GHSHE 021225 koprijdster niet aansprakelijk voor valpartij na commando "hier links" bij wielrennen; sport- en spel; osvo
- Meer over dit onderwerp:
GHSHE 021225 koprijdster niet aansprakelijk voor valpartij na commando "hier links" bij wielrennen; sport- en spel; osvo
in vervolg op
RBOBR 131223 valpartij bij commando "hier links" tijdens wielrennen; geen aansprakelijkheid maar osvo
- verzocht 37 uur x € 260,-- + 5 % + 21 %, begroot, niet toegewezen 20 uren x € 260,00 + 5 % + 21 % = € 6.606,60
3De beoordeling
De feiten
3.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. Deze zijn door de rechtbank vastgesteld en er zijn geen grieven tegen gericht.
Op 29 mei 2020 heeft [appellante] met [geïntimeerde] , [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] (hierna samen te noemen: de fietsers) deelgenomen aan een fietstocht in de omgeving van Bergeijk. De fietsers onderhielden een fietsclubje en zijn of waren vriendinnen van elkaar. Zij maakten gemiddeld een keer per week samen een fietstocht met een afstand van ongeveer 50-70 kilometer. De fietsers fietsten daarbij op racefietsen, droegen fietskleding en een helm en reden afwisselend aan kop met een snelheid van gemiddeld 25-27 km/u.
Toen de fietsers op 29 mei 2020 ongeveer 15 kilometer hadden gefietst, is [appellante] ten val gekomen waarbij zij letsel heeft opgelopen.
Op grond van door de fietsers afgelegde getuigenverklaringen is de toedracht van het ongeval als volgt.
De fietsers fietsten in een lint met een snelheid van ongeveer 25-27 km per uur.
Zij fietsten op enig moment vanuit Bergeijk op de Molenstraat in Riethoven richting Dommelen/Valkenswaard. Op de Molenstraat, ter hoogte van de afslag richting de Vlasstraat (te Riethoven), vond het ongeval plaats. Op dat punt bevindt zich (vanuit rijrichting Bergeijk) een afslag naar links naar de Vlasstraat (hierna: de T-splitsing). Het doorgaand fietsverkeer gaat hier van het weggedeelte-fietspad aan de rechterkant van de weg, over naar een vrij liggend tweerichtingenfietspad aan de linkerkant van de weg. Het vrij liggend tweerichtingenfietspad lag vanuit het perspectief van de fietsers aan de linkerkant van de rijweg.
Kort voor het ongeval was de volgorde van het fietslint als volgt: 1. [geïntimeerde] , 2. [persoon A] , 3. [appellante] , 4. [persoon B] , 5. [persoon C] .
Op het moment dat de fietsers de T-splitsing naderden, begaven zij zich, met uitzondering van [geïntimeerde] , in een vloeiende beweging naar de linker weghelft met de bedoeling om het linksgelegen fietspad op te fietsen. Doordat [geïntimeerde] haar weg aan de rechterkant van de Molenstraat voortzette, terwijl de anderen in een lint aan de linkerkant van de weg fietsten, was [geïntimeerde] feitelijk niet meer aan kop van het lint. [geïntimeerde] bevond zich kort voor het ongeval nog aan de rechterkant van de weg en had op dat moment niet door dat het de bedoeling was om, na de T-splitsing, links aan te houden en te gaan fietsten op het vrij liggende tweerichtingenfietspad aan de linkerkant van de rijweg en de weg rechtdoor te vervolgen. Om de weg op het tweerichtingenfietspad te vervolgen moest er een 'slingertje' gemaakt worden. [persoon A] heeft op het moment van schuin oversteken naar het vrij liggende tweerichtingenfietspad aan de linkerkant van de rijweg, het commando geroepen: "hier links". Op het moment dat zij dit riep, zat zij met haar voorwiel net iets naast het wiel van [geïntimeerde] en constateerde zij dat [geïntimeerde] als enige rechts bleef rijden en vaart minderde doordat zij in haar rem kneep.
