Overslaan en naar de inhoud gaan

RBLIM 300425 letsel vanwege in gezicht gegooid glas; schade vanwege oogprothese, incl 2-jaarlijkse vervanging en controles; eindleeftijd 80

RBLIM 300425 letsel vanwege in gezicht gegooid glas; schade vanwege oogprothese, incl 2-jaarlijkse vervanging en controles; eindleeftijd 80
- t.z.v. economische kwetsbaarheid is niet gesteld of en in welke zin het werk is aangepast i.v.m. oogletsel
- mantelzorg moeder (verzorging en verpleging) 3 uur per dag x € 8,50 x 42 dagen + hulp vriendin = € 1156,50
- hh  € 392,00; verlies zelfwerkzaamheid vanwege verlies dieptezicht, cf richtlijn DLR
- smartengeld verlies van een oog door in gezicht gegooid glas € 40.000, mede met oog op aard aansprakelijkheid en 2-jaarlijkse nieuwe prothese

 

2De feiten

2.1.

Op 25 augustus 2013, tijdens het evenement “’t Preuvenemint” op het Vrijthof te Maastricht, heeft [gedaagde] een glas in het gezicht van [eiser] gegooid. [eiser] heeft als
gevolg daarvan ernstig letsel opgelopen aan zijn rechter oog. Op 26 augustus 2013 is hij aan dat oog geopereerd. Het netvlies van het rechter oog is op 16 december 2013 losgelaten. In verband daarmee is [eiser] op 18 december 2013 geopereerd. Daarna zijn er nog meerdere netvliesloslatingen geweest. [eiser] is telkens geopereerd.

2.2.

[gedaagde] is door de strafkamer van deze rechtbank bij vonnis van 23 maart 2015 veroordeeld voor het bewezen verklaarde feit dat hij op 25 augustus 2013 in de gemeente Maastricht [eiser] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een snee in het hoornvlies van het rechter oog met als direct gevolg een recidiverende netvliesloslating) heeft toegebracht, door opzettelijk een glas in de richting van de [eiser] te gooien, welk glas [eiser] ook geraakt heeft.

2.3.

De strafkamer van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (verder te noemen: het Hof) heeft bij arrest van 8 februari 2018 in hoger beroep zich verenigd met het beroepen vonnis, behalve wat betreft de opgelegde straffen, de strafmotivering en de beslissing op de vordering van [eiser] als benadeelde partij. Het Hof heeft [eiser] als benadeelde partij een schadevergoeding toegewezen van € 28.387,26. Dat bedrag bestaat uit € 3.397,26 aan materiële schade en € 25.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
25 augustus 2013. Uit het arrest blijkt dat een post ‘verlies aan arbeidsvermogen’ van € 1.197,- onderdeel uitmaakt van de toegewezen materiële schade van € 3.397,26. Het arrest van het Hof is onherroepelijk. [gedaagde] heeft de door het Hof aan [eiser] toegekende schadevergoeding betaald.

2.4.

Op 19 maart 2018 heeft de advocaat van [eiser] een brief aan [gedaagde] geschreven. Die brief luidt, voor zover in het kader van dit geschil van belang, als volgt:

“Ondergetekende behartigt de belangen van de heer [eiser] (...) in verband met het door hem opgelopen letsel ten gevolge van de mishandeling op
25 augustus 2013.

Op 6 februari 2018 bent u hiervoor strafrechtelijk veroordeeld.

Het behoeft geen betoog dat uw handelswijze jegens cliënt onrechtmatig is. Door bovenomschreven gedraging heeft u jegens cliënt onrechtmatig gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 BW, tengevolge waarvan u jegens cliënt schadeplichtig bent ter zake de door hem geleden en in de toekomst nog te lijden materiële en immateriële schade, daaronder uitdrukkelijk begrepen de kosten van juridische bijstand.

Door de mishandeling heeft cliënt een penetrerend oogletsel opgelopen. De oogbol werd doorboord en de pupil is vervormd. Dit letsel werd in eerste instantie gehecht. In de herstelfase zijn echter verschillende netvliesloslatingen ontstaan, welke volgens zowel de behandelend oogarts als de medisch adviseur een direct gevolg zijn van de penetrerende verwonding. In totaal hebben vijf netvliesloslatingen plaatsgevonden, waarvoor cliënt vijf keer werd geopereerd. Er is volgens de medisch adviseur sprake van een medische eindtoestand.

(…)

Namens cliënt moge ik u verzoeken, voor zover wettelijk vereist onder sommatie hiertoe, binnen twee na heden, over te gaan tot schriftelijke erkenning van aansprakelijkheid, waarna in onderling overleg de schade kan worden geregeld.

(…)

U dient deze brief voorts uitdrukkelijk op te vatten als een stuitingshandeling in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW. U dient derhalve rekening te houden dat cliënt nog aanspraak maakt op de hem toekomende vergoeding en zich in dat kader alle rechten voorbehoudt.(…)”

2.5.

In verband met aanhoudende klachten aan het oog heeft [eiser] er in 2022 voor gekozen om (de inhoud van) het rechter oog operatief te laten te verwijderen en te vervangen door een prothese.

2.6.

Op 23 februari 2023 heeft de advocaat van [eiser] wederom een brief aan [gedaagde] geschreven. Die brief luidt, voor zover in het kader van dit geschil van belang, als volgt:

“(…) Bij brief van 19 maart 2018 heb ik u aansprakelijk gesteld, tevens werd namens mijn cliënt de verjaring gestuit (bijlage). Helaas is er tot op heden geen overeenstemming bereikt over de totale schadevergoeding.

De afgelopen jaren heeft cliënt veel bijkomende klachten ontwikkeld van zijn oog. Uiteindelijk heeft men besloten tot evisceratie (verwijdering ooginhoud) en een glazen oogprothese te plaatsen. Een en ander heeft in mei 2022 plaatsgevonden. De operatie is goed verlopen en thans is cliënt alweer hersteld hiervan, doch van een medische eindtoestand kan echter nooit gesproken worden. Momenteel zijn we doende de schade die reeds in kaart kan worden gebracht, in kaart te brengen.

U dient deze brief voorts uitdrukkelijk op te vatten als een stuitingshandeling in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW. U dient er derhalve rekening mee te houden dat
cliënt nog aanspraak maakt op de hem toekomende vergoeding en zich in dat kader alle rechten voorbehoudt.(…)”

3Het geschil

3.1.

[eiser] stelt dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door op
25 augustus 2013 een glas in zijn gezicht te gooien, waardoor hij ernstig letsel heeft opgelopen aan zijn rechter oog. Inmiddels is hij blind aan dat oog. Door het onrechtmatig handelen van [gedaagde] heeft hij schade geleden waarvoor [gedaagde] aansprakelijk is. De totale schade, voor zover bekend ten tijde van de dagvaarding, bedraagt volgens [eiser] € 123.877,22.

