die tijd is hij naar eigen zeggen voor ongeveer twee uur productief. Hij ondersteunt zijn zoon (die inmiddels de bedrijfsvoering grotendeels heeft overgenomen) bij de verkoop en adviseert bij inkoop, doet wat uitzoekwerk via de computer naar motoronderdelen, leest vakliteratuur en maakt een praatje met enkele vaste klanten. (…)

6.1 Arbeidsdeskundige beschouwing (…) In de jaren na de ongevallen heeft betrokkene zich gericht op zijn herstel en heeft hij onderzocht in hoeverre hij nog een actieve rol kan spelen binnen zijn eigen onderneming. Ik ben van mening dat hij daar nu het maximale in heeft bereikt en dat er vanuit reintegratie oogpunt geen verdere stappen hoeven en kunnen worden gezet. (…)"

3.10. De heer [bedrijfskundig adviseur] van Wibbens Advies is ingeschakeld voor het bedrijfseconomisch onderzoek. [bedrijfskundig adviseur] heeft [eiser] op 4 februari 2021 een bezoek gebracht. Op 26 april 2021 heeft [bedrijfskundig adviseur] zijn eerste concept rapportage uitgebracht.

3.11. Op 8 juni 2021 heeft [bedrijfskundig adviseur] een tweede bezoek aan [eiser] gebracht. De heer [boekhouder van eiser], boekhouder van [eiser], was daarbij ook aanwezig. Op 9 augustus 2021 heeft [bedrijfskundig adviseur] zijn tweede concept rapportage uitgebracht.

3.12. Bij brief van 30 september 2021 heeft [boekhouder van eiser] namens [eiser] richting [bedrijfskundig adviseur] op- en aanmerkingen gemaakt op de rapportage.

3.13. Bij e-mail van 11 november 2021 heeft [bedrijfskundig adviseur] het volgende bericht aan [boekhouder van eiser]:

Na ontvangst van uw mail heb ik contact gehad met de belangenbehartiger, de heer [belangenbehartiger van eiser]¹. In overleg met de heer [belangenbehartiger van eiser] is besloten de rapportage – waarbij de opmerkingen uwerzijds zijn toegevoegd – te verzenden naar partijen.

Ervan uitgaande dat de heer [belangenbehartiger van eiser] u hierover zou informeren, heeft u geen reactie van mij ontvangen. De rapportage is overigens op 8 oktober j.l. naar partijen verstuurd. (…)"

3.14. Op 8 oktober 2021 heeft [bedrijfskundig adviseur] zijn definitieve rapportage uitgebracht.

3.15. Naar aanleiding van dit rapport zijn partijen weer in onderhandeling getreden over de afwikkeling van de schade. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt.

3.16. [eiser] heeft een second opinion gevraagd bij het Nederlands Rekencentrum Letselschade (NRL). De heer M. Neeser heeft op 17 juni 2022 een rapport over zijn letselschadeberekening opgemaakt. Hij concludeert, op basis van 80% aansprakelijkheid, tot een schade wegens verlies aan verdienvermogen van € 2.539.176,-.

3.17. Eind 2022 heeft [eiser] bedrijfsadviseur De Koning van De Koning Expertise ingeschakeld om in samenwerking met Arbeidsdeskundig bureau Radar B.V. het rapport van [bedrijfskundig adviseur] te beoordelen. Op 3 november 2022 heeft De Koning zijn rapport uitgebracht. Hij concludeert:

"(…) Het uitgevoerde onderzoek is naar mijn mening onvolledig. Of in ieder geval is de weergave in het rapport onvolledig. Op basis van het rapport kan er geen duidelijk beeld worden gevormd van het bedrijf van [eiser] en de bedrijfskundige gevolgen voor het bedrijf en de werkzaamheden van [eiser], als gevolg van het ongeval.

De reactie van betrokkene (via account [boekhouder van eiser]) is volledig opgenomen in het rapport. Er wordt echter op geen enkele wijze hierop een reactie gegeven of is duidelijk wat er met de reactie is gedaan, wat naar mijn mening op zijn minst verwacht mag worden bij een onafhankelijk onderzoek in opdracht van beide partijen. Aangezien deze reactie ontbreekt kan er mijns inziens niet gesproken worden van een definitief rapport dat door beide partijen wordt gedragen.

De reactie van accountant [boekhouder van eiser] is door mij globaal beoordeeld op de inhoud. De reactie is van dien aard dat de aangedragen punten op zijn minst nader onderzocht hadden moeten worden. In grote lijnen komen de bevindingen van de accountant overeen met mijn bevindingen. (…)

Conclusie en advies Het uitgevoerde onderzoek en de rapportage zijn onvolledig. Essentiële informatie ontbreekt, de onderbouwing van de stellingen is summier en onvoldoende en zodoende kunnen er vraagtekens worden gezet bij de getrokken conclusies. (…)".

3.18. Na overleg tussen partijen hebben zij [bedrijfskundig adviseur] opdracht gegeven om te reageren op de brief van [boekhouder van eiser] van 30 september 2021. [bedrijfskundig adviseur] heeft naar aanleiding daarvan aanvullend gerapporteerd op 13 maart 2023.

3.19. TVM heeft de rapportage van [bedrijfskundig adviseur] van 8 oktober 2021 laten beoordelen door de heer F. Leendertse, accountant bij Dekra. Leendertse heeft op 10 november 2023 een rapport opgemaakt. Leendertse kan zich vinden in de rapportage van [bedrijfskundig adviseur] en verwerpt de kritiek van [boekhouder van eiser], het NRL en Radar.

3.20. Er is door TVM in totaal € 95.000,-, waarvan € 65.000,- aan smartengeld, betaald aan [eiser] als voorschot op de ongevalsgerelateerde schade.

