GHARL 200126 straf; ernstig letsel vanwege brandwonden na brandstichting, smartengeld € 200.000, affectieschade voor partner, dochter en vader, shockschade € 15.000 voor zus
GHARL 200126 straf; ernstig letsel vanwege brandwonden na brandstichting, smartengeld € 200.000, affectieschade voor partner, dochter en vader, shockschade € 15.000 voor zus
(.... red. LSA LM)
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting en een poging tot moord. Verdachte heeft een nietsontziende brand gesticht aan een vrachtwagen van het transportbedrijf [benadeelde 8] waarbij de gehele vrachtwagencabine omringd werd door een vlammenzee. Uit niets blijkt dat verdachte en zijn medeverdachten zich op enig moment ervan hebben vergewist wat de gevaarzetting zou zijn van waar de vrachtwagen stond geparkeerd en of er iemand in de vrachtwagen lag te slapen. Er is sprake geweest van een brandstichting waarbij alle gevolgen voor lief werden genomen en daarmee ook van een poging tot moord van de zich in de vrachtwagen bevindende chauffeur.
De vrachtwagenchauffeur [benadeelde 10] , die op het moment van de brand in de vrachtwagen lag te slapen, heeft de brand ternauwernood overleefd. Hij heeft wel zeer ernstig en blijvend lichamelijk letsel opgelopen. Als gevolg van de brand is zijn lichaamsoppervlakte voor 65 procent verbrand. Hij heeft twee maanden op de intensive care gelegen, waarvan enige tijd in coma. Door onder meer blijvende zenuw- en spierbeschadigingen in zijn armen en benen, zal hij voor altijd ernstige beperkingen ondervinden in het dagelijks leven en daarmee in zijn kwaliteit van leven, zo is ook gebleken uit het spreekrecht dat hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft uitgeoefend. [benadeelde 10] is voor de rest van zijn leven aangewezen op intensieve verzorging en hulpmiddelen en zijn grootste passie, rijden op de vrachtwagen, kan hij naar verwachting nooit meer uitoefenen. De verdachten hebben zijn leven verwoest. De brand heeft niet alleen voor [benadeelde 10] zelf immense gevolgen (gehad) maar ook voor zijn naasten, die geconfronteerd werden met zijn grotendeels verbrande lichaam, er op enig moment zelfs rekening mee moesten houden afscheid van hem te moeten nemen en zich ook nu nog dagelijks moeten verhouden tot de nieuwe situatie van hun dierbare.
Door de grote, uitslaande brand ontstond er niet alleen levensgevaar voor [benadeelde 10] , maar ook voor een bewoner van een naastgelegen woning die op dat moment ook lag te slapen. Daarnaast was er sprake van gevaar voor goederen die zich in en in de nabijheid van de vrachtwagen bevonden.
Het hof acht voor deze zeer ernstige feiten geen andere straf passend dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.
(.... red. LSA LM)
Vordering de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij heeft een vordering tot vergoeding van immateriële schade van € 200.000 ingediend. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen.
Standpunt van de raadsman
De raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering aanzienlijk moet worden gematigd, omdat de omvang van de psychische schade niet kan worden ingeschat.
Oordeel van het hof
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op de hiervoor omschreven wijze. Aldus heeft hij jegens de benadeelde partij onrechtmatig gehandeld en is hij gehouden tot vergoeding van de schade die daarvan rechtstreeks het gevolg is.
Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen. Het hof begroot de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar billijkheid. Het hof let daarbij op:
- de aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij,
- de aard en ernst van het handelen van de verdachte,
- de in de strafmotivering beschreven omstandigheden waaronder zich dit handelen heeft afgespeeld.
Het hof heeft hierbij in het bijzonder in aanmerking genomen dat het bewezenverklaarde grote gevolgen heeft (gehad) en altijd zal hebben voor de benadeelde partij. De benadeelde partij had brandwonden op 65 procent van zijn lichaam en heeft 63 dagen op de intensive care gelegen. Gedurende deze periode dachten artsen dat hij het niet zou gaan redden en werd zijn familie verzocht afscheid van hem te nemen. Na een langdurig verblijf in het ziekenhuis is hij overgebracht naar een revalidatiecentrum. Er is sprake van blijvende zenuw- en spierbeschadigingen in zijn armen en benen waardoor zijn ledematen zijn verzwakt. Hierdoor zal hij blijvend ernstige beperkingen ondervinden in het dagelijks leven en is hij aangewezen op intensieve verzorging en hulpmiddelen. Ook leeft de benadeelde met chronische pijn. Concluderend hebben de bewezenverklaarde feiten tot gevolg gehad dat langdurige medische behandeling noodzakelijk was, dat de mate van pijn groot is, dat de feiten cosmetische gevolgen hebben gehad en dat dit alles iedere dag zijn weerslag heeft op zijn sociaal leven, zijn tijdsbesteding en zijn werk. Er is sprake van een medische eindtoestand en er is geen verbetering meer te verwachten.