3.2.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht verklaart dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade ten gevolge van genoemd incident op 25 augustus 2013;

  2. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een voorschot op de materiële en immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 123.877,22, althans een (voorschot)bedrag door de rechtbank in goede justitie, ex aequo et bono, vast te stellen op basis van hetgeen ten aanzien van de schade reeds thans bekend is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2013, althans de dag van betekening van de dagvaarding, dan wel een in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;

  3. de zaak verwijst naar de schadestaatprocedure ten behoeve van het begroten van de overige, nog niet te begroten schade, en toekomstige schade;

  4. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een voorschot op de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 2.597,27, althans een (voorschot)bedrag door de rechtbank in goede justitie, ex aequo et bono, vast te stellen;

  5. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de standpunten van partijen wordt, voor zover relevant, hieronder ingegaan.

4De beoordeling

Rechtsvraag

4.1.

Partijen verschillen van mening of [gedaagde] gehouden is om schadevergoeding te betalen aan [eiser] vanwege het incident op 25 augustus 2013.

4.2.

Volgens [gedaagde] moeten de vorderingen worden afgewezen. Hij voert allereerst formele verweren aan, omdat hij vindt dat [eiser] in het exploot van dagvaarding op drie punten het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) niet correct heeft toegepast. Wat betreft de vraag of hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] , refereert hij zich aan het oordeel van de rechtbank. Tot slot voert hij diverse inhoudelijke verweren.

4.3.

De rechtbank zal eerst ingaan op de drie formele verweren.

Geldigheid dagvaarding

4.4.

Volgens [gedaagde] is de dagvaarding nietig omdat de woonplaats van [eiser] niet is vermeld, doch enkel de domiciliekeuze ten kantore van zijn advocaat.

4.5.

De rechtbank overweegt het volgende. Artikel 45 Rv bepaalt welke gegevens in een exploot vermeld moeten worden. Lid 3 onder b van dit artikel schrijft dwingend voor dat de dagvaarding de woonplaats vermeldt van degene op wiens verzoek de betekening van het exploot plaatsvindt. Wanneer het exploot een dagvaarding betreft, schrijft artikel 111 lid 2 sub c Rv voor dat naast de gegevens van artikel 45 lid 3 Rv ook vermeld moet worden het kantooradres van de advocaat die door de eiser wordt gesteld. Voorgaande betekent dat het exploot van dagvaarding de woonplaats van [eiser] had moeten vermelden. Artikel 66 Rv bepaalt dat niet-naleving van artikel 45 Rv slechts nietigheid van het exploot meebrengt, voor zover aannemelijk is dat degene voor wie het exploot bestemd is, door het gebrek onredelijk is benadeeld. Van een onredelijke benadeling is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. [gedaagde] is in de procedure verschenen en hij weet wie de persoon is die de
vordering tegen hem heeft ingesteld. Zijn stelling dat hij in geval van een hoger beroep
tegen het vonnis van de rechtbank door het ontbreken van de woonplaats van [eiser] gedwongen is een dagvaarding in hoger beroep aan het kantoor van de advocaat van [eiser] te laten betekenen, levert niet een dergelijke onredelijke benadeling op.

Substantiëringsplicht

4.6.

[gedaagde] betoogt dat [eiser] in de dagvaarding de substantiëringsplicht van artikel 111 lid 3 Rv schendt. Deze plicht omvat volgens [gedaagde] ook de verplichting voor [eiser] om te vermelden waarom de verweren van [gedaagde] niet zouden opgaan. [eiser] benoemt weliswaar zijn verweren in de dagvaarding, maar hij gaat op die verweren niet in.

4.7.

De rechtbank verwerpt dit betoog van [gedaagde] , omdat het geen steun vindt in het recht. De substantiëringsplicht houdt in dat de eisende partij verplicht is in de dagvaarding te vermelden wat de bekende verweren van de gedaagde partij zijn. De eisende partij is
volgens de wet niet verplicht om in de dagvaarding al op de bekende verweren te reageren.

Stelplicht en verwijzing naar producties

4.8.

[gedaagde] voert aan dat [eiser] in strijd handelt met de eisen van een behoorlijke rechtspleging, omdat [eiser] in de dagvaarding niet verwijst naar twee overgelegde omvangrijke producties, te weten zijn medisch dossier en het strafdossier tegen [gedaagde] .

4.9.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer. De rechtbank begrijpt dat [eiser] het strafdossier enkel voor de volledigheid in het geding gebracht heeft en niet om daarmee concrete stellingen te onderbouwen. Bij de stellingen in de dagvaarding die betrekking hebben op zijn medische toestand, heeft [eiser] voldoende concreet verwezen naar onderdelen uit het medische dossier.

Onrechtmatige daad

4.10.

Op grond van artikel 161 Rv levert een in kracht van gewijsde gegaan, op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs op van dat feit.

4.11.

Uit het arrest van het Hof leidt de rechtbank af dat er sprake is geweest van een op tegenspraak gewezen arrest. Het arrest is onherroepelijk1. Dat betekent dat het arrest van het Hof, gelezen in combinatie met het vonnis van de rechtbank2, dwingende bewijs oplevert van het feit dat [gedaagde] op 25 augustus 2013, in de gemeente Maastricht, [eiser] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een snee in het hoornvlies van het rechter oog met als direct gevolg een recidiverende netvliesloslating), heeft toegebracht, door opzettelijk een glas in de richting van de [eiser] te gooien, welk glas [eiser] ook geraakt heeft.

4.12.

Dit strafrechtelijk handelen van [gedaagde] is een onrechtmatige daad jegens [eiser] , omdat er sprake is van een inbreuk op een recht van [eiser] (zijn lichamelijk integriteit). Dit handelen kan aan [gedaagde] worden toegerekend en heeft geleid tot schade bij [eiser] . Op grond van artikel 6:162 lid 1 BW is [gedaagde] verplicht de schade die [eiser] door de onrechtmatige daad van [gedaagde] heeft geleden te vergoeden.

4.13.

De rechtbank zal hieronder de vorderingen van [eiser] en de betwistingen en
inhoudelijke verweren van [gedaagde] bespreken.

Verjaring

4.14.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat de vorderingen van [eiser] zijn verjaard. Met een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 8 oktober 20103 stelt [gedaagde] dat de brieven van 19 maart 2018 en 23 februari 20234 geen stuitende werking hebben, omdat deze brieven niet een voldoende waarschuwing als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW bevatten. Niet te begrijpen is welk recht [eiser] zich voorbehoudt, waartegen hij zich eventueel moet verweren en welk bewijsmateriaal hij moet bewaren, aldus [gedaagde] .

4.15.

De rechtbank verwerpt het beroep op verjaring. Voor [gedaagde] is steeds voldoende duidelijk geweest dat hij zich moet verweren tegen het verwijt dat hij onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld, waardoor [eiser] schade geleden heeft. Ook is in de brieven van 19 maart 2018 en 23 februari 2023 duidelijk verwoord dat [eiser] aanspraak maakt op schadevergoeding. Voor een geldige stuiting is niet vereist dat [eiser] in de stuitingsbrieven omschrijft uit welke posten de te vorderen schadevergoeding bestaat en wat de hoogte daarvan is. De brieven hebben dus stuitende werking gehad en de vorderingen zijn niet verjaard.