Het ongeval vond plaats doordat [geïntimeerde] nadat zij het commando "hier links" hoorde vanuit de rechterkant van de Molenstraat links afsloeg met de bedoeling de Vlasstraat in te fietsen. [persoon A] kon nog rechtdoor links voorbij [geïntimeerde] fietsen, maar [appellante] is tegen het achterwiel van [geïntimeerde] aangefietst en ten val gekomen.
[appellante] heeft de fietstocht met veel pijn aan haar heup afgemaakt en is bij thuiskomst naar de huisartsenpost gegaan. [appellante] is vervolgens doorverwezen naar het ziekenhuis waar onder meer een gebroken bekken en heupletsel is vastgesteld.
De gevolgen van het ongeval hebben een diepe impact op het (gezins)leven van [appellante] . Er is [althans was ten tijde van het wijzen van de deelbeschikking, toevoeging hof] nog geen sprake van een medische eindsituatie.
[appellante] heeft [geïntimeerde] bij brief van 4 december 2020 van haar gemachtigde van DAS Rechtsbijstand aansprakelijk gesteld voor haar schade als gevolg van het fietsongeval.
De aansprakelijkheidsverzekeraar van [geïntimeerde] , Achmea, heeft bij brief van 9 maart 2021 aansprakelijkheid afgewezen.
Verdere correspondentie tussen de gemachtigden van partijen heeft niet tot wijziging van de over en weer ingenomen standpunten over de aansprakelijkheid geleid.
In april 2022 heeft [appellante] de zaak overgedragen aan haar huidige advocaat, mr. Kuijken.
Bij e-mailbericht van 15 juni 2022 van mr. Kuijken heeft [appellante] Achmea opnieuw verzocht aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval op 29 mei 2020 te erkennen en aangegeven dat anders op korte termijn een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor zal worden ingediend.
Bij brief van 23 juni 2022 heeft Achmea aansprakelijkheid andermaal afgewezen.
[appellante] heeft op 22 juli 2022 een verzoek ingediend bij de rechtbank Oost-Brabant tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor om de toedracht van het fietsongeval in kaart te brengen. Op 14 december 2022 en 4 april 2023 zijn de fietsers als getuigen gehoord.
De deelgeschilprocedure
3.2.1.
In de deelgeschilprocedure (C/01/394153/EX RK 23-86) heeft [appellante] de rechtbank verzocht om bij beschikking:
-
voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor de door [appellante] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade gerekend vanaf 29 mei 2020 in het kader van het fietsongeval van 29 mei 2020,
-
de kosten van dit deelgeschil aan de zijde van [appellante] te begroten, inclusief griffierecht, en
-
[geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van deze kosten binnen veertien dagen na datum beschikking, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de veertiende dag na beschikking tot aan de dag der algehele betaling.
3.2.2.
Aan deze vordering heeft [appellante] , kort samengevat, onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] ten grondslag gelegd.
3.2.3.
[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
3.2.4.
In de deelgeschilbeschikking heeft de rechtbank de verzoeken van [appellante] afgewezen en de kosten begroot op een bedrag van € 6.920,60.
De bodemprocedure in eerste aanleg
3.3.1.
In de bodemprocedure heeft [appellante] de rechtbank verzocht verlof te verlenen voor het aanhangig maken van een hoger beroep tegen de deelgeschilbeschikking van 13 december 2023 (C/01/394153 / EX RK 23-86) op grond van artikel 1019cc lid 3 onder a Rv.
3.3.2.
[appellante] heeft gevorderd dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de door haar geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade gerekend vanaf 29 mei 2020 in het kader van het fietsongeval van 29 mei 2020. Voorts dient [geïntimeerde] te worden veroordeeld in de kosten van het geding.
3.3.3.
