Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb Gelderland 120717 delay bij hersenvliesontsteking; aansprakelijkheid waarnemend huisarts afgewezen; nader onderzoek aansprakelijkheid huisarts

Rb Gelderland 120717delay bij hersenvliesontsteking; aansprakelijkheid waarnemend huisarts afgewezen; nader onderzoek aansprakelijkheid huisarts

bodemgeschil na deelgeschil: rb-gelderland-010414-delay-nadere-instructie-nodig-mbt-tot-in-deskundigenbericht-veronderstelde-uiting-klachten-deelgeschil-afgewezen


3 Het geschil
3.1.
De erven [Eiser] vorderen dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
A1 - zal vaststellen dat [waarnemende huisarts] en [huisarts] zijn tekortgeschoten in de nakoming van de behandelovereenkomst, doordat zij niet de zorgvuldigheid in acht genomen hebben die van een redelijk handelend en bekwaam vakgenoot onder vergelijkbare omstandigheden verwacht had mogen worden, dan wel onrechtmatig gehandeld hebben jegens de erfgenamen van de heer [Eiser] ,
A2 - zal bepalen dat [waarnemende huisarts] en [huisarts] aansprakelijk zijn voor de materiële en immateriële schade die de erven [Eiser] in hun hoedanigheid als erfgenamen van de heer [Eiser] geleden hebben en in de toekomst nog zullen lijden, en
A3 - de zaak voor de nadere vaststelling van de exacte omvang van de dor de erven [Eiser] geleden en in de toekomst nog te lijden materiële en immateriële schade door te verwijzen naar een schadestaatprocedure ex artikel 612 Rv,
B - [waarnemende huisarts] en [huisarts] zal veroordelen binnen twee weken na het in dezen te wijzen vonnis als voorschot op de buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 15.000,00 aan de erven [Eiser] te betalen,
C - met veroordeling van [waarnemende huisarts] en [huisarts] in de proceskosten.

3.2.
De erven [Eiser] leggen zakelijk weergegeven het volgende aan hun vordering ten grondslag.
Zij verwijten huisarts [huisarts] dat hij tijdens het consult op 27 september 2002 een uitgebreidere anamnese had moeten verrichten en deze beter in het huisartsenjournaal had moeten registeren. [huisarts] heeft toen bovendien ten onrechte niet de temperatuur van [Eiser] opgenomen en ten onrechte niet zo spoedig mogelijk bloedonderzoek in gang gezet, aldus de erven [Eiser] .
Waarnemend huisarts [waarnemende huisarts] wordt verweten dat hij tijdens het consult op 2 oktober 2002 ten onrechte niet de temperatuur van [Eiser] heeft opgenomen. Ten onrechte heeft [waarnemende huisarts] niet geïnstrueerd twee maal daags temperatuur te meten. Vanwege de splenectomie, de malaise en de mogelijkheid van een infectie had [waarnemende huisarts] een uitgebreidere anamnese moeten afnemen, aldus de erven [Eiser] .
De erven [Eiser] beroepen zich op de bevindingen van deskundige Ram, waaraan de expertise van prof. Van der Molen volgens hen niet af doet. Zij achten [waarnemende huisarts] en [huisarts] aansprakelijk voor de gevolgen van vertraging in de behandeling van de infectie waaraan [Eiser] leed die door het verweten onzorgvuldig handelen is opgetreden.

3.3.
[waarnemende huisarts] en [huisarts] voeren verweer.