Eigen schuld en de billijkheidscorrectie

4.16.

[gedaagde] beroept zich op eigen schuld van [eiser] . Volgens [gedaagde] heeft [eiser] bijgedragen aan het ontstaan van de schade omdat [eiser] onderdeel uitmaakte van een van de twee groepen waartussen een vechtpartij is ontstaan. [eiser] heeft meegevochten en op geen enkele wijze gepoogd zich hiervan te distantiëren.

4.17.

De rechtbank verwerpt het beroep op eigen schuld van [eiser] . [gedaagde] was een omstander van een gevecht van [eiser] met anderen. Het omstreden handelen van [gedaagde] is niet het gevolg van, of een reactie op, een handeling van [eiser] jegens [gedaagde] . Omdat het beroep op eigen schuld wordt verworpen, moet ook het beroep van [gedaagde] op de billijkheidscorrectie worden verworpen.

De vordering onder 1

4.18.

Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen in rov. 4.12 is de vordering onder 1 toewijsbaar.

De vordering onder 2 (diverse schadeposten)

4.19.

De rechtbank merkt inleidend op dat zij begrijpt dat waar [eiser] spreekt van een voorschot op de schadevergoeding, [eiser] vergoeding vordert van de schade die tot nu toe te berekenen is.

Medische kosten

4.20.

[eiser] stelt dat tot nu toe de medische kosten begroot kunnen worden op € 25.132,90. Dit bedrag bestaat uit een aantal onderdelen:

  1. betaald eigen risico over de periode van 2013 tot en met 2023 voor diverse controles, behandelingen door specialisten en apotheekkosten;

  2. apotheekkosten, kosten in verband met de aanschaf van contactlenzen en kompressen in de periode 2013 tot en met 2021;

  3. kosten van het maken van een oogprothese, die tweejaarlijks moet worden vervangen, en waarvan de zorgverzekeraar 75% vergoedt. In 2024 bedragen de kosten van een consult en het opnieuw inmeten van een oogprothese € 1.030,--. Daarvan wordt € 595,88 door zijn zorgverzekeraar vergoed. Inclusief het verschuldigde eigen risico bedragen de kosten per jaar € 819,12. Uitgaande van een levensverwachting van 79,7 jaar bedraagt de schade volgens [eiser] 24 x € 819,12 = € 19.658,88;

  4. te betalen eigen risico na 2023 tot de leeftijd van 80 jaar vanwege de jaarlijkse controle aan het oog door de specialist, apotheekkosten en medicatie: 24 x € 125,-- = € 3.000,--.

4.21.

[gedaagde] meent dat hij niet aansprakelijk is voor de medische kosten die verband houden met het plaatsen van de oogprothese, omdat deze kosten niet in direct causaal verband staan met het incident. [eiser] heeft de medische noodzaak voor die keuze niet aangetoond. Subsidiair doet [gedaagde] een beroep op de schadebeperkingsplicht van [eiser] .
[eiser] heeft niet inzichtelijk gemaakt welke andere opties hij had en welke kosten daarmee gemoeid waren. Meer subsidiair stelt [gedaagde] de omvang van de kosten ter discussie. Allereerst meent hij dat de berekening van [eiser] niet juist is. Als de tweejaarlijkse kosten voor het maken van de prothese € 1.030,-- zijn, krijgt [eiser] van zijn ziektekostenverzekeraar € 772,50 terug (75%) en moet hij dus € 257,50 zelf betalen. Omdat [eiser] verder geen facturen heeft overgelegd waaruit blijkt dat die kosten € 1.030,-- bedragen en hij geen bewijs overlegt dat zijn verzekeraar maar 75% van de kosten vergoedt, betwist [gedaagde] ook de verschuldigdheid van het bedrag van € 257,50. Verder betwist [gedaagde] dat [eiser] als gevolg van en sinds het incident ieder jaar zijn eigen risico verbruikt en zal verbruiken. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] ook de kosten van de jaarlijkse controles niet inzichtelijk gemaakt. Conform de richtlijnen van de Letselschaderaad moet worden uitgegaan van een periode tot het 70e levensjaar van [eiser] en niet tot diens 80e levensjaar. [gedaagde] betwist ook de gevorderde schadevergoeding in verband met de diverse netvliesloslatingen. Daarvan is volgens [gedaagde] vier keer sprake geweest, en niet vijf keer, zoals [eiser] stelt. Ten aanzien van alle netvliesloslatingen geldt volgens [gedaagde] dat de behandelend oogarts niet heeft onderbouwd dat die netvliesloslatingen het directe gevolg van het incident zijn.

4.22.

De rechtbank stelt voorop dat op grond van het onherroepelijke arrest van het hof dwingend bewijs bestaat van het feit dat de snee in het hoornvlies van het rechter oog als direct gevolg een recidiverende netvliesloslating heeft gehad. Voor zover [gedaagde] bedoeld heeft om op grond van artikel 151 lid 2 Rv tegenbewijs van dit dwingende bewijs te leveren, is hij daar niet in geslaagd. Uit de medische informatie die [eiser] heeft overgelegd, meer in het bijzonder de informatie van de oogarts van [eiser]5, volgt dat door het incident het rechter oog is geperforeerd. Na de eerste operatie was het zicht 100%. In de brief van
14 mei 20146 meldt de oogarts expliciet dat de netvliesloslating in december 2013 als een direct ongeval van het incident is te beschouwen. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan deze conclusie van de oogarts gelet op de aard van het letsel dat [eiser] heeft opgelopen door het incident. In een korte periode erna is het netvlies nog vier keer losgelaten, te weten op 15 januari 2014, 21 februari 2014, 29 mei 2014 en 2 september 2014. Dit blijkt uit de samenvatting in het advies7 van de medisch adviseur van [eiser] en uit de decursusgegevens van het academisch ziekenhuis Maastricht8. Gezien die korte tijdspanne is het aannemelijk dat deze netvlieslatingen in oorzakelijk verband staan met de aanvankelijke schade aan het rechter oog en dus met het incident. Uiteindelijk is [eiser] door de ingreep in 2022 het zicht in zijn rechter oog verloren.

4.23.

Uit het medisch dossier9 volgt dat in 2022 de verwijdering van (de inhoud van) het rechter oog van [eiser] noodzakelijk was en dat dit, gelet op de klachten van [eiser] , de enige reële optie was voor verdere behandeling. De rechtbank verwijst hierbij naar de brief10 van 31 december 2021 van de behandelend oogarts aan de huisarts van [eiser] waaruit blijkt wat in theorie de alternatieven zijn en waarom deze geen opties zijn voor [eiser] . De keuze van [eiser] voor deze operatie was daarom niet in strijd met zijn schadebeperkingsplicht.

4.24.

Ten aanzien van de gevorderde schade overweegt de rechtbank het volgende.

  1. De bedragen die [eiser] over de periode 2013 tot en met 2023 aan eigen risico heeft moeten betalen, heeft hij toereikend onderbouwd met de bijlagen 1 tot en met 17.

  2. De kosten die hij betaald heeft voor medicijnen, kompressen en contactlenzen in de periode 2013 tot en met 2021 zijn voldoende onderbouwd met de bijlagen 18 tot en met 30.