4. De vorderingen en de standpunten van partijen

4.1. [eiser] vordert, na ter zitting gedane wijziging van eis (ten aanzien van petitum onder III.), dat de rechtbank voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. verklaart voor recht dat partijen niet gebonden zijn aan de rapportages van de heer R. [bedrijfskundig adviseur] van Wibbens Advies van 8 oktober 2021 en 13 maart 2023 bij de vaststelling van de schade door verlies aan verdienvermogen;

II. TVM veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 2.666.055,- aan geleden schade wegens verlies aan verdienvermogen (inclusief pensioenschade en belastingschade) aan [eiser] zoals berekend door NRL in het rapport van 11 juni 2024, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vereffenen en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid subsidiair vanaf de dag dezer dagvaarding tot die der algehele voldoening;

III. TVM veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding aan [eiser] van € 80.000,- wegens smartengeld, te verminderen met een bedrag van € 65.000,- aan door TVM betaalde voorschotten en te vermeerderen met de wettelijke rente, een en ander zoals toegelicht in paragraaf 7.7, en resulterend in een nog door TVM te betalen vergoeding van € 36.320,- aan smartengeld inclusief de wettelijke rente tot datum dagvaarding, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede;

IV. TVM ter zake de geleden en te lijden schade wegens benodigde huishoudelijke hulp veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 80.340,80 aan [eiser], dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vereffenen en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid subsidiair vanaf de dag dezer dagvaarding tot die der algehele voldoening;

V. TVM veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 96.367,- aan [eiser] ter zake de tot en met 2023 geleden schade wegens verlies aan zelfwerkzaamheid, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vereffenen en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid subsidiair vanaf de dag dezer dagvaarding tot die der algehele voldoening;

VI. TVM ter zake de geleden en te lijden schade wegens verlies aan zelfwerkzaamheden vanaf 2024 tot 12 februari 2024 veroordeelt tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 391.553,- dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vereffenen en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid subsidiair vanaf de dag dezer dagvaarding tot die der algehele voldoening;

VII. TVM veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 78.803,79 aan [eiser] ter zake de kosten voor aanpassing en verbouwing van het woonhuis van [eiser], gelegen aan de [adres] te [woonplaats], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dezer dagvaarding tot die der algehele voldoening;

VIII. TVM veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 15.000,- aan [eiser] ter zake de overige materiële schade, zoals toegelicht in paragraaf 8.6 van deze dagvaarding, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vereffenen en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid subsidiair vanaf de dag dezer dagvaarding tot die der algehele voldoening;

IX. TVM ter zake de schade wegens verschuldigde kosten voor buitengerechtelijke rechtsbijstand veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 84.129,19 aan [eiser], welk bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede;

X. TVM veroordeelt om aan [eiser] een deugdelijke fiscale garantie te verstrekken over het totaal van toegewezen schadevergoedingen, alsmede;

XI. op de onder I, II, IV, V, VI, VII en VIII gevorderde en toe te wijzen materiële schade dient het door TVM bij wijze van voorschotten uitgekeerde bedrag ter zake materiële schade van € 30.000,- in mindering te worden gebracht;

XII. TVM te veroordelen tot betaling van de kosten in dit geding, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

4.2. [eiser] legt daaraan het volgende ten grondslag. Hij meent dat het definitieve rapport van [bedrijfskundig adviseur] niet geschikt is om als uitgangspunt te dienen bij de afwikkeling van de schade door verlies aan verdienvermogen. Er bestaan zwaarwegende en steekhoudende bezwaren tegen zowel de totstandkoming als de inhoud van het rapport van [bedrijfskundig adviseur], zodat hij niet gebonden is aan de uitkomsten daarvan. In de eerste plaats is het rapport van [bedrijfskundig adviseur] slecht leesbaar en onoverzichtelijk. In zijn rapport verwijst [bedrijfskundig adviseur] bijvoorbeeld naar rapporten en bijlages, zonder daaruit te citeren. Ook motiveert [bedrijfskundig adviseur] de keuzes die hij maakt niet of beknopt. Het onderzoek van [bedrijfskundig adviseur] is voorts onvolledig. Op basis van de rapportage kan geen duidelijk beeld worden gevormd van de vof, van de bedrijfskundige gevolgen voor de vof en van de werkzaamheden van [eiser] als gevolg van het door hem overkomen ongeval. De algemene bedrijfsinformatie is summier omschreven en cruciale onderwerpen worden niet of gebrekkig weergegeven. [bedrijfskundig adviseur] is bovendien niet transparant geweest. Zo heeft [bedrijfskundig adviseur] twee maal een concept rapport uitgebracht, maar heeft hij nooit (inhoudelijk) gereageerd op de vragen en opmerkingen die namens partijen zijn aangevoerd. In het definitieve rapport ontbreken de opmerkingen van partijen en is niet duidelijk welke gevolgen deze opmerkingen hebben gehad op de rapportages. Ondanks de kritische reacties van partijen heeft [bedrijfskundig adviseur] zijn rapport definitief gemaakt. Het rapport van [bedrijfskundig adviseur] voldoet niet aan de vereisten van onpartijdigheid, consistentie, inzichtelijkheid en logica.

4.3. TVM voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. Volgens haar zijn partijen gebonden aan (de uitkomsten van) het rapport van [bedrijfskundig adviseur], omdat de deskundige door partijen gezamenlijk is ingeschakeld en zijn rapport in orde is. Het rapport van [bedrijfskundig adviseur] is definitief geworden. Daaruit volgt dat er sprake is van een verlies aan verdienvermogen ter hoogte van € 252.789,-. Aan de hand van de uitkomsten van de gezamenlijke expertise moeten afspraken worden gemaakt over de verdere schadeafwikkeling, aldus TVM. Subsidiair stelt TVM zich op het standpunt dat een gezamenlijk expert (bedrijfskundige/bedrijfseconoom) het verlies aan verdienvermogen van [eiser] dient te beoordelen.

4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

5.1. Het geschil gaat over de afwikkeling van schade van het ernstige verkeersongeval dat [eiser] op 11 juli 2012 is overkomen ten gevolge waarvan [eiser] schade heeft geleden.

5.2. Tussen partijen staat vast dat TVM voor 80% aansprakelijk is voor de ongevalsgerelateerde schade van [eiser]. Tussen partijen bestaat geen discussie over het causaal verband tussen het ongeval van 11 juli 2012 en de klachten en beperkingen van [eiser]. Ook is niet in discussie tussen partijen dat [eiser] als volledig arbeidsongeschikt moet worden beschouwd (80-100%).