3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling
4.1.
Beoordeeld dient te worden of [waarnemende huisarts] en [huisarts] op de door de erven [Eiser] gestelde wijze onzorgvuldig hebben gehandeld, in die zin dat zij hebben gehandeld in strijd met hetgeen van een redelijk handelend en redelijk bekwaam beroepsgenoot onder gelijke omstandigheden mocht worden verwacht. Deze maatstaf geldt onverschillig of wanprestatie dan wel onrechtmatige daad als grondslag wordt genomen voor het gevorderde.
De rechtbank constateert dat de beschikking van 1 april 2014 op dit punt geen uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissing bevat op een of meer geschilpunten tussen partijen betreffende hun materiële rechtsverhouding, waaraan de rechtbank in deze dagvaardingsprocedure op de voet van art. 1019cc Rv zou zijn gebonden.
Het consult bij huisarts [huisarts] op 27 september 2002

4.2.
De bevinding dat [huisarts] onzorgvuldig heeft gehandeld heeft deskundige Ram mede erop gebaseerd dat [Eiser] tijdens het consult expliciet aan [huisarts] heeft gemeld dat hij al maanden vermoeid en beroerd was, zoals bij zijn familie bekend was. In dat geval had [huisarts] de temperatuur van [Eiser] moeten meten en had [huisarts] met spoed, bij voorkeur dezelfde dag, bloedonderzoek moeten laten verrichten. (Zie pagina 15 van het deskundigenbericht, bovenaan.) Dat [Eiser] deze informatie aan [huisarts] heeft verstrekt kan Ram niet (met 100% zekerheid) vaststellen. Ram acht dat waarschijnlijk. (Zie pagina 3 en pagina 4 van de reactie van Ram op de expertise van Van der Molen.) Zijn beoordeling is mede gebaseerd op zijn interpretatie van door [huisarts] gegeven informatie, ‘de herinnering van (soms indirect!) betrokken partijen’ (zie pagina 4 van de reactie van Ram) c.q. op de reactie van de familie [Eiser] op vragen van Ram en op door de erven [Eiser] gestelde klachten (zie pagina 13 van het deskundigenbericht).

4.3.
Ram constateert ook dat het erop lijkt dat [Eiser] terughoudend is in het presenteren van zijn klachten. Hij heeft zich pas na maanden met klachten gemeld bij [huisarts] . Bovendien was hij als zelfstandig marktkoopman voor inkomsten van zijn werk afhankelijk en heeft [Eiser] doorgewerkt tot vlak voor de ziekenhuisopname. Als [Eiser] geen koortsige of zieke indruk maakte zou menig bekwame beroepsgenoot niet anders dan [huisarts] hebben gehandeld, aldus Ram. (Zie pagina 15 van het deskundigenbericht, onder ‘N.B. 1.’)

4.4.
In het huisartsenjournaal is vermeld dat [Eiser] tijdens het consult iets meldt over longontsteking en dat [huisarts] deze melding aldus heeft geïnterpreteerd dat iemand in de omgeving van [Eiser] longontsteking had, dat [Eiser] zelf eerder longontsteking heeft gehad, dat [Eiser] bang was longontsteking te hebben dan wel dat [Eiser] [huisarts] verzoekt longontsteking uit te sluiten. (Zie pagina 3 van het deskundigenbericht.) Ram houdt het erop dat is geregistreerd dat [Eiser] angst had voor een longontsteking. (Zie pagina 14 van het deskundigenbericht.) In het journaal is niet vermeld dat [Eiser] aan [huisarts] heeft gemeld dat hij al maanden vermoeid en beroerd was.

4.5.
[huisarts] heeft betwist dat [Eiser] tijdens het consult heeft gemeld dat hij al maanden vermoeid en beroerd was. (Zie randnummers 57 en 64 van de conclusie van antwoord).

4.6.
Bij deze stand van zaken acht de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voorhanden deskundige Ram (voorshands) te volgen in zijn aanname dat [Eiser] tijdens het consult aan [huisarts] heeft gemeld dat hij al maanden vermoeid en beroerd was. De aanwijzingen die Ram voor zijn aanname aandraagt zijn indirect van aard, afkomstig uit afgeleide bron, en overtuigen de rechtbank daarom niet zonder meer. Dat [Eiser] volgens Ram terughoudend lijkt in het presenteren van klachten vormt voor die aanname bovendien een contra-indicatie. Een objectieve informatiebron voor de aanname van Ram is er niet.