De kosten a) en b) samen bedragen € 2.474,02 en komen voor vergoeding in aanmerking.

Met productie 19 heeft [eiser] aangetoond dat de kosten van het vervaardigen van de oogprothese in 2024 € 810,-- bedroegen en met productie 20 dat een deel daarvan, ten bedrage van € 214,12, niet door de ziektekostenverzekeraar van [eiser] wordt vergoed en verder dat € 385,00 voor zijn eigen risico komt. De extra kosten in de toekomst in verband met het tweejaarlijks vervangen van de oogprothese voor [eiser] als gevolg van het incident moeten worden berekend tot het 80e levensjaar van [eiser] . Immers, 80 jaar is de huidige, gemiddelde levensverwachting voor een man. De rechtbank begroot de schade op € 599,12 (€ 214,12 + € 385,--) x 24 = € 14.378,88 ter zake de niet-vergoede kosten van het inmeten en vervaardigen van de protheses vanaf 2024 tot de leeftijd van 80 jaar.

[eiser] stelt dat hij nog 48 keer op controle zal moeten in het ziekenhuis. In die periode zal hij 24 keer € 125,-- aan eigen risico moeten betalen. De rechtbank begrijpt dat [eiser] de andere 24 keer buiten beschouwing laat omdat die keren in het kader van post c) als schade eigen risico gevorderd wordt. De rechtbank is van oordeel dat de kosten van de jaarlijkse medische controles en de verstrekkingen door de apotheek toereikend toegelicht zijn. Deze schadepost kan daarom vastgesteld worden op 24 x € 125,00 = € 3.000,--

4.25.

De slotsom is dat de rechtbank de post medische kosten vaststelt op € 2.474,02 +
€ 14.378,88 + € 3.000,-- = € 19.852,90.

Reis- en parkeerkosten

4.26.

[eiser] stelt dat hij diverse reis- en parkeerkosten heeft gemaakt in verband met medische behandelingen en bezoeken aan het Openbaar Ministerie, zijn advocaat, de rechtbank en het gerechtshof. Deze schadepost ad € 242,--, is door het Hof al toegewezen.

In verband met controles en diverse behandelingen is [eiser] regelmatig in het ziekenhuis in Maastricht geweest en éénmaal naar Bussum in verband met het aanmeten van de oogprothese. Voor de periode van 2015 tot de dag van de dagvaarding kunnen de kosten worden begroot op € 500,--. Ook in de komende jaren zal [eiser] worden geconfronteerd met deze kosten. Op basis van zijn huidige medische situatie staat volgens [eiser] vast dat hij nog minimaal 44 keer naar het ziekenhuis in Maastricht zal moeten gaan voor een jaarlijkse controle. Op basis van het normbedrag in de richtlijn Kilometervergoeding bedragen de kosten op jaarbasis € 4,62. Over een periode van 44 jaar is dat € 203,28. Daarnaast stelt [eiser] iedere twee jaar naar Bussum te moeten om een nieuwe prothese te laten aanmeten. De kosten daarvan bedragen € 139,-- (420 km retour x € 0,33) x 24 keer = € 3.336,--. De parkeerkosten worden door [eiser] geschat op € 10,-- per keer en derhalve in totaal op 68 (44 + 24) maal dat bedrag, zijnde € 680,--. Al deze bedragen moeten nog geïndexeerd worden. [eiser] gaat dan ook uit van een stelpost van € 4.500,-- aan toekomstige reis- en parkeerkosten. Het
totaal aan verschenen en toekomstige reis- en parkeerkosten bedraagt € 5.242,02, aldus
[eiser] .

4.27.

Volgens [gedaagde] moet deze vordering worden afgewezen. [eiser] heeft slechts een schatting gemaakt en hij heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe deze kosten in relatie staan tot het aantal behandelingen. Ten aanzien van de toekomstige schade heeft [eiser] volgens [gedaagde] geen bescheiden overgelegd waaruit blijkt dat hij de rest van zijn leven jaarlijks op controle moet. [eiser] levert geen onderbouwing waaruit blijkt dat hij deze kosten heeft gemaakt. Subsidiair stelt [gedaagde] dat het gevorderde fors moet worden gematigd, omdat de periode waarover de schade wordt gevorderd de periode van 2015 tot heden betreft, terwijl volgens een medische advies van 14 augustus 201511 sprake was van een medische eindtoestand. De kosten nadien kunnen dus niet worden verhaald.

4.28.

De rechtbank zal de post reis-en parkeerkosten vaststellen op € 5.242,02. [eiser] heeft door de verklaring van zijn oogarts12 voldoende aangetoond dat en waarom de reiskosten in verband met de medische behandelingen moeten worden gemaakt. Volgens die verklaring moet [eiser] jaarlijks op controle naar het ziekenhuis en dient de prothese iedere twee jaar te worden vervangen. De stelling dat de vergoeding zou moeten worden beperkt tot de periode tot 15 augustus 2015, omdat volgens de toenmalige medisch adviseur sprake was van een medische eindtoestand, moet worden verworpen. Uit hetgeen nadien is voorgevallen, is gebleken dat die conclusie niet juist is.

4.29.

Onderdeel van het bedrag van € 5.242,02 is een bedrag van € 242,-- dat het Hof al heeft toegewezen (als onderdeel van het door het Hof aan [eiser] als benadeelde partij toegewezen bedrag van € 3.397,26). De rechtbank zal voor de duidelijkheid van partijen de
rekenmethodiek van [eiser] in productie 8 van de dagvaarding volgen, waarin hij eerst alle materiële schadeposten optelt en daarna van het totaalsaldo aan materiële schade aftrekt het bedrag aan materiële schade dat is toegewezen door het Hof. Dat betekent dat later in dit vonnis, wanneer de vastgestelde materiële schadeposten bij elkaar opgeteld worden, het door [gedaagde] aan [eiser] reeds betaalde bedrag aan materiële schade, daarop in mindering zal strekken.

Verlies arbeidsinkomsten

4.30.

[eiser] stelt dat hij ten tijde van het incident, naast zijn studie, werkzaam was in de horeca als keukenmedewerker. Door zijn letsel en de daarmee verband houdende beperkingen was hij direct na het incident zes weken arbeidsongeschikt. Uit de door de werkgever verstrekte overzichten van het dienstrooster blijkt dat hij in de weken 35 tot en met 40 van 2013 was ingepland. De volgens dat rooster ingeplande uren heeft hij niet kunnen werken vanwege de in die periode ondergane operaties. Ook als gevolg van de vijf operaties in verband met de netvliesloslatingen was hij telkens enkele weken arbeidsongeschikt. In totaal heeft hij daardoor, naar hij stelt, € 8.160,50 aan nettosalaris misgelopen. Van die vordering heeft het Hof een deel, ter hoogte van € 1.197,--, toegewezen.

4.31.