5.3. Partijen zijn het niet eens over de omvang van de schade. Partijen verschillen vooral van mening over de schadepost 'verlies aan verdienvermogen'. [eiser] had ten tijde van het ongeval een eigen motorzaak, [bedrijf eiser] V.O.F. Voor het in kaart brengen van de schade uit verlies aan verdienvermogen hebben partijen in 2020 in gezamenlijk overleg Wibbens Advies ingeschakeld voor een arbeidsdeskundig en bedrijfseconomisch onderzoek. De inhoud van het arbeidsdeskundig rapport van Riensema is niet in discussie tussen partijen. Het bedrijfseconomisch onderzoek werd verricht door [bedrijfskundig adviseur]. [bedrijfskundig adviseur] heeft een tweetal concept rapportages en een definitieve rapportage uitgebracht. Partijen zijn het niet eens over de bruikbaarheid van de rapportage van [bedrijfskundig adviseur] en of deze als uitgangspunt kan dienen voor de afwikkeling van de schade. Volgens TVM is de rapportage van [bedrijfskundig adviseur] definitief en zijn partijen daaraan gebonden. Volgens [eiser] is dat niet het geval. Hij heeft kritiek op de wijze van totstandkoming en de inhoud van de rapportage van [bedrijfskundig adviseur]. Partijen hebben beide eenzijdig een andere deskundige aangezocht die het rapport van [bedrijfskundig adviseur] heeft beoordeeld. [eiser] heeft De Koning ingeschakeld. Daarnaast heeft [eiser] ook het NRL ingeschakeld. TVM heeft Dekra ingeschakeld. Partijen verschillen als gevolg daarvan fundamenteel over de omvang van de schade door verlies aan verdienvermogen. Volgens [eiser] bedraagt die schade € 2.666.055,- (inclusief pensioenschade en belastingschade). Volgens TVM bedraagt die schade € 252.789,-.

5.4. De rechtbank overweegt als volgt. Als uitgangspunt voor de berekening van de omvang van de verplichting tot schadevergoeding geldt dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand wordt gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. Hieruit volgt dat zijn schade in beginsel moet worden berekend met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval. De berekening van inkomensschade mag niet alleen steunen op aannames of verwachtingen. Bij de berekening van verlies aan verdienvermogen betekent dit – kort gezegd – dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien de schadeveroorzakende gebeurtenis niet zou hebben plaatsgevonden. Hierbij komt het aan op de redelijke verwachting omtrent toekomstige ontwikkelingen.

5.5. Ten behoeve van het vaststellen van het verlies aan verdienvermogen hebben partijen gezamenlijk en in overleg aan [bedrijfskundig adviseur] opdracht gegeven tot het uitbrengen van een bedrijfskundig expertiserapport. De door [bedrijfskundig adviseur] te beantwoorden onderzoeksvragen zijn door partijen in onderling overleg opgesteld. Volgens vaste rechtspraak is het aan de rechter om te beoordelen welke bewijskracht aan het deskundigenbericht toekomt. De rechtbank zal in beginsel afgaan op de inhoud en conclusie van een op gezamenlijk verzoek opgesteld deskundigenrapport. Voorwaarde daarvoor is wel dat het rapport van een deskundige op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De motivering en conclusies van de deskundige moeten deugdelijk zijn onderbouwd en voortvloeien uit de door hem in het rapport vermelde gegevens. Door een partij aangevoerde zwaarwegende en steekhoudende bezwaren tegen het deskundigenbericht kunnen ertoe leiden dat de rechtbank (de conclusie van) het expertiserapport bij de beoordeling buiten beschouwing zal laten. Daarvan is onder andere sprake wanneer het deskundigenbericht niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen van onpartijdigheid, consistentie, inzichtelijkheid en logica (zie onder meer ECLI:NL:RBROT:2017:9799 en ECLI:NL:RBLIM:2018:8504).

5.6. [eiser] heeft naast inhoudelijke bezwaren tegen het rapport van [bedrijfskundig adviseur] ook bezwaren gemaakt tegen de totstandkoming van het rapport. De rechtbank kiest ervoor om allereerst de inhoudelijke bezwaren te bespreken. Naar het oordeel van de rechtbank klaagt [eiser] terecht over de inhoud van het rapport van [bedrijfskundig adviseur]. De rechtbank zal hierna bespreken wat daarvoor redengevend is, aan de hand van de door [eiser] naar voren gebrachte inhoudelijke bezwaren.

De maandagsluiting is onvoldoende onderzocht

5.7. Volgens [eiser] heeft [bedrijfskundig adviseur] geen onderzoek gedaan naar de oorzaak van de maandagsluiting, die volgens [eiser] een ongevalsgevolg is. Volgens TVM had [eiser], naar aanleiding van de eerste concept rapportage van [bedrijfskundig adviseur], zelf moeten aanvoeren dat de maandagsluiting het gevolg is van het ongeval. Ook vraagt TVM zich af waarom, indien de maandagsluiting het gevolg is van het ongeval, deze dan alleen geldt in het laagseizoen en niet in het hoogseizoen.

5.8. De rechtbank overweegt hierover het volgende. In zijn rapport schrijft [bedrijfskundig adviseur]: "Op de website van het bedrijf [website bedrijf eiser] is diverse informatie te vinden over het bedrijf. De openingstijden zijn van maandag tot en met vrijdag van 09.00 uur tot 18:00 uur. Op de donderdag, koopavond is men tot 20:00 uur geopend. Op de zaterdag is men van 09.00 uur tot 17.00 uur geopend. In de periode van 1 oktober tot 1 maart is men op de maandag gesloten, de overige dagen is de openstelling ongewijzigd.

Bij brief van 30 september 2021, in reactie op de tweede concept rapportage, heeft [boekhouder van eiser] hierover namens [eiser] het volgende opgemerkt: "T.a.v. de verwijzing naar de website dat het bedrijf maandags gesloten is merken wij op dat dit uit nood is geboren. De sluiting op maandag is na het ongeval van [eiser] ingevoerd, hiervan was voor het ongeval geen sprake.".

[bedrijfskundig adviseur] heeft in zijn aanvullende rapportage van 13 maart 2023 over de maandagsluiting in reactie op het schrijven van [boekhouder van eiser] het volgende opgemerkt: "Op 8 juni 2023 heb ik met betrokkene, zijn partner en de heer [boekhouder van eiser] de conceptrapportage besproken. Toen is er geen opmerking gemaakt over de reden van de sluiting op de maandag, in het laagseizoen.

In het schrijven van de heer [boekhouder van eiser] wordt aangegeven dat de sluiting op de maandag ten gevolge is van het ongeval.

Zoals aangegeven, is ervoor gekozen om de opmerkingen van betrokkene aan de rapportage te voegen en verdere reactie van partijen af te wachten. Nadien heb ik betrokkene niet meer gesproken, waardoor door mij niet onderzocht is of de sluiting op de maandag, gedurende het laagseizoen ten gevolge van het ongeval is geweest.".