Het hof twijfelt er dan ook niet aan dat de feiten naast het lichamelijk letsel ook grote invloed hebben op de psychische gesteldheid van benadeelde. Naar het oordeel van het hof liggen de nadelige gevolgen van deze feiten voor benadeelde zó voor de hand dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Er is immers een diepe inbreuk gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer en persoonlijke integriteit. Benadeelde is een volstrekt onschuldig slachtoffer, dat als gevolg van de brand niet alleen ernstig en blijvend letsel heeft opgelopen, maar ook zijn passie, rijden op de vrachtwagen, nooit meer zal kunnen uitoefenen. Hij zal voor de rest van zijn leven worden geconfronteerd met de gevolgen van de feiten.
Alles overziend begroot het hof, gelet op de meervoudigheid van letsels en de samenloop van lichamelijk letsel en geobjectiveerd geestelijk letsel, de omvang van de immateriële schade op een bedrag van € 200.000,-.
De verdachte is, net als de mededaders, tot vergoeding van de hierboven weergegeven schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij, partner van [benadeelde 10] , heeft een vordering tot vergoeding van immateriële schade (affectieschade) van € 17.500 ingediend. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen.
Standpunt van de raadsman
De raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de benadeelde partij geen aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade, omdat de lat van ernstig en blijvend letsel niet wordt gehaald. De raadsman voert tevens aan dat uit de onderbouwing van de vordering niet blijkt dat de benadeelde partij en het slachtoffer een duurzame en gemeenschappelijke huishouding voerden ten tijde van de bewezenverklaarde feiten.
Oordeel van het hof
In artikel 6:107, eerste lid, aanhef en onder b, BW is bepaald dat als iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, lichamelijk of geestelijk letsel oploopt, die ander behalve tot vergoeding van de schade van de gekwetste zelf, ook verplicht is tot vergoeding van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag of bedragen voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, geleden door de in lid 2 genoemde naasten van de gekwetste met ernstig en blijvend letsel.
In artikel 6:107, tweede lid, BW zijn de 'naasten' opgesomd (limitatief) die voor vergoeding van affectieschade in aanmerking komen. Een van die ‘naasten’ is de levensgezel van de gekwetste, die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam met deze een gemeenschappelijke huishouding voert (sub b).
Naar het oordeel van het hof is op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij ten tijde van de bewezenverklaarde feiten een bestendige affectieve relatie had met het slachtoffer en zij een duurzame en gemeenschappelijke huishouding voerden. Hiertoe overweegt het hof dat uit de onderbouwing bij de vordering blijkt dat zij sinds 2 november 2018 een relatie hebben en dat zij in maart 2019 zijn gaan samenwonen. Uit het voorgaande vloeit dan ook voort dat de benadeelde partij kan worden aangemerkt als levensgezel in de zin van artikel 6:107, tweede lid, sub b, BW.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, waaruit ook volgt dat sprake is van ernstig en blijvend letsel bij benadeelde [benadeelde 10] , komt het hof tot het oordeel dat de vordering ter zake van geleden affectieschade zal worden toegewezen tot het gevorderde bedrag, te weten € 17.500.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
De benadeelde partij, dochter van [benadeelde 10] , heeft een vordering tot schadevergoeding van € 17.500 ingediend. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen.
Standpunt van de raadsman
De raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de benadeelde partij geen aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade, omdat de lat van ernstig en blijvend letsel niet wordt gehaald.
Oordeel van het hof
In artikel 6:107, tweede lid, BW zijn als 'naasten' eveneens opgesomd degene die ten tijde van de gebeurtenis het kind van de gekwetste is (sub d). De benadeelde partij is de dochter van het slachtoffer. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, waaruit ook volgt dat sprake is van ernstig en blijvend letsel bij benadeelde [benadeelde 10] , komt het hof tot het oordeel dat de vordering ter zake van geleden affectieschade zal worden toegewezen tot het gevorderde bedrag, te weten € 17.500.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]
De benadeelde partij, de vader van [benadeelde 10] , heeft een vordering tot schadevergoeding van € 15.000 ingediend. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen.