[gedaagde] merkt op dat [eiser] zijn vordering onderbouwt met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met een looptijd van 1 juli 2005 en een einddatum van 30 juni 2006. Volgens hem had [eiser] geen dienstbetrekking op het moment van het incident.
Verder betoogt [gedaagde] dat [eiser] op grond van artikel 7.2 CAO voor het horeca- en aanverwante bedrijf en de toelichting op de CAO Horeca 2012-2013 recht had op 95% loondoorbetaling. De overige 5% is volgens [gedaagde] reeds verdisconteerd in het bedrag dat het Hof al heeft toegewezen.

4.32.

De rechtbank neemt op basis van de verklaringen van de toenmalige werkgever (brasserie La Meuse te Eijsden) en de jaaropgave 2013 aan dat [eiser] ten tijde van het incident werkzaam was op basis van een 0-urencontract13. Met de overzichten van de werkgever heeft [eiser] voldoende aangetoond dat indien het incident hem niet was overkomen, hij op de dagen waarop hij geopereerd is (in verband met het incident en de vijf netvliesloslatingen) en in de weken daarna, waarin hij vanwege de ingrepen niet kon werken, had kunnen werken voor zijn toenmalige werkgever.

4.33.

Het verweer van [gedaagde] , dat [eiser] , op grond van de door [gedaagde] genoemde cao-bepaling, jegens zijn voormalige werkgever recht zou hebben op doorbetaling van zijn loon gedurende de periode dat hij ziek was als gevolg van het incident, en dus enkel jegens zijn werkgever aanspraak zou kunnen maken op vergoeding van de gemiste arbeidsinkomsten, vindt geen steun in het recht. Omdat het verlies aan inkomsten is te wijten aan de onrechtmatige handeling van [gedaagde] , kan [eiser] jegens deze aanspraak maken op vergoeding van de daaruit voortvloeiende schade bestaande in het missen looninkomsten. Daaraan doet niet af dat [eiser] een vordering had op grond van een loondoorbetalingsplicht op zijn voormalige werkgever.

4.34.

Nu [gedaagde] deze vordering voor het overige niet heeft betwist, stelt de rechtbank de schadepost verlies arbeidsinkomsten vast op € 8.160,50. Onderdeel van deze post is het door het Hof toegewezen bedrag van € 1.197,-- . Later in de beoordeling, wanneer alle vastgestelde schadeposten bij elkaar opgeteld worden, zal het door [gedaagde] aan [eiser] al betaalde schadebedrag, van het totaal worden afgetrokken.

Economische kwetsbaarheid

4.35.

Volgens [eiser] is het voorstelbaar dat het verlies van het zicht van zijn rechter oog zal leiden tot economische kwetsbaarheid, omdat zijn letsel kan leiden tot (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid. Als hij zijn baan zou verliezen, zal hij door het missen van het zicht in zijn rechter oog meer moeite hebben met het vinden van een nieuwe baan, want het lastiger is om bepaalde beroepen uit te oefenen met die handicap. De kans is dus aanwezig dat hij bij een eventueel ontslag langer werkloos zal zijn dan wanneer hij het letsel niet zou hebben. [eiser] berekent de schade op € 18.000,--, zijnde het gemis aan een nettosalaris van € 3.000,-- per maand gedurende een periode van zes maanden.

4.36.

[gedaagde] is van mening dat deze post niet toewijsbaar is.

4.37.

De rechtbank is van oordeel dat deze post moet worden afgewezen. Voor toewijzing van een vergoeding voor verhoogde economische kwetsbaarheid is vereist dat [eiser] werkzaam is in een functie die op zijn maat is gecreëerd door zijn werkgever. Hij heeft niet gesteld of en in welke zin zijn werk is aangepast in verband met zijn handicap als gevolg van het incident.

Mantelzorg

4.38.

[eiser] stelt dat zijn moeder hem in de periode van 2013-2015 mantelzorg (verzorging/verpleging) verleend heeft, te weten de eerste drie weken na de mishandeling en telkens tijdens de eerste week na de diverse operaties. Het betreft in totaal zes weken (42 dagen), gemiddeld 3 uur per dag. Het toepasselijke mantelzorgtarief in die periode bedroeg € 8,50 per uur. Dat leidt tot een vordering van € 1.071,--. In 2022, toen (de inhoud van) zijn rechter oog is verwijderd en de oogprothese werd geplaatst, is mantelzorg verleend door zijn vriendin. De eerste drie dagen na de ingreep heeft zijn vriendin verlof opgenomen om hem te verzorgen. De hulp is toen telkens drie uur per dag verleend. Op grond van het in 2022 geldende mantelzorgtarief, maakt [eiser] aanspraak op een vergoeding van € 85,50 (= 3 x 3 x € 9,50). In totaal vordert [eiser] voor deze post tot en met 2022 € 1.156,50.

4.39.

[gedaagde] voert daartegen aan dat voor het berekenen van deze schadepost aansluiting moet worden gezocht bij de richtlijn Huishoudelijke Hulp van de Letselschade Raad. Volgens die richtlijn is het bedrag in 2013 geïndexeerd op € 63,00 per week. In totaal is sprake van een schadepost van € 378,-- (6 x € 63,--). Dat bedrag is volgens [gedaagde] al verdisconteerd in de door het Hof toegekende schadevergoeding. Derhalve dient het gevorderde bedrag te worden afgewezen. Ook de vordering ter zake de verlofuren van de vriendin van [eiser] , moet volgens [gedaagde] worden afgewezen, omdat dit geen schade is die door [eiser] is geleden.

4.40.

De rechtbank is van oordeel dat, anders dan [gedaagde] aanvoert, de uren die gevorderd worden voor verpleging/verzorging van [eiser] niet vallen onder de richtlijn Huishoudelijke Hulp. Deze richtlijn verstaat onder zelfredzaamheid: de persoonlijke verzorging en algemene dagelijkse levensverrichtingen. De richtlijn bepaalt expliciet dat zelfredzaamheid niet valt onder de richtlijn Huishoudelijke hulp. Niet betwist is dat in 2013-2015
€ 8,50 per uur een redelijk uurtarief is als vergoeding voor de verleende verpleging/verzorging van [eiser] . Ook de omvang van de uren is niet ter discussie gesteld. Voor door zijn moeder verleende zorg, zal de rechtbank de post mantelzorg vaststellen op € 1.071,--. De stelling dat de bedoelde schade die door de vriendin van [eiser] is geleden niet door [eiser] kan worden gevorderd, vindt geen steun in het recht. De rechtbank verwijst daartoe naar het arrest van de Hoge Raad van 5 december 200814. Ter zake kosten voor verpleging/verzorging door zijn vriendin zal de rechtbank een vergoeding toewijzen van € 85,50. In totaal zal de post mantelzorg dus vastgesteld worden op € 1.156,50.

Huishoudelijke hulp

4.41.