5.9. De rechtbank constateert dat [bedrijfskundig adviseur] niet heeft onderzocht wat de oorzaak is van de maandagsluiting. Dat lag echter wel in de rede, omdat evident is dat een dagsluiting gevolgen kan hebben voor de omzet. Het rapport van [bedrijfskundig adviseur] is in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank kan de conclusies van [bedrijfskundig adviseur], voor zover deze betrekking hebben op (het niet meenemen van) de maandagsluiting, op dit moment dan ook niet voor juist aannemen.

5.10. Dat het rapport op 8 juni 2021 met [eiser] (in het bijzijn van zijn partner en [boekhouder van eiser]) is besproken en [eiser] op dat moment geen reden heeft gegeven voor de sluiting op de maandag in het laagseizoen, zoals TVM nog naar voren heeft gebracht, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Vanaf het moment dat [bedrijfskundig adviseur] op de hoogte was geraakt van de maandagsluiting had hij daarnaar adequaat onderzoek moeten doen.

[bedrijfskundig adviseur] geeft in bedrijfskundige zin geen antwoord op vraag 1, passeert de relevante gebeurtenissen in de privésfeer die van invloed zijn geweest op de omzet vóór ongeval en baseert de stand van zaken ten tijde van het ongeval op verkeerde cijfers

5.11. Volgens [eiser] heeft [bedrijfskundig adviseur] zich ten onrechte beperkt tot het beoordelen van de jaarstukken 2010, 2011 en 2012. Bedrijfskundig heeft [bedrijfskundig adviseur] geen antwoord gegeven op de aan hem gestelde vraag 1. Tot deze conclusie komt ook De Koning in zijn rapport: "Het antwoord gaat slechts in op de bedrijfseconomische omstandigheden, zo wordt er ingegaan op rentabiliteit, solvabiliteit en liquiditeit. Bedrijfskundig wordt er echter geen antwoord gegeven op de vraag.". Een goede bedrijfsomschrijving van de vof en positionering van de vof in de markt ontbreekt in het rapport van [bedrijfskundig adviseur]. Het is onduidelijk hoe het bedrijf functioneerde ten tijde van het ongeval. Wie voerde welke werkzaamheden uit en voor hoeveel uur per week? Ook omvat het rapport geen omschrijving van de ontwikkeling van het bedrijf vanaf de start van de onderneming in 2002 tot aan het eerste ongeval in 2011. [bedrijfskundig adviseur] beperkt zich tot het benoemen van de verhuizing in 2003 en de uitbreiding van het pand in 2007. Ook had [bedrijfskundig adviseur] meer aandacht moeten besteden aan de privégebeurtenissen in 2009 en 2010. Het rapport benoemt slechts de algemene gegevens van het CBS en de BOVAG. De Koning schrijft hierover: "Mijns inziens had hier meer ingegaan moeten worden op onder andere de positie (ontwikkelingen) in de markt en daarna met een koppeling richting het bedrijf van betrokkene. Daarnaast had vermeld moeten worden dat in 2011 het bedrijf van betrokkenen uit een moeilijke periode kwam als gevolg van privéomstandigheden. Zie hiervoor ook de reactie van betrokkene (m.b.v. accountant [boekhouder van eiser]).".

5.12. Volgens TVM is vraag 1 wel degelijk juist door [bedrijfskundig adviseur] beantwoord. De verwijten die [eiser] [bedrijfskundig adviseur] maakt zijn onterecht. Wie voor het ongeval welke werkzaamheden uitvoerden en voor hoeveel uur per week is niet concreet op betrouwbare wijze te bepalen en dat kon [bedrijfskundig adviseur] dus niet meenemen in zijn rapport. Een sluitende urenadministratie aan de zijde van [eiser] ontbreekt bovendien. Dat kan [bedrijfskundig adviseur] niet worden aangerekend. En de omzetontwikkeling vanaf de start van de onderneming van [eiser] is helemaal niet relevant, nu de ongevallen zich hebben voorgedaan op 25 oktober 2011 en 11 juli 2012. [bedrijfskundig adviseur] is voorts wel degelijk ingegaan op de markt in de regio. Hij heeft wel degelijk een vergelijking gemaakt met branche-informatie. Er mag vanuit worden gegaan dat de branche-informatie van het CBS en BOVAG betrouwbare en statistische informatie uit de regio van [eiser] omvat. Ten aanzien van de gebeurtenissen in de privésfeer geldt volgens TVM dat deze weliswaar hun weerslag zullen hebben gehad op [eiser] en zijn gezin, maar dat dit geen reden kan zijn om de werkelijk behaalde resultaten te normaliseren. Het is begrijpelijk en juist dat [bedrijfskundig adviseur] bij het in kaart brengen van de resultaten hieraan in zijn rapport geen aandacht heeft besteed.

5.13. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Vraag 1 die aan [bedrijfskundig adviseur] is voorgelegd luidt "Hoe stond het bedrijf van betrokkene er voor de ongevallen 25.10.2011 en vervolgens 11.07.2012 in bedrijfskundige en bedrijfseconomische zin voor?"

In zijn rapport schrijft [bedrijfskundig adviseur] dat hij voor de beantwoording van deze vraag ten aanzien van het eerste ongeval op 25 oktober 2011 heeft gekeken naar de jaarrekening van 2010 en 2011. Op basis van een vergelijking tussen de cijfers van beide jaarrekeningen concludeert [bedrijfskundig adviseur] dat de onderneming voor/ ten tijde van het eerste ongeval een gezonde financiële positie had. Ten aanzien van het tweede ongeval op 11 juli 2012 heeft [bedrijfskundig adviseur] gekeken naar de winst- en verliesrekening van 2012 en de balans per 31 december 2012. [bedrijfskundig adviseur] concludeert dat de onderneming voor/ ten tijde van het tweede ongeval een gezonde financiële positie had.