4.7.
Thans kan de rechtbank dan ook niet vaststellen of voorshands bewezen achten dat [Eiser] tijdens het consult aan [huisarts] heeft gemeld dat hij al maanden vermoeid en beroerd was. Deze melding vormt een onmisbare schakel in de door de erven [Eiser] ingeroepen bevinding van Ram dat [huisarts] onzorgvuldig heeft gehandeld. De rechtbank zal de erven [Eiser] in de gelegenheid stellen de melding te bewijzen.

4.8.
De tegen [huisarts] gerichte vordering zal worden afgewezen indien zij niet erin slagen dit bewijs te leveren. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de erven [Eiser] het verwijt dat [huisarts] tijdens het consult op 27 september 2002 een uitgebreidere anamnese had moeten verrichten, althans deze beter in het huisartsenjournaal had moeten registeren, niet als een zelfstandige grond voor toewijzing van hun vordering hebben gepresenteerd, althans niet hebben gesteld hoe deze gestelde omissies op zichzelf beschouwd tot vertraging in de behandeling hebben geleid.

4.9.
Slagen de erven [Eiser] wel in het bewijs, dan komt aan de orde hoe het [Eiser] zou zijn vergaan, het onzorgvuldig handelen weggedacht, dus in de situatie dat [huisarts] wel temperatuur had gemeten en wel met spoed bloedonderzoek in gang had gezet. [huisarts] heeft weliswaar betwist dat het achterwege laten van deze handelingen onzorgvuldig was indien [Eiser] heeft gemeld dat hij al maanden vermoeid en beroerd was (randnummer 59 e.v. van de conclusie van antwoord), maar Ram concludeert naar het oordeel van de rechtbank overtuigend anders. Deze conclusie is niet alleen gebaseerd op de asplenie en de melding van vermoeid- en beroerdheid, maar ook op de eigen evaluatie van [huisarts] dat een ontstekingsproces gaande kon zijn. (Zie pagina 13 van het deskundigenbericht.) Over dit laatste aspect laat [huisarts] noch Van der Molen zich uit. De door Ram geconstateerde noodzaak voor spoedbloedonderzoek heeft [huisarts] noch Van der Molen gemotiveerd weersproken. Op de beoordeling van causaal verband wordt nu niet vooruitgelopen. Dat is gegeven het partijdebat op dit punt zonder voorlichting door een deskundige niet mogelijk.

Het consult bij waarnemend huisarts [waarnemende huisarts] op 2 oktober 2002
4.10.
Zijn door de erven [Eiser] ingeroepen bevinding dat [waarnemende huisarts] onzorgvuldig heeft gehandeld heeft deskundige Ram als volgt toegelicht. Het snel meten van temperatuur was geboden omdat asplenie een risicofactor is bij het krijgen van infecties, omdat de triagist had gemeld “temp? Lijkt warm”, en omdat aan de door [Eiser] gemelde klacht ‘malaise’, zowel door [waarnemende huisarts] onderkende virale infecties, als bacteriële infecties ten grondslag kunnen liggen. Het afnemen van een uitgebreidere anamnese zou hebben kunnen leiden tot dergelijk lichamelijk onderzoek gericht op het uitsluiten van een infectie met koorts. Indien [waarnemende huisarts] vervolgens een temperatuur hoger dan 38,5 °C zou hebben gemeten had hij antibiotica moeten voorschrijven. Als hij geen koorts zou hebben gemeten had hij [Eiser] stevig moeten adviseren zelf thuis dagelijks koorts te meten en bij koorts direct contact op te nemen met de huisarts. (Zie de beantwoording van de vragen 5, 16, 18 en 20 van het deskundigenbericht en pagina 10 van de reactie van Ram.)