[eiser] stelt dat hij de eerste acht weken na de operatie in verband met het verwijderen van (de inhoud van) zijn rechter oog, niet mocht tillen en geen activiteiten mocht verrichten waarbij druk op de oogkas kon ontstaan. In die periode durfde hij bovendien niet naar buiten omdat hij nog geen oogprothese had. [eiser] vriendin deed daarom alles buitenshuis en zij maakte schoon in huis. Volgens [eiser] is het redelijk bij de begroting van deze schadepost de richtlijn Huishoudelijke Hulp van de Letselschade Raad aan te houden. Uitgaande van het feit dat het om een tweepersoonshuishouden gaat, hij in de bedoelde periode matig beperkt was in de zin van die richtlijn en toen een normbedrag gold van € 98,-- per week, stelt [eiser] volgens die richtlijn aanspraak te kunnen maken op € 392,--
(= € 98,-- x 8 x 50%).

4.42.

[gedaagde] meent dat er geen causaal verband bestaat tussen deze schadepost en het incident. Deze schade kan niet aan hem worden toegerekend. Dat [eiser] niet naar buiten durfde, betekent niet dat hij niet naar buiten kon. Dat [eiser] vriendin hem heeft moeten helpen, komt voor rekening van [eiser] zelf. [eiser] was naar medische objectieve maatstaven in staat deze werkzaamheden zelf te verrichten. De schade als gevolg van het feit dat [eiser] uit gevoel van schaamte niet heeft gehandeld, moet worden gevorderd als onderdeel van smartengeld, en niet als kosten van huishoudelijke hulp.

4.43.

De rechtbank is van oordeel dat het door [gedaagde] betwiste causale verband aanwezig is. Aannemelijk is dat [eiser] gedurende acht weken na de oogoperatie niet mocht tillen en geen activiteiten mocht verrichten waarbij druk op de oogkas kon ontstaan. Dat betekent dat hij in die tijd geen boodschappen kon dragen, in huis geen zware dingen kon tillen en dus ook niet mocht bukken, waardoor hij beperkt was in zijn mogelijkheden om bij te kunnen dragen aan de huishoudelijke activiteiten. Alleen al om die reden kan de post huishoudelijke hulp, die anderszins niet betwist is, vastgesteld worden op € 392,--.

Verlies zelfwerkzaamheid

4.44.

[eiser] stelt dat hij vóór het incident veel in, aan en rondom zijn huis kluste: boren, lassen, meubels in elkaar zetten, timmerwerk verrichten, aanleggen en onderhouden van zijn tuin etc. Als gevolg van zijn letsel ziet hij geen althans weinig diepte, zodat hij voor het verrichten van deze werkzaamheden nu een derde moet inschakelen. Voor de begroting van de daaruit voortvloeiende schade heeft hij aansluiting gezocht bij de richtlijn Zelfwerkzaamheid van de Letselschade Raad. Hij is in zijn berekening uitgegaan van het feit dat hij met ingang van 1 februari 2018 een huurappartement zonder tuin bewoonde en met ingang van
1 juni 2018 een ander huurappartement, wederom zonder tuin, en hij ten slotte vanaf
14 oktober 2022 samen met zijn vriendin eigenaar is van een vrijstaande woning. [eiser] stelt dat de toepasselijke richtlijn uitgaat van een normbedrag van € 161,-- per jaar. Vanaf 14 oktober 2022 moet worden uitgegaan van bewoning van een vrijstaande woning. Het is volgens [eiser] redelijk om 75% van het normbedrag te hanteren, nu hij bepaalde taken nog zelf kan uitvoeren en hij is gaan samenwonen. Op basis van vaste jurisprudentie heeft
[eiser] de schade doorberekend tot zijn 75e levensjaar, hetgeen tot een totaal leidt van € 53.406,20.

4.45.

[gedaagde] betoogt dat het bedrag aan schadevergoeding niet moet worden berekend tot het 75e levensjaar van [eiser] , maar tot diens 70e levensjaar, in lijn met de richtlijn Zelfwerkzaamheid van de Letselschaderaad.

Dat [eiser] bepaalde werkzaamheden niet meer zou kunnen uitvoeren, is volgens [gedaagde] niet onderbouwd met een verklaring van een medisch deskundige. [eiser] heeft geen letsel aan zijn handen, dus hij kan door hem genoemde werkzaamheden verrichten. Werkzaamheden als het maken van meubels, timmerwerk, het lassen en het aanleggen van tuinen, vallen niet onder het begrip “zelfwerkzaamheid” van de richtlijn, aldus [gedaagde] . [eiser] noemt geen werkzaamheden die hij niet kan uitvoeren door het incident en die wel vallen binnen de reguliere onderhoudswerkzaamheden. Derhalve moet deze vordering worden afgewezen.

Subsidiair stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat het percentage van het normbedrag dat [eiser] hanteert (75) niet reëel is. Volgens [gedaagde] moet een percentage van 0 dan wel 25 worden gehanteerd, omdat [eiser] geen letsel heeft opgelopen aan zijn handen. Evenmin is sprake van volledige blindheid. [eiser] kan de bedoelde werkzaamheden dus uitvoeren. [eiser] kan ook praktische handelingen aanleren hoe om te gaan met het zicht met één oog. Er is dus geen volledige beperking op het gebied van de zelfwerkzaamheid. Overigens kan de vriendin van [eiser] de onderhoudswerkzaamheden volledig uitvoeren. [eiser] heeft immers niet inzichtelijk gemaakt hoe de werkzaamheden tussen hen verdeeld waren voor het incident. [gedaagde] voert ook aan dat de omrekenfactor van 0,7 bij appartementen moet worden toegepast. Daarnaast dient volgens [gedaagde] de hoogte van de vordering aanzienlijk te worden gematigd, omdat met verkeerde bedragen is gewerkt. Per 1 januari 2018 moet worden uitgegaan van een bedrag van € 150,-- voor huurwoningen zonder tuin, met weinig onderhoud. Dat bedrag is pas in 2021 verhoog naar € 161,--. Ook moet volgens [gedaagde]
rekening worden gehouden met de sterftekans. Ten slotte voert [gedaagde] aan dat de toekomstige schade niet wordt geconcretiseerd.

4.46.

De rechtbank overweegt als volgt. Het uitgangspunt van de door de Letselschade Raad opgestelde richtlijn Zelfwerkzaamheid is dat de schade berekend moet worden tot het moment dat [eiser] 70 jaar wordt. De rechtbank zal daarvan uitgaan.

4.47.

Onder zelfwerkzaamheid verstaat de richtlijn reparatie- en schilderwerkzaamheden in en aan de woning, evenals het aanbrengen van behang en wandbekleding en tuinonderhoud. Uitgaande van deze definitie is er binnen het kader van de richtlijn Zelfwerkzaamheden geen ruimte om rekening te houden met het feit dat [eiser] , zoals hij stelt, als gevolg van het feit dat hij blind is aan zijn rechter oog geen meubels meer kan maken, niet meer kan timmeren en lassen en geen tuinen meer kan aanleggen. Bij al deze activiteiten is immers geen sprake van ‘onderhoud’. Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat de onderhoudswerkzaamheden die wel onder de richtlijn vallen niet (goed) meer verricht kunnen worden door [eiser] omdat hij met één oog minder diepte ziet.

4.48.