5.14. De rechtbank constateert dat [bedrijfskundig adviseur] weliswaar ingaat op de rentabiliteit, solvabiliteit en liquiditeit van de vof, en dus op de bedrijfseconomische aspecten, maar niet op de bedrijfskundige aspecten. [bedrijfskundig adviseur] heeft bij de beantwoording van vraag 1 niet in kaart gebracht hoe de onderneming er in bedrijfskundig opzicht voorstaat. Het doel van een bedrijfskundige analyse is om de financiële gezondheid van de vof te beoordelen en de gemiddelde verdiencapaciteit te bepalen over een representatieve periode van een – naar het oordeel van de rechtbank – minimale periode van drie jaar binnen de relevante marktsector. Het eerste ongeval heeft plaatsgevonden in oktober 2011 en het tweede in juli 2012. De Koning merkt naar het oordeel van de rechtbank in zijn rapportage dan ook terecht op dat in de jaarrekening van 2012 (in ieder geval een deel van) de financiële gevolgen van beide ongevallen zijn meegenomen. Dat jaar geeft dus geen representatief beeld van de financiële situatie. Daar had [bedrijfskundig adviseur] rekening mee moeten houden.

5.15. Daarbij komt dat privéomstandigheden ook van invloed kunnen zijn (geweest) en een (incidenteel) vertekend beeld (kunnen) geven van de financiële positie van de onderneming, zodat deze moeten worden onderzocht en beoordeeld op hun relevantie. [boekhouder van eiser] heeft namens [eiser] in reactie op het concept rapport van [bedrijfskundig adviseur] privéomstandigheden naar voren gebracht die volgens hem van invloed zijn geweest op de behaalde resultaten van de vof. Uit het rapport van [bedrijfskundig adviseur] blijkt niet dan wel onvoldoende dat [bedrijfskundig adviseur] privéomstandigheden aan de zijde van [eiser] heeft onderzocht en meegenomen in zijn onderzoek en vervolgens heeft beoordeeld of, en zo ja in hoeverre, deze van invloed zijn geweest op de financiële situatie van de vof. TVM heeft de aanwezigheid van deze privéomstandigheden overigens niet weersproken.

5.16. Dat elk bedrijf wordt geconfronteerd met niet beïnvloedbare omgevingsfactoren, al dan niet in de persoonlijke levenssfeer, die van invloed zijn op de bedrijfsresultaten en die reeds zijn verdisconteerd in de branchecijfers, zoals TVM naar voren heeft gebracht, maakt – wat daar verder ook van zij – niet dat specifieke omstandigheden aan de zijde van [eiser] door [bedrijfskundig adviseur] niet onderzocht en beoordeeld hadden hoeven te worden. Ook blijkt uit het rapport van [bedrijfskundig adviseur] overigens niet dat hij (specifiek) bij de beantwoording van vraag 1 de vof van [eiser] heeft vergeleken met vergelijkbare bedrijven in de sector.

5.17. Het rapport van [bedrijfskundig adviseur] voldoet bij de beantwoording van vraag 1 - reeds hierom - niet aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden. Hetgeen partijen in dit verband voor het overige hebben aangevoerd, kan onbesproken blijven. De rechtbank zal de conclusies van [bedrijfskundig adviseur] op dit punt naast zich neerleggen.

[bedrijfskundig adviseur] geeft in bedrijfskundige zin geen antwoord op vraag 2

5.18. Volgens [eiser] geeft [bedrijfskundig adviseur], net als bij zijn antwoord op vraag 1, alleen in bedrijfseconomische zin antwoord op de vraag. Bedrijfskundig wordt de vraag niet beantwoord.

5.19. Volgens TVM maakt [eiser] dit verwijt aan [bedrijfskundig adviseur] ten onrechte. Onduidelijk is wat hiervan de relevantie is voor de uitkomst van de berekening zoals door [bedrijfskundig adviseur] gemaakt. [eiser] licht het verder ook niet toe.

5.20. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Vraag 2 die aan [bedrijfskundig adviseur] is voorgelegd luidt "Hoe staat het bedrijf van betrokkene er in bedrijfskundige en bedrijfseconomische zin op dit moment voor?"

In zijn rapport schrijft [bedrijfskundig adviseur] dat hij voor de beantwoording van deze vraag heeft gekeken naar de meest recente jaarrekening, die van 2020. Op basis daarvan concludeert [bedrijfskundig adviseur] dat de onderneming op dat moment (gebaseerd op de conceptjaarcijfers van 2020) een gezonde financiële positie had.

5.21. De rechtbank is van oordeel dat het rapport van [bedrijfskundig adviseur] ook op dit punt niet voldoet aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden. [bedrijfskundig adviseur] gaat, ook bij de beantwoording van deze vraag in op de rentabiliteit, solvabiliteit en liquiditeit van de vof, en dus op de bedrijfseconomische aspecten, maar niet ook op de bedrijfskundige aspecten. [bedrijfskundig adviseur] heeft daarmee ook voor de beoordeling van de actuele situatie niet in kaart gebracht hoe de vof er bedrijfskundig voor stond (zie 5.14). Zo heeft [bedrijfskundig adviseur] niet geanalyseerd hoe de onderneming er in bedrijfskundig opzicht voorstaat.

5.22. De rechtbank zal de conclusies van [bedrijfskundig adviseur] op dit punt niet overnemen.

Bij zijn antwoord op vraag 3 stelt [bedrijfskundig adviseur] dat de vof in bepaalde opzichten beter presteerde dan in de branche en in bepaalde opzichten minder dan de branche. Uit het rapport kan echter alleen de conclusie worden getrokken dat de vof beter presteerde dan de branche en dat slechts de brutowinstmarge lager was dan in de branche [bedrijfskundig adviseur] baseert zijn antwoord op vraag 3 vooral op de jaren 2009 en 2010, terwijl deze jaren niet representatief zijn voor het functioneren van de vof Bij het beantwoorden van vraag 3 houdt [bedrijfskundig adviseur] geen rekening met verkeersongevallen in 2011 en 2012

5.23. Volgens [eiser] volgt het antwoord van [bedrijfskundig adviseur] op vraag 3 niet uit zijn onderzoek. Uit de op pagina 11 t/m 13 van het rapport van [bedrijfskundig adviseur] opgenomen overzichten blijkt dat de vof van [eiser] veel beter presteerde dan de branche. Ook werden de jaren 2009 en 2010 gekenmerkt door bijzondere privéomstandigheden die een grote invloed hebben gehad op de bedrijfsresultaten van de vof. Door te kijken naar de jaarcijfers van 2011 en 2012 heeft [bedrijfskundig adviseur] geen rekening gehouden met de twee ongevallen die juist in die jaren plaatsvonden. Voor het beantwoorden van vraag 3 had [bedrijfskundig adviseur] voor het jaar 2011 de cijfers van de eerste negen maanden (voor het ongeval), en voor het jaar 2012 de cijfers van het eerste half jaar (voor het ongeval), moeten opvragen en beoordelen.