4.11.
[waarnemende huisarts] heeft deze conclusie van Ram betwist, onder meer met een verwijzing naar de expertise van Van der Molen. Indien echter veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat [waarnemende huisarts] ten onrechte niet zelf de temperatuur van [Eiser] heeft opgenomen, geldt het volgende.

4.12.
Tussen het consult, volgens de erven [Eiser] rond 9 uur in de avond van 2 oktober 2002, en het inroepen van medische spoedzorg even na 4.30 uur de volgende ochtend, zijn 7½ uur verstreken. Dat [Eiser] koorts, dus een temperatuur hoger dan 38,5 °C, had tijdens het consult of daarna zou hebben ontwikkeld is bepaald onzeker. [Eiser] heeft tijdens het consult aangegeven dat hij geen koorts had. [waarnemende huisarts] heeft een temperatuur van 38,5 °C gemeten toen hij in de ochtend van 3 oktober 2002 bij [Eiser] was geroepen. [Eiser] had bij opname in het ziekenhuis ook geen koorts. Van der Molen concludeert dat [Eiser] met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tijdens het consult geen koorts had. Ram is ten aanzien van deze conclusie ‘terughoudender’ omdat lichaamstemperatuur kan schommelen (zie pagina 11 van zijn reactie), maar dat de kans op koorts ten tijde van het consult en gedurende de avond en nacht erna klein is, staat wel vast.

4.13.
Indien koorts zou zijn gemeten, of door [Eiser] zelf alsnog zou zijn gemeten, zou de huisarts antibiotica hebben voorgeschreven, welk medicijn [Eiser] zich vervolgens bij de dienstdoende apotheek nog diende te verschaffen. De behandeling tegen zijn hersenvliesontsteking zou dus waarschijnlijk niet en mogelijk hooguit enige uren voor de ziekenhuisopname zijn begonnen, de veronderstellenderwijs aangenomen fout weggedacht. Bij deze stand van zaken is het zeer de vraag of de [waarnemende huisarts] verweten omissie tot een vertraging van de behandeling heeft geleid. Met andere woorden, dat causaal verband bestaat tussen de gestelde fout van [waarnemende huisarts] en verlies van een kans op een beter behandelingsresultaat is bepaald twijfelachtig.

4.14.
[waarnemende huisarts] heeft hierop gewezen in randnummer 81 van de conclusie van antwoord en betwist dat een vertraging gevolg heeft gehad voor de behandeling van [Eiser] . De erven [Eiser] zijn op dit aspect van de zaak niet ingegaan in de dagvaarding. Ondanks het verweer hebben zij tijdens de mondelinge behandeling niet alsnog in dit verband stelling genomen, laat staan dat zij alsnog het bestaan van causaal verband (met medische stukken) gemotiveerd hebben gesteld. Bij deze stand van zaken kan niet worden vastgesteld dat de [waarnemende huisarts] verweten omissie tot schade heeft geleid en daarom ook niet dat [waarnemende huisarts] op de voet van art. 6:162 dan wel art. 6:74 BW gehouden is tot schadevergoeding. Bij de gevorderde vaststelling, in wezen een verklaring voor recht, hebben de erven [Eiser] dan geen belang. Het ten aanzien van [waarnemende huisarts] gevorderde is derhalve niet toewijsbaar. Dit geldt ook voor het gevorderde voorschot op buitengerechtelijke kosten. Dat overigens schade is geleden is voor toewijzing van deze schadepost weliswaar geen vereiste, maar wel is vereist dat aansprakelijkheid vast staat. Ten aanzien van [waarnemende huisarts] is dat niet het geval.

4.15.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing
De rechtbank

5.1.
draagt de erven [Eiser] op te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [Eiser] tijdens het consult op 27 september 2002 aan [huisarts] heeft gemeld dat hij al maanden vermoeid en beroerd was

(....)
ECLI:NL:RBGEL:2017:4198