Het normbedrag voor een huurwoning zonder tuin bedraagt vanaf 1 januari 2018 € 150,-- per jaar. Met ingang van 1 januari 2021 is dat bedrag verhoogd tot € 161,-- per jaar. Per 14 oktober 2022 is het normbedrag voor een eigen woning met tuin en alle onderhoud
€ 1.287,--. Vanaf 1 januari 2023 moet worden uitgegaan van een normbedrag van € 1.354,-- per jaar voor een woning met tuin en alle onderhoud, en met ingang van 1 januari 2025 met een bedrag van € 1.531,-- per jaar. De omrekenfactor bedraagt voor de jaren 2018 tot en met 2022 0,7 (woningtype: appartement) en vanaf 1 januari 2023 1,3 (woningtype: vrijstaande woning). Volgens de richtlijn Zelfwerkzaamheid moet deze schadepost als volgt worden berekend: normbedrag x omrekenfactor x aandeel vóór het ongeval in de onderhoudswerkzaamheden x mate van beperking.

4.49.

[eiser] stelt het aandeel voor het ongeval op 100% omdat zijn vriendin niet handig is. De rechtbank acht een percentage van 100% vanaf het moment dat [eiser] in een vrijstaande woning woont te hoog. De werkzaamheden die horen bij tuinonderhoud zijn van dien aard dat ook de vriendin van [eiser] daarin een aandeel kan nemen. De rechtbank
rekent daarom vanaf 14 oktober 2022 met een aandeel van 50%. [eiser] stelt dat hij niet bij alle taken beperkt is en hij rekent daarom met een percentage van 75%. Dat percentage acht de rechtbank redelijk gelet op de aard van het letsel en de beperkingen die [eiser] ervaart omdat hij geen diepte meer kan zien.

4.50.

Voorgaande betekent dat de rechtbank voor de periode 1 februari 2018 tot en met 31 december 2024 uitgaat van de volgende bedragen:

- 1-2-2018 t/m 31-12-2018: 11/12 jaar x € 150,-- x 0,7 x 1 x 0,75 = € 72,18

- 1-1-2019 t/m 31-12-2019: € 150,-- x 0,7 x 1 x 0,75 = € 78,75

- 1-1-2020 t/m 31-12-2020: € 150,-- x 0,7 x 1 x 0,75 = € 78,75

- 1-1-2021 t/m 31-12-2021: € 161,-- x 0,7 x 1 x 0,75 = € 84,53

- 1-1-2022 t/m 13-10-2022: 286/365 dagen x € 161,-- x 0,7 x 1 x 0,75 = € 66,23

- 14-10-2022 t/m 31-12-2022: 79/365 dagen x € 1.287,-- x 1,3 x 0,5 x 0,75 = € 135,80

- 1-1-2023 t/m 31-12-2023: € 1.354,-- x 1,3 x 0,5 x 0,75 = € 660,08

- 1-1-2024 t/m 31-12-2024: € 1.354,-- x 1,3 x 0,5 x 0,75 = € 660,08

4.51.

De rechtbank zal [eiser] in de gelegenheid stellen om bij akte een berekening in het geding te brengen over de periode 1 januari 2025 tot het moment dat [eiser] 70 jaar wordt met inachtneming van voorgaande uitgangspunten. [gedaagde] zal daarna bij
antwoord-akte mogen reageren.

Huur televisie, kosten opvragen medische informatie, kosten medisch advies en kosten GBA-controle

4.52.

[eiser] stelt dat hij in het ziekenhuis kosten heeft gemaakt voor de huur van een televisie ter hoogte van € 20,86. Daarnaast stelt hij kosten te hebben gemaakt in verband met het opvragen van medische informatie, het laten opstellen van een medisch advies en kosten voor GBA-controles ten behoeve van de verzending van de stuitingsbrieven. De totale schadepost bedraagt volgens [eiser] € 784,36.

4.53.

De kosten van de huur van een tv moeten volgens [gedaagde] worden afgewezen omdat daarvan geen causaal verband met het incident bestaat en deze kosten niet aan [gedaagde] kunnen worden toegerekend. Het medisch advies levert geen grondslag op voor aansprakelijkheid. Ten aanzien van deze kosten alsmede ten aanzien van de GBA-controle en het opvragen van het medische dossier zijn volgens [gedaagde] geen facturen overgelegd.

4.54.

De rechtbank is van oordeel dat de kosten van de huur van de tv wél in causaal verband staan met het incident. Als gevolg van het incident, waarvoor [gedaagde] verantwoordelijk is, is [eiser] immers in het ziekenhuis beland. Het is gebruikelijk dat tijdens het verblijf in een ziekenhuis tv wordt gekeken door patiënten op hun kamer. Ter zake de kosten van het GBA-controles heeft [eiser] facturen overgelegd, en wel bijlages 37 en 38 bij productie 8 bij de dagvaarding. De kosten van het medisch advies kunnen gegrond worden op artikel 6:96 lid 2 sub b BW, en zijn onderbouwd met bijlage 39. Ook ter zake de huur van de tv heeft [eiser] een factuur overgelegd, te weten bijlage 42 bij factuur 8 bij de dagvaarding. Ten slotte zijn ook ten aanzien het opvragen van het medische dossier facturen overgelegd, te weten bijlage 40 en 41 van productie 8 bij de dagvaarding. Omdat [gedaagde] deze vordering voor het overige niet heeft betwist, zal deze post, zoals gevorderd, vastgesteld worden op € 784,36.

Smartengeld

4.55.

[eiser] maakt aanspraak op een smartengeldvergoeding. Bij de begroting daarvan zijn volgens hem de volgende aspecten relevant. Hij is zwaar mishandeld. Er is sprake van ernstig letsel, nu hij blind is aan één oog. Hij heeft blijvende pijnklachten en beperkingen. Er is sprake van cosmetische schade en van 20% blijvende invaliditeit van de gehele persoon. Ten slotte is van belang dat weliswaar sprake is van een stationaire toestand, maar niet van een eindtoestand: er is een risico op verslechtering, hetgeen gevolgen kan hebben voor zijn werk. Een bedrag van € 40.000,-- dient in dat licht volgens [eiser] te worden aangemerkt als ondergrens voor een toe te kennen immateriële schade. Nu het Hof ter zake smartengeld al een bedrag heeft toegewezen van € 25.000,--, maakt [eiser] aanspraak op vergoeding van een bedrag van € 15.000,--.

4.56.

[gedaagde] voert allereerst eerst dat [eiser] als benadeelde partij in de strafzaak aanspraak maakte op € 35.000,--. [eiser] heeft niet onderbouwd waarom hij nu aanspraak maakt op een bedrag van € 40.000,--. De gevallen waarop [eiser] zijn vordering baseert zijn volgens [gedaagde] niet vergelijkbaar. Het ‘opzet’ in strafrechtelijke zin waarvan het Hof is uitgegaan, ziet op het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat [eiser] ernstig letsel zal oplopen door het handelen van [gedaagde] . Dit was niet aan de orde in de zaken die [eiser] ter vergelijking aanhaalt. In de volgens [gedaagde] vergelijkbare gevallen wordt aanzienlijk minder smartengeld toegekend.

4.57.

