Overslaan en naar de inhoud gaan

RBDHA 110226 detentie onder mensonterende omstandigheden na rechtshulpverzoek aan Thailand; rechtshulpverzoek niet onrechtmatig; 

RBDHA 110226 detentie onder mensonterende omstandigheden na rechtshulpverzoek aan Thailand; rechtshulpverzoek niet onrechtmatig; 

1Waar gaat deze zaak over?

1.1.

Het Openbaar Ministerie (‘OM’) is in 2011 een strafrechtelijk onderzoek gestart, waarin [eiser 1] en [eiser 3] als verdachten zijn aangemerkt. Dat leidde tot een verdenking van overtreding van de Opiumwet, deelname aan een criminele organisatie en witwassen, waarbij ook vermogen van Nederland naar Thailand zou zijn gesluisd. In 2014 heeft het OM rechtshulp gevraagd aan Thailand met het doel beslag te laten leggen op vermogen in Thailand en nader strafrechtelijk onderzoek aldaar te kunnen laten uitvoeren.

1.2.

Om de uitvoering van dat verzoek tijdig te laten plaatsvinden, heeft het OM – op aanwijzing van de Thaise autoriteiten – een brief gestuurd waarin de Thaise politie is gevraagd een eigen onderzoek te starten naar [eisers] . Vervolgens zijn [eiser 1] en zijn toenmalige echtgenote [eiser 2] aangehouden in Thailand en aldaar veroordeeld tot jarenlange gevangenisstraffen voor strafbare feiten die daar zijn gepleegd. Beiden hebben jarenlang in Thailand gedetineerd gezeten onder mensonterende omstandigheden, met zeer negatieve (psychische) gevolgen voor henzelf en hun familie.

1.3.

In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of het versturen van de zojuist genoemde brief door het OM onrechtmatig is. Daarbij wordt de rechtbank gesteld voor een dilemma in de ware zin van het woord. Enerzijds is uiteraard problematisch dat een verzoek tot rechtshulp de (voorzienbare) mogelijkheid in het leven roept dat een verdachte in het buitenland zal worden onderworpen aan een mensonwaardige behandeling in strijd met zijn fundamentele (mensen)rechten. Daarbij komt dat inmiddels is gebleken dat deze kwade kans zich in het geval van [eiser 1] en [eiser 2] heeft verwezenlijkt. Anderzijds kan moeilijk worden aanvaard dat verdachten die emigreren naar een land met een uiterst slechte mensenrechtenreputatie feitelijk naar een vrijhaven emigreren, omdat vanwege die reputatie zou moeten worden afgezien van (nadere) opsporing en vervolging.

1.4.

De rechtbank oordeelt in dit vonnis aan de hand van onder meer rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens - welk hof eerder voor eenzelfde dilemma is geplaatst - dat het rechtshulpverzoek in de zaak van [eiser 1] en [eiser 3] en de in dat kader verstuurde brief niet onrechtmatig kunnen worden geacht. De vorderingen worden dan ook afgewezen. Daarbij weegt mee dat, anders dan wel is gesuggereerd, de verdenkingen niet alleen zagen op zogenoemde ‘achterdeurfeiten’ (het overschrijden van de verre van realistische, gedoogde hoeveelheid voorraad softdrugs voor de coffeeshops), maar ook op andere overtredingen van de Opiumwet, belastingfraude en witwasfeiten met een internationale dimensie, terwijl van onschuld van de verdachten ook achteraf niet is gebleken. In dat licht kan niet worden aanvaard dat het vertrek naar Thailand feitelijk een vrijhaven zou creëren. Met dat laatste is overigens niet gezegd dat volgens de rechtbank vast staat dat [eiser 1] met zijn emigratie naar Thailand een dergelijke haven beoogde. Rechtbank Den Haag 11 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:2107