Standpunt van de raadsman
De raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de benadeelde partij geen aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade, omdat de lat van ernstig en blijvend letsel niet wordt gehaald.
Oordeel van het hof
In artikel 6:107, tweede lid, BW zijn als 'naasten' eveneens opgesomd degene die ten tijde van de gebeurtenis de ouder van de gekwetste is (sub c). De benadeelde partij is de vader van het slachtoffer. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, waaruit ook volgt dat sprake is van ernstig en blijvend letsel bij benadeelde [benadeelde 10] , komt het hof tot het oordeel dat de vordering ter zake van geleden affectieschade zal worden toegewezen tot het gevorderde bedrag, te weten € 15.000.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]
De benadeelde partij, de zus van [benadeelde 10] , heeft een vordering tot schadevergoeding van
€ 15.000 (schokschade) ingediend. De rechtbank heeft deze vordering voor een deel toegewezen, te weten tot een bedrag van € 10.000.
De benadeelde partij heeft in hoger beroep de vordering voor het oorspronkelijke bedrag gehandhaafd.
Standpunt van de raadsman
De raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering in verband met de bepleite vrijspraak.
Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat er niet wordt voldaan aan de vereisten voor toekenning van vergoeding voor shockschade. De raadsman voert daartoe dat de confrontatie van de benadeelde met het slachtoffer niet onverhoeds was, omdat de benadeelde partij reeds op de hoogte was van de gebeurtenis en de mogelijke gevolgen daarvan. Ook is er geen sprake geweest van een directe confrontatie, omdat het slachtoffer onder een deken lag en zijn gezicht was bedekt met zalf. Daarnaast voert de raadsman aan dat het onvoldoende duidelijk is geworden dat het geestelijk letsel bij de benadeelde het gevolg is geweest van de confrontatie met de gevolgen van de gebeurtenis.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat volgens jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:958) iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan plaatsvinden – ook onrechtmatig kan handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweegbrengt. Het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die volgt uit door die laatste onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel.
Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (hierna: het secundaire slachtoffer) zijn onder meer:
- -
de aard, toedracht en gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad,
- -
de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan en
- -
de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire en secundaire slachtoffer.
Aan de hand van onder meer deze gezichtspunten dient van geval tot geval te worden beoordeeld of er sprake is van onrechtmatigheid. Hierbij geldt dat niet op voorhand aan één van deze gezichtspunten doorslaggevende betekenis toekomt. Als één van deze gezichtspunten geen duidelijke indicatie voor het aannemen van onrechtmatigheid geeft, kan onrechtmatigheid desondanks worden aangenomen als de omstandigheden daarvoor, bezien vanuit de overige gezichtspunten, voldoende zwaarwegend zijn.
Het hof overweegt dat de benadeelde de ochtend na de brand door haar vader is geïnformeerd over wat haar broer is overkomen. De benadeelde is vervolgens naar het ziekenhuis gereden. Op een whiteboard in het ziekenhuis las ze dat haar broer voor 68 procent was verbrand. Ze zag haar broer liggen aan de beademing, ingepakt als een mummie, wetende dat hij over zijn hele lichaam is verbrand, en zijn gezicht vol met witte zalf. Eén dag later was de witte zalf zwart uitgeslagen en het gezicht van haar broer helemaal opgezet. Uit de toelichting van de vordering volgt dat de benadeelde dagelijkse flashbacks heeft gehad van de beelden van haar ernstig verwonde broer en dat zij sinds de confrontatie ernstig beperkt is in haar algemeen functioneren. Door de confrontatie zijn de angststoornis en de posttraumatische stressklachten bij de benadeelde toegenomen. Ter onderbouwing van de vordering heeft de benadeelde een brief van de psycholoog overgelegd.
Het hof stelt op grond van vorenstaande vast dat bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok is teweeggebracht door de waarneming en de confrontatie met de directe gevolgen van de bewezenverklaarde feiten.
De hof stelt de hoogte van de geleden shockschade naar billijkheid vast (mede gelet op de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel en de verwachting ten aanzien van het herstel) op een bedrag van € 15.000. Het hof heeft daarbij voor zover mogelijk acht geslagen op de bedragen die door Nederlandse rechters in soortgelijke gevallen zijn toegewezen.
Gelet op het vorenstaande zal het hof de vordering van de benadeelde partij toewijzen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op.
(.... red. LSA LM)
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:312
zie ook:
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:309
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:310
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:291