De rechtbank is van oordeel dat [eiser] niet gebonden is aan de vordering zoals hij die in de strafzaak heeft ingediend. De vordering in de onderhavige civiele procedure heeft [eiser] onderbouwd met volgens hem vergelijkbare gevallen uit de Smartengeldgids.

4.58.

De rechtbank is van oordeel dat toekenning van een bedrag van in totaal
€ 40.000,-- aan smartengeld gerechtvaardigd is. Daartoe is het volgende redengevend. Allereerst de ernst van het onrechtmatig handelen van [gedaagde] . Met het gooien van het glas in het gezicht van [eiser] , heeft hij het risico op de koop toegenomen dat [eiser] een verwonding aan zijn oog zou oplopen. [eiser] is ook ernstig gewond geraakt aan zijn rechter oog door het glas. In verband met een vijftal netvliesloslatingen, die alle in oorzakelijk verband staan met het oorspronkelijke letsel, heeft [eiser] evenzovele operaties moeten ondergaan. Uiteindelijk kon het aanvankelijk geredde zicht in zijn rechter oog toch niet gered worden en heeft [eiser] moeten beslissen (de inhoud van) het rechter oog te laten verwijderen en te laten vervangen door een prothese. Niet alleen heeft dat cosmetische gevolgen voor het gezicht van [eiser] , maar bovendien moet tweejaarlijks een nieuwe prothese worden aangemeten en vervolgens ingebracht bij [eiser] . Hij zal dus de rest van zijn leven geconfronteerd blijven met de gevolgen van het incident. Ten slotte is van belang dat [eiser] constant leeft met de geestelijke druk dat er met zijn gezonde oog niets mis mag gaan omdat hij anders geheel blind zal zijn. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank, nu het Hof al
€ 25.000,-- heeft toegekend, nog een bedrag van € 15.000,-- aanvullend als schadepost zal vaststellen.

De vordering onder 3 (verwijzing naar de schadestaatprocedure)

4.59.

Omdat in de toekomst mogelijk nog kosten moeten worden gemaakt ten aanzien van een aantal schadeposten, vordert [eiser] ter begroting van de nog niet begrote kosten en toekomstige schade een verwijzing naar de schadestaat. Het betreft - voor zover nog
relevant gelet op wat hiervoor geoordeeld is over de post economische kwetsbaarheid - de volgende schadeposten: medische kosten, reis- en parkeerkosten, mantelzorg, huishoudelijke hulp, verlies zelfwerkzaamheid, overige kosten en smartengeld.

4.60.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat [eiser] niet concreet heeft gemaakt waarin de toekomstige schade exact bestaat. [gedaagde] ziet niet in waarom [eiser] die toekomstige schade niet op dit moment concreet kan maken op de voet van artikel 6:105 BW.

4.61.

De rechtbank is van oordeel dat deze vordering voor toewijzing gereed ligt. Voldoende voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure is, dat aannemelijk is dat in de toekomst mogelijk nog schade zal optreden.15 Daarvan is hier sprake. [eiser] heeft toegelicht wat de mogelijke schadeposten zijn. Of en welke schades zich zullen voordoen, hangt af van toekomstige ontwikkelingen. [eiser] is niet verplicht om de rechtbank te verzoeken de toekomstige schade op de voet van artikel 6:105 BW te begroten; hij mag er voor kiezen verwijzing naar de schadestaat te vorderen, om in een dergelijke procedure die schade te laten vaststellen.

De vordering onder 4 ( advocaatkosten)

4.62.

[eiser] maakt aanspraak op vergoeding van advocaatkosten, nu, voordat de onderhavige procedure is gestart, er onderhandeld is over de hoogte van de schade. Volgens
[eiser] komen op grond van artikel 6:96 lid 2 BW de daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten voor vergoeding in aanmerking. De tot en met 28 mei 2019 gemaakte buitengerechtelijke kosten hebben volgens [eiser] € 2.597,27 bedragen.

4.63.

[gedaagde] verweert zich tegen deze vordering. Hij vindt dat deze kosten onvoldoende zijn onderbouwd, zodat niet kan worden beoordeeld of het maken van deze kosten redelijk was en of de hoogte daarvan redelijk was. Subsidiair meent [gedaagde] dat de onderbouwing van het honorarium onvoldoende verifieerbaar is, omdat [eiser] niet inzichtelijk maakt of de bestede tijd in redelijke verhouding tot de verrichte werkzaamheden staan. Meer subsidiair voert [gedaagde] aan dat gelet op de eigen schuld van [eiser] , dan wel de toepasselijke billijkheidscorrectie, de vordering van [eiser] naar evenredigheid daarvan dient te worden verminderd.

4.64.

De rechtbank is van oordeel dat de kosten voldoende zijn onderbouwd met productie 16 bij de dagvaarding en redelijk zijn. Omdat zoals hierboven reeds overwogen is, geen sprake is van eigen schuld en een billijkheidscorrectie niet aan de orde is, is er ook geen aanleiding om de hoogte van deze post op die gronden te verminderen. De rechtbank stelt de post advocaatkosten dan ook vast op € 2.597,27.

Resumé

4.65.

De rechtbank heeft hiervoor de volgende posten vastgesteld:
- € 19.852,90 medische kosten +

  • -

    € 5.242,02 reis- en parkeerkosten +

  • -

    € 8.160,50 verlies arbeidsinkomsten +

  • -

    € 1.156,50 mantelzorg +

  • -

    € 392,-- huishoudelijke hulp +

  • -

    € xxx nog te berekenen verlies zelfredzaamheid +

  • -

    € 784,36 kosten huur tv, opvragen medische info, medisch advies, GBA-controle +

  • -

    € 2.597,27 advocaatkosten +
    € 38.185,55 + xxx

  • -

    € 3.397,26 toegewezen materiële schade in strafzaak door het Hof
    (incl. € 242,02 reiskosten en € 1.197,-- verlies arbeidsvermogen) -
    € 34.788,29 + xxx

  • -

    € 15.000,-- smartengeld +

€ 49.788,29 + xxx

4.66.

In afwachting van de aktewisseling zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

1Zie hierboven 2.3.

2Zie hierboven 2.2.

3ECLI:NL:HR:2010:BM9615.

4Zie hierboven onder 2.4 en 2.6.

5Zie productie 5 bij de dagvaarding (de brief van 31 december 2021, van de oogarts van [eiser] aan de huisarts van [eiser] ).

6Zie productie 7 bij de dagvaarding.

7Zie productie 6 bij de dagvaarding.

8Zie productie 7 dagvaarding.

9Zie productie 5 bij de dagvaarding (de brief van 31 december 2021, van de oogarts van [eiser] aan de huisarts van [eiser] ).

10Zie productie 5 bij de dagvaarding.

11Zie productie 5 bij de dagvaarding.

12Zie productie 7 bij de dagvaarding (de brief van 3 april 2023, van de oogarts van [eiser] aan de advocate van [eiser] ).

13Zie bijlagen 34 en 35 bij productie 8 bij de dagvaarding.

14LJN BE9998.

15Vergelijk Hoge Raad 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360.

16type: MT

 

Rechtbank Limburg 30 april 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:12630