5.24. TVM stelt dat de verwijten die [eiser] [bedrijfskundig adviseur] maakt ten aanzien van de beantwoording van vraag 3 onterecht zijn. TVM is het eens met de conclusie van [bedrijfskundig adviseur] en brengt, onder verwijzing naar het rapport van Dekra, naar voren dat er bij de vof van [eiser] door de jaren heen wel degelijk sprake was van fluctuerende omzetten, marges en bedrijfskosten. Deze kunnen het resultaat zijn van zowel marktomstandigheden als beslissingen van het bedrijf. [bedrijfskundig adviseur] heeft van de belangrijkste afwijkingen een verklaring gegeven. [bedrijfskundig adviseur] had ook niet meer onderzoek kunnen doen (naar ouderdom voorraad, omloopsnelheid en prijsbepalingsstrategie), want daarvoor was de benodigde informatie niet meer voorhanden, althans deze kon niet door [eiser] worden aangereikt. Verder zijn de jaren 2009 en 2012 meegenomen omdat dit de jaren zijn voorafgaand aan het ongeval. De omzetontwikkeling vanaf de start van de onderneming is volgens Dekra niet relevant. TVM verwijst naar de visie van Dekra: "De feitelijke situatie is maatgevend omdat de invloed van de privéomstandigheden niet concreet is te berekenen. Het beter presteren dan de branche wordt dan subjectief terwijl dit percentage wel een cruciale rol speelt voor de bepaling wanneer de omzet weer 'op het niveau is dat zonder het ongeval zou zijn bereikt' (2017 versus 2020). De branchecijfers zijn gebaseerd op de cijfers van een grote populatie gelijkwaardige bedrijven waardoor deze in elk geval een betrouwbare grondslag vormen waarin zowel de marktomstandigheden als individuele omstandigheden bij bedrijven met dezelfde SBI-code zijn verdisconteerd.".

5.25. De rechtbank is van oordeel dat [bedrijfskundig adviseur] bij de beantwoording van vraag 3: "Was en is het bedrijf branchevolgend?", met het gebruik van de jaren 2009 tot en met 2012 een te korte referentieperiode heeft gebruikt. Zoals de rechtbank hiervoor al heeft overwogen kunnen privéomstandigheden van invloed zijn (geweest) op behaalde bedrijfsresultaten en kunnen de bedrijfsresultaten daardoor een vertekend beeld geven van de financiële positie van een onderneming. Niet in discussie is dat de jaren 2009 en 2010 aan de zijde van [eiser] worden gekenmerkt door bijzondere privéomstandigheden, zodat deze moeten worden onderzocht en beoordeeld op hun relevantie voor de behaalde resultaten van de vof. Zoals de rechtbank hiervoor eveneens heeft overwogen blijkt uit het rapport van [bedrijfskundig adviseur] niet dan wel onvoldoende dat hij de privéomstandigheden aan de zijde van [eiser] heeft meegenomen en heeft meegewogen. Daarbij komt dat de jaren 2011 en 2012 de ongevalsjaren zijn, zodat deze jaren reeds om die reden niet als representatief kunnen worden aangemerkt, zoals de rechtbank hiervoor ook al heeft overwogen.

5.26. Dat het lastig is om te berekenen in welke mate de privéomstandigheden concreet van invloed zijn geweest op de bedrijfsresultaten, zoals TVM naar voren heeft gebracht, mag zo zijn, maar maakt niet dat deze privéomstandigheden om die reden (geheel) buiten beschouwing zouden moeten worden gelaten. Indien een berekening van de invloed van privéomstandigheden voor [bedrijfskundig adviseur] in de gegeven omstandigheden lastig was, dan had het in ieder geval in de rede gelegen dat [bedrijfskundig adviseur] daar een opmerking over had gemaakt in zijn rapport en dat hij daar vervolgens op was ingegaan in zijn rapport, bijvoorbeeld door een beredeneerde schatting te maken. Dat heeft [bedrijfskundig adviseur] niet gedaan.

5.27. Het bovenstaande maakt reeds dat niet van de conclusies van [bedrijfskundig adviseur] ten aanzien van vraag 3 kan worden uitgegaan.

Het would-be scenario is onvoldoende onderbouwd

5.28. Een van de argumenten die [eiser] in dit kader naar voren brengt is dat de jaren vóór 2009 hadden moeten worden meegenomen in het would-be scenario. [bedrijfskundig adviseur] is uitgegaan van de jaren 2009 en 2010, die niet representatief zijn voor de behaalde resultaten vanwege omstandigheden in de privésfeer. Het was logischer geweest als [bedrijfskundig adviseur] ook de jaren vóór 2009 had meegenomen. TVM heeft - ook op dit punt - aangevoerd dat de jaren 2009 en 2010 representatief zijn.

5.29. De rechtbank herhaalt hier dat privéomstandigheden van invloed kunnen zijn (geweest) op de werkelijk behaalde bedrijfsresultaten waardoor deze een vertekend beeld kunnen geven van de financiële positie van een onderneming. Niet in discussie is dat de jaren 2009 en 2010 aan de zijde van [eiser] worden gekenmerkt door privéomstandigheden, zodat deze moeten worden onderzocht en beoordeeld op hun relevantie op de behaalde resultaten van de vof. Uit het rapport van [bedrijfskundig adviseur] blijkt niet dan wel onvoldoende dat hij de privéomstandigheden aan de zijde van [eiser] heeft meegenomen in zijn onderzoek en vervolgens heeft beoordeeld of, en zo ja in hoeverre, deze van invloed zijn geweest op de financiële situatie van de vof. Het rapport van [bedrijfskundig adviseur] is op dit punt dan ook onvoldoende onderbouwd. Reeds om die reden legt de rechtbank de conclusies van [bedrijfskundig adviseur] op dit punt naast zich neer.

Conclusie rechtbank

5.30. De hiervoor door de rechtbank geconstateerde tekortkomingen in het rapport van [bedrijfskundig adviseur] werken door in het gehele rapport van [bedrijfskundig adviseur]. De rechtbank acht het niet zinvol om [bedrijfskundig adviseur] een nadere toelichting of aanvulling te geven op zijn rapportage. Dat betekent dat de rechtbank het gehele rapport van [bedrijfskundig adviseur] als onbruikbaar terzijde legt. De inhoud van het rapport is niet bindend voor partijen. Het rapport kan dan ook niet dienen als uitgangspunt voor de afwikkeling van het verlies aan verdienvermogen van [eiser].