Bij vonnis van 29 mei 2024 heeft de rechtbank overwogen dat het oordeel in de deelbeschikking in de bodemzaak als uitgangspunt moet worden genomen en [appellante] te kennen heeft gegeven zich met dit oordeel niet te kunnen verenigen en dit aan een hogere instantie te willen voorleggen. Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank als volgt beslist:
-
staat tussentijds hoger beroep toe van de in deelgeschil op 13 december 2023 onder zaaknummer/ rekestnummer C/01/394153 / EX RK 23-86 gegeven beschikking tussen partijen en
-
verwijst de zaak in afwachting van het hoger beroep in de deelgeschilprocedure naar de parkeerrol van woensdag 2 oktober 2024.
Het hoger beroep
3.4.1.
[appellante] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de deelgeschilbeschikking en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen.
3.4.2.
Grief 1 ziet op de door de rechtbank toegepaste norm, grief 2 op de wijze waarop de rechtbank de stellingen van [appellante] heeft gepasseerd en grief 3 op de vraag of [geïntimeerde] in de gaten had dat de fietsers achter haar naar links waren gegaan.
3.4.3.
Het hof stelt voorop dat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de vraag voorligt of [geïntimeerde] jegens [appellante] onrechtmatig heeft gehandeld. Op grond van artikel 355 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal het hof de zaak zelf afdoen nu deze in staat van wijzen is.
Grief 1: de beoordelingsmaatstaf
3.5.1.
Grief 1 richt zich tegen de conclusie van de rechtbank dat in deze zaak sprake is van een sport- en spelsituatie, zodat de daarvoor geldende “verhoogde aansprakelijkheids-drempel” van toepassing is. De rechtbank heeft overwogen dat het ongeval heeft plaatsgevonden tijdens het wielrennen waarbij de deelnemers op racefietsen zaten, fietskleding en helmen droegen, zij met een aanzienlijke snelheid van 25-27 km/uur achter elkaar reden met een geringe onderlinge afstand. Daaraan doet het recreatieve karakter en de afspraak dat er een zodanig tempo zou worden aangehouden dat er nog gekletst kon worden, niet af, aldus de rechtbank. Tot slot wijst de rechtbank op het feit dat voor het aannemen van een sport- en spelsituatie niet vereist is dat betrokkenen rechtstreeks met elkaar aan het wedijveren zijn.
3.5.2.
Ter toelichting op de grief wijst [appellante] op het recreatieve karakter van de fietstocht en dat er sprake was van een gematigde snelheid. Het competitieve element ontbrak; het was geen snelheidswedstrijd, aldus [appellante] .
3.5.3.
Naar het oordeel van het hof slaagt deze grief niet. Tussen partijen staat vast dat het ongeval heeft plaatsgevonden tijdens het wielrennen waarbij de deelnemers op racefietsen zaten, fietskleding en helmen droegen, en met een snelheid van 25-27 km/uur achter elkaar reden met een geringe onderlinge afstand waarbij zij wisselend op kop reden. Verder heeft [appellante] in dit verband als getuige verklaard:
“Je rijdt zo dat je het wiel van je voorganger kunt zien en zodanig dat je elkaar niet raakt maar wel een beetje uit de wind blijft. Ikzelf let ook altijd op het achterwiel van mijn voorganger.”
[appellante] heeft voorts verklaard:
“Ik zeg nog dat je ongeveer om de 2 kilometer van koprijder wisselt als deze moe wordt. Dat geeft degene die op kop rijdt zelf aan.”
Alle getuigen hebben hierover een vergelijkbare verklaring afgelegd. Naar het oordeel van het hof brengt deze algehele wijze van fietsen, geschiedend met de genoemde gemiddelde snelheid van 25-27 km/uur, mee dat dit fietsen niet is te zien als louter recreatief van aard, maar als een activiteit met een sportief karakter. Daarbij kan in het midden blijven of het rijden met een gemiddelde snelheid van “25 tot 27 km/uur” heeft te gelden als rijden met een aanzienlijke snelheid. Dat het competitieve element ontbrak, zoals [appellante] heeft gesteld, doet er naar het oordeel van het hof niet aan af dat er sprake was van een sport- en spelsituatie.