5.31. De overige stellingen van partijen over de inhoud en totstandkoming van het rapport van [bedrijfskundig adviseur] behoeven geen verdere bespreking.

Benoeming deskundige

5.32. De rechtbank ziet in de gegeven omstandigheden geen aanleiding om uit te gaan van de door partijen eenzijdig opgedragen rapportages van enerzijds De Koning en NRL en anderzijds Dekra. De rechtbank zal een nieuw onafhankelijk deskundigenonderzoek gelasten. De rechtbank wenst zich te laten adviseren over – kort gezegd – de ontwikkeling van de onderneming en de consequenties voor het inkomen van [eiser] in de situatie met en zonder beide ongevallen.

5.33. De rechtbank is voornemens om de heer G. Dietvorst, bedrijfseconoom en gecertificeerd registerarbeidsdeskundige, werkzaam bij van Heling & Partners te Assen, g.dietvorst@heling.nl, 06-22 45 84 89, te benoemen als deskundige.

5.34. De heer Dietvorst heeft verklaard vrij te staan in deze zaak en heeft zich bereid verklaard als deskundige te worden benoemd.

Uitgangspunten deskundigenonderzoek

5.35. De rechtbank geeft hierna, met inachtneming van de stellingen van partijen, een toelichting op de uitgangspunten die de deskundige in acht moet nemen.

- Het potentiële Kawasakidealerschap (waarover partijen twisten in deze procedure) hoeft niet te worden meegenomen en gewogen in het onderzoek

Gelet op hetgeen beide partijen naar voren hebben gebracht in deze procedure, is de rechtbank van oordeel dat er niet van kan worden uitgegaan dat de vof van [eiser] in de situatie zonder ongeval het dealerschap van Kawasaki zou hebben verkregen. Uit de stellingen en overgelegde stukken (waaronder productie 54 van de zijde van [eiser]) kan weliswaar worden afgeleid dat [eiser] begin 2011 het voornemen en de ambitie had om het dealerschap van Kawasaki op zich te nemen, maar niet dat dat gewenste dealerschap al rond was dan wel in een zo vergevorderd stadium dat de conclusie gerechtvaardigd is dat het dealerschap (enkel) door het ongeval niet is doorgegaan.

- Bij het beoordelen van het verlies van arbeidsvermogen van [eiser] (als vennoot) dient te worden uitgegaan van de daadwerkelijke inzet van [eiser] (fysieke en mentale arbeid, managementuren) en niet enkel van de boekhoudkundige winstverdeling of fiscale cijfers

Het gaat om persoonlijke schade aan de zijde van [eiser]. De kernvraag is welke inkomsten [eiser] als vennoot redelijkerwijs had kunnen genereren met de eigen arbeid, in plaats van wat er op papier als winst werd uitgekeerd. Indien de deskundige dat voor zijn onderzoek van belang acht dan staat het hem uiteraard vrij om naast het netto verlies aan verdienvermogen van [eiser], ook het netto verlies aan verdienvermogen van zijn medevennoot (echtgenote) te analyseren. De deskundige dient daarbij de schade door de gereduceerde arbeidsbeloning en winstdeling mee te nemen. Dat het bedrijfsresultaat van de onderneming in stand is gehouden door de (extra) inzet van de medevennoot (echtgenote) van [eiser], alsmede hun zoon (die vervroegd is toegetreden tot de onderneming) en dochter, betekent niet dat er geen sprake is van verlies aan verdienvermogen van [eiser]. Er moet naar het oordeel van de rechtbank 'door de vof heen worden gekeken', teneinde te kunnen bepalen wat het verschil aan inbreng is van [eiser] vóór en na het ongeval. Dat de onderneming inmiddels, sinds 30 juni 2025, is omgezet naar een B.V., waaraan ook [eiser] feitelijk leiding geeft, maakt dit door de rechtbank geformuleerde uitgangspunt niet anders. Het gaat om de persoonlijke schade van [eiser], het gaat om zijn verminderde arbeidsvermogen.

- [eiser] werkte vóór het ongeval van 11 juli 2012 gemiddeld 60 uur per week

Partijen verschillen hierover van mening. Gelet op hun stellingen is blijkbaar niet exact te achterhalen hoeveel uren [eiser] voor het ongeval in de onderneming verrichtte. Riensema, wiens rapport niet ter discussie staat tussen partijen, gaat in zijn rapport uit van een gemiddelde werkweek van 60 uur. De rechtbank acht het ook niet onaannemelijk dat een ondernemer die de drijvende kracht is achter een onderneming, gemiddeld 60 uur per week werkt bij een openstelling van zes dagen per week. Daar kan de deskundige dan ook vanuit gaan.

- [eiser] kan ten gevolge van het ongeval van 11 juli 2012 nog hooguit 10 uur per week (productieve) werkzaamheden verrichten in de onderneming

Volgens [eiser] is dat het maximale. In die 10 uur verricht hij werkzaamheden achter de laptop, overlegt hij met zijn zoon en voert hij gesprekken met klanten. TVM heeft in dat verband naar voren gebracht dat [eiser] weliswaar in fysieke zin arbeidsongeschikt is, maar dat hij feitelijk meer dan 10 uur actief is in de onderneming. Hij heeft in de praktijk, zo volgt ook uit de omzetting van de vof naar een B.V., volledige zeggenschap bij het nemen van beslissingen en de ontwikkeling van de onderneming is ook doorgegaan. De rechtbank volgt dat standpunt van TVM niet. Uit het – tussen partijen niet in discussie zijnde – rapport van Riensema volgt dat [eiser] gemiddeld 3 tot 4 uur per dag in de zaak aanwezig was, met een productiviteit van naar eigen zeggen 2 uur. Verder volgt uit het rapport van Riensema dat ten aanzien van het huidige (op het moment van het uitbrengen van de rapportage, rechtbank) arbeidsvermogen van [eiser] het maximale is bereikt. Niet in discussie is tussen partijen dat er sprake is van een medische eindtoestand. De rechtbank gaat voor de situatie na het ongeval uit van een werkweek van [eiser] van hooguit 10 uur per week.

De voor te leggen vragen

5.36. De rechtbank is voornemens om de volgende vragen voor te leggen aan de deskundige. De rechtbank heeft daarbij aansluiting gezocht bij de in de gezamenlijk en in overleg opgestelde vraagstelling aan [bedrijfskundig adviseur]. De rechtbank heeft deze vragen geactualiseerd met hetgeen zij in deze procedure heeft vastgesteld.

  1. Kunt u het verlies aan verdienvermogen als gevolg van het ongeval van 11 juli 2012 inzichtelijk maken?

Wilt u daarbij ingaan op de volgende subvragen:

a. Hoe stond het bedrijf van [eiser] er voor de beide te onderscheiden ongevallen van 25 oktober 2011 en vervolgens 11 juli 2012 in bedrijfskundige en bedrijfseconomische zin voor?

b. Hoe staat het bedrijf van betrokkene er in bedrijfskundige en bedrijfseconomische zin op dit moment voor?

c. Was en is het bedrijf branchevolgend?

d. Welke gevolgen hebben de uitval en beperkingen ten gevolge van beide te onderscheiden ongevallen van [eiser] voor het bedrijf gehad?

e. Is de rol/taak van [eiser] gewijzigd door beide te onderscheiden ongevallen?

f. Hoe zou het bedrijf van [eiser] het vergaan zijn indien beide te onderscheiden ongevallen niet hadden plaatsgevonden?

g. Wat is de reden van de maandagsluiting in het laagseizoen? In hoeverre heeft die maandagsluiting gevolgen (gehad) voor de financiële positie van de onderneming?

h. Wilt u bij de beantwoording van de vragen rekening houden met een representatieve referentieperiode van minimaal vijf jaar en met inachtneming van de (invloed van de) privéomstandigheden van [eiser]?

  1. Heeft u verder nog op- of aanmerkingen die u voor deze casus van belang acht?

5.37. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen om bij akte te reageren op de door de rechtbank voorgestelde deskundige. Indien partijen niet kunnen instemmen met de door de rechtbank voorgestelde deskundige en om die reden iedere partij zelf een deskundige voorstelt, moeten partijen gemotiveerd aangeven waarom zij de voorkeur geven aan de door henzelf voorgestelde deskundige en waarom de door de wederpartij voorgestelde deskundige niet voor benoeming in aanmerking mag komen. Daarbij valt te denken aan zwaarwegende redenen als gebrek aan deskundigheid of gerechtvaardigde twijfels met betrekking tot de onpartijdigheid van de deskundige. Die zwaarwegende redenen moeten worden onderbouwd. De rechtbank zal dan, na weging van de onderbouwing vóór en tegen de benoeming van een potentiële deskundige, een door partijen aangedragen deskundige of een eigen deskundige benoemen. De rechtbank zal de zaak daartoe naar de rol verwijzen, zodat partijen zich over het voorgaande bij akte kunnen uitlaten. Partijen kunnen zich bij deze akte tevens uitlaten over de voorgestelde vraagstelling en de eventueel aan de deskundige verder nog te stellen vragen. Ook kunnen partijen zich – bij instemming van beide zijden met de door de rechtbank voorgestelde deskundige – alvast uitlaten over de hoogte van de begroting van zijn voorschot.

5.38. De deskundige heeft het voorschot begroot op een bedrag van 48 uren à € 232,- (exclusief btw) = € 13.648,-. De rechtbank zal partijen ook in de gelegenheid stellen om zich bij akte zich uit te laten over de hoogte van het voorschot. Voor het geval partijen van deze gelegenheid geen gebruik maken, zal de rechtbank de hoogte van het voorschot reeds nu voor alsdan bepalen op het door de deskundige begrote bedrag van € 16.514,08,- inclusief btw. Indien wel bezwaar wordt gemaakt tegen de hoogte van het door de deskundige begrote voorschot, zal hierop bij afzonderlijke rechterlijke beslissing worden beslist.

5.39. De rechtbank ziet aanleiding om in het opvolgende tussenvonnis te bepalen dat het voorschot op de kosten van de deskundige door TVM, als WAM-verzekeraar van [bestuurster], moet worden betaald. In het eindvonnis zal de rechtbank beslissen wie van partijen uiteindelijk de kosten van de deskundige moet betalen.

Geen openstelling tussentijds hoger beroep

5.40. De rechtbank ziet geen aanleiding om – in afwijking van de hoofdregel van artikel 337 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) – tussentijds hoger beroep van dit tussenvonnis open te stellen, waar TVM om heeft verzocht.

Voorschot op schade door verlies aan verdienvermogen

5.41. De rechtbank overweegt tot slot het volgende. Het is inmiddels bijna 14 jaar geleden dat het ongeval van [eiser] heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan [eiser] ernstige fysieke en mentale klachten heeft opgelopen. De rechtbank kan helaas nog geen knoop doorhakken over de omvang van de schade van [eiser] en nog geen eindvonnis wijzen. Dat is spijtig, vooral voor [eiser], die het ongeval is overkomen, en zijn gezin. Het siert [eiser] dat hij zich, zo goed en kwaad als hij dat kon, samen met zijn gezin is blijven inspannen voor het – onder andere – draaiende houden van zijn onderneming. In totaal heeft TVM, als aansprakelijke WAM-verzekeraar in deze kwestie, een bedrag ter hoogte van € 95.000,- voldaan. Er is door TVM nog geen voorschot op de schadepost verlies aan verdienvermogen uitgekeerd. Namens TVM is desgevraagd ter zitting verklaard dat er bereidheid bestaat (na te denken over de mogelijkheid) een voorschot op de schadepost verlies aan verdienvermogen te betalen. De rechtbank gaat er vanuit dat TVM, gelet op het tijdsverloop en uit hoofde van haar zorgplicht, daartoe serieuze pogingen onderneemt.

5.42. In afwachting van de door partijen te nemen aktes over de voorgenomen deskundigenbenoeming zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 24 juni 2026 om beide partijen in de gelegenheid te stellen een akte in te dienen over datgene zoals weergegeven in rechtsoverwegingen 5.33., tot en met 5.38.,

6.2. bepaalt dat partijen elkaar uiterlijk 4 weken vóór de genoemde roldatum de concept-akte moeten toesturen, zodat zij ieder in hun eigen akte nog kunnen reageren op de standpunten van de wederpartij,

6.3. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten, mr. A.H. Margadant en mr. H. Bottenberg-van Ommeren en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.

 

¹ [belangenbehartiger van eiser] was op dat moment de belangenbehartiger van [eiser].

Met dank aan mr. J.F. Roth, SAP Letselschade Advocaten voor het inzenden van deze uitspraak.

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2026/RBOVE-130526