3.5.4.
Het hof acht voor dit oordeel voorts van belang dat de deelnemers aan de fietstocht onderling afspraken hebben gemaakt over hoe zij zich op de weg zouden gedragen. Zo roept degene die de route kent, tijdens de tocht het commando “rechts” als de fietsers rechtsaf moeten slaan en “links” als ze linksaf moeten slaan. [persoon B] heeft als getuige hierover nog aanvullend verklaard:
“Meestal is het zo dat degene die in de achterste positie rijdt achterom kijkt om te kijken of de weg achter vrij is. Als dat is zo roept deze ‘’achter vrij”.”
Zij heeft voorts verklaard:
“Het is zo dat je achter elkaar fietst. Vanuit de positie waar je dan in de rij fietst, heb je gedeeltelijk zicht op je voorgangers.”
3.5.5.
Het hof concludeert op grond van het vorenstaande dat ten tijde van het ongeval sprake was van een sportsituatie waarvoor een verhoogde aansprakelijkheidsdrempel geldt. De deelnemers waren bezig met de wielrensport waarbij zij kort achter elkaar reden waardoor ieder, met uitzondering van degene die op kop reed, een beperkt zicht had op de verkeerssituatie en waarbij zij meer snelheid genereerden door afwisselend op kop te rijden zodat de anderen uit de wind konden rijden. Voorts hadden zij afspraken gemaakt over het geven van commando’s en hoe zij zich als groep op de weg moesten gedragen. Dat [geïntimeerde] zich volgens [appellante] niet aan de verkeersregels van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV) en de Wegenverkeerswet ( WVW) heeft gehouden kan, indien al juist, niet tot het oordeel leiden dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor het ontstaan van het ongeval. De fietsers fietsen weliswaar op de openbare weg en dienden zij zich in beginsel te houden aan de geldende algemene verkeersregels, maar [appellante] en [geïntimeerde] verhielden zich tijdens hun fietstocht ten opzichte van elkaar niet als normale verkeersdeelnemers. Zij fietsen daar als sporters en dienden zich ten opzichte van derden weliswaar te houden aan de algemeen geldende verkeersregels, maar de fietsers hanteerden onderling hun eigen (spel-)regels, waarbij afspraken waren gemaakt over onder meer het om de beurt op kop rijden en het geven van commando’s bij bepaalde verkeerssituaties. [appellante] moest er aldus rekening mee houden dat [geïntimeerde] nadat het commando ‘hier links’ was gegeven, naar links af zou slaan. In zoverre geldt hier een verhoogde drempel voor aansprakelijkheid.
Grief 2: het onrechtmatigheidsoordeel
3.6.1.
Grief 2 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat bij de toepassing van de verhoogde aansprakelijkheidsdrempel [geïntimeerde] niet onrechtmatig jegens [appellante] heeft gehandeld. [appellante] stelt dat [geïntimeerde] in de gegeven omstandigheden onnodig gevaarlijk en onzorgvuldig heeft gehandeld nu zij zonder voldoende kenbare waarschuwing plotseling linksaf is geslagen. [appellante] behoefde dit niet van haar te verwachten.
3.6.2.
Het hof verwerpt deze grief. [geïntimeerde] heeft overeenkomstig de tussen de deelnemers gemaakte afspraken gehandeld: zij reed op kop en hoorde het commando “hier links” hetgeen betekende dat zij dit commando, gelet op hun onderling afgesproken (spel-)regels, zo mocht opvatten dat zij linksaf de Vlasstraat in moest fietsen. Dat [persoon A] , die achter [geïntimeerde] reed en de weg kende, de slinger had ingezet om rechtdoor het fietspad links van de weg, in te rijden, was voor [geïntimeerde] niet duidelijk; zij kende deze route niet. Op de vraag of zij wist met welke onderlinge afstand er op dat moment werd gereden, antwoordde [geïntimeerde] als getuige dat zij daar niets over kon zeggen; zij reed op kop en had geen ogen in haar achterhoofd.
[persoon B] heeft hierover als getuige verklaard:
“Ik heb al verklaard dat [persoon A] (= [persoon A] ;hof) de te fietsen route kende. Op enig moment is zij uit zichzelf begonnen naar links af te buigen om het slingertje te maken naar het fietspad. De fietsers achter haar volgden haar. [geïntimeerde] (= [geïntimeerde] ; hof) die voorop reed had dit niet in de gaten en is een klein stukje rechtdoor gefietst. Zoals ik het mij kan herinneren heeft [persoon A] toen zij halverwege het slingertje was in de gaten gekregen dat [geïntimeerde] het niet door had en rechtdoor reed. Het was volgens mij op dat moment dat [persoon A] het commando ‘’links” riep. Wat ik mij kan herinneren is dat [geïntimeerde] toen is gaan invoegen naar links. Zij heeft daarbij, denk ik, het commando ‘’links” fout opgevat. Ze is echt naar links gegaan in plaats van wat ik noem links/rechtdoor.”
Het moge zo zijn dat de manoeuvre van [geïntimeerde] plots was, maar zij mocht verwachten dat de andere deelnemers hierdoor niet verrast waren, nu ook voor degenen die achter haar reden, het commando “hier links” betekende dat de hele groep de weg naar links zou inslaan. Dat de andere deelnemers dat niet deden, was omdat zij achter [persoon A] reden en konden zien wat [persoon A] deed en haar volgden, terwijl zij op weg was naar het fietspad links gelegen op de weg die rechtdoor liep.
Grief 3: de wetenschap van [geïntimeerde]
3.7.1.
Grief 3 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat voldoende vast staat dat [geïntimeerde] , die niet in de gaten had dat de overige fietsers achter haar aan de linkerkant van de weg waren gaan fietsen, in de veronderstelling verkeerde dat de fietsers nog in een lint achter haar fietsten en zij, [geïntimeerde] veilig linksaf kon slaan. [appellante] verwijst naar de getuigen-verklaring van [persoon C] die heeft verklaard te hebben gezien dat [geïntimeerde] zag dat de rest van de groep naar links ging en te hebben gezien dat, toen er werd geroepen dat ze naar links moest, [geïntimeerde] even snel verbaasd naar links keek waarna zij linksaf sloeg.
3.7.2.
Het hof verwerpt ook deze grief. De getuigenverklaring van [persoon C] leidt er niet toe dat [geïntimeerde] jegens [appellante] onrechtmatig heeft gehandeld. Dat [geïntimeerde] nadat zij linksaf sloeg, heeft gezien dat de groep ook naar links reed, doet niet af aan haar gerechtvaardigde initiële verwachting dat de gehele groep linksaf de Vlasstraat in zou rijden. Daarbij betrekt het hof dat [geïntimeerde] al rijdend, met 25-27 km/uur, diende te beslissen hoe de weg te vervolgen, gelet op het door [persoon A] gegeven commando “hier links”. Met de rechtbank (rechtsoverweging 2.6 van de bestreden deelgeschilbeschikking) is het hof van oordeel dat in deze zaak sprake is geweest van een toevallige samenloop van omstandigheden zonder toerekenbare fout, met helaas ernstig letsel bij [appellante] tot gevolg.
Slotsom
3.8.1.
De grieven slagen niet. Het hof bekrachtigt de overwegingen en beslissingen in het deelgeschil. De vorderingen in de bodemzaak wijst het hof af en [appellante] wordt in de proceskosten veroordeeld. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op het griffierecht ter hoogte van € 320,00.
De kosten, inclusief de vastgestelde taxe voor de getuigen in het voorlopig getuigenverhoor, blijven voor rekening van [appellante] .
3.8.2.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen vastgesteld worden op:
-
griffierechten € 349,00
-
salaris advocaat € 1.214,00 (1 punt x tarief II)
Totaal € 1.563,00 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2 december 